andich2

Aan jou

Sawaki Kôdô Rôshi  

 

(Originele titel: "Zen ni kike" door  Kushiya Shusoku)

 

 

“Wat zit je om je heen te koekeloeren!? Merk je dan niet: Hier gaat het om jou!”

 

“Ik ben ik. Geen vergelijk mogelijk.”

 

“In de wereld draait alles om naaien en vreten.”

 

“Alleen het graf wacht op jou.”

 

Sawaki Kôdô Rôshi (1880-1965) wordt gezien als een van de belangrijkste zen-meesters van de 20e eeuw. Zijn tempel Antaiji wordt vandaag geleid door de Duitse abt Muhô die dit boek met Kôdô’s pregnante en kernachtige wijsheden uit het Japans vertaalde.

 

 

 

 

Inhoud

 

Voorwoord (Uchiyama Kôshô) 

 

1.   Aan jou, rusteloos door andermans blikken 

2.   Aan jou, die denkt geheel trendy te zijn 

3.   Aan jou, daar je de echtelijke ruzies beu bent 

4.   Aan jou, die het leven ineens zinloos schijnt 

5.   Aan jou, die het om geld, geld en geld gaat 

6.   Aan jou, daar je denkt dat de premier speciaal is 

7.   Aan jou, die liever de ander in de schaduw laat staan 

8.   Aan jou, daar je een draai om je oren gehad hebt 

9.   Aan jou, die zijn baan eraan wil geven 

10. Aan jou, die met zazen wil beginnen 

11. Aan jou, die zijn hara wil sterken 

12. Aan jou, die zich afvraagt waar zazen goed voor is 

13. Aan jou, die spiritueel iets bereikt heeft 

14. Aan jou, daar je er alles aan doet satori te bereiken 

15. Aan jou, die te koop loopt met satori 

16. Aan jou, zo trots op wetenschap en cultuur 

17. Aan jou, die maar niet overweg kan met de ander 

18. Aan jou, die geen tijd heeft 

19. Aan jou, daar je van de carrièreladder gedonderd bent 

20. Aan jou, geboeid door spookverhalen 

21. Aan jou, die het aan geld, liefde en status ontbreekt 

22. Aan jou, die zich een beter leven wenst 

23. Aan jou, die zegt dat de bobo’s hoogtij vieren 

24. Aan jou, die de zakelijke bobo’s benijdt 

25. Aan jou, die zich verder wil ontwikkelen met het boeddhisme 

26. Aan jou, daar je graag geestverheffende woorden hoort 

27. Aan jou, die naar zijn zelf vraagt 

28. Aan jou, daar je het boeddhisme als een slimme gedachte ziet 

29. Aan jou, die alleen maar gelooft dat je gelooft 

30. Aan jou, voor wie de Shôbôgenzô een harde noot is 

31. Aan jou, die denkt dat het boeddhisme verheven is 

32. Aan jou, die zoals je bent, al boeddha is 

33. Aan jou, wiens geest geen rust wil vinden 

34. Aan jou, die het om een leven uit zen gaat 

 

Aan jou, ontevreden met jouw zazen (Uchiyama Kôshô) 

 

 

 

Voorwoord

 

Op 8 december 1941, de dag dat de Pacifische Oorlog begon, werd ik door Sawaki Kôdô Rôshi tot monnik geordineerd. Tot aan zijn dood op 21 december 1965, precies 24 jaar lang, stond ik hem ten dienste. Sawaki Rôshi was steeds op reis, maar hij bracht ongeveer een week per maand door bij ons leerlingen in Antaiji om voor vijf en later drie dagen een sesshin (een intensieve zazen-oefenperiode) met ons te oefenen en de Dharma te leren. Tijdens zijn leerredes maakte ik als leidraad voor mijn eigen oefening aantekeningen van zijn doorgaans pregnante uitdrukkingen van de Dharma. Toen de Daihôrinkaku-uitgeverij mij, twintig jaar na zijn dood een publicatie van de notitieboeken voorsloeg, twijfelde ik wegens mijn leeftijd. Gelukkig verklaarde mijn leerling Kushiya Shûsoku zich bereid, de bergen van notities opnieuw te ordenen en uit te geven. De lezer van dit boek zal het opvallen hoe de jeudige elan van Shûsoku voelbaar is in de indeling van de spreuken.

Ik ben met deze indeling uitermate tevreden. En wel omdat iedere, afzonderlijke hier verzamelde uitspraak van Sawaki Rôshi een fascinerende kracht heeft, die verloren zou zijn gegaan als de uitspraken gewoon achter elkaar gezet waren. Geen enkele van deze spreuken verdient het snel overheen gelezen te worden en daarna vergeten, want elke uitspraak heeft betrekking op onszelf. Slechts wanneer we deze spreuken kauwen en herkauwen, openbaart zich de diepere betekenis ervan. De indeling van dit boek staat de lezer toe om zowel het gehele werk te overzien als ook eenvoudigweg een hoofdstuk open te slaan wat hem zelf op dat moment het meeste aanspreekt. Zo zal de lezer langzaam aan ook geïnteresseerd raken in andere hoofdstukken zodat het begrip voor de leer van Sawaki Rôshi stap voor stap uitgebreid en verdiept wordt. Ik hoop door het noteren van zijn woorden u een gevoel van warmte voor de persoon van mijn meester te geven en dat deze woorden uiteindelijk tot uw eigen vlees en bloed worden. Doordat Shûsoku als deel van zijn eigen oefening deze uitspraken zo fris en modern ingedeeld heeft, bent u hier met drie generaties van leraren en leerlingen van de Dharma verenigd. Sawaki Rôshi zou zichzelf het meest verheugd hebben over dit resultaat.

 

Uchiyama Kôshô

 

 

 

 

1. Aan jou, rusteloos door andermans blikken

 

Je kunt nog niet eens een scheet verruilen met je naaste. Ieder van ons moet zijn eigen leven leven. Daarbij hoeven we niet na te denken wie er beter is dan de ander.

 

De ogen zeggen niet: „Onze positie mag dan lager zijn, maar we presteren meer.” De wenkbrauwen weerleggen niet: “Weliswaar presteren we niets, maar daarvoor is onze positie hoger.”

De Boeddhadharma (1) leven betekent spontaan handelen. De berg denkt niet dat hij hoog is. De zee denkt niet dat hij weids en diep is. Spontaal ontvouwt alles zijn volle activiteit.

“De vogel zingt en de bloem lacht geheel spontaan, onafhankelijk van de mens die beneden op een rots in zazen zit.”

De vogel zingt niet om de mens die in zazen (2) zit met zijn lied te bekoren. De bloem bloeit niet, om door de mens om zijn schoonheid bewonderd te worden. En net zo zit ook de mens niet in zazen om “satori”(3) te verkrijgen. Ieder van ons verwerkelijkt gewoon zichzelf, door zichzelf tot zichzelf.

 

Religie is het eigen zelf volledig fris en nieuw leven, zonder daarbij door de een of ander aan het lijntje gehouden te worden.

 

Hey, wat zit je om je heen te koekeloeren!? Zie je dan niet: Het gaat hier om jou!

 

Jouw reet hoeft zich niet ervoor te schamen jouw reet te zijn. Voeten hebben geen aanleiding te gaan staken alleen maar omdat ze voeten zijn. Het brein is niet het allerbelangrijkste. Ook de navel hoeft zich niet in te beelden, de vader van alle dingen te zijn.

 

Het is grappig dat de mensen de premier zeer belangrijk achten. De neus kan het oog net zo min vervangen als dat de mond in kan staan voor de oren. Een ieder heeft zijn eigen identiteit die onovertrefbaar is in het gehele universum.

 

Al wat leeft moet zijn eigen, onovertrefbare identiteit doorleven. We kunnen alleen ons eigen leven leven. Waarom hebben jullie dat toch vergeten? In onze maatschappij zijn slechts weinig goede voorbeelden: Het zo bemoeizieke “gezonde mensenverstand”, het maatschappelijk bewustzijn van de sukkel en de boerenlummel – louter slechte voorbeelden.

 

De confucianisten zeiden in de Tokugawa-tijd (van 1600 tot 1868): “Die Shakyamuni had een hoge dunk van zichzelf! Hij sprak over zijn identiteit, die onovertroffen was in de gehele kosmos.”

Dat is een misverstand: Niet alleen Shakyamuni had een identiteit die onovertrefbaar in de gehele kosmos is, ieder van ons beschikt over zijn eigen, onovertrefbare identiteit. Zonder dat je je ervan bewust bent volgt deze jou overal, maar jij beklaagt je liever over je lot! Deze onovertrefbare identiteit in jezelf tot uitdrukking te laten komen – dat is het beoefenen van de Boeddhaweg.

 

Hou op met jammeren! Hoe kleinzielig beklaag je jezelf omdat de ander het beter heeft dan jou. En zodra het weer een beetje beter met je gaat, zet je gelijk weer een grote mond op.

 

Een religieus leven houdt in zorgvuldig over jezelf te reflecteren en jezelf op grond van deze reflectie te censeren.

 

Sommigen trekken een gezicht alsof alles niets in het geringste ook maar iets met hen zelf te maken zou kunnen hebben.

 

Wie niet van bovenaf op zichzelf kan neerkijken, is ook niet capabel voor geloof of berouw.

 

Er wordt altijd gezegd wanneer de relschoppers problemen veroorzaken, dat het de schuld van het “milieu” is. Maar welk milieu is eigenlijk goed en welk slecht? Is het slecht in rijke omstandigheden geboren te worden? Is het beter arm ter wereld te komen? Het slechtste milieu bezit diegene die als mens ter wereld komt en toch beweert geen eigen identiteit te hebben.

 

Je moet oppassen je niet te identificeren met je ouders, je stamboom of afkomst, alsof je daardoor iets bijzonders bent. Noch je geld, baan of kleding zeggen iets over jou. Leef jezelf, zoals je bent! Religie is je eigen leven naakt en pretentieloos leven.

 

De hele wereld probeert zich groots voor te doen met relaties en bezit. Dat is hetzelfde als je een smakeloos gerecht met het bord probeert te kruiden en daarbij de ingrediënten geheel vergeet. Zo heeft ook de wereld de mens zelf uit het oog verloren.

 

Religie kent geen collectieve verantwoordelijkheid: Je moet het helemaal alleen doen.

 

De doorsneeburger (4) verliest zijn motivatie als niemand naar hem kijkt. Krijgt hij echter aandacht dan is hij zelfs bereid om in het brandende vuur te springen.

 

In de wereld worden eer-oorkondes uitgedeeld, maar wat schuilt daar eigenlijk achter?

Oorkondes leiden tot schijnheiligheid, dat zegt: “Weliswaar wil ik mezelf niet prijzen, maar…”

 

De mensen moeten ophouden te wedijveren over zege en nederlaag.

Ik ben ik. Geen vergelijk mogelijk.

 

Het begint al op school: proefwerken afnemen, punten toekennen, de mens beoordelen naar prestatie en een nummer geven - zo een onzin! Wat betekenen eigenlijk woorden als “belangrijk” en “onbelangrijk”? Is het “belangrijk” een goed geheugen te hebben? Is iemand die een slecht geheugen heeft, automatisch een slecht mens? Zijn er niet veel idioten met een goed geheugen?

Diegenen die de slechtste cijfers krijgen, zeggen: “Bekijk het maar!” – en zien zichzelf als slachtoffer. Zo hebben ze niet in de gaten dat ze daarmee alleen maar zichzelf voor de gek houden.

 

Verheug je niet over de cijfers die anderen jou geven. Sta voor jezelf in. Waarom verheug je je of erger je je over de meningen van anderen terwijl je in werkelijkheid nog niet eens jezelf begrijpt?

 

Ik heb nog nooit iemand geprezen. Want iedereen kent zijn beste kant het best. Zelfs beter dan dat deze eigenlijk is.

 

De kinderen hebben een muis gevangen: Nu spartelt deze in de val. De kinderen vinden het leuk te zien hoe de muis zijn neus tot bloedens toe open schaaft en zijn staart verbijt. Uiteindelijk wordt hij aan de kat gevoerd. Als ik die muis in de val was, zou ik denken: “Jullie vervloekte mensen zullen aan mij geen plezier beleven!” – en ik zou gewoon in zazen gaan zitten.

 

Boeddha zijn is niet om je heen kijken. Als je ophoudt overal om je heen te koekeloeren, zul je eindelijk eens in alle rust je maaltijden kunnen eten.

 

Er is geen reden om naar links of naar rechts te koekeloeren. Maar juist dat hebben de mensen zich al lang geleden aangeleerd.

 

De Boeddhaweg oefenen is niet om je heen kijken. Het is het één zijn met de momentane handeling. Dat is samadhi (5). We eten niet om te schijten. We schijten ook niet om mest te produceren. Maar vandaag de dag schijnt iedereen te denken dat men naar school gaat om zich op de universiteit voor te bereiden en naar de universiteit gaat om een beroep te krijgen.

 

Bodhi-geest (wakkere, verlichte geest) ontvouwen wil zeggen ophouden met om je heen te kijken.

“Moet ik als monnik leven? Of is het beter dat ik het monnikleven opgeef?” – Bodhi-geest ontvouw je als je eindelijk eens ophoudt met rond te tollen en besluit om “de zware last van de Shobogenzo (6) op je te nemen en op elke plek geheel meester van jouw zelf te zijn”. (Citaat uit Daichi Zenji’s Hotsuganmon).

 

Dit lichaam aan de Boeddhaweg wijden, zonder naar links of naar rechts te blikken – op deze manier “ontvouwt zich het verheven, grote, waardevolle leven” (Eihei Kôroku). Boeddha is iemand die niet om zich heen zit te dromen.

 

Jullie “grote mensen” zijn bijzonder: Zelfs om een enkel woord maken jullie grote ophef. Probeer toch eens een baby te beledigen – het zal je niet lukken. Want alleen jij leeft in het waandenkbeeld een zelfstandig individu in de wereld te zijn. En zo breng je jezelf in verlegenheid of in woede.

Blijf linea recta doorlopen!

 

De ijzeren stier is niet bang voor het brullen van de leeuw.”

Dat is logisch, want hij bezit niet de zwakke plekken van de levende wezens.

De man uit hout is als de vogel en de bloem.”(7)

Precies, want ook hij heeft geen enkel bewustzijn van een ik.

 

Mensen schakelen snel: Zien ze een schaduw dan worden ze direct bang. Zien ze een spook slaan ze op de vlucht.

 

Je foetert de hele tijd op de “werkelijkheid” – daarbij is het juist deze “werkelijkheid” die jou voor de gek houdt.

 

Er zijn snuiters die hun hele leven lang niet tot hun eigen levensweg komen.

 

Hou ermee op in het donker verder te strompelen. Ga daar waar je vrij kunt doorlopen. “Ga niet bij nacht. Ga in het licht.” (Keitoku Dentôroku, 15e hoofdstuk) Deze kôan drukt de essentie van religie uit.

 

Waar je ook kijkt, het gaat alleen maar om jou zelf. Er is niets wat jij niet bent. “Help me uit mijn luiheid! Neem me de pijn weg!”- Zo werkt dat niet.

 

Samadhi wil zeggen jezelf en alleen maar jezelf zijn. Zo verwerkelijkt zich jouw eigen natuur, wat de reine en heldere geest  (8) is. Alleen in zazen kun je jezelf zijn en alleen maar jezelf zijn. Want buiten zazen probeer je alleen maar beter te zijn dan de ander of meer plezier te hebben dan de rest.

 

1. Het woord “Dharma” heeft in het Sanskriet de betekenissen “leer”, “wet”, “plicht”, maar ook “ding” of “fenomeen”. In zen wordt het vaak in de combinatie met “Boeddhadharma” gebruikt en betekent zowel de absolute, transcendente waarheid als ook de concrete werkelijkheid van ons dagelijkse leven.

2. Zazen betekent letterlijk “zitten in zen” of “zittende meditatie”. In de traditie van Dôgen wordt dit als “eenvoudigweg zitten” begrepen.  

3. “Satori” is een woord, dat we vaak tegenkomen in zenboeken. Het wordt vertaald als “verlichting” of “ontwaken”, maar bij Dôgen ook als “verwerkelijking” of “realisatie”. Waar het bij Sawaki altijd weer om draait, is dat de zazen-beoefening geen verlichtingservaring tot doel heeft, maar dat omgekeerd de oefening zelf een manifestatie van satori is. Waar Sawaki minachtend over “satori” in de zin van een (vaak slechts imaginaire) verlichtingservaring spreekt, is het woord meestal tussen aanhalingstekens geplaatst.

4. “Doorsneeburger” (Jap. Bonpu) is een centraal begrip bij Sawaki, wat ook vertaald kan worden als “de gewone mens” of als “de mens verstrikt in illusie”. Als Sawaki over de “mensen” spreekt, dan is dit meestal niet bedoeld in humanistische zin als de “meetlat van alle dingen”, maar meer als een wezen die “met een slimme blik in de ogen radeloos in het duister tast”. Ieder van ons is een doorsneeburger, maar we mogen het doorsneeburgerschap niet als excuus gebruiken.

5. Met dit begrip uit het Sanskriet beschrijft Sawaki het proces van één-worden, het opgaan in de handeling van het moment. In sommige meditatierichtingen wordt daarmee een soort van subjectieve trance-toestand bedoeld, maar Sawaki weerlegt nadrukkelijk deze opvatting.

6. Letterlijk “Schatkamer van het Oog van de ware Leer”, tevens de titel van het belangrijkste werk van Dôgen Zenji (1200-1253) waar Sawaki altijd weer op terug zal komen.

7. Beide citaten stammen van de Chinese leek Pang (740-808).

8. Sanskrit Prakrti-prabhasvara-citta, wordt in het Mahayana-boeddhisme in dezelfde betekenis gebruikt als Bodhicitta, de ontwaakte geest (of Bodhi-geest).

 

 

 

2. Aan jou, die denkt geheel trendy te zijn

 

Je hangt je steeds op aan anderen. Eet de één patat, wil jij ook patat. Heeft de één iets te snoepen, wil jij ook iets te snoepen. Speelt de één op een fluitje, smeek jij: ”Mama, koop voor mij ook een fluitje!” En dat geldt niet alleen voor kinderen.

 

Als het voorjaar wordt, laat je je door het voorjaar gek maken. Als het herfst wordt, laat je je door de herfst gek maken. Iedereen wacht er maar op door iets gek gemaakt te worden. Daarmee laten ze zien hoe gek ze zichzelf al gemaakt hebben.

 

Mensen houden van sentiment. Kijk maar eens naar de filmplakaten: Een en al sentiment op de gezichten. Boeddhadharma is geen gehoor geven aan deze gevoelens. De wereld maakt alleen maar een grote ophef om niets.

 

Het is de aard van de doorsneeburger dat hij niets anders wil zien dan de groepswaanzin.

 

Om zelf de held te spelen temidden van de helden is niet erg heldhaftig. De dief zegt tegen zijn zoon: “Met jouw vervloekte eerlijkheid word je nooit een goede dief. Je bent een schandaal voor het dief-zijn!”

 

In de maatschappij van de oneerlijken wordt de eerlijke voor de gek gehouden.

 

Dôgen Zenji (9) zegt: “ Als je een wijze ziet, probeer hetzelfde als hem te handelen.”

Vandaag de dag kijken de Japanners op naar de Amerikaanse schaapskoppen, ze doen ze na en lopen hand in hand over straat.

 

Zodra zich groepen vormen vertroebelt de waarneming en vergeet men wat goed en slecht is. Hij gaat er mij niet om me terug te trekken van de wereld of weg te lopen van de realiteit. Ik weiger om me nog verder te laten indoctrineren. Daarom wordt sinds oudsher gezegd dat je naar je bestemming in bossen en bergen moet zoeken. Deze “bossen en bergen” staan hier voor de ongekleurde, transparante wereld.

 

Laat je door de opwinding om je heen niet zelf opwinden. Laat je niet door je omgeving gek maken: Dat is wijsheid. Laat je door geen filosofie en geen vereniging inpalmen. Hou je niet bezig met sukkels zoals de mens!

 

De mens kijkt slim uit zijn ogen en pretendeert de heerser op aarde te zijn. Terwijl hij nog niet eens weet wat hij met zijn eigen lichaam moet beginnen: Hij kijkt bij de sport alleen maar toe en verzint daarbij als excuus dat alle anderen dat ook doen.  

 

Je leeft in groepswaanzin. En je verwisselt daarbij de waan met de echte ervaring. Je moet jezelf tegen het licht houden en ontwaken uit de waan. Zazen is afscheid nemen van de massa en op eigen benen gaan staan.    

 

Een mens alleen is nog acceptabel, maar zodra de mensen zich groeperen gaan ze zich achterlijk gedragen. Ze vertonen kuddegedrag. Ze zijn zo zeer bezig om in de massa af te stompen dat ze zelfs verenigingen gaan oprichten en contributie betalen. Zazen is afscheid nemen van de groepswaanzin.

 

Het beste is om gewoon in zazen te zitten. Wat je ook verder doet, meestal word je ertoe verleid door de duivel.

 

Massapsychologie is een ongewoon iets: Als je niet weet waaom het gaat moet je gewoon rustig zijn.  Maar in plaats daarvan hang je je op aan de anderen die het net zo goed niet weten. De wereld is een bedrijvigheid van mensen die zichzelf uit het oog verloren hebben.

 

Je doet alles waarvoor de mensen je loven. Je loopt diegenen achterna die geëerd worden. Nooit ben je jezelf. De mensen loven mij? Zo saai!

 

„Duisternis“ is nergens iets vanaf weten. Als je op z’n minst zou begrijpen dat je niets begrijpt – maar zelfs dat wil je niet begrijpen! En ook daarin volg je de groepswaanzin ... Wie zou jou daar nog kunnen helpen?

 

Alles heeft het over het gezonde mensenverstand maar wat wordt daarmee bedoeld? Wil dat niet gewoon zeggen net zo te denken als alle anderen? Zo te denken als dat de groepswaanzin dicteert?

 

Alles wat rang en stand heeft. Met andere woorden: Dat wat de doorsneeburger opwindt.

 

De mensen richten verenigingen op en tellen de leden. Iedere vereniging wordt door de groepswaanzin in stand gehouden. De geldzucht is een vorm van groepswaanzin, de behoefte om belangrijk te zijn een andere. Het duidelijkst verschijnt de groepswaanzin waar zich fracties vormen. Zazen is het ontwaken uit de waan om tot zichzelf en alleen maar zichzelf te worden.

 

Verkiezingen zijn iets raars. Je hoeft alleen maar naar de gezichten te kijken van diegenen die gaan stemmen: Geen enkele heeft echt verstand van politiek of politici. En toch gaan ze allemaal stemmen. Merkwaardig...

 

Een „monnik in lekengewaad“ is een mens van de wereld die zich niet meer bezig houdt met de groepswaanzin.

 

Boeddhisme is een religie die de bloeddruk stabiliseert. De mensen van de wereld gaan uit hun dak: Om het even of ze lekkernijen zitten te schransen of een lege maag hebben, of ze een vrouw of een man zien – ze zijn buiten zichzelf en het bloed stijgt naar het hoofd. Het boeddhisme stabiliseert de bloeddruk, boeddhisme is het bloed dat op een natuurlijke manier circuleert.

 

9. Dôgen Zenji leefde van 1200 tot 1253. Hij werd al met 13 jaar oud tot monnik geordineerd en reisde in het jaar 1223 naar China in de hoop dat zijn twijfel aan de boeddhistische oefening weggenomen zou worden. Hij kreeg in 1227 van zijn Chinese meester Tendô Nyojô de officiële bevestiging van de overdracht van de Dharma en keerde terug naar Japan waar hij de Sôtô-zen school oprichtte.

 

 

 

 

3. Aan jou, daar je de echtelijke ruzies beu bent

 

Tijdens de echtelijke ruzies heb je niet in de gaten dat de ruzie nergens over gaat. Maar in zazen erken je de illusie. Het is belangrijk het leven vanuit zazen te zien.

 

De gelijkstelling van man en vrouw is alleen tijdens de echtelijke ruzies een thema. Als man en vrouw elkaar goed begrijpen is er geen sprake van gelijkstelling.

 

Wat je ook denkt: De gedachte die nu in je hoofd speelt blijft daar niet duizend jaar hangen.

 

De vraag is niet wie er van jullie gelijk heeft. Jullie zien de dingen anders, dat is alles.

 

“”Wie timmert daar jouw folterrad zo ijverig in elkaar? Jij gaat erin zitten en draait het naarstig rond!”

 Waarom kijkt toch niemand over de rand van zijn eigen bord?

 

Het handelen van een en dezelfde mens kan mensenlevens redden en tegelijkertijd ergernis opwekken. Het is dezelfde zon die op oudejaarsavond ondergaat en op nieuwjaarsdag opkomt.

“Als je de ogen opent en het dharmalichaam erkent, dan zie je dat geen enkel ding echt bestaat. “ (Shôdôka) Ook een nietsnut erkent de al-eenheid als hij zijn ware aard ontvouwt.

 

Hou op met te zijn terwijl je zo blijft zoals je bent: Staak het vuren. Zit gewoon!

 

Het begint zodra je “ik” zegt: Alles wat daarna komt is illusie.  

 

Iedereen denkt dat zijn “ik” iets onveranderlijks is. Kort gezegd: Het onbeweeglijke middelpunt waar alles om draait. Iemand zei eens: “Kijk toch eens, alles gaat dood, behalve ik!” Ondertussen is hij allang zelf gestorven.  

 

De oorzaak en het gevolg: Plotseling kruipt de duisternis uit haar slangenhuid.

 

De duisternis wil zeggen dat jij niets begrijpt. Als je niets begrijpt kun je je het beste rustig houden, maar in plaats daarvan gedraag je je als een olifant in een porseleinwinkel. Dat maakt het geheel alleen maar ingewikkelder.

“Mijn hart is als het geluk met de kaarten, het verandert elk moment!”

Er resteert slechts de vraag hoe jij dit hart opruimt.

 

Het leven is een grote tegenspraak: “Heb je gezien wat hij daar gedaan heeft?” Daarbij had je ‘t het liefst zelf gedaan!

 

Het leven is niet zo eenvoudig: Dan is er oorlog en brandt de hemel. Dan geniet je een middagslaapje voor de haard. De ene nacht ben je aan het werk, de volgende zit je aan de drank. De vraag waar het om gaat is: Hoe kun je dit leven naar de Leer van Boeddha richten?

 

Jullie houden van elkaar, maar wie weet voor hoelang? Er waren zelfs stelletjes die zo zeer van elkaar hielden dat ze gezamenlijk zelfmoord begingen om voor eeuwig in de dood verenigd te zijn. De ene helft overleefde en werd kort daarop opnieuw verliefd. De mensen zijn benijdenswaardig…

 

Schoonheid is geen garantie voor een gelukkig leven. Een is zo geliefd bij de mannen dat ze al het derde kind heeft dat zijn vader niet kent.

 

Iedereen heeft het over liefdeshuwelijken, maar is dat niet nogal dubbel? Gaat het uiteindelijk niet gewoon om de penis en de vagina? Waarom zegt niemand dat hij verliefd geworden is op een vagina?

 

Kijk toch eens naar het gezicht van een hond direct nadat hij gepaard heeft. Met een lege blik kijkt hij verloren om zich heen. Zo is het ook bij de mens: Eerst maakt hij zichzelf gek en uiteindelijk stelt het allemaal niets voor. 

 

Een man die niets begrijpt trouwt een vrouw die niets begrijpt en al snel wordt gezegd: “Van harte gefeliciteerd!” Daar begrijp ik weer niets van.  

 

Familie is de plek waar ouders en kinderen, man en vrouw zich op de zenuwen werken, waar man en vrouw gezamenlijk verrotten. 

   

Als een kind niet braaf is wordt er gescholden: “Jij begrijpt ook helemaal niets!” Maar hoe is het eigenlijk met de ouders zelf? Begrijpen die dan meer? Alles tast diep in het donker.  

 

Er wordt gesproken over opvoeding, Maar tot wat worden we eigenlijk opgevoed?

Tot doorsneeburgers, meer niet.

De koe is trots op haar neusring. De pakzadel op de rug vastgemaakt, laat zij zich bij de neus nemen en loeit er ook nog bij. Eigenaardig dat de mens zich genoeglijk hetzelfde laat welgevallen.

 

De mens die in vreugde en lijden, ergernis en geluk maar niet zijn mond kan houden lijkt op de hond die het keffen maar niet kan laten.

 

Als de werelden van vreugde en ergernis, lijden en geluk tot rust zijn gekomen is er niets meer wat er nog te doen valt.

 

Om het even waarheen je kijkt: De levende wezens onderscheiden zich bar weinig.

 

Nog leuker dan te gaan kijken naar de apen in een dierentuin is de vrijlopende mens te observeren.  

 

 

 

 

4. Aan jou, die het leven ineens zinloos schijnt

 

Welk een schande is het als mens geboren te worden en je leven lang alleen maar zorgen te maken! Je moet eindelijk eens inzien dat je blij moet zijn als mens in deze wereld te mogen leven.

 

Geboorte, ouderdom, ziekte, dood – om deze onvermijdelijke feiten kun je niet heen.   

 

Werkelijkheid: Jouw doel moet zijn deze te doorgronden. We mogen niet blijven steken in een voorstelling ervan.

 

Het is opmerkelijk dat geen mens in de wereld serieus over het leven nadenkt. Sinds mensenheugenis draag je iets ongekookts met je mee. Maar je stelt jezelf gerust door je blik te richten op de ander die het net zo vergaat: Dat noem ik “groepswaanzin”. Je denkt dat je zo moet zijn als de ander. Satori is het leven zelf vorm geven. Het is het ontwaken uit de groepswaanzin.    

   

In een deel van Mantsjoerije worden de karren door grote honden getrokken. De koetsier laat een stuk vlees voor de neus van de hond bengelen en de hond rent en rent er maar achteraan in de hoop er een stuk uit te kunnen bijten, maar hij komt er niet bij. Pas op de plaats van bestemming krijgt de hond het stuk vlees voorgeworpen: In één hap slikt hij het door. Net zo vergaat het de mens: Tot de 27e of 28e rent hij het loonstrookje achterna dat men hem voor de neus houdt. Krijgt hij uiteindelijk zijn salaris uitbetaald dan verschalkt hij het in één beet. En rent dan alweer het volgende loonstrookje achterna… 

 

Niemand kijkt over de rand van het bord van zijn leven. Iedereen denkt dat het ergens goed voor is, maar daarbij is het net zo als bij de zwaluwen: De mannetjes verzamelen het eten, de vrouwtjes broeden de eieren uit.

 

De meeste mensen hebben geen gedefinieerde levensinstelling. Ze behelpen zich met provisorische meningen, zoals ze zalf smeren op de verkrampte schouders.

 

De vraag is: Waar zit je toch de hele tijd over te piekeren?

 

Wacht niet je hele leven daarop dat iemand jouw doorsneeburger-verwachtingen vervult!

 

De wereld zegt: Ik wil dit doen, ik wil dat doen … Maar als je het dan echt doet, stelt het niets voor.

 

Je leest de dagvoorspelling in de krant: “Richt uw zorgen aan ons!” Pas op want anders beland je daar nog zelf.

 

Hoe je het ook wendt of keert, in de wereld draait alles om neuken en vreten.

 

De kuikens hebben een regenworm gevonden: Nu vechten ze erom. Bij de mens gaat het net zo.

 

Net zoals de sneeuwlawines steeds groter worden op hun weg richting dal, verstrikken de lijdende wezens in de zes werelden (10) zich dag na dag dieper in hun illusie. Zazen wil zeggen daarmee op te houden.

 

De mensen willen altijd eerst weten waar iets goed voor is. En waar is dat goed voor? Nergens!

 

De ruzie tussen de kat en het paard waar het geluk uit bestaat, schijnt geen einde gevonden te hebben. Vertrouw de waarzeggers niet: Hoe jij je leven moet leven kan niemand voor jou beslissen!

 

Bij sommigen is het geld een valstrik geworden. Hoe zijn ze daar in godsnaam mee omgegaan?

 

De bevrediging waar iedereen naar zoekt wordt afgewisseld door ontevredenheid. Het geluk waar de wereld over spreekt maakt plaats voor het ongeluk.

 

Illusie wil zeggen geen oriëntatie in het leven te hebben. De oriëntatie-lozen verzamelen zich in groepen en de relschoppers beginnen weer te vechten. Geen wonder dat zinloze oorlogen ineens uitbreken.

 

De mens heeft een slimme blik in de ogen – terwijl hij in het donker tast.

 

Als je went aan de verkeerde wereld wordt deze op een gegeven moment normaal voor je. En hoewel het eigenlijk duidelijk is dat het overleven in deze verkeerde wereld vermoeiender is dan zazen, denk jij toch dat zazen moeilijker is dan het leven zelf.

 

Je bent gewend aan het leven: Alleen maar daarom, noem je het “normaal”.

 

Dit lichaam is als een pukkel.

 

Ook bedelaars lachen. Ook miljonairs huilen. Vanwaar al deze ophef?

 

Alle dingen zijn ergens goed voor – dat maakt ze tot illusionaire schuim. Zelfs dat wat wij als zeer belangrijk achten, is slechts een hallucinatie. Alleen dat wat nergens goed voor is, is geen fabricaat: Want daar valt niets te winnen.

Alle dingen zijn relatief. Zelfs de allerbelangrijkste zaak is slechts relatief. Dat wat boven alles uitstijgt, is het absolute.

 

Om als mens het licht van deze wereld te aanschouwen is geen kleinigheid. Hoe bekrompen is het dan je te beklagen dat je geen geld hebt. Of geheel uit je dak te gaan als je fris verliefd bent en dan weer volledig in zak en as te zitten als ze bij je weggaat. Alleen maar om op het eind een neurose te krijgen en in een gesticht te belanden. Omdat je nu eenmaal als mens op de wereld gekomen bent, moet je ook een echt levenswaardig mensenleven leiden.

 

Het boeddhisme leert: “Welk een geluk als mens geboren te zijn!”

 

Samadhi wil zeggen de vraag “Hoe te leven?” steeds in je te dragen.

 

Je denkt dat tevredenheid inhoudt op de bank te luieren of in het thermaalbad te relaxen? Nee: Tevredenheid is doordrongen van vreugdevolle energie, gelatenheid en geluk. Pas als je aan het eind van je zoektocht bent beland, zul je op deze plek van echte gelatenheid, vreugde en geluk doordrongen zijn.

 

Doorsneeburgers worden door hun ronddwalen in de zes werelden gemangeld. Voor hen bestaat slechts liefde of haat, goed of slecht, zege of nederlaag, winst of verlies. Ooit ga je inzien dat uiteindelijk niets ergens goed voor is en zo kom je tot zazen: “Gewoon doen wat nergens goed voor is!”

 

Wij worden “doorsneeburgers” genoemd omdat we in het donker om ons heen spartelen, door verwarring uit het licht getrokken. Wat is deze verwarring? Het heeft geen substantie. Je in de verwarring te verstrikken betekent hetzelfde als: touwtje trekken met de wolken. Zege en nederlaag zijn niets definitiefs en toch huilen we van vreugde als we winnen en van verdriet als we verliezen – zo dom! De substantieloosheid, die reikt buiten zege en nederlaag is de ware verschijning van alle dingen. Een boeddha (Jap. Hotoke) is iemand die de verwarring ontrafelt (Hodoku).

 

Een mens die naar de grond van de dingen kijkt, laat zich niet door maaksels en karma in verwarring brengen. Mensen die de grond van de dingen niet begrijpen, zijn steeds op zoek naar verwarring: Dan worden ze verliefd, dan bedrinken ze zich, dan zitten ze wat te lezen of gaan sporten. Maar altijd slechts half toegewijd om zich steeds maar zelf voor de gek te houden. Ze leven een afwezig leven, weifelende stappen begaan ze op omwegen en verkeerde paden.

De landen in de wereld weten van verveling niet meer links of rechtsom, daarom wordt gezegd: “Ogen links! Ogen rechts! Voorwaarts mars!” En alweer strijden de kinderen om hun speelgoed.

Het hele leven lang hijg je vermoeid. Daarbij weet je nog niet eens waarom je je zoveel moeite doet. Dacht je werkelijk dat je een doel had?

 

Alleen het graf wacht op jou!

 

Gelatenheid zul je alleen vinden als naar de grond van de dingen kijkt.

Als je de dingen begrijpt zie je het universum in één blik, de grens tussen jou en het universum verdwijnt.

 

Je werd geboren zonder te denken.

 

Wij zijn gewoon geboren en we zullen gewoon sterven. Maar jij vraagt naar de zin van het leven. Je vraagt waar zazen goed voor is. Zou je het recht hebben je te beklagen als je vorig jaar gestorven zou zijn? Is het niet van begin af aan duidelijk dat het leven nergens goed voor is? Je moet je overgeven aan het komen en gaan van het leven en alles is goed. Maar dat wil jij niet en dus wordt het leven een probleem voor je.

 

Zo als de entomoloog de insecten in de glazen kasten bekijkt, hoe ze hun voer of elkaar opeten, hoe ze paren of voor zich uit sjirpen, zo worden ook wij bij alles wat we doen door de realiteit onder de loep genomen.

 

10. In het boeddhisme is er de leer van de zes werelden: Hellewezens, hongerige geesten, dieren, vechtende demonen, mensen en hemelbewoners. Dit kan gezien worden als een beschrijving van onze dagelijkse psychologie of als een metafysische theorie waarbij het om de verschillende bestaansvormen in de kringloop van geboorte en dood gaat.

 

 

 

 

5. Aan jou, die het om geld, geld en geld gaat

 

De waardemeter van de mens: Je geeft hem geld en hij begint gelijk te stuiteren.

 

De mens is een onnozele hals: Alles wat hij wil is geld, gezondheid, een carrière en mooie meiden.

 

Je denkt dat het bijzonder is je luxe te kunnen veroorloven? Ik begrijp niet waarom de wereld de rijken benijdt.

 

Ik lach om de rijken die pronken met hun geld. Daarom geven ze me er ook niets van.

 

Vroeger werd een hoop stampij om “geluksvoorspellende hemelsrichtingen” gemaakt. Maar vandaag de dag weten we dat de aarde om de zon draait en laten we satellieten om de aarde draaien. Nu vraagt niemand meer om “geluksvoorspellende hemelsrichtingen”.

“In de verwarring was de wereld een solide burcht, in het ontwaken erken je in elke richting een leer. Oorspronkelijk is er geen oost of west – waar zouden het zuiden en het noorden zich bevinden? “(11)

Er zijn geen “goede”of “slechte” richtingen. Maar gaat het om rijk of arm dan ziet ineens alles anders eruit: Dan denken we weer dat het beter is om rijk te zijn dan arm. Maar weten we nu echt wat beter is? De rijken hebben evengoed zorgen. Zonder geld kun je ook leven. Of ben je soms met een bruidsschat op de wereld gekomen?

 

Geluk en ongeluk zijn niet alleen van geld afhankelijk. Als het bedrag op jouw spaarrekening een maatstaf voor jouw geluk zou zijn dan was het eenvoudig. Maar zo eenvoudig is het niet.

 

Zonder geld heb je problemen. Maar toch moet je weten dat er belangrijkere dingen zijn dan geld. Je denkt voortdurend aan seks. Maar je moet ook weten dat er belangrijkere dingen zijn dan seks.

 

Wie niet zonder geld kan leven is een nietsnut. Ken je dan de wereld niet waarin men ook zonder spaargeld een prachtig leven kan hebben?

 

Zelfs universiteitsprofessoren gaat het alleen maar om hun broodbeleg.

 

Een slappe zak die van zijn baan en maandinkomen leeft!

 

“Werk, werk! Wie werkt krijgt geld. Wie geld heeft, heeft te eten en het gaat hem goed!” In vergelijking tot zulke lege uitspraken heeft zelfs het marxisme nog niveau.

 

De mensen zijn infantiel. Niet alleen maar omdat ze in speelhallen rondlopen. Met nog veel grotere inzetten spelen ze ergens anders om zege of nederlaag, slachten of geslacht-worden.

 

Jouw voorkeuren zijn bekend: Seks en smullen en daarnaast een carrière waarbij je je niet al te veel hoeft in te spannen. Dat nastreven wat je bekoort en weglopen van hetgeen je niet bevalt is niets anders dan ronddwalen in de vergankelijke wereld. Ook een rat begint te rennen als men hem een stroomstoot toedient.

 

Er zijn mensen die zich “genieters” noemen en geen grotere vreugde kennen dan goed te eten.

 

Rijken zijn dom. Wie op zijn geld vertrouwt wordt automatisch dom.

 

Vroeger werd ons op school verteld dat we later veel geld moesten verdienen. Wat ons helaas niemand verteld heeft, is dat geld dom maakt.

 

De rijken zijn rijk want het geld is belangrijk voor ze: Daarom geven ze jou er ook niets van!

 

Sommigen hebben een hoge dunk van zichzelf omdat ze geld hebben. Anderen omdat ze “satori” bereikt hebben. Maar hoezeer je jouw persoonlijke vleesvracht ook opblaast, je wordt slechts des duivels. Het universum komt niet alleen jou persoonlijk toe. De Boeddhadharma begint daar waar jouw eigen hersenspinsels ophouden.  

 

In de wereld draait alles steeds om winst of verlies, plus of min. Maar in zazen gaat het nergens om. Zazen brengt niets! Daarom is het de grootste en allesomvattende kwestie die er is.

“De bloemen die de hemel van mijn hart sieren – ze komen de boeddha’s in de drie werelden toe.” (Dôgen Zenji)

 

11. Deze woorden van Mujaku Dôchû (1653-1744) sieren vandaag de dag naast de bamboehutten van boeddhistische pelgrims ook de urnen van veel Japanners.

 

 

 

 

6. Aan jou, daar je denkt dat de premier speciaal is

 

Alexander de Grote, Julius Caesar en Dzjengis Khan waren grote bandieten. Stalin of Hitler stelden zelfs meesterboeven als Ichikawa Goemon of Tenichibô in de schaduw. Groots stelden ze zich op, maar uiteindelijk ging het hen alleen maar daarom hoe ver ze met hun vermetelheid konden komen. Dat geldt ook voor de schurk Kunisada Chûji (12). Merkwaardig dat deze boevenbazen aanzien genieten – van ons kruimeldieven. Zazen stijgt hierboven uit: Als we zazen doordringen, stoppen we met een dief te zijn.

 

Je vindt jezelf “belangrijk”. De vraag is: Belangrijk voor wie?

 

Het volk heeft zich altijd voor de gek laten houden door de leiders.

 

We presenteren onze eigenaardigheden alsof ze onze ware natuur zijn.

 

Is het je niet duidelijk dat je een dief wordt, zodra je steelt? Vandaag schijnt men te denken dat je niet schuldig bent zolang je niet door de politie bent gepakt, door de inspecteur afgevoerd, en door de rechter veroordeeld en in de cel zit. Ook de meest corrupte politicus vindt zichzelf heel wat, zolang hij alle bewijzen kan laten verdwijnen. Dat laat zien hoe ver de groepswaanzin ons gebracht heeft.

 

Zelfs toen de Chinese troonprins door zijn trouwe gevolg geadviseerd werd, bezat hij vaak genoeg de “wijsheid” om hen voor de gek te houden. Maar dit soort wijsheid heeft niets te maken met de wijsheid van de Boeddhadharma.

 

Ishikawa Goemon was niet de enige dief. Als iemand alleen maar voor de gein steelt, is hij toch een volwaardige dief. Net zo was Shakyamuni niet de enige boeddha. Als je zazen afkijkt van de boeddha, ben je zelf een volwaardige boeddha.

 

We ontwikkelen eigenaardige gewoontes: De machtigen en ook de leraren en intellectuelen die in dienst van de macht werken proberen met alle middelen ons deze eigenaardigheden aan te leren. Ze verwarren en verstrengelen ons op de meest gecompliceerde manieren. Religie moet deze knopen oplossen. Dat wil zeggen: Terugkeren naar de Leer.

 

De heren die zich op hun politieke macht beroepen – ze zijn niet meer dan een stelletje bazige bluffers.

 

Om van te kotsen: De mensen proberen nog met de meest bekrompen maatstaven indruk te maken.

 

Wat door het systeem opgericht wordt, wordt ook weer door het systeem vernietigd. Wat door de politiek gemaakt wordt, wordt ook weer door de politiek afgebroken.

 

De hele wereld probeert slechts de symptomen te verdoezelen – met smeerzalf!

 

Als kind zei men mij dat ik de hoogwaardigheidsbekleders niet in de ogen mocht kijken: “Anders word je blind!” Vol van angst sloot ik de blinden van het raam. Vandaag laat ik me door niemand meer indoctrineren.

 

De een zat voor de oorlog in de gevangenis. Een andere zat gedurende de oorlog in de gevangenis. En weer een andere zit nu in de gevangenis.

 

Een politieagent moet bereid zijn z’n leven te geven tijdens de vervulling van zijn plicht – en dat gedurende de bevelen van een voortdurend wisselende politieke macht. Ik zou dat niet kunnen.

 

Wie het ware doel zoekt in zijn leven wil geen carrière maken. Wie daarentegen probeert minister te worden heeft een gebrek aan levensinzicht.

 

Afgevaardigden en ministers trekken door het land om stemmen te winnen - de idioten! Als mij iemand zou vragen om minister te worden, zou het antwoord luiden: “Hoe dom denk je dat ik ben?”

 

De premier heeft de verkiezingen verloren: En zie, hij treurt. De volgende keer wint hij weer: Dan lacht hij in de camera. Dat is hetzelfde als een huilend kind dat je een snoepje geeft en weldra verschijnt er een glimlach op dat verwende gezicht! Iets meer rijpheid zou niet misstaan.  

 

Wie zich op zijn levensloop beroept, is een loser.

 

Rang en stand zijn het speelgoed van de doorsneeburgers.

 

“Hij is een klasse vent: Twee liter wijn drinkt hij in een teug op!” Wat hier “klasse” genoemd wordt stelt meestal niets voor. Iedere groep heeft zijn eigen maatstaf over wat “klasse” en “niet klasse” is.

 

Dat een uil ook ’s nachts kan zien, is karma. Dat een visotter zo snel zwemt, is karma. Dat vossen diepe holen graven, is karma. Dat een walvis zo groot is, is karma. En dat hij aan de harpoen geregen wordt is ook karma. Hoe goed of slecht dit karma ook mag zijn, het is niets speciaals maar gewoon karma.

Jij bent slim of dom, geliefd of niet geliefd, geschikt of niet geschikt: Dat is allemaal karma en of dat jou tot een minister of bedelaar maakt is ook karma. Als de kater en de tijger ruzie hebben en de tijger wint, wil dat niet zeggen dat de tijger iets bijzonders is: Het is karma. Dat de domme zich door de slimme laat zeggen wat hij te doen en te zeggen heeft, is karma. Maar dat wil niet zeggen dat de slimme beter is dan de domme. Het is gewoon karma. Boeddhadharma heeft daar niets mee te maken.

De mensen jagen voortdurend hun karma achterna. Laat je niet door karma voor de gek houden: Je ziet een leuke meid en je laat je gek maken; je krijgt een bom geld en je laat je beduvelen. Voortdurend laat je je door halfslachtige zaken voor de gek houden. Je niet door karma voor de gek te laten houden wil zeggen te handelen voordat de tijdrekening in gang gezet is.(13)

 

In de wereld wordt alles slechts vanuit het oogpunt van de wakkere doorsneeburger beredeneerd.

 

De mensen interesseren zich voor vreemde zaken: Je hoeft maar een beetje anders te zijn dan de rest en ineens is de hele wereld in je geïnteresseerd.

 

Sommigen zijn zo sterk als een leeuw. Anderen zo lang als een slang. Sommigen zien zelfs ’s nachts zoals een wezel. De een wordt het ene kind na het andere afgenomen en op het eind krijgt ze zelf de nek omgedraaid: Zo vergaat het een kip. De een wordt zijn leven lang uitgebuit om op het eind geslacht en gegeten te worden: Uitgebuit tot op het bot, die arme koe. Anderen hebben het beter: Zijn plek is op de schoot van het vrouwtje, de gelukkige kater. Maar dat alles is slechts karma. Het is goed, noch slecht. Is jouw karma te goed dan donder je op het end nog de hel in.

 

De meesten van ons leven niet op eigen kracht. We laten ons door het systeem vetmesten.

 

De rat graaft naarstig een gat. Dat is zijn karma. Je hoeft daarvoor geen respect te hebben:  “ik zou willen dat ik ook zo ijverig was…” Je hoeft er ook geen bewondering voor te hebben als een ander ’s nachts beter ziet dan jou: Zelfs een kat kan dat nog. Het is helemaal oké als een mens niets ziet in het donker.

 

Je denkt slim te zijn omdat je het examen gehaald hebt? Dat is slechts karma. Dat wil nog lang niet zeggen dat je iets begrepen hebt van het leven.

 

Als je een kleine kat in een tijgerkooi gooit zal deze bang weglopen. Maar de tijger zal hem grijpen en in een hap verorberen. Zowel de kat als de tijger belichamen de zwakheden van ons levende wezens. Alleen de zilveren kat van Saigyô zou het beter afgegaan zijn.(14)

 

Het is zo saai te horen hoe goed jij in alles bent. Jouw bekwaamheden zijn slechts relatief, ze stellen geen moer voor. Dat wat voorbij jouw bekwaamheden gaat is hetgeen waar het om draait.

 

In de loop van de tijd werden ontelbare burchten gebouwd die als onneembaar golden. Maar op het eind gingen de trotse eigenaren in hun eigen burcht ten onder. Hoe dom waren ze eigenlijk? Tokugawa Ieyasu (15) werd een sluwe vos genoemd want hij was slinks aan de macht gekomen. Maar heeft zijn heerschappij eeuwig geduurd? Nee, uiteindelijk was ook hij maar gewoon een sukkel.

Zo een vervelende vent dat die Tokugawa Ieyasu was: Geen enkel spoor van mannelijkheid! Ik zou nooit zoals hem willen zijn. Als iedereen zo zou handelen als Ieyasu, zou de hele wereld alleen maar uit onbetrouwbare kerels bestaan.

 

Neem de vergane en huidige helden in het oosten en in het westen eens onder de loep: Zowel de goeden als de slechten sloven zich af om uiteindelijk te creperen. Met alle kracht in hun leven rennen ze de illusie achterna, die ze op het eind het leven kost.

 

Alles wat leeft is blind voor de waarheid. Dat geldt niet alleen maar voor rockers en relschoppers. Kinderen worden blind voor de waarheid geboren, door blinde ouders opgevoed, door blinde leraren opgeleid en door politici die blind voor de waarheid zijn, voor de gek gehouden – logisch dus dat jij de waarheid niet ziet.

 

Ik kende ooit een grootheidswaanzinnige die zich “Ashiwara Shôgun” noemde. Hij hing zich een kartonnen onderscheiding om zijn nek en deelde verordeningen uit aan de bezoekers van de psychiatrische kliniek waar hij verbleef. Na de oorlog zagen ook wij in dat de militairen precies hetzelfde met ons gedaan hadden. En nu willen ze in Japan opnieuw onderscheidingen gaan invoeren…    

   

In de Japans-Russische oorlog hebben we landerijen bezet. Maar wat hebben we daarmee gewonnen? Na de nederlaag in de Tweede Wereldoorlog hebben we daarmee alleen maar de woede van de Russen op onze nek gehaald.  

   

Iedereen heeft het over de trouw aan het vaderland, de vraag is echter welke richting dat uitgaat. Ook ik ben in vol ornaat de Japans-Russische oorlog in getrokken, maar na de nederlaag in de laatste oorlog zie ik in hoe dom het was wat we daar gedaan hebben. Het beste is om helemaal geen oorlog te beginnen.   

 

Of een enkele Stalin geboren wordt of niet, maakt een verschil uit voor het leven en sterven van ontelbare mensen. De geboorte van een enkele mens maakt een groot verschil. Daarom heeft het feit dat de mens Shakyamuni op de wereld kwam zo een grote betekenis.

 

Oorspronkelijk ben je goed zoals je bent, echter je glijdt af in de verkeerde richting. Want je volgt de verkeerde voorbeelden. De Sôkagakkai (16) bijvoorbeeld belooft je het geluk maar waaruit bestaat dit geluk eigenlijk? Daaruit dat je geld verdient! Maar wat heeft geld met geluk te maken? Deed Shakyamuni geen afstand van paleis en troon om een bedelmonnik te worden? Jij verdwaalt omdat je je door het geluk en ongeluk van de wijs laat brengen.

 

We hebben allemaal een ander karma. Belangrijk is alleen maar dat we allemaal door boeddha op dezelfde manier behandeld worden. “Lichaam-en-geest-afwerpen” (17) wil zeggen ophouden met zich uit te sloven en in plaats daarvan op boeddha te vertrouwen en zich door boeddha vooruit te laten helpen.

 

12. Ichikawa Goemon, Tenichibô en Kunisada Chûji zijn namen van drie meesterdieven die geschiedenis schreven in Japan.

13. Dat wil zeggen in dit moment leven.

14. Saigyô (1117-1190), monnik en dichter, kreeg bij een bezoek aan Shôgun Yoriasa in Kamakura ter afscheid een zilveren beeld van een kat. Direct nadat Saigyô de deur van het Shôgun-paleis achter zich sloot schonk hij de kat aan de kinderen die op de straat speelden.

15. Tokugawa Ieyasu (1542-1616) is de naam van de Shôgun die de gevechten in de Japanse Middeleeuwen won en het Tokugawa-tijdperk (1600-1868) inluidde. De beide Shôguns die Ieyasu voorafgingen bij de poging Japan politiek te verenigen, waren Oda Nobunaga (1534-1582), die op een brutale manier het centrum van het Tendai-boeddhisme op de Hiei-berg verwoeste en Toyotomi Hideyoshi (1536-1598), die de burcht in Osaka bouwde en gezien wordt als een van de belangrijkste figuren in de Japanse geschiedenis. De verschillende karakters van deze drie Shôguns worden in het volgende, fictieve verhaal beschreven: Oda Nobunaga, Toyotomi Hideyoshi en Tokugawa Ieyasu wilden samen naar het lied van een nachtegaal luisteren maar de nachtegaal wilde niet voor hun zingen. Toen zei Nobunaga: “Als hij niet wil zingen zal ik hem doden!” Hideyoshi zei: “Ik zal er wel voor zorgen dat hij gaat zingen!” Waarop Ieyasu zei: “Laten we wachten totdat hij zingt.” In de strijd om de macht in Japan toonde hij het meeste geduld wat door velen als slim of – zoals in het bovenstaande verhaal – als een teken van bijzondere rijpheid gezien wordt, maar wat door Sawaki als onmannelijk en gemeen gezien wordt.

16. De Sôkagakkai (letterlijk: “Waarden scheppende maatschappij”) is een in het jaar 1930 opgerichte Japanse sekte, die zich op Nichiren beroept en die zowel internationaal als ook in de Japanse politiek actief is.

17. Jap. Shinjin-datsuraku, een centraal begrip bij Dôgen, waarmee hij de toestand in zazen uitdrukt. Lichaam en geest zijn voor Dôgen niet te scheiden, vandaar hier de uitdrukking “lichaam-en-geest-afwerpen”. Op twee plaatsen in de Shôbôgenzô legt Dôgen uit:

“De Boeddhaweg doorgronden wil zeggen zichzelf doorgronden. Zichzelf doorgronden wil zeggen zichzelf vergeten. Zichzelf vergeten wil zeggen jezelf in elk, afzonderlijk ding tegenkomen. Jezelf tegenkomen in elk, afzonderlijk ding wil zeggen lichaam en geest van jezelf en van alle anderen laten vallen,”

“Vergeet gewoon jouw eigen lichaam en geest, laat het varen en werp jezelf het boeddhahuis naar binnen. Van boeddha uit gedragen word je, louter door te volgen – en geheel zonder inspanning en geesteskracht – vrij van leven-en-sterven zelf een boeddha.”

 

 

 

 

7. Aan jou, die liever de ander in de schaduw laat staan

 

We vragen ons wie van ons de betere is. Maar zijn we niet allemaal Fushimi-poppen (18), uit dezelfde klomp leem gemaakt?

 

We moeten allemaal op die plek vast verankerd zitten waar er geen “betere”en “slechtere” bestaan.

 

Je hele leven lang maak je je druk omdat je denkt dat er “jou” en “de ander” bestaat. Je doet je dik voor om op te vallen. Maar in werkelijkheid is er geen “jij” en ook geen “ander”. Maar dat zul je pas begrijpen als je sterft.

 

In werkelijkheid zijn er geen grenzen. Welke grens is er tussen “jou” en “mij”? Waarom doen we alsof er een grens is tussen vriend en vijand? Alleen maar omdat we zo zeer aan de illusie van de grens gewend zijn, dat we het met de werkelijkheid verwisselen.

 

Arm en rijk, belangrijk en onbelangrijk – dat alles is niet-bestaand. Het is slechts een fonkeling op het schuim van de golven. En toch zijn er mensen die boeddha vervloeken alleen maar omdat ze pech hebben of omdat een ander gelukkiger is dan zijzelf.

 

Geluk en ongeluk, belangrijk en onbelangrijk, liefde en haat – de wereld maakt er een groot theater van. De ware wereld waarin alles gelijk is: Dat is de wereld van het ondenken (19).

 

Als je eerst eens inziet dat jouw illusoire begrippen en verschillen niet deugen, dan is er niets meer in de wereld waarover je je hoofd of hart breekt.

 

Toen meneer de voorzitter een paar dagen ziek was, haalde zijn mindere hem op de carrièreladder in. Toen kreeg hij pas echt hoge koorts. Daar krijg je toch niet gelijk koorts van…

 

Jij zegt: “Pas op, ik zal het je eerdaags wel laten zien!” Daarbij weet je nog niet eens hoe lang je leeft. Heb je dan niets beters te doen?

 

In het westen zegt men dat de mens der mensen een wolf is. De eerste stap in onze religie moet zijn dat de wolven ophouden elkander te bijten.

 

Al als kind leren we belangrijk te doen. De wereld noemt dat “opvoeding”. En waar gaat het ons dan om? We vechten als demonen, neuken als dieren en vreten als de hongerige geesten. En dat is alles.

 

De hele wereld zwalkt op waggelbenen. We proberen de ander omver te lopen om zelf vooraan te komen. Maar de Boeddhadharma mag je niet zo onfair beoefenen. Boeddhadharma wil zeggen succes hebben in pech. Het is conform de geest van de Boeddhadharma om ”eonenlang in zazen te zitten zonder de Boeddhaweg te bereiken” (Lotussoetra).

 

Je trekt verveeld een lang gezicht als er geen strijd of wedstrijd is. Vandaag wil je voor de weddenschap galopperen. Is het leven dan een paardenrennen? Morgen zwem je als een visotter, wil je sneller dan de ander zijn. Op het laatst vecht je nog om een knot wol, zoals de katten…

 

Als het een keer niet om overwinning of nederlaag, liefde of haat, rijkdom of armoede gaat: Dan kijk je als een soepkip uit je ogen.

 

In de Boeddhadharma gaat het niet om overwinning of nederlaag, liefde of haat.

                              

Menigeen doet zich groots voor met zijn “satori”. Daarbij moge het toch duidelijk zijn dat zich iets voordoen verre van satori is.

 

18. Sawaki refereert hier aan een gedicht van zenmeester Ikkyû: “Ook Saigyô, de koe, de berg en alles, zij worden tot leem op de Fushimi-straat” Op de Fushimi-straat werden de oudste, Japanse kleifiguren (genaamd Fushimi-poppen) in alle mogelijke vormen verkocht.

19. Het ondenken (Jap. Hishiryô) is een centraal begrip in het zenboeddhisme. Zazen wil gewoon zeggen, in “ondenken” te zitten. Maar de vraag wat dit “ondenken” precies betekent, is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Ondenken gaat zowel voorbij het denken als ook het niet-denken. Een wezenlijk kenmerk is dat het denken in het ondenken losgelaten wordt maar dat de gedachten daarbij niet uitgeschakeld worden, echter omgekeerd wordt een vrij spel van de gedachten toegestaan zonder dat de zenbeoefenaar zelf door het spel van de gedachten gevangen gehouden wordt. Alternatieve vertalingen voor het “ondenken” zijn: “Het loslaten van de gedachte”, “voorbij de gedachte” of “vrije gedachte”. Dôgen: “Zit onbeweeglijk als een machtige berg in concentratie en denk op grond van het niet-denken. Hoe denkt men op grond van niet-denken? Laat deze gedachte los (Hishiryô)!”

 

 

 

 

8. Aan jou, daar je een draai om je oren gehad hebt

 

Knijp jezelf eens in je wang: Is al die ophef over vreugde en verdriet, de stress van het eigen gewin en verlies het waard?

 

Iedereen denkt alleen maar aan zichzelf: “Dat was goed!” Goed voor wie? Het was alleen maar goed voor jezelf en dat is alles.

 

Wat sloopt de mens zo? Het is de voortdurende hectiek om het eigen, kleine voordeeltje dat ons zo sloopt.

 

“Illusie” wil zeggen instabiel zijn. “Illusie” wil zeggen beheerst te worden door de situatie.

 

Wie veel wensen heeft wordt gemakkelijk bij de neus genomen. Bij iemand die geen wensen heeft, kan zelfs de grootste bedrieger zijn slag niet slaan.

 

Het boeddhisme leert: “Geen ik”, “niets te winnen”. Je moet één zijn met alle levende wezens in het universum.

 

“Geen ik” wil zeggen de mensen niet de rug toe draaien.

 

Alle mensen vergissen zich: Dat wat wij als geluk bestempelen is ongeluk en we treuren om het ongeluk dat helemaal niet bestaat. Zie het kind wier lach de tranen opdroogt zodra het een koekje krijgt. Wat jij als geluk bestempelt verschilt in niets van de vreugde over dit koekje.

 

Jij zegt: “Ik heb het met mijn eigen ogen gezien, met mijn eigen oren gehoord!” En vervolgens doe je alsof dat de grootste zekerheid is die er bestaat. Maar deze ogen en ogen kun je niet vertrouwen. Allen worden door hun ogen, oren, neus, tong, lijf en brein bedrogen. Allen spreken van geluk en ongeluk, maar wat jij als geluk en ongeluk ziet is niet belangrijk.

 

Laat je niet door je eigen visie van persoonlijk gewin en verlies voor de gek houden.

 

Alle mensen lopen in een kring, geheel uit het evenwicht gebracht. De Boeddhadharma daarentegen leert ons een evenwichtige houding aan te nemen.

 

Natuurlijk zijn er in de wereld van mens ook uitzonderingen. De zwakheid van de mens bestaat er alleen maar uit om nog meer ophef te maken van deze uitzonderingen. Ze maken veel meer poeha dan nodig is.

 

Er zijn figuren die bij de voorbereiding van een examen spieken. Daarom moeten ze ook bij het echte examen spieken anders redden ze het niet. Ze gaan zo ver in hun idioot gedrag dat ik bijna respect voor ze krijg. Maar als we er eens goed naar kijken, vinden we dit idioot gedrag overal op de wereld.

 

Het is vaak moeilijk om maat te houden bij het drinken. En al helemaal als het de wijn zelf is die de wijn drinkt. Met de illusies in de wereld gaat het net zo als met de wijn die de wijn drinkt – we hebben het niet meer onder controle.

 

Leg eens alles naast elkaar neer en vergelijk de honderdduizend mogelijkheden die allemaal nergens toe leiden: Dit leidt tot een impasse, dat leidt tot een impasse. Welke richting je ook uitgaat je blijft steken. Gooi nu eens alles weg wat tot de impasse leidt: Wat rest er dan nog? “Een mens met grote innerlijke rust, voorbij leren en doen.” (Shôdôka)

 

 

 

9. Aan jou, die zijn baan eraan wil geven

 

Jou staat iedere richting in het leven open: Ga voort, naar het oosten, het westen, noorden en zuiden!

 

Wat in het handelen van de mens niet herhaald kan worden is het belangrijkste. Wat herhaalt kan worden, kan beter aan robots overgelaten worden.

 

Het leven loopt niet op rolletjes.

 

Het lied van een vogel kent geen mineur of majeur. De Leer van Bodhidharma past niet op een muziekblad, want deze is grenzeloos weids. Als je probeert deze te fixeren grijp je in de leegte. De Boeddhaleer is geen gedroogde kabeljauw. Nee, een springlevende vis laat zich niet grijpen.

 

In het soldatenhandboek staat dat men in de oorlog op duizend verschillende situaties voorbereid moet zijn. Dat geldt niet alleen voor de oorlog: Ook voor het normale leven is er geen sjabloon. Wie probeert het leven volgens een sjabloon te leven, is een loser. Ook bij een rechtzaak is het gevaarlijk als alles volgens het sjabloon verloopt.

 

“De wilde ganzen laten geen sporen na, maar waar ze ook heen vliegen ze raken nooit de weg kwijt” (Gedicht van Dôgen Zenji)

Op de weg van een vogel zijn er geen sporen. Daarin verschillen ze van een stoomlocomotief die op rails rijdt. Of ook van het pad van een os.

 

Leven we het leven niet van moment tot moment? Waarom probeer je het leven te analyseren en systematiseren om het uiteindelijk in de la op te bergen?

 

Het trieste aan de mens is dat hij geen stap buiten zijn gewoontes durft te zetten.

 

Een prutser doet alles volgens de handleiding.

 

Je verliest de grote richting omdat je je blik alleen maar op kleinigheden fixeert: Je koopt spullen die je niet nodig hebt alleen maar om het lot dat je aan de kassa voor niks krijgt, in de hoop de grote prijs te winnen!

 

Oorspronkelijk betekende studie inzicht krijgen in het eigen leven. Vandaag de dag is daaruit een kwalificatie voor het beroepsleven geworden.

 

Wat je ook in dit leven bewerkstelligt, als de dood je voor ogen staat is er niets meer: Je sterft naakt.

 

Is datgene wat de wereld “goed” of “slecht”, “waar” of “onwaar” noemt, niet allemaal om het even?

 

Toen de Hôjô-clan de Chihaya-burcht van Kusunoki Masashige (20) bestormde, vielen er ook soldaten aan de Hôjô zijde. Ze noemden dat een “eervolle dood”. Anderen daarentegen dichtten:

“Voor roem en eer zijn jullie gaarne bereid je leven te geven, maar gaat het om de Dharma dan zijn jullie zuinig op het leven!”

 

Uiteindelijk heb je geen keus: Je moet loslaten!

 

Je moet op stevige benen staan – uit welke richting de wind ook waait.

 

Is het dan niet duidelijk dat het grootste geluk daaruit bestaat te doen wat van je gevraagd wordt?

 

De tijd van je leven niet verkwisten wil zeggen op het juiste moment op de juiste plek zitten. Je mag dit moment niet mis lopen.

 

Jouw leven mag geen gevecht zijn waarin je je terugtrekt en zolang ervan wegloopt totdat er geen plek meer is om je te verstoppen. Daichi Zenji drukt zijn levenswijze geheel anders uit: “Ik ben een nietsdoener die zich het hele universum eigen gemaakt heeft!”

 

“Op dit punt beland kan ik de wereld eindelijk achter me laten!” – Als je dit besluit neemt, heb je het monniksleven bereikt. Deze instelling brengt je tot zazen.

 

Je kunt nergens van op aan. De waarde van de dingen veranderen. Dit inzicht bewoog Shakyamuni af te zien van de koningstitel, zijn vrouw en zoon te verlaten en monnik te worden.

 

20. Op het eind van de Kamakura-periode (1185-1333) organiseerde de Japanse keizer Godaigo een leger dat tegen het Shôgunaat van de Hôjô’s in Kamakura streed en dat tot voor zijn loyaliteit bekend staande Kusunoki Masashige behoorde. Het leger liet het Shôgunaat vallen, maar in de slag om de Chihaya-burcht verloor Kusunoki van een overmacht van als rebellen bestempelden Hôjô-strijders.

 

 

 

 

10. Aan jou, die met zazen wil beginnen

 

Alles mogelijke wordt door de wereld als “geluk” bestempeld. Maar welk geluk kan groter zijn dan ons achterste op een kussen te plaatsen en zazen te mogen beoefenen?

 

Die het bij een of andere sekte beter uitkomt, die kan het beter daar proberen. Alleen als je echt zazen wilt beoefenen moet je het ook doen.

Waar is zazen goed voor? Zazen is nergens goed voor! Dôgen Zenji wilde geen aanhangers. Hij vergeleek ze met “kikkerdrillen en regenwormen”. Een draak die alleen is blijft toch een draak. Een olifant is een olifant. Daarom worden zenmonniken ook draken en olifanten genoemd.

 

Er waren eens vijfhonderd apen die vijfhonderd boeddhistische heiligen dienden. Op een dag besloten de apen de heiligen na te apen: ze beoefenden zazen met dezelfde uitdrukking in ogen, dezelfde uitdrukking in het gezicht en met dezelfde lichaamshouding. Vanaf die dag zaten duizend heiligen gemeenschappelijk in zazen en verwerkelijkten daardoor gemeenschappelijk satori. Ook ik heb me voorgenomen het erfgoed van zazen te bewaren – al is het door nabootsing.

 

Als je zazen beoefent ben je volkomen nieuw: Jij zelf.

 

Als je zen beoefent gaat het om jou zelf, hier en nu. Zen mag geen oppervlakkige babbel worden waar jij verder niets mee te maken hebt.

 

Direct naast de zazenhal van de Komazawa-universiteit is het baseballveld: Als je tijdens zazen naar de cheerleaders luistert die voor de wedstrijden hun vaardigheden instuderen, begrijp je goed hoe zeer sommigen hun eigen leven verwaarlozen.

 

Zazen is de boeddha die jij uit je rauwe vlees vormt.

 

De beoefening van eenvoudigweg zitten (Shikantaza (21)) is het hoogste dat jij uit het rauwe vlees van een doorsneeburger kunt halen.

 

Het Chinese schriftteken voor “heup” bestaat links uit het teken voor “vlees” en rechts uit het teken voor “het wezenlijke”. In zazen is het wezenlijk dat eerst de heupen vast op het kussen verankerd zijn.

 

In zazen verankeren we de heup in de aarde en stoten we met de kruin door de wolken.

 

Als geluiden van vreugde, ergernis, verdriet of geluk op de plek van zazen doordringen, slaan de golven hoog en dringt zazen niet door tot ons vlees en bloed.

 

Wie zich in slecht gezelschap begeeft die zoekt in zazen naar een stimulatie voor zijn prikkels. In zazen moeten we onze prikkels zo weinig mogelijk stimuleren en moeten we helemaal niets bijzonders beoefenen.

 

We kunnen met hetzelfde lichaam dat een middagslaapje houdt ook zazen beoefenen. Het lichaam dat zazen beoefent kan ook een middagslaapje houden.

 

Het is bijzonder dat we hier een dag gemeenschappelijk zazen beoefenen. Bijzonder is het ook dat anderen deze dag bij de hoeren doorbrengen: Bijzonder dom.

 

Als het avondeten nuttigt om daarna te gaan inbreken, dan eet je een inbrekersmaaltijd. Als je eet om daarna naar de hoeren te gaan dan eet je een hoerenmaaltijd. Als je eet om zazen te beoefenen dan is dat de maaltijd van de Boeddhaweg.

De vraag is: Waarom eet je?

 

Als we hier in Antaiji de futons (Japanse matrassen) vervangen en als de bordeelmoeder in haar huis de futons vervangt, dan is dat niet hetzelfde. De bordeelmoeder gaat het erom klanten te lokken en geld te verdienen, ons gaat het erom dat de mensen die voor de zazen komen geen kou vatten. Wie naar zazen komt, is een boeddha: Hij moet ook op de futon van een boeddha slapen.

 

Eten om zazen te boefenen. Slapen om zazen te beoefenen. Zo worden ook het eten en slapen deel van zazen.

 

Als je denkt dat je naast zazen ook nog moet zorgen voor je levensonderhoud, dan hou je ineens op met zazen en zegt: “Werk is ook zen, zitten is ook zen.” Denk je omgekeerd dat je tegen elke prijs zazen moet beoefenen, dan is voor jou alleen nog maar het zitten zen en alles andere heeft niets meer met zazen te maken.

 

Onze oefening behoort aan geen enkele boeddha buiten zazen toe. Zazen bevrijdt ons doorsneeburgers en alle lijdende wezens, door ons rauwe vlees om te vormen tot zazen.

 

Omschakelen van leven en dood op de Boeddhaweg: Dat is zazen. In de Shôdôka wordt daarover gezegd: “Een stap verder gaan om direct op de plek van de Tathagatha aan te komen”. En in de Shôbôgenzô Butsudô staat: “Zazen is niet de Dharma van de vergankelijke wereld, het is de Dharma van boeddha’s en patriarchen.”

 

Over de Boeddhadharma wordt alleen tussen boeddha en boeddha uitgewisseld, niet tussen boeddha en de doorsneeburger. Daarom wordt in de Lotussoetra gezegd: “Alleen een boeddha en een boeddha kunnen het doorgronden.” Men spreekt ook over de “gemeenschappelijke geest van boeddha en boeddha”. Deze verwerkelijkt zich uitsluitend tijdens het kaarsrechte zitten voor een muur.

 

Ons zazen is als het ontwaken uit de winterslaap in een geheel nieuwe wereld.

 

Zazen kun je ook bestempelen als de terugkeer naar de baarmoeder. Dat is geen “werk”.

 

Iedereen is zo bezig met calculeren dat men niet meer voor- of achteruit weet. Ophouden met calculeren is zitten in zazen.

 

Zazen wil zeggen de hallucinaties van de mens opgeven.

 

Zazen is de belichaming van datgene wat niet te verwoorden is.

 

Door zazen zet je datgene in oefening om wat zich niet laat denken met gedachten.

 

Jouw zazen doordringt hemel en aarde, het belichaamt het oord van grote bevrijding.

 

Zazen is de schakelaar van de Dharma waarmee je het licht van het hele universum ontsluit.

 

Samadhi wil zeggen: Datgene wat het hele universum vult in ieder, enkel ogenblik, bij iedere, afzonderlijke handeling in praktijk brengen door in dit moment volledig op te gaan.

 

Iets “gewoon”doen wil zeggen het nu volledig doen. Nu direct. Verkwist niet de tijd van je leven!

 

“Ik en alles wat leeft op de aarde verwerkelijken de Weg gemeenschappelijk.” (Shakyamuni Boeddha)

In de Boeddhadharma wordt dit niet met politieke macht doorgevoerd. Jij zelf moet het verwerkelijken. Als je zit moet je één zijn met Truman, Stalin en Mao. Een zit voor allen, allen zitten voor één.

 

De reusachtige wereld is niet iets wat god gemaakt heeft. Deze bestaat door causale wisselwerking. Bij boeddha volgt uit een onmeetbare reden een onmeetbare werking. Denken op grond van het ondenken: Zo verwerkelijkt zich boeddha. Vaak wordt gezegd dat zen ongeest (22) betekent. Maar deze ongeest betekent onmeetbaarheid en onmeetbaarheid betekent niet het niet-meetbare in tegenstelling tot het meetbare.

 

Alle “goede daden” volgt het bewustzijn: “Dat was ik!” Alleen een zazen dat niet meer “ik” zegt, is echt.

 

Zit in zazen met de intentie te verhongeren. Ga er niet vanuit dat je altijd iets te eten zult hebben zolang het rad van de Dharma draait. Nee, omgekeerd: Zolang jij het rad van de Dharma in beweging houdt, maakt het helemaal niet uit of je te eten hebt of niet.

 

Als het om jouw wereldse gevoelens gaat heeft dat niets te maken met zen. De Boeddhadharma kent geen voorkeursbehandeling, die maakt zich niet druk om jouw menselijke voorkeuren.

 

“Die zitten daar allemaal met het gezicht naar de muur – waar is dat goed voor? Wat is zazen toch een onzin!”

Zo ziet het uit in de ogen van de alledaagse mens.

 

Wat heb ik aan zazen? Deze vraag slaat nergens op. Wat heb jij nu aan de uitvinding van de teevee gehad? En wat heb je eraan geboren te zijn? Alles is nergens goed voor.

 

Als de mensen mij vragen waar zazen goed voor is, dan zeg ik dat het nergens goed voor is. Maar dan trekken ze een lang gezicht en geven op. Maar wat heeft het voor nut dag in, dag uit op zoek te zijn naar bevrediging? Wat levert ons een kansspel op? En wat het dansen? Waarom maken we ons druk om overwinning of nederlaag tijdens het baseball? Het is allemaal nergens goed voor! Daarom kan niets turnen aan het stilzwijgende zitten in zazen. Dat iets “nergens” goed voor is, wil in de wereld alleen maar zeggen dat het geen geld in het laatje brengt.

 

Vaak wordt mij de vraag gesteld hoelang men in zazen moet zitten om resultaat te verkrijgen. Zazen kent geen resultaten. Aan zazen heb je helemaal niets.

 

De laatste tijd is zen booming. Iedere krant schrijft erover. Maar wat lees ik? De een vertelt wat de ander hem en passant over zen verteld heeft en weer een ander heeft het zelfs over een weekseminair met gegarandeerde “kenshô” (23). Het probleem is dat diegenen die nog nooit iets van zen vernomen hebben zich zo iets op de mouw laten spellen.

 

Wie niet over een duidelijke boeddhistische levensinstelling beschikt kan beter zijn vingers van de zazenoefening laten.

 

In onze school is er geen boeddha buiten zazen zelf. Het loslaten van de gedachte verwerkelijkt het lichaam van de Dharma. Het feit dat het zich “zonder oefening niet verwerkelijkt, zonder ontwaken je niet eigen wordt” (Bendôwa) is het lichaam van ontwaken. “Werken is zen, zitten is zen, in spreken en zwijgen, beweging en rust vind je vrede.” (Shôdôka) - dat is de expressie in het dagelijkse leven.

 

Alleen nenbutsu (24) dat op een stabiele geest berust, is echte nenbutsu. Alleen zazen dat op een stabiele geest berust, is echte zazen. Als je nenbutsu beoefent omdat jouw geest geen zekerheid bezit, dan is dat geen nenbutsu. Als je zazen beoefent omdat jouw geest geen zekerheid bezit, dan is dat geen zazen. En bij het eten is het de oefening van een boeddha om op een onovertroffen manier van eten de maaltijd te vervolmaken.

 

21. Het eenvoudigweg zitten (Jap.: Shikantaza, ook wel vertaald als “Alleen-maar-zitten”) is de kwintessens van Dôgens leer. Shikantaza wordt niet met het doel beoefend een satori-ervaring te verkrijgen maar veel meer wordt het zitten zelf als uitdrukking van satori beoefend. Uchiyama Kôshô verklaart deze oefening in een hoofdstuk achterin dit boek (“Aan jou, die ontevreden is met zijn zazen”).

22. Net zoals “ondenken” betekent ook de “ongeest” (Jap.: Mushin) geen ontkenning van de geest, maar de geest waarbij aan niets vastgehouden wordt. Het is een volkomen vrije en open geest die zich door niets gevangen laat houden.

23. “Herkenning van de ware aard”, vaak dezelfde betekenis als een subjectieve (mis)verstane satori.

24. Nenbutsu (letterlijk: “contemplatie van boeddha”) is een in Japan ver verbreidde boeddhistische oefening, die voornamelijk in de Jôdô- en de Jôdô-Shin school beoefend wordt. Daarbij herhaalt de beoefenaar aan één stuk door de naam van Amithaba Boeddha: “Namu-Amida-Butsu, Namu-Amida-Butsu, Namu-Amida-Butsu.” Hoewel deze oefening in het zen-boeddhisme weinig voorkomt, bedient Sawaki zich er graag van om een parallel met zazen te trekken: Zoals diegene die de naam Boeddha aanroept dit niet uit eigen kracht doet, maar veeleer het aanroepen aan Boeddha’s kracht zelf overlaat en op deze manier één wordt met nenbutsu en met boeddha, zo mag ook zazen niet uit eigen kracht beoefend worden. Veleer moet het zazen zelf zijn dat gebruik maakt van ons lichaam om zazen te beoefenen.

 

 

 

11. Aan jou, die zijn hara wil sterken

 

Sommigen denken: “Door zazen sterk je je hara (plek onder de navel)!” Als je inziet dat deze “hara” in werkelijkheid geen reet voorstelt, dan heb je echte hara. Dat is zazen.

 

Er zijn mensen die met zazen hun hara willen sterken. Die kunnen zich beter met Sake (rijstwijn) moed indrinken en de deurwaarder met een luide schreeuw het huis uit jagen.

 

Er zijn boeken als “Zen en de kunst jouw hara te cultiveren.” Deze “hara-cultuur” is niets anders dan jezelf voor de gek houden.

 

Sommigen proberen middels zazen hun ego onverschilliger te laten worden.

 

Echte hara ontwikkelen wil zeggen jouw persoonlijke attitudes vergeten.

 

Als er ook maar een glimp van je persoonlijke beslommeringen zichtbaar is dan is dat geen onvervalste, pure zazen. Je moet pure zazen beoefenen zonder het te associëren met gezondheidstraining of satori of iets dergelijks. Als je ook maar iets van je persoonlijke inzichten toevoegt, is er geen sprake meer van de Boeddhadharma. 

 

Boeddhisme wil eenvoudigweg zeggen: “Geen ik”. ‘Geen “ik” wil zeggen dat “ik” geen individueel subject ben. Als “ik” geen individueel subject ben, dan omvat ik het hele universum. Als ik het hele universum omvat wil dat zeggen: Alle dingen zijn uitdrukking van de waarheid.

 

De onvervalste Dharma betekent: Niets te winnen. De verkeerde Dharma betekent: iets winnen. Daarom moet je zo veel mogelijk verliezen.

 

Als je zazen beoefent terwijl je je door gevoelens van geluk, ergernis, verdriet of vreugde laat beheersen, dan zullen deze gevoelens tijdens zazen als een enge geest spoken.

 

Je mag noch de Boeddhadharma (buppô), noch een geweer (teppô) meenemen naar zazen. En een vrouw al helemaal niet (nyôbô).

 

De Boeddhaweg houdt in: Niets te zoeken, niets te vinden. Als er iets te vinden valt, heeft dat niets te maken met de Boeddhadharma, hoezeer je ook je best doet tijdens de oefening. Waar niets te vinden is, precies daar is de Boeddhadharma. Waar je naar grijpt zul je verliezen.

 

Rijkdom bestaat daaruit nergens naar te grijpen. Het licht omdraaien en terug reflecteren: Als we een stap terugdoen, zien we dat er niets te grijpen valt. Niets om na te lopen, niets om voor weg te lopen. De manifestatie van de waarheid ontstaat niet en vergaat niet, is rein noch bevlekt, neemt niet toe en niet af.

 

De monnik Yakuzan beoefent zazen. Dan vraagt hem zijn leraar, grootmeester Sekitô: “Wat ben je aan doen?”

“Ik ben helemaal niets aan het doen.”

“Als je helemaal niets aan het doen bent, dan ben je aan het nietsnutten.”

“Als ik aan het nietsnutten was, dan was ik iets aan het doen. Ik ben niets aan het doen.”

“Je zegt dat je niets doet. Wat is dat, dat je niets-doet?”

“Zelfs duizend wijzen kunnen het niet bij naam noemen.”

Niets is zo stil en verheven als zazen dat zelfs duizend wijzen het niet bij naam noemen kunnen – zoals Yakuzan het beoefent en grootmeester Sekitô het prijst.

Vandaag de dag zijn er meesters waar je voor een aardige som geld een week lang kunt zitten, met garantie op “kenshô”. Dat heeft natuurlijk niets met zazen te maken, waarover Yakuzan zei: “Zelfs duizend wijzen kunnen het niet bij naam noemen.” Als je op de plek zit die zelfs duizend wijzen niet bij naam noemen kunnen, dan beoefen je het eenvoudigweg zitten (Shikantaza).

 

Vandaag de dag wordt veel over zazen gepraat. De vraag is echter: Wat wil je met jouw zazen bereiken? Sommigen spuwen in hun handen om hun hara te cultiveren of om een sterkere persoonlijkheid te worden. Op het eind pochen ze met hun “satori”. En inzake de kôan-oefening beweren de kleine monniken dat het slechts iets is voor “knappe koppen”.

Zo ziet de Boeddhadharma uit vanuit het perspectief van doorsneeburgers. Maar de Boeddhadharma is geen Dharma voor doorsneeburgers. Je moet de Boeddhadharma vanuit de ogen van de Boeddhadharma zien. Alleen dan wordt zazen tot precies die zazen, dat zelf zazen beoefent – en dat is zeer zeldzaam.

 

Er zijn kerels die beoefenen zazen als ontwikkeling. Dat is niets anders dan schmink.

 

We zijn hier geen voortgezet onderwijs. Wat we proberen is een schone lei met onszelf te maken. Daar valt niets te winnen. Het gaat erom zowel de illusie als ook de wijsheid gelijktijdig te verliezen.

 

Als doorsneeburgers bijzondere mensen worden: Dat heeft niets te maken met de Boeddhadharma.

 

Zazen begint daar waar het ellebogenwerk ophoudt.

 

Je zwemt elke ochtend in koud water? Nou en: Een goudvis doet dat ook. Je bent gestopt met roken? Oh ja? Mijn kat rookt ook niet. Wat je je ook inbeeldt van jouw achterna- of weglopen: Het is niets anders dan de karmische roerselen van de vergankelijke wereld.

 

Zazen vleit je niet. Maar het haalt je ook niet omlaag.

 

Ware religie is de onopgesmukte wereld.

 

Alles is goed zoals het is. Zit daar niet aan te prutsen.

 

Allen denken dat ze nog iets moeten toevoegen aan hun zazen of nenbutsu. Nee, je hoeft niets toe te voegen.

 

Hoe uitzonderlijk en mystiek jouw ervaringen ook mogen zijn, ze zullen niet jouw leven lang blijven bestaan. Vroeger of later verliezen ze hun smaak.

 

Doorsneeburgers kicken op wonderen en magie: Ze zijn gek op hocus pocus.

 

Doorsneeburgers houden van nature niet van oefening, ze zijn slechts op zoek naar “satori”. Ze willen geld verdienen, zonder te werken. Daarom staan ze in de rij voor een loterijlot. Ze willen niet de ware Dharma daarom wijken ze uit naar nieuwe sektes die hen de hemel op aarde beloven.

 

Je blijft aan “satori” hangen, je blijft aan geld hangen, je blijft aan status hangen, je blijft aan seks hangen. Boeddhadharma wil zeggen: Rechtuit doorlopen!

 

Zazen is een volwassen houding – geen infantiele houding.

 

 

 

 

12. Aan jou, die zich afvraagt waar zazen goed voor is

 

Wat brengt ons zazen? Helemaal niets!

Zolang dit “helemaal niets” niet tot het bot doordringt dat wij inderdaad “helemaal niets” aan het doen zijn, zo lang brengt het ook echt niets.

 

Met volle inzet dat doen wat nergens goed voor is: Is dat niet het proberen waard?

 

Sommigen zeggen dat ze zazen willen uitproberen om een beter mens te worden. Een beter “mens” worden door zazen … zo een onzin! Hoe kan de “mens” ooit iets beters worden?

 

De mensen beweren: “Door zazen wil ik een beter mens worden!”

Zazen is geen opvoeding voor het mens zijn. Zazen is ophouden mens te zijn.

 

Men zegt: “Zen is het hebben van een lege geest hebben, toch?”

Een lege geest heb je alleen als je sterft.

 

Anderen denken dat door zazen alles beter wordt. Flauwekul! Zazen wil zeggen “beter” en “slechter” vergeten.

 

Je krijgt geen fooi voor jouw zazen.

“Zo lang als de dag voor een kind is, zo stil is de berg waar de eeuwigheid door spreekt.”

 

Zazen is onbevredigend. Onbevredigend voor wie? Voor de doorsneeburger – het is de doorsneeburger in ons die niet tevreden gesteld wordt.

 

In onze school is zazen niet sensationeel. Doorsneeburgers zoeken steeds naar sensatie: Sport en kansspelen, paardenrennen … Waarom is dat zo populair? Het is de sensatie tussen “winnen” en “verliezen”.

 

Spreekt het niet voor zich dat datgene wat bovenmatig en grenzeloos is, de begeerten van de mens niet kan bevredigen?

 

Hoe zou dat wat het hele universum vult, ooit tevredenheid in de kleine wereld van de doorsneeburger brengen?

Onbevredigend: Gewoon zazen beoefenen.

Onbevredigend: Zazen belichamen.

Onbevredigend: Zazen tot op het bot doordringen.

 

Door zazen bekeken, door zazen uitgescholden, door zazen de weg versperd, door zazen meegesleept en elke dag tot bloederige tranen vergoten: Is dat niet de gelukkigste manier van leven die men zich kan voorstellen?

 

Iemand vraagt: “Ik kan begrijpen dat wij tijdens zazen boeddha’s zijn. Wil dat zeggen dat we alleen doorsneeburgers zijn als we geen zazen beoefenen?”

Is iemand alleen op dat moment een dief als hij iets steelt en geen dief als hij even niet steelt? Als je eet om te stelen en als je eet om zazen te beoefenen – is dat hetzelfde of is dat anders? Wie eenmaal steelt, wordt daarna door niemand meer vertrouwd. Wie eenmaal zazen beoefent, beoefent eeuwige zazen.

 

Zazen is iets wonderbaarlijks: Als je zit heb je niet de indruk dat zazen wonderbaarlijk is. Maar van buiten af gezien is er niets dat verhevener is. Met de meeste dingen is het omgekeerd: Objectief gezien stelt het niet veel voor alleen jij denkt dat het erg belangrijk is.

 

Dat de Boeddhadharma de gehele kosmos vult komt omdat het niet te grijpen valt. Dagelijkse oefening is niet vermoeiend als we naar niets grijpen.

 

Ware oefening zonder gewin is oefening waarin we tot hout en steen worden.

 

Zazen is transparant en smaakloos. Als we zazen kruiden, wordt het iets voor “mensen”.

 

Zazen is niet modieus. Tot mode wordt dat wat de doorsneeburger van nature uit bevalt: Het gevecht over zege en verlies zoals bij sport.

 

Dat zazen niet modieus is ligt daaraan dat het te zuiver en verheven is. Kleine kinderen interesseren zich daar niet voor.

 

De grote transparante hemel onderscheidt zich van een Bonzaiplantje (Japanse dwergboom) of een tuinkabouter: Hij is grenzeloos weids. Mensen houden ervan om hun Bonzaiboompje te knippen of om zich met de tuinkabouter bezig te houden.

 

Jij wilt peper voor het bewustzijn daarom kun je niets beginnen met de smaakloze transparantie van de Boeddhadharma.

 

Sommigen zeggen dat ze veel storende gedachten hebben tijdens zazen. Dat we überhaupt ons bewust kunnen worden van de storende gedachten ligt daaraan dat de roerselen in ons hoofd tot rust komen en het bloed stopt met borrelen.

 

Sommigen zeggen: “ Tijdens zazen storen mijn gedachtes!” Onkunde! Als je zazen beoefent word je je eerst eens bewust van je storende gedachtes. Als je met je storende gedachtes gaat dansen, merk je er niets van. Als jou tijdens zazen een mug steekt dan merk je het direct. Maar je merkt niets als tijdens het dansen een vlo in je zak steekt, zozeer ben je met het dansen bezig.

 

Een leek: “Ik oefen al een behoorlijke tijd zazen, maar nog altijd heb ik storende gedachten en ik weet niet wat ik daartegen kan doen. Alleen die ene keer, tijdens een luchtaanval toen heel dichtbij een bom insloeg ben ik in zazen gaan zitten en had geen enkele, storende gedachte meer. Nooit meer was mijn zazen zo goed als die ene keer. Maar daarna was alles weer bij het oude. Is er geen manier om nog een keer zo zazen te beoefenen als die ene keer?”

Mijn antwoord: “Ja en dat is Kôan-zen. Je laat je een kôan geven, laat je toebrullen en in een hoek duwen. Dan is er geen plek voor storende gedachten. Maar daarna is alles weer bij het oude. Alleen dat moment kun je op die manier de storende gedachten opzij zetten. Bij het eenvoudigweg zitten van Dôgen Zenji gaat het echter om het geheel: We moeten onze ware natuur tevoorschijn laten komen. Dan komen ook de slechte kanten van ons tevoorschijn zo zoals ze zijn. We zien in dat we voortdurend storende gedachten in ons hoofd hebben zoals een kreeft die bellen blaast. In werkelijkheid is het de verdienste van zazen dat we inzien hoe ons de storende gedachten bezighouden. Als we met één ding bezig zijn, zijn we alleen maar met dit ene ding bezig. In de ene hand een glas wijn, de andere arm om een Geisha geslagen – dan merken we niets van de vlo die ons steekt. Voor een moment zijn al onze gedachten op zij gezet. Maar tijdens zazen zijn we ons zo bewust van deze vlo dat we niet meer weten waar naar toe. Want dan zijn we niet verdoofd. We zien ons zelf doorzichtig en helder.”

Is het niet natuurlijk dat we in het leven alle mogelijke psychologische fenomenen ervaren?

 

We hebben de meest uiteenlopende gedachten tijdens zazen en vragen ons af of dat wel in orde is. Deze vraag is het bewijs dat zazen ware aard is en dat ons tijdens zazen deze ware aard in de ogen kijkt. Want als we dronken in ons ondergoed aan het dansen zijn, stellen we ons geen vragen.

 

In zazen zijn boeddha en doorsneeburger verenigd. Als we ons tijdens zazen – gemeten aan onze oorspronkelijke Boeddhanatuur – als tamelijk ruwe doorsneeburgers herkennen, dan ligt dat daaraan dat we met de ogen van boeddha kijken.

 

De “storende” gedachten storen alleen de doorsneeburger in ons.

 

Jammer niet zo! Zit niet om je heen te koekeloeren. Zit gewoon!

 

“Senshi oefende dertig jaar lang met Yakusan om deze, ene kwestie te verhelderen.” (Shôbôgenzô Sanbyakusoku)

Welke kwestie? Het feit dat zazen alleen genoeg is.

 

 

 

13. Aan jou, die spiritueel iets bereikt heeft

 

Als je zegt dat zazen goed voor je is dan klopt er iets niet. Onbevlekte zazen is niets bijzonders: Het is nog niets eens nodig je daarvoor te bedanken. Zou het niet raar zijn als een baby tegen zijn moeder zou zeggen: “Heb er alsjeblief begrip voor dat ik voortdurend in de luiers poep!” Zonder te weten, onbewust, is alles in orde. We mogen onze zazen niet bevlekken door te zeggen dat we voortgang hebben geboekt, ons beter voelen en zekerder geworden zijn door zazen.

 

Je zegt dat het je goed gaat? Je bedoelt: Alles loopt op rolletjes.

 

We moeten de oorspronkelijke natuur gewoon zo laten als het is, maar voortdurend woelen we er met onze handen in om te zien hoe koud of warm deze is. Zo wordt het troebel.

 

Het meest onaangename dat er bestaat is de Boeddhadharma te bevlekken. “Bevlekken” wil zeggen een gezicht trekken als een afdelingschef, directeur of voorzitter. Als deze vlekken weggeveegd worden resteert: Gewoon-zijn.

 

Boddhisattva’s (25) “zonder magische krachten”: Dat zijn mensen die zelfs woorden als “oefening” of “satori” geheel vergeten hebben. Mensen zonder wonderbaarlijke krachten. Mensen die zich niet laten meten. Mensen die het niet om hun status gaat.

 

Zazen is niet als een thermometer waarbij geleidelijk de temperatuur omhoog gaat: “Nog effe,….ja, nu is het zover, ik heb satori!” Zazen zal je nooit iets brengen zolang je het ook beoefent. Als het jou iets brengt, dan moet je ergens een schroef los hebben zitten.

 

Er zijn types die zich iets inbeelden met hun zazen. Ze vertellen jou hoe hoog de temperatuur op hun zen-thermometer al gestegen is. Dat gaat helemaal nergens over. Je moet het gewoon doen – dat is zazen.

Datzelfde geldt ook voor nenbutsu: Er wordt niet gereciteerd om daarna in het paradijs te komen. Nee het wordt gewoon gedaan. Gewoon dat doen wat Boeddha ook doet.

 

We kunnen zazen niet hamsteren. Zo is ook Shinran gestopt met de “nenbutsu” dat zich laat hamsteren. Oefening die zich laat hamsteren wordt in de Shin-school als “inzet uit eigen kracht” afgewezen.

Ook eerlijkheid laat zich niet richten naar het motto: “In de jonge jaren was ik zo eerlijk dat ik nu besloten heb af en toe iets te gaan jatten …”

 

Pas op, anders ga je nog denken dat de Boeddhadharma hetzelfde is als een ladder bestijgen. Dat is niet zo. Nu, deze ene stap: Dat is deze ene oefening, die alle oefeningen is en dat zijn alle oefeningen die deze, ene oefening is.

 

De geest van de Hinayana (26) heerst daar, waar tussen “ik” en “de ander” onderscheid gemaakt wordt. In de Hinayana is de “bevrijding” slechts een fabricaat.

 

Je zegt, je bent “klaar” met je oefening – vanuit een religieus oogpunt gezien is er niets zo onnozel als dit “klaar-zijn”.

 

“Kastanjebomen en gebeden voor een beter leven na de dood groeien vaak krom.”

 

Je denkt dat je iets goeds doet als je de naam van Boeddha aanroept? Jou valt niet meer te helpen! Net zoals diegene die denkt “satori” te hebben. Daarom zegt men in de Shin-school: “Scheur het in stukken, scheur het in stukken, scheur zelfs de geest die in stukken scheurt, nog in stukken!”

 

Het ontvouwen van de Boeddhadharma moet de complete tijd en de gehele ruimte van hemel en aarde vullen. Een of twee “satori’s” die we als appels of peren plukken zijn nog minder dan een scheet waard.

 

Als je iets goeds doet, blijf je hangen in het besef iets goeds te doen. Als je “satori” hebt dan blijf je hangen in het besef “satori” te hebben. Dan is het beter je handen af te houden van “goed” en “satori”. Je moet geheel open en vrij zijn. Leg je niet te rusten op een gespreid bed!

 

Pas op: Fixeer je op geen enkel standpunt!

 

Ik kan zo veel preken als ik wil, de doorsneeburger probeert toch met de Boeddhadharma zijn waarde als mens te meten.

 

Verkeerde “oefening” leidt tot verkeerde “satori” – duidelijk?

 

Ondenken wil zeggen ophouden met calculeren.

 

In de Boeddhadharma moeten we een subtiel begrip van onbevlektheid ontwikkelen. Er is geen afgebakende grens tussen “bevlekt” en “onbevlekt”.

 

Als er een tegenstelling tussen “reinheid” en “vuil” is dan leidt dat tot strijd tussen “reinheid” en “vuil”. Echte reinheid moet daar boven uitstijgen.

 

Zazen is goed. Want zazen is de verschijningsvorm van de grote dood.

 

 

25. Een boeddhistische beoefenaar wiens doel het is alle andere levende wezens te bevrijden van lijden alvorens zichzelf te bevrijden.

26. “Hinayana” (letterlijk “kleine Voertuig”) is een door het Mahayana-boeddhisme (het “grote Voertuig”) soms als minachtend gebruikte term voor een oudere school van het boeddhisme, die vandaag correct als Theravada geschreven wordt. Terwijl het doel van een Mahayana-boeddhist is als Bodhisattva alle lijdende wezens te redden en zelf als laatste het Nirvana in te gaan, dat niet gescheiden is van samsara ( de “wereld van lijden”), pobeert de Theravada-boeddhist zichzelf uit de wereld van het lijden te bevrijden, waarbij het Nirvana als het oplossen van het lijden gezien wordt.

   

 

 

14. Aan jou, daar je er alles aan doet satori te bereiken

 

We oefenen niet om “satori” te verkrijgen. Het is satori die onze oefening trekt. We oefenen, gemangeld door satori.

 

We zoeken niet naar de Weg. De Boeddhaweg zoekt naar ons.

 

Je leert en beoefent sport, jou gaat het om “satori” en “illusie” – zo wordt zelfs zazen nog een marathon voor je. Maar omdat je probeert naar “satori” te grijpen, grijp je ernaast. Pas als je ophoudt eraan te prutsen zal zich jouw oorspronkelijke, kosmische natuur ontwikkelen.

 

Je spreekt over het zoeken naar de Weg, maar wat wil dat zeggen als het slechts een weg is om jezelf te bevredigen?

 

Je loopt satori achterna en je loopt weg van de illusie zoals iemand die hetzelfde aandeel wil kopen en verkopen.

 

Als je probeert door zazen tot “boeddha te worden” of “satori te ervaren”, dan loop je nog altijd de dingen achterna. Zazen wil zeggen precies daarmee op te houden: je moet niet “boeddha worden” of “satori ervaren”.

 

Ondenken betekent niet: Zoeken naar bevrediging. Het betekent: Met beide voeten vast verankerd op deze plek staan.

 

Je kunt de Boeddhadharma niet naar je toe trekken.

 

Te zeggen dat we “god moeten aanschouwen” is – buiten misschien voor een specifieke groepering – net zo raar als te zeggen dat wij “satori moeten hebben”.

 

Boeddhadharma is geen persoonlijke tevredenheid. Daarom zegt Shakyamuni ook: “Ik en al wat leeft op de aarde bewandelen gemeenschappelijk de Weg. Bergen, rivieren, gras en bomen zijn allemaal Boeddhadharma.” Boeddhadharma is niet proberen een persoonlijke “satori” te verkrijgen.

 

De mensen willen zelf satori geheel voor zich alleen hebben.

 

Boeddhadharma wil zeggen “geen ik”. We leven als individuen. Maar als we zelfs bij zazen nog proberen een individueel “satori” te krijgen, dan zitten we verkeerd. “Geen ik” is niets individueels.

Jij wilt jouw individuele “satori”, tevredenheid alleen voor jezelf. Denk je dan werkelijk dat de Boeddhadharma alleen voor jou bestaat?

 

Opgelet! Denk niet dat jouw individualiteit het allerbelangrijkste is. Anders vergeet je het hele universum.

 

Als ik “satori” zeg, denk jij dat ik een eigen “satori” bedoel. Laat me er nog iets aan toevoegen: Satori is dat wat men nog niet eens “satori” kan noemen.

 

Jij wilt boeddha worden? Wat een overbodige inspanning! Ben gewoon jezelf in elk ogenblik. Waarheen wil je gaan als je deze plek opgeeft?

 

Als je probeert door zazen tot boeddha te worden dan laat me dat denken aan iemand die op weg naar huis in de trein begint te rennen - in de hoop zo sneller thuis te komen.

 

Door oefening tot “satori” geraken – zo stelt de wereld het zich voor. Maar in welke soetra staat dat geschreven? Geen boeddha is door inspanning boeddha geworden. Boeddha’s waren van begin af aan boeddha’s.

 

We beginnen niet nu met de oefening om later “satori” te krijgen. Iedere mens is al sinds eeuwige tijden een boeddha die het aan niets ontbreekt. We zijn het gewoon ergens onderweg vergeten en vervolgens verdwaald en maken nu een hoop heisa om niks. Oefening is niets anders dan de boeddha die we altijd al waren, te beoefenen.

 

In de traditie van boeddha’s en patriarchen betekent eenvoudigweg zitten: Niet proberen een boeddha te worden! Als je naar een boeddha of satori buiten zazen grijpt, dan maak je er een cultfiguur van. Boeddhistische oefening wil zeggen boeddha in praktijk brengen. Als je naar een boeddha buiten de oefening zelf zoekt, dan loop je een afgod achterna.

 

“Wat betekent de Boeddhaweg? Het betekent boeddha worden!”

Leugen! Boeddhaweg betekent de Boeddhaweg te beoefenen.

 

Zazen wil zeggen eenvoudigweg zitten zonder er ook maar aan te denken boeddha te worden.

 

Als je zazen beoefent bereik de je Weg ook al denk je zelf van niet.

 

De titel van de Lotussoetra is eigenlijk: “Soetra van de Lotusbloem van de wonderbaarlijke Dharma”. In de wonderbaarlijke Dharma zijn oorzaak en werking één. Oefening en satori zijn één. Dit wordt met de metafoor van de lotusbloem verklaard: De lotusbloem bevat zaden. Als je een zaad opent, zijn daar al de volgende bladeren. En een stengel zonder takken. Dat is het principe van zazen in de Boeddhadharma. Door oefening komen we niet dichter bij “satori”. Oefening is al satori. We beoefenen satori. We zitten het zazen van boeddha’s en patriarchen.

 

We krijgen geen satori door oefening: Oefening is satori. Elke, afzonderlijke stap is het doel.

 

Eeuwige satori verschijnt alleen in de oefening van dit moment. Daarom wordt in de Lotussoetra gezegd: “Een jonge vader verwekt een oud kind.”

Met andere woorden: De frisse oefening van dit moment is de manifestatie van het eeuwige ontwaken.

 

Jouw oefening moet alles doordringen. Wie interesseert het of op het eind een “satori” als beloning op je wacht of niet?

 

De meeste mensen hebben de ziel verloren. Ze bewegen zich alleen maar als ze betaald krijgen. Ze doen niets als ze er niet voor beloond worden. Als men ze geen “satori” voor de neus houdt als beloning, willen ze niet oefenen. Ze hebben geen ziel. En dat geldt niet alleen voor het meisje uit de Mumonkan (Kôan 35) dat haar ziel verloren heeft.

 

Seigen Gyôshi vraagt de zesde patriarch: “Welke oefening overstijgt rang en stand?” In de wereld zijn er steeds rangen en standen: Arm en rijk, belangrijk en onbelangrijk. Datgene wat dit overstijgt is de Boeddhadharma. De zesde patriarch zegt: “Wat heb je de hele tijd zitten doen?!”  Seigen antwoordt: “Ik oefen nog niet eens de nobele Waarheden,” Nou, dat wil zeggen dat hij nog niet eens satori bereikt heeft! De zesde patriarch zegt instemmend: “Als je nog niets eens de nobele Waarheden oefent, welke rangen en standen zouden er dan nog kunnen zijn?” (Keitoku Dentôroku, hoofdstuk 5)

In zazen is er geen betere of slechtere, geen rang en stand. Alleen het “zazen” waarbij het gaat om “satori” te verkrijgen kent rangen en standen.

 

Een mens heeft “satori”: Dat is een verhaal voor de mensen.

Dat wat de mensen elkaar niet vertellen is zazen.

 

Als lichaam en geest afvallen dan verdwijnt jouw “individuele oefening” en jouw “individuele satori”.

 

Het schijnt dat er mensen zijn die proberen de Boeddhadharma ten dienste te stellen van de mens. Zoals de hele wereld probeert zich verder te ontwikkelen zo proberen ze ook zichzelf te verbeteren door middel van oefening en “satori” te verkrijgen. Daarbij is het toch duidelijk dat er geen sprake kan zijn van afvallen van lichaam en geest zolang je bezig blijft met zozeer je best te doen.

 

Als je probeert op eigen kracht in het paradijs te komen moet je dagelijks vierentwintig uur lang Amithaba Boeddha’s naam reciteren. Maar wat doe je als je slaapt? Als bij jou het licht uit gaat, kom je dan in de hel? Nee, Boeddha’s naam aanroepen doe je in de wetenschap omringt te zijn door het licht van de tathagata dat het hele universum doordringt waarbij het niet mogelijk is om eruit te vallen. Als je Boeddha’s naam aanroept of zazen beoefent als iemand die een product maakt aan de lopende band, dan is dat niets waard.

 

De Boeddhadharma is ongrijpbaar. Je mag er niet naar grijpen, je moet het loslaten. Als je het vasthoudt, val je in de hel. Waar grijp je naar? Alles wat zich laat grijpen is paardenstront. Omdat je probeert je de dingen eigen te maken verlies je jezelf in het dwalen van de vergankelijke wereld.

 

De Boeddhadharma is steeds ongrijpbaar, daar valt niets te winnen. Maar omdat je altijd op zoek bent naar meer, verdwaal je.

 

Dat er “illusie” of “satori” bestaat, is het geklets van de mens – dat wat grijpbaar is. Boeddhadharma is datgene wat zich niet laat grijpen – Boeddhadharma “bestaat” niet.

 

Bij de beoefening van de Boeddhaweg is er geen illusie en satori. “Illusie” en “satori” zijn gespreksstof voor de mensen. Onderscheid maken tussen illusie en satori is het werk van de mens. Zintuiglijke waarneming echter is niets anders dan zintuiglijke waarneming, onderscheidend oordelen is niet meer dan onderscheidend oordelen – het is niet de Boeddhadharma. Boedhadharma is niet het vernietigen van de “illusie” te vernietigen om “satori” te verkrijgen. Zazen wil zeggen de dingen niet achterna lopen en er ook niet van weglopen.

 

Boeddhadharma is onbegrensd. Als je de onbegrensdheid niet begrijpt, zul je het boeddhisme niet begrijpen. A propos: Dit “begrijpen”of “niet-begrijpen” zelf is ver verwijderd van het grenzeloze. Daarom bestaat er geen “illusie” buiten satori en geen “satori” buiten illusie.

 

 

 

15. Aan jou, die te koop loopt met satori

 

Waarom tatoeëer je het niet op je lichaam: “Ik heb satori!”?

Als je je niet bewust bent van je maag dan is dat het beste bewijs van een gezonde maag. Als je jouw “satori” niet kunt vergeten is dat precies het bewijs dat je er geen hebt.

 

Als je denkt dat je iets bijzonders bent omdat je “satori” hebt, loop je alleen maar te koop met je vleesvracht.

 

Als een doorsneeburger “satori” heeft noemt men hem een zenduivel.  En wel daarom omdat hij zichzelf als een speciaal iemand ziet.

 

Als er sprake is van “satori” betekent dat vaak alleen maar dat een duivel magische krachten heeft gekregen.

 

Als je je ervan bewust bent dat je iets slechts doet, dan ben je nog te helpen. Maar wie over zijn “satori” leurt, denkt nog niet eens dat het slecht is.

Die is niet meer te helpen!

 

Er zijn mensen die door de hele familie gewaarschuwd worden en toch denken ze gelijk te hebben. Als je denkt het bij het rechte eind te hebben, zit je fout. En wat te denken van al die zenleken die pochen met hun “satori” terwijl ze door hun familie gehaat worden.

 

Geen illusie is zo moeilijk te doorgronden als “satori”.

 

Gon-yô Sonja vraagt Jôshû: “Hoe is het als geen enkel ding meer verschijnt?” Hij probeert zo de indruk te geven dat hij volkomen één is met de Leer en er niets meer is waar hij nog aan hecht.

Jôshû antwoordt: “Laat los!”

Gon-yô zegt: “Als er niets meer is waaraan ik gehecht ben, wat moet ik dan nog loslaten?”

Jôshû antwoordt: “Als dat zo is, dan draag jouw “loslaten” gewoon verder met je mee!”

 

We mogen niet trots zijn op onze oefening. Het is toch duidelijk dat trots zijn op “satori” een leugen is.

 

Oppervlakkige mensen hebben niet in de gaten dat ze iets verkeerd doen, totdat ze door de politie op heterdaad betrapt worden. Doorsneeburgers hebben nog niet eens in de gaten dat ze in een illusie leven.

 

Je hebt helder inzicht nodig. Echte satori betekent je ware gezicht te laten zien. Het betekent helder inzicht verkrijgen. Hoe meer je je bezint, hoe meer je jouw eigen fouten gaat inzien.

 

Plots, groots ontwaken is het eind van alle oude inzichten: Zoals bijvoorbeeld “satori” of “illusie”.

 

Hoeveel verschil is er eigenlijk tussen illusie en satori? Het is inderdaad een en hetzelfde waarover wij ons illusies maken en waar we toe ontwaken (dat wordt “satori hebben” genoemd).

 

Satori is de manifestatie van de Boeddhadharma. Het bijzondere aan het boeddhisme is dat alle boeddha’s en alle lijdende wezens dezelfde aard hebben. Onze boeddha’s leven niet in het hiernamaals.

 

Als we niet tot daar doordringen waar er geen kloof tussen ons en Boeddha is, op die plek waar helemaal niets meer is, dan zullen we ergens beginnen te twijfelen, we worden moe en blijven steken.

 

Waar ben je werkelijk thuis? Je bent alleen, zonder metgezellen. Waar je ook kijkt, geen ander mens! Je moet die plek vinden die jij en alleen jij bereiken kunt.

 

Als de grote kwestie van levenslange oefening aan het eind geraakt, dan wordt de Boeddhaweg werkelijkheid. Je moet je de Boeddhaweg eigen maken.

 

Satori is niet het einde van de illusie.

 

Boeddhadharma is ongrijpbaar: Als je zegt dat je “satori” hebt, ga je eraan voorbij. Als je daarentegen zegt dat je nog geen “satori” hebt, ga je er ook aan voorbij.

 

Grootse satori is de concrete werkelijkheid.

 

Men kan niet spreken over stadia in oefening. Oefening = satori.

 

Enkel zazen. Enkel nenbutsu. Dit “enkel” is niet genoeg voor de doorsneeburger. Hij wil nog verdienste halen uit zijn oefening.

 

Belangrijk is dit “enkel”. Het enkel doen. Met welk doel? Geen doel! Er is geen fooi – enkel doen.

 

Een monnik vraagt Ryûge: “Wat hebben de oude meesters begrepen die ze de rust van geest geeft?”

Ryûge zegt: “Het is als de dief die in een leeg huis inbreekt.”

Als een dief in een leeg huis inbreekt, hoeft hij niets te stelen. Hij hoeft ook niet te vluchten. Er is niemand die achter hem aan komt. Helemaal niets. Je moet dit “er is helemaal niets” goed doorgronden.

 

Satori is als de dief die in een leeg huis inbreekt. Hij breekt in maar er is niets om te stelen. Geen reden om te vluchten. Niemand die hem achterna zit. Daarom is er ook niets dat hem tevreden zou kunnen stellen.

 

“Satori”? Je moet je niet met zo een leeg woord afgeven!

 

Je praat over “satori” maar wat jij daar als “satori” ziet is zeer beperkt. Het is een bewustzijnsprobleem: Ontwikkelt zich jouw bewustzijn langzaam aan dan kun je er zeker van zijn dat er helemaal niets is.

 

Satori vind je overal ter wereld zoals de lucht die we dagelijks inademen. We “krijgen” geen satori ergens in de toekomst.

 

Shakyamuni Boeddha beweert nergens dat hij alleen satori heeft. Hij zegt dat alle levende wezens gezamenlijk de Weg verwerkelijken. Maar zo een collectief satori is niet genoeg voor de mens. Iedereen wil een persoonlijk satori zoals een individuele beloning. Dat wil zeggen dat het uiteindelijk iedereen alleen maar om zichzelf gaat.

 

Soms vragen de mensen mij om hun inzicht in de Leer als juist te bevestigen. Zolang je de bevestiging van anderen nodig hebt, ben je niet echt. Er zijn zelfs mensen die denken “satori” te hebben alleen maar omdat ze van anderen daarvoor een diploma hebben gekregen! Als je op de plek aangekomen bent waar het hier over gaat, waarom zou je dan nog de ander naar de richting vragen?

 

Je hebt gehoord dat je van wijn dronken wordt, dus speel je de zatlap en denkt op het laatst dat je daadwerkelijk wijn gedronken hebt? Dat is ook een vorm van “satori”.

“Satori” wordt een techniek. Boeddhadharma en de gelaten geest zijn geen techniek.

 

Oefening zonder bijzonderheden is als een kinderspel. Het is verkeerd om te proberen satori tot een persoonlijke bijzonderheid te maken.

 

Je moet je geen moeite doen om satori te krijgen. Je moet gewoon natuurlijk zijn.

 

Natuurlijk zijn – dan rest jou nets anders dan zazen te beoefenen.

 

 

 

16. Aan jou, zo trots op wetenschap en cultuur

 

Je mag niet vergeten dat de hedendaagse wetenschap en cultuur zich slechts ontwikkeld hebben op de fundamenten van onze oerdriften.

 

Culturele vooruitgang: Is dat niet slechts een verfijning van onze driften? Hoe zeer we ons ook bemoeien de rimpels van onze behoeften glad te strijken, vanuit het boeddhisme gezien heeft dat niets te maken met culturele vooruitgang. Iedereen heeft het over vooruitgang, maar ik vraag me af: Welke richting gaan we eigenlijk uit?

 

De wereld heeft het alleen maar over cultuur, maar wat wordt daar nou eigenlijk mee bedoeld? Profane muziek, erotische dans, pornografische literatuur – de reinste barbarencultuur. We cultiveren onze driften en vervolgens maken we ons druk om de jeugd van tegenwoordig: “Wie maakt zich vandaag de dag nog druk over opvoeding?”

Geloof (27) is helder en duidelijk – we moeten tot rust komen.

 

Iedereen heeft het over kunst, maar wat stelt dat nou voor? Mannen en vrouwen aan elkaar vastgezogen. Dat is niets anders dan een bevrediging van onze seksuele driften.

 

Geen creatie is zo onecht als de mens. Als “gourmet” staat hij te popelen voor het vreetbanket, tijdens de gezelschapsdans kronkelt hij zich om het vrouwelijk schoon. Hij onderzoekt in naam van de wetenschap en schiet met atoombommen.

 

Als je insecten bij elkaar propt in een doos zie je hoe ze zich aan elkaar vastbijten. Het moet leuk zijn om vanuit een hoek in het universum te kijken naar de mens die zich met atoom- en waterstofbommen bewapend.

 

Een idioot die zich slim voordoet: De mens.

 

De mens maakt het graag ingewikkeld. Zelfs als we proberen de dingen zo eenvoudig mogelijk vorm te geven, worden ze ingewikkeld. En er zijn altijd weer mensen die zich moeite doen om alles nog ingewikkelder te maken.

 

De moderne wereld gebruikt zijn wijsheid alleen maar om in de impasse te geraken.

Wijsheid echter is het beschikken over een grondig gefundeerde oordeelsvorming.

 

Vroeger waren de mensen ook allemaal maar idioten: Ze verkwanselden een vermogen aan geld en inspanning om kastelen te bouwen – en waarom? Om erover te bekvechten. Tegenwoordig zijn de mensen nog dommer: Ze bouwen atoom- en waterstofbommen om de mensheid met één druk op de knop te kunnen vernietigen.

 

Hoe is het mogelijk dat de mens als zodanig, gezien de vooruitgang in wetenschap en techniek, zelf totaal niet vooruitgegaan is?

 

De Amerikanen zijn slechts doorsneeburgers, de Russen zijn doorsneeburgers, de Chinezen zijn eveneens doorsneeburgers. Doorsneeburgers die vertwijfeld wedijveren met doorsneeburgers. Hoe zeer ze zich ook bemoeien, het leidt allemaal nergens toe.

 

De wetenschap stoelt op de resultaten van anderen, daarom ontwikkelt deze zich ook altijd door. De mens echter kan niet op het leven van anderen bouwen, daarom schrijdt de mens niet voort. Dus zien we overal snotapen met dodelijke wapens in de aanslag – en dat is gevaarlijk!

 

Een idioot zit achter de computer, een mafkees in de cockpit van een straalvliegtuig, een gestoorde aan de knop van een atoomraket – dat is ons huidige probleem.

 

De Boeddhadharma leeft niet op de ervaring van anderen. Dat de wetenschap voortschrijdt is te danken aan de ervaringen van de voorgaande generaties. De Boeddhadharma echter draait het om, er wordt een einde gemaakt aan deze houding zich op de ervaringen van anderen te baseren.

 

Met atoom- en waterstofraketten kunnen we hooguit onze vrienden redden, maar niet onze vijand. Alleen middels zazen kan vriend en vijand gered worden.

 

Allen zijn bezorgd om de mensheid maar het gaat erom “deze mensheid” eindelijk eens de kop af te hakken en iedereen tot boeddha te maken.

 

Wat de mens dient, leidt tot niets.

 

De mensen handelen naar marktwaarde maar men kan niet op de waarde in de markt vertrouwen. Dingen die naar de waarde in de markt beoordeeld worden zijn slechts nuttige fabricaten. Boeddha is geen “nuttig fabricaat”.

 

Het Chinese schriftteken voor “valsheid” betekent: “Door de mens voortgebracht”. Dat wat men vandaag cultuur noemt is niets anders dan een fabricaat van de mens. Het heeft geen essentie. Het fabricaat wordt slechts eindeloos verder en verder geproduceerd. Daarom is cultuur een tragedie. Waar kun je werkelijk van op aan? Alleen op het leven dat in alle richtingen grenzeloos is.

 

De uitvindingen en ideeën van de Europeanen zijn slechts speeltjes die met het leven zelf niets te maken hebben.

 

Als we Marx en Engels eens rustig lezen, zien we dat het hen uiteindelijk alleen maar gaat om hun eigen goedje veilig te stellen.

 

Zelfs al zou de hele mensheid communistisch zijn dan nog hadden we een eindeloos gezeik zolang niet ieder van ons werkelijke vrijheid bereikt heeft. Zolang niet iedereen werkelijk vrij is kan ook niet iedereen echt tevreden zijn.

 

27. Geloof (Jap.: Shin) is een begrip dat ook als “vertrouwen”, “gelatenheid”, “één-zijn” of “zuiverheid” vertaald kan worden. Geloof betekent voor Sawaki niet zozeer “iets als de waarheid” erkennen, maar meer “iets door één-zijn volkomen doorgronden”.

 

 

 

17. Aan jou, die maar niet overweg kan met de ander

 

Iedereen heeft het over zíjn eigen mening maar wie interesseert dat eigenlijk? Hou gewoon je bek dicht!

 

Je sputtert: “Wie denk je wel dat ik ben?” Een doorsneeburger natuurlijk, of wat dacht jij? De een kickt op zijn rijkdom, de ander op zijn naam en stand en weer een ander op zijn satori. Hoe bekrompen is het zijn doorsneeburgerschap zo ten toon te spreiden.

 

Er is altijd een gedachte die de mens niet loslaat: De rijken denken alleen aan hun geld, de strevers aan hun ambities, de atleten aan hun spieren. Deze gedachte staat hen bij alles wat ze doen in de weg.

 

Omdat je je alleen maar zorgen maakt om je vleesvracht, denk je rijk of mooi te zijn of wat dan ook. Maar als je doodgaat zal al dat één zijn. Dan is er geen privé eigendom meer.

 

Je probeert jouw “ik” te laten zien. De vraag is alleen hoeveel jaren je dit volhoudt. Als je dood bent dan kan jouw lichaam ook nog even aandacht krijgen als je dat wilt.

 

Dezelfde maan verschijnt dan lachend, dan huilend. Of je bewondert hem gewoon met een glas rijstwijn. Naar welke maan je ook kijkt, je ziet alleen dat wat overeen komt met jouw karmische waarneming. En geen echte werkelijkheid.

 

Dezelfde krant wordt door allen anders gelezen: De een kijkt eerst naar de koersbeurzen, de ander naar de sport. Weer een ander leest het vervolgverhaal, een derde interesseert zich alleen voor de politiek. Ze onderscheiden zich zozeer in hun menselijke gevoelens en gedachten omdat iedereen in zijn persoonlijke, onderscheid-makende bewustzijn vastzit. Alleen buiten dit onderscheid-makende bewustzijn openbaart zich een wereld die door allen gedeeld wordt. Maar de mens heeft deze wereld niet bedacht omdat deze niet uit een persoonlijk standpunt ontspringt. Hoe meer de mensen nadenken, hoe meer ze zich vergissen in de wereld.

 

Je zegt: “Ik heb het met mijn eigen ogen gezien!” Terwijl er niets zo onbetrouwbaar is als je eigen ogen. Het zijn slechts de ogen van een doorsneeburger.

 

Je vergist je als je denkt dat de wereld zoals jij die ziet, de realiteit is. Iedereen ziet alleen maar wat overeenkomt met zijn persoonlijke, karmische waarneming. Een kater ziet iets anders dan ik en waar denkt een bacterie over na, die minder weegt dan een strontvlieg? Zeker niet hetzelfde als ik. De bacterie en ik hebben een andere wereld- en levensinzicht. De werkelijke wereld verschijnt pas als we al deze karmische inzichten los laten.

 

De koppen van de mensen zijn verstart. Ieder “-isme” is een vorm van verstarring. Dat we de Boeddhadharma niet zien, hoe dicht we deze ook genaderd zijn, komt door deze verstarring.

 

Je schreeuwt: “Vrede, vrede!”, maar als je nu eens je mond zou houden zou het veel vrediger zijn. Je zegt: “Naar mijn mening…” – maar zodra jouw mening en theoretische onderbouwingen ter sprake komen, begint het gezanik pas echt.

 

De mens laat zich door de wet voor de gek houden als hij nadenkt over goed en slecht. Vroeger was bloedwraak normaal, vandaag is het illegaal. Vroeger was echtscheiding illegaal, vandaag is het legaal.

 

We denken altijd dat er twee richtingen zijn: Goed en slecht, aangenaam en onaangenaam, juist en onjuist. Maar zijn er werkelijk twee richtingen? Nee, er is maar een werkelijkheid. En zelfs die is leeg.

 

Er zijn geen twee dingen in het universum. Als we aangenaam en onaangenaam, goed en slecht, juist en onjuist onderscheiden, dan heeft dat te maken met onze eigen karmische waarneming. Onze meningen verschillen slechts en dat is alles.

 

Geluk en ongeluk, vreugde en lijden dat is karmische waarneming en dat verschilt van mens tot mens. Het probleem schuit erin dat iedereen alleen dat wat hij zelf ziet als de waarheid ervaart. De oma vertelt de kleinkinderen wat zij als de waarheid ziet en niet wat werkelijk waar is.

 

Zodra de mond zich roert, komen de illusies naar buiten. Je praat vanuit je karma en je illusies. De geest van een idioot openbaart zich in zijn woorden, de woorden van een wijze openbaart zich in zijn geest.

 

De mensen moeten gewoon natuurlijk zijn, maar ze proberen voortdurend dit natuurlijk zijn in een hokje te stoppen. En omdat iedereen zijn eigen hokje heeft, komt het nooit tot overeenstemming.

 

Iedereen heeft zijn eigen bewustzijn. Geen enkel bewustzijn komt overeen met een ander. Het is volkomen individueel en verschillend.

 

Wat wij als ons “zelf” zien laat zich niet fixeren: “Mijn geest is zo en zo …” – zo een geest bestaat niet. Als ik geen zenmonnik was, dan zou ik nu niet over de Boeddhadharma spreken. Waarschijnlijk zou ik de baas geworden zijn van een Yakuzatent en zeggen: “Ik ruk je de ingewanden uit, zak dat je bent!”

 

Sinds mensenheugenis heeft het gezeik nooit opgehouden. De grootste oorlogen hebben hun oorsprong in onze zo zeikende geest. Oorlog is de meest ongegeneerde vorm elkaar de nek om te draaien.

 

Zoals een vlieg bacteriën overdraagt, zo draagt oorlog epidemieën en cultuur over.

 

“Een ieder is slechts een mens met fouten" (28). Daar het slechts de doorsneeburgers zijn die elkaar bevechten, hebben ze allemaal ongelijk, zowel vriend als vijand. Winnaar en verliezer zijn niet meer dan doorsneeburgers. Hoe jammerlijk is het de conflicten in de wereld te aanschouwen: Daar ontbreekt gezond verstand. Een heethoofd zwaait met een zwaard, een ander buldert met een geweer in het rond.

 

De wereld wordt gemangeld door karma. We produceren karma omdat ons handelen uit onwetendheid ontspringt.

 

Een onverwachte regenbui onderbreekt de ruzie over de bewatering van de rijstvelden. Omdat het in de ruzie alleen over het water in de velden ging, lost de regen alle problemen op.  Een mooie vrouw en een sponskomkommer – hoe onderscheiden ze zich als zij eenmaal tachtig zijn? Oorspronkelijk is alles leeg en helder.

 

28. Tiende artikel uit de Grondwet-in-17-Artikelen van Shôtoku Taishi (uit het jaar 604).

 

 

 

18. Aan jou, die geen tijd heeft

 

De mensen maken alleen maar stress om de verveling te ontlopen.

 

Allen klagen dat ze het zo druk hebben dat ze geen tijd meer hebben. Maar waarom hebben ze het eigenlijk zo druk? Ze jagen slechts de illusie na. Wie zazen beoefent heeft tijd. Wie zazen beoefent moet proberen meer tijd te hebben dan de ander.

 

Als je zo doorgaat ga je nog een hoop heisa maken om wat er op tafel komt. Je bent altijd gehaast maar waarom? Om wat er op tafel komt? Ook de kippen pikken gehaast hun voer, waarom eigenlijk? Alleen maar om door de mens opgegeten te worden.

 

Hoeveel illusies maakt de mens zich gedurende zijn leven? Het valt helemaal niet uit te rekenen. Dag in, dag uit: “Ik wil dit, ik wil dat …” Een enkele wandeling brengt vijftig- tot honderdduizend illusies voort. Dat wil zeggen het druk te hebben: “Ik wil bij jou zijn, ik wil terug naar huis, ik wil je zien …”

 

De mensen zijn buiten adem, zo zeer rennen ze hun illusies achterna.

 

“Weg van hier, op naar de andere kant. Uit samsara, in nirvana.” Deze houding noem ik het “dwalen in karma”.

 

De ontwikkeling in het verkeer heeft de wereld kleiner gemaakt: We scheuren in onze auto’s, maar waar gaat de rit heen? Richting speelhol! We geven gas om de tijd te doden.

 

Er zijn mensen die de hele nacht door Mahjong spelen en dan de volgende ochtend vitaminetabletten slikken om vervolgens met dikke ogen naar het werk te gaan.

 

De grote ophef in de wereld zal altijd blijven. Wat kan men tegenover de doorsneeburger anders doen dan gelaten de schouders optrekken?

 

“Ik moet dit doen, ik moet dat doen - ik heb helemaal geen tijd!” Zo kom je in een neurose. Wat moet je anders doen? Helemaal niets. Ben gewoon rustig.

 

In oude kôans wordt vaak gezegd: “Waar kom je vandaan?” Hier wordt niet gevraagd naar de plek in de ruimte. Waar kom je vandaan? Als je geil op seks bent is jouw plek “geilheid”. Ben je gretig op geld dan is de geldzucht jouw thuisplek. Als je zegt: “Als u mij zou willen aanbevelen!” – dan kom je uit de plek van carrièrezucht.

 

Zazen wil zeggen geen “mensen-werk” te verrichten.

 

Grootondernemers en politici klagen hoe druk ze het hebben. Maar toch hebben ze de tijd om zich met een of twee minnaressen bezig te houden. De vraag is gewoon wat jij werkelijk belangrijk vindt.

 

Jouw vlucht kent geen einde, jouw gejakker kent geen einde. Pas als je zonder te morren in dit moment zit zul je inzien: Niets is waardevollers dan het leven dat wortelt in de lotus-houding.

 

Het dwalen in de wereld is als het dwalen van de wolken in de ongeest. Het gaat er niet om sneller te dwalen. Alles beweegt zich in de ongeest.

 

Alles is gebaseerd op wederzijdse wisselwerking, er is geen substantie. Net zoals de wolken: Ze “bestaan” niet, noch bestaan ze “niet”. En toch bestaan ze, maar ze bestaan ook niet. En daarover breken ze allemaal hun hoofd.

 

Als je – gedurende zazen – de vergankelijke wereld belichaamt verrijk je daarmee de Dharma en het leven. Als je je alleen maar in de wereld afrakkert, zal dat jouw leven niet verrijken.

 

 

 

 

19. Aan jou, daar je van de carrièreladder gedonderd bent

 

Als je na de dood nog een keer over het leven nadenkt zul je zien dat alles hetzelfde is.

 

“Hou op met huilen! Zonde van de tranen!” Als volwassene zou je moeten inzien dat er niets is om je druk over te maken. De mensheid maakt een hoop heisa om kinderachtig gedoe.

 

De hele wereld maakt een hoop heisa om niets. Waarom toch? Is het werkelijk nodig zo een zielig gezicht te trekken?

 

Soms zeggen de spelers in een theater: “Wat moet ik toch doen, wat moet ik toch doen?” Zelf heb ik me deze vraag nooit hoeven stellen. Want ik denk: “Het is toch allemaal om het even!”

 

Geluk en pech, goed en slecht: Is niet alles zo, hoe het uitziet. Alles is ook niet zo, zoals jij denkt. Je moet voorbij gaan aan geluk en pech, voorbij aan goed en slecht.

 

De wereld is gewikkeld in zijn karma.

 

De mensen begrijpen alleen de wereld die ze door het raam van hun karmische illusies bespeuren kunnen. De ware wereld begint daar waar we kappen met de wereld die zich vanuit het menselijke standpunt presenteert.

 

We moeten uitstijgen boven de wereld van karma in plaats van erin rond te blijven dobberen.

 

We hebben het over ons lijden en zorgen maar waaruit bestaat dit lijden en deze zorgen? Is dat niet hetzelfde als iemand die zijn eigen scheet opvangt, eraan ruikt en dan zegt: “Jeetje, dat stinkt!” Hoe beter het iemand gaat hoe meer hij zich bezig houdt met zijn eigen scheten. Zo iemand moeten we eerst eens vertrouwd maken met het werkelijke lijden. Om je van ellende op te hangen of in het water te gaan – is dat niet nogal kleinzielig?

 

Jouw lijden is zo groot als dat jij het maakt. Sommigen zijn zelfs verzwolgen in hun eigen lijden.

 

De gemoedsrust van de mensen wordt steeds bewogen door wind en golven. Wind en golven schriftelijk vast te leggen en daarna verkopen is een merkwaardige zaak, ze noemen zoiets: literatuur.

 

Omdat je alles op jezelf betrekt ziet het uit als een groot probleem. Waar geen roerselen zijn, zijn ook geen problemen.

 

Alleen omdat jij niet wil accepteren wat je accepteren moet, maak je je het zelf moeilijk.

 

Geloven is hetzelfde als ondenken: acceptatie. Wat accepteren? Acceptatie betekent niet je gewoon aan de sterkeren overgeven.

 

Satori is het gelaten accepteren van de noodzaak. Groot satori wil zeggen, de noodzaak duidelijk te zien als noodzaak. Want de noodzaak is in de kosmos verweven.

 

Heb je angst voor de dood? Geen zorgen: Je zult heus wel sterven!

 

 

 

20. Aan jou, geboeid door spookverhalen

 

Sommige mensen vragen me of spoken echt bestaan. Iemand die zich daarover drukt maakt noem ik een spook.

 

Er wordt gezegd dat de doden als spoken verschijnen maar dat is alleen zolang er levenden bestaan. Als de levenden eenmaal allemaal dood zijn dan zullen ook geen spoken meer voor ze verschijnen. De doden zijn de werktuigen van de levenden, zo beweert de Yogacara-filosofie.

 

De een zegt dat hij een spook gezien heeft, een ander heeft gedroomd van iemands dood: Wat verschilt dat van een scène in het theater van de vergankelijkheid?

 

Is niet alles een zinsbegoocheling? En alleen maar omdat we de zinsbegoocheling niet als een zinsbegoocheling zien, blijven we ronddwalen tussen leven en dood.

 

Iedereen droomt – het probleem is slechts het verschil tussen alle dromen.

 

Als je droomt ben je er niet van bewust te dromen. Het doet pijn als iemand jou in de wang knijpt maar ook deze pijn is slechts een droom. Een droom vergezelt de volgende droom, daarom herken je de droom niet als een droom.

 

De onderbroek hangt te drogen aan een dikke tak: Iemand ziet het en denkt een geest te zien. Denk je dat zoiets in het echt niet vaak voorkomt? Jawel hoor, want wij denken: "Ik heb geld nodig", "Ik wil minister worden", "Ik wil groeien", zien we dan niet ook de onderbroek voor een geest aan?

 

Iedereen heeft het over de werkelijkheid maar deze is ook niets anders dan een droom. Het is niet meer dan de werkelijkheid binnen de droom. Als er sprake is van revolutie en oorlog denken we dat er echt iets aan de hand is, maar wat is dit anders dan je omdraaien in de droom? Als je sterft, zie je jouw droom. Wie niet in dit leven zijn droom oplost, is een doorsneeburger.

 

Voor dromen kunnen we geen plannen maken of proef draaien. De Dharma-droom, de Leer-droom is net zo. Een droom leert een droom in een droom.

 

Iemand heeft bij een Harakiri ooit het volgende vers vervat: “Wat slaat en wat geslagen wordt – nadat ze gezamenlijk ten gronde zijn gegaan, keren ze tot dezelfde modder en tot dezelfde aarde terug.” Bij een Harakiri komt dit inzicht iets te laat. Het zou moeten heten: Zelfs voordat we ten gronde gaan zijn we dezelfde modder, dezelfde aarde.

 

Als men jou in een droom uitnodigt om te eten, blijft het toch altijd een droom. Die heeft geen calorieën.

 

We vergissen ons als we de hallucinaties van een zelf, die we tegenkomen in ons bewustzijn als ons zelf zien. De onsterfelijkheid van de ziel waar de huidige, moderne religies over spreken, is gebaseerd op deze hallucinatie van een zelf. Het werkelijke zelf is de ware aard die in de eenheid van alle boeddha’s en levende wezens en in de onscheidbare geest, boeddha en levende wezens, terug te vinden is.

 

Wat wij een “autonoom bewustzijn” noemen is niets anders dan een persoonlijke gedachte.

 

Omdat we oordelen op grond van de hallucinatie met een autonoom bewustzijn over goed en slecht lopen we de verkeerde richting uit.

 

De schaduwen die zich in ons bewustzijn spiegelen en keer op keer warm opgediend worden, het zijn slechts onze illusoire gedachten.

 

De zwakte van ons levende wezens ligt daarin dat we onze hallucinaties zelf produceren.

 

De mensen leven allemaal in radeloosheid en angst.

 

De Yogacara-filosofie leert: “Als het innerlijke bewustzijn zich omdraait, dan lijkt het alsof er twee kanten zijn.” Hoewel het de beweging van een enkel bewustzijn omvat lijkt het alsof er subject en object bestaan en daarom ontstaat zo een ophef als we het een najagen of ervan weglopen. Wat hebben we toch merkwaardige illusies…

 

Jij leeft jouw leven als een slaapwandelaar.

 

Ook als we een gelaten blik opzetten, zijn we toch in ons innerlijk de illusies aan het voeden.

 

Denk volgend jaar nog eens na over de illusies die je gisteren tijdens zazen had: “Twee vechtende modderossen zijn in zee verzonken. Sindsdien heeft niemand er nog iets van gehoord.” (Tôzan)

 

 

 

21. Aan jou, die het aan geld, liefde en status ontbreekt

 

Hemel en aarde geven, de lucht geeft, het water geeft, planten geven, dieren geven, mensen geven. Alles geeft zich uit zichzelf. We kunnen alleen in dit wederzijdse geven leven. Om het even of we er nou dankbaar om zijn of niet.

 

Er is werkelijk niets om over te klagen.

 

Je hebt het niet aan jezelf te danken in deze wereld geboren te zijn. Je leeft ook niet op eigen kracht. Toch ben je alleen maar bezig met je eigen portemonnee.

 

Domheid betekent niet kunnen afzien van het eigen lichaam. Wijsheid zegt: “Ik ben die ik ben, om het even hoe de dingen lopen.”

 

Een heiden denkt alleen over gewin en verlies na. Een duivel haalt er de winst uit.

 

Kijk niet zo beteuterd! Is het niet kleinzielig je te beklagen dat je geen geld hebt, niets te eten en vol in de schulden steekt? Alleen maar omdat je van mening bent dat je het leven moet genieten en je constant goed moet voelen, mekker je over armoede.

 

Tijdens de oorlog bezocht ik eens een kolenmijn. Uitgedost als een koempel met werkkleding en hoofdlamp ging ik de lift in. Op naar beneden! We daalden dieper en dieper en ineens leek het alsof we weer naar boven gingen. Maar toen ik met de lamp in de schacht scheen, zag ik dat we nog steeds naar beneden gingen. In het begin als de lift zich in beweging zet, voelt het ook zo aan alsof je naar beneden gaat. Maar als de lift eenmaal op snelheid is, dan lijkt het alsof het weer naar boven gaat. Zo vergissen wij ons ook constant als we bij de berekening van het leven de schommelende cijfers voor de som aanzien.

 

Te zeggen dat men satori gehad heeft is slechts een berekening van het verschil in getallen. Te zeggen dat men zich vergist heeft, een andere. Te zeggen dat het goed is, is een berekening van het verschil. Te zeggen dat het slecht is, een andere. Rijkdom is een berekening, armoede een andere.

 

Is het niet duidelijk dat iemand die eerst rijk was, meer onder de plotse armoede lijdt dan iemand die altijd al arm was?

 

Illusie is het niet kunnen inschatten van de ernst van een situatie.

 

Je hebt nog niet eens echt honger en toch klaag je: “Ik heb niets te eten!” Dat alleen al maakt je hongerig. Woorden maken het leven tot een nachtmerrie want alle ophef in de wereld draait alleen maar om naam en woorden.

 

Ik ben een papagaai aan het leren te zeggen: “Met mij gaat het goed!” Als op een dag de lamp omvalt en alles in brand vliegt, zal hij met zijn vleugels slaan en zeggen: “Met mij gaat het goed, met mij gaat het goed!”

 

Je wordt door jouw lichaam en geest voor de gek gehouden en je hebt het nog niet eens in de gaten.

 

Je probeert indruk te maken met je status. Ben je niet naakt geboren? Pas daarna heb je jouw naam gekregen, jouw trappelzak, jouw flesje melk. En nadat je “groot” bent geworden, beroep je je ineens op jouw belang en sterkte, jouw intelligentie en rijkdom – alleen maar om je met je status aan te kleden. Echter daaronder ben je poedelnaakt.

 

Wat de hele wereld drijft is als het uitmeten van een fata morgana. Of als het bouwen van een paleis uit het Arctische ijs. Op een andere tijd, op een andere plek smelt alles weg.

 

Helbewoners, hongerige geesten, dieren, vechtende demonen, mensen en hemelwezens – de bewoners van al deze zes werelden richten zich alleen maar naar de maatstaf van hun bloedtoevoer. Als het borrelen van het bloed eenmaal tot rust is gekomen, zijn ze allemaal boeddha’s.

 

Het goede en slechte karma van het verleden verschijnt in het heden als karmische waarneming. Omdat we alles door de bril van karmische waarneming zien, komt ons de wereld dan als een demonenwereld voor, dan als een beestenwereld en dan als een helwereld. Daarbij kijken we alleen maar naar een en hetzelfde.

 

Je droomt alleen maar van jouw illusie terwijl je in het bed van de Boeddhanatuur slaapt.

 

Amithaba Boeddha zegt: “Alles is goed zoals het is. Er bestaan geen enkel verdwaald wezen. Niets om je druk over te maken.” Maar de verdwaalde wezens jammeren: “Nee, zo mag het niet zijn!”

 

Met bodhi-geest vergeet je jezelf voor de ander. Zonder bodhi-geest vergeet je de ander voor jezelf.

 

Satori betekent: Verliezen. Illusie betekent: Winnen.

 

Het verschil tussen jou en de anderen verdwijnt dan pas als je jezelf volledig opgeeft voor de anderen. Dat betekent “de anderen naar de andere kant te redden alvorens zelf gered te worden (29).” (Shôbôgenzô Hotsubodaishin)

 

Niets voor jezelf wensen – dat is de grootste gave die je het universum kan schenken.

 

Het panorama dat jou een wereld biedt waarin gegeven wordt zonder dat er naar gevraagd wordt, is fris en helder, weids en onbegrensd, geheel anders dan de wereld van het grijpen.

 

Boeddha neemt vele gedaantes aan. Dat is te wijten aan het feit dat hij uit de diepste goedheid de meest uiteenlopende tranen vergiet.

 

Boeddha’s goedheid is anders dan louter medelijden. Boeddha’s goedheid is het toevluchtsoord waar we niet uit kunnen vallen, hoe zeer we ook spartelen.

 

Grote geest is boeddhageest. Dagelijks vierentwintig uur leven zonder zich ergens aan vast te klampen. Niet hangen aan wereldse afspraken.

 

29. Dôgens uitdrukking voor de houding van een bodhisattva.

 

 

 

22. Aan jou, die zich een beter leven wenst

 

Neem eens pauze. Wie een kleine pauze van het mens-zijn neemt, is een boeddha. Boeddha worden wil niet zeggen je onder de mensen naar boven werken.

 

Wat zo verfrissend aan Ryôkan is, is dat hij niet naar de dingen grijpt.

 

De mensen laten zich steeds door vreugde, ergernis, verdriet en geluk bewegen. Maar dat is niet de dagelijkse geest van zen. In zen betekent de dagelijkse geest: ophouden met schieten. Zonder voorliefde, zonder naijver, zonder winnaar en verliezer, zonder goed en kwaad, zonder vervoering en pijn: Zo is de dagelijkse geest.

 

“Wat voor een mens staat op de grond waar er geen komen en gaan is?”

Kyûho antwoordt: “Het stenenschaap staat tegenover de stenentijger. Volkomen in rust, geen reden voor angst.”

Een schaap uit steen kent geen angst. Een tijger uit steen kent geen honger. Dit is waar het om gaat: Je moet de dingen ontmoeten voorbij het denken.

 

Wat blijft over als je de dingen gewoon zo laat als ze zijn? Het ondenken. Dat valt niet te denken. Om het even of je het denkt of niet: De dingen zijn zoals ze zijn.

 

“Alles is leeg” betekent dat er niets is waarnaar je kunt grijpen. Maar je bent gegrepen door iets en denkt dat je het moet grijpen.

 

Wat er ook gebeurt, het is niets: Dat is de natuurlijke toestand. Je verliest jezelf omdat je de natuurlijke toestand verloren bent. Je ziet jouw toestand niet meer als natuurlijk want je praat er slechts over waardoor het onnatuurlijk wordt.

 

Boeddhadharma is de natuurlijke toestand. Maar in de wereld is alles onnatuurlijk. Doorzetten, ondergaan, over alles praten – dat is niet natuurlijk.

 

Niet verliezen en niet winnen is belangrijk. In de overwinning de Weg niet verliezen, in de nederlaag de Weg niet verliezen. Maar de huidige mens raakt geheel buiten zich als hij wint en verliest dan de Weg. En als hij verliest, verliest hij sowieso de Weg. Als hij geld heeft verliest hij de Weg en zonder geld verliest hij hem ook.

 

“Als je dit doet, krijg je dat resultaat.” Dat geldt voor de wereld maar niet voor de Boeddhaleer. “De mensen ter harte nemen is iets wat niet alleen de anderen betreft: Ik heb tenslotte zelf kinderen thuis. Alleen als ik nu voor ze zorg, zullen ze later ook voor mij zorgen.” Dat is de logica van de wereld.

“Alleen maar dat doen, wat nergens toe leidt” – dat is niet zo eenvoudig. Het is het loslaten van lichaam en geest, het is de losgelaten lichaamgeest.

 

“De vulkaan beklimmen, zich in de gloed gooien” – dat is het vastbesloten afwerpen van de hallucinatie van het autonome bewustzijn

 

Vechtpartijen en meiden werven: Zulke grove dingen horen ook tot de misleidende begeerten maar het werkelijke probleem zijn niet de ruwe, maar de fijnere begeerten. We moeten ons op de details concentreren.

 

“De geest en de dingen zijn één, zoals ze zijn” – klammer je nergens aan vast, ben open in alle eenvoud! Waar van begin af aan geen ding is, valt ook niets toe te voegen.

 

Als er oorspronkelijk niets is mag alles zijn: Ware leer omvat alles.

 

Er zijn vele leren. Maar zeg dat niet zo makkelijk: Want er is werkelijk alles.

 

Leer wil zeggen “alles en iedereen”.

 

Zelfs de kleinste aardappel heeft met jou te maken. Iedere kop thee heeft betrekking op jou.

 

Werkelijke leer is de leer die niet eens “leer” genoemd kan worden.

 

Als je over de hemel spreekt, duw je de hemel in een kader. De ware god is de god die god vergeten heeft, die zelfs ermee opgehouden is god te zijn.

 

God heeft geen naam. Maar wij leven hem ieder moment.

 

Samadhi is aan ieder, enkel ding doorgeven wat het hele universum op elk moment vult.

 

In de Boeddhaleer is er geen één dat alleen dat ene is. Er is ook geen zijn dat alleen het zijn is. En geen niets dat alleen het niets is. In de Boeddhaleer is het ene alles en alles is het ene. Het zijn is het niets en het niets is het zijn.

 

Een wiskundige werd gevraagd of de “1” werkelijk bestaat. Zijn antwoord was dat de wiskunde zich grond op de these dat de “1” werkelijk bestaat. In het boeddhisme daarentegen bestaat er geen “1”. Er wordt gezegd: “Twee bestaat op grond van de een, maar hou je ook niet aan de een vast.” En: “Eén is alles en alles is één.”

 

“Zo zoals het is” betekent dat het hele universum volkomen in orde is.

 

Iedere plek vult hemel en aarde, ieder moment is eeuwig.

 

De Boeddhaweg beoefenen wil zeggen het ene, wonderbaarlijk moment dat ons bestaan belichaamt, steeds hier en nu te leven.

 

Oefening is niets wat je zou kunnen opstapelen. Er is ook geen gereedschap voor. Ieder aspect van het dagelijkse leven moet boeddha-oefening zijn. Het is niet goed het eten snel te verorberen om dan zazen te beoefenen. Maar we eten ook niet om te werken. Eet gewoon op een natuurlijke manier. Tijdens etenstijd: Gewoon eten. Eten is oefening.

 

Zeg niet zulke rare dingen als “medelijden tegenover de lijdende wezens” of “zich wijden aan religieuze oefeningen”. Zo lang alles wat je met je handen en voeten doet, gegrond is in een consequente houding, is het in orde.

 

Anraku staat voor vreugde, plezier en rust. Anraku betekent consequent tot aan het einde te gaan. Direct handelen is anraku, is gelatenheid.

 

Zolang je jouw chequeboekje vast in je hand houdt, leef je niet de Boeddhadharma. Je moet met lege handen naar je thuispost terugkeren. Als je handen niet leeg zijn, dan is dat niet goed. De essentie van de Boeddhadharma is op weg te gaan zonder een chequeboekje in je hand.

 

Wie de vergankelijkheid eenmaal duidelijk erkent heeft maakt zich nergens meer druk over.

Je praat over de werkelijkheid maar de werkelijkheid is niet vaststaand. Alles is vergankelijk.

 

“De vergane geest laat zich niet grijpen, de huidige geest laat zich niet grijpen, de toekomstige geest laat zich niet grijpen.” (Diamant soetra)

Anders gezegd: “Waar is het verleden? Waar is het heden? Waar is de toekomst?”

 

“De vergane geest laat zich niet grijpen” – het verleden is vergaan, het bestaat niet meer.

“De huidige geest laat zich niet grijpen” – het heden blijft nooit staan.

“De toekomstige geest laat zich niet grijpen” – de toekomst is nog niet gekomen.

Kort gezegd: Niets is bestendig.

 

Wat wil vormloos zeggen? Er is geen ding dat niet op grond van vormloos zou kunnen bestaan. Maar als we proberen het vormloze te grijpen wordt het vormloze tot vorm. Het vormloze wil zeggen de dingen niet na- en niet ervan weg te lopen.

 

Allen strompelen in de verwarring en huilen, lachen, ergeren of verheugen zich, feliciteren elkaar of zijn trots. Als we stoppen met strompelen is er verder niets meer. Daarvoor moeten we ons eens goed de kop masseren en de dingen ontspannen zien, zonder zich daarbij te verkijken.

 

Als jouw hoofdhuid zo dik is als de schil van een pompelmoes, dringt er niets door. Als jouw kop zo simpel is als die van een soldaat, ontbreekt het jou aan flexibiliteit. Jouw kop moet alles omvatten: Het gehele universum. Dat wordt bedoeld met de onovertroffen Weg”.

 

Ook al zeg ik dat volstaat om zazen te beoefenen, toch moet ik eten als ik honger heb. En als ik geen geld meer heb, ga ik bedelen. Ik moet alleen opletten dat het geen routine wordt. Want hoe goed het ook mag zijn – als datgene wat ik doe routine wordt, deugt het niet meer. Je mag aan niets vasthouden. Het is een kwestie van vrijheid en onafhankelijkheid.

 

Je mag de Boeddhaweg niet in een kader duwen.

 

Wie geen onderscheid ziet, is een idioot. Wie de verschillen niet met rust laat, is een doorsneeburger.

 

Mijn goede kant is dat ik mijn tijd als Saikichi de loopjongen nooit ben vergeten. Als ik op het punt sta om op reis te gaan en er komt iemand met een stapel papier aan waar ik nog een kaligrafie op moet tekenen – dan word ik wel eens woedend. Maar dan gedraag ik me als indertijd de loopjongen, want als ik toen terugkwam van een lange dag zonder geld en bestellingen, beefde ik van angst voor de hysterische, oude stiefmoeder die thuis wachtte. De kleine Saikichi was blij als laat in de avond nog een bestelling binnenkwam, zelfs al knorde mijn maag van honger.

 

 

 

23. Aan jou, die zegt dat de bobo’s hoogtij vieren

 

Ôtani Kubutsu werd tijdens de Taishô periode beroemd toen hij zijn geisha een fooi van tienduizend Yen gaf. Hij schreef ook haiku’s:

“Hoe kan ik toch bestaan gezien de negentig jaren dat de patriarch zich slechts in papier kleedde?”

Een mooie spreuk – van een monnik die een geisha tienduizend Yen geeft!

 

Zowel de Kinkakuji als ook de Gouden Hal in Hôryûji zijn niet bestemd voor de oefening van monniken. Op zulke plekken verdienen de bobo’s hun brood met luieren.

 

Waarom zijn de Tôdaiji en de Hôryûji en alle andere tempels eigenlijk gebouwd? Uiteindelijk alleen maar om de bobo’s onderdak te bieden zoals een boer zijn vee houdt. Dus is het niet verwonderlijk dat er monniken zijn die de Kinkakuji of de Enryakuji in brand steken. En voor de Ginkakuji geldt dat net zo.

 

In het eerste jaar van de Meiji periode werd de Vijf verdiepingen Pagode van Hôryûji voor vijftig Yen te koop aangeboden, maar er was geen enkele gegadigde. De Vijf verdiepingen Pagode van Kôfukuji werd uiteindelijk voor dertig Yen verkocht aan iemand die het gebouw gewoon wilde afbranden om het goud eruit te halen. Toen men hem zei: “Als je dat doet, brand nog de hele stad Nara af!”, antwoordde hij: “Oké, dan stop het in je reet!” en alleen daarom is de Pagode tot op heden overeind gebleven. De marktwaarde van zulke dingen fluctueren. Dat de marktwaarde van zulke dingen fluctueert is daar aan toe. We hebben ze niet nodig. Er zijn belangrijkere dingen. Zazen is waar het om draait.

 

Wat de volwassenen de kinderen prediken zijn vaak ouderwetse inzichten. Het denken dat goed, goed is en slecht, slecht heeft z’n beste dagen gehad. Ook bij groente wordt dat wat eens eetbaar was, oneetbaar als het zijn beste dagen gehad heeft. Je moet de dingen steeds met een frisse blik tegemoet treden.

 

“Dat is een belangrijke zaak!” Wat is een belangrijke zaak? Er zijn helemaal geen zo belangrijke zaken. Als we sterven moeten we alles achterlaten. De culturele gebouwen en “staatsschatten” in Nara of Kyôto zullen vroeger of later verloren gaan. We kunnen ze ook nu direct in brand steken!

 

“Jûji”(30) betekent oorspronkelijk verwijlen in de Boeddhaleer en er verantwoording voor nemen. Anders gezegd je verplichten tot de Boeddhaleer. Maar vandaag de dag schijnt “Jûji” niets anders te betekenen dan je vastklampen aan een tempel en ervan te leven – verwijlen in de tempel en uiteindelijk alleen maar zorgen voor je eigen brood op de plank.

 

De laatste tijd zijn er tempels in Kyôto die dienst doen als pension of hotel. Hoe bizar, zelfs monniken denken alleen maar aan geld en vreten.

 

Dat de bobo’s die geld verzamelen verderfelijk zijn spreekt voor zich. In oude tijden zei Takeda Shingen: “Mijn volk is mijn burcht.” Uit respect voor zijn volk besloot hij geen burcht te bouwen en werd desondanks niet aangevallen. Tijdens de regeringsperiode van Katsuyori werd een groots slot gebouwd alleen maar om door

 

Ieyasu afgebroken te worden. Met de spaarcenten van de monniken bobo’s is het net zo: Ze blameren zich er alleen maar mee.

 

Een monnik zou trots moeten zijn geen geld te hebben. Toen Ryôkan stierf deden er geruchten de ronde over spaartegoeden. Toen stond er een op en zei: “Dat klopt niet – zie, hier is zijn kasboek!” Hij verdedigde Ryôkan met deze woorden want voor een monnik is het een schande geld te bezitten.

 

Heeft Ryôkan geld nagelaten toen hij stierf of niet? Ik was blij te horen dat het niet zo was. Maar in de wereld denkt men net de andere kant uit. Een monnik moet leren anders dan de wereld te denken.

 

Een monnik moet er niet apart uitzien, om het even wie naar hem kijkt. Hoe is het mogelijk dat sommige bobo’s zich zo verheven gedragen, terwijl de huisvrouwen in hun tempels wonen?

 

De bobo’s van tegenwoordig zijn geen thuisloze monniken. Ze zijn gewoon van een strohut naar een hut met een echt dak verhuisd. Zo als de zoon van een bakker die een crematorium begint.

 

De ritueelmeester moet bij de ordinatieceremonie constant zijn gewaad wisselen. Daarom zei er ooit eentje: “Een bobo onderscheid zich bijna niet van een geisha!” Pas goed op, anders vergaat het jou net zo.

 

De mensen willen altijd ergens een slaatje uit slaan. En ligt het niet op straat, dan stelen ze het. Met geweld grijpen en graaien ze ernaar. Maar in werkelijkheid moeten we eerst eens alles loslaten zodat de nevel oplost en we het ware gezicht van de waarheid kunnen zien.

 

“Thuisloosheid” is het volkomen loslaten van groepswaanzin. De bobo’s van vandaag de dag willen alleen zichzelf verrijken, daarom deugen ze voor geen meter.

 

Als je de kat iets lekkers te eten geeft, vangt hij geen muizen meer. Een verwende hond waakt niet meer. Ook de mens doet zijn werk niet meer goed zodra hij genoeg geld heeft en het zich goed kan laten gaan.

 

De Tokugawa politiek heeft de bobo’s driehonderd jaar lang in toom gehouden met overdadig eten en prachtige gewaden, zodat ze uiteindelijk – als everzwijnen die tot varkens degenereren – hun snijtanden en klauwen verloren en het merg uit hun botten lieten zuigen.

 

De boeddhisten vonden het tijdens de Tokugawa periode helemaal oké ingepalmd te zijn door de Tokugawa politiek. Dat ze zich toen al niet als religieuze mensen zagen is de oorzaak van de huidige ondergang van de Boeddhaleer.

 

Het boeddhisme was in de Tokugawa periode een onder het mom van religie bestuurlijke machine. Daarom viel deze ook direct uiteen toen de Meiji periode aanbrak die het boeddhisme opruimde.

 

Dat de bobo’s van vandaag zich schamen voor hun monniksgewaad ligt daaraan dat tijdens de Meiji periode het boeddhisme opgeruimd werd en ze de schrik in hun benen kregen. De wereld lacht over deze argwanende figuren.

 

De bobo’s van vandaag strijden een verloren strijd. Met onzekere tred en de hellebaard verkeerd om vastgehouden trekken ze zich terug. De volksmond zingt daarbij: “De verslagen vechter schrikt zelfs van een vogelverschrikker.”

 

“Een held die succesvol terugkeert. Een dwaas die verloren terugkeert.”

 

De bobo’s van vandaag is het pijnlijk een monnik te zijn. Om zich zo weinig mogelijk als monnik te laten zien dragen ze hun gewaad en kesa alleen als het noodzakelijk is. Want hun brood kunnen ze alleen als bobo verdienen. Dat is hun dilemma. Katholieke priesters dragen altijd hun priestergewaad. Ze zijn er trots op het te dragen – maar is dat omgekeerd goed of niet goed?

 

Het is niet makkelijk monnik te zijn zonder het zakelijk te zien. Eigenlijk zou een monnik helemaal niets met zakendoen te maken moeten hebben. Want wat kan er dommer zijn dat het monnik zijn te commercialiseren? Je moet zonder twijfel op weg gaan naar je eigen doel. Als boeddhist moet je een voor jou een duidelijke levensinstelling hebben.

 

Iedere afzonderlijke dag in de maatschappij is een test. Het hele leven lang mag je er niet voor zakken. Dat geldt in eerste instantie voor de geest waarmee je de lijdende wezens redt. Als je ook maar een keer woedend wordt, zullen de lijdende wezens geen toenadering zoeken. Als je ook maar een keer begerig bent, zullen de lijdende wezens zich van je afkeren. Op dit punt moet je het maatschappelijk bewustzijn goed voor ogen houden.

 

30. Letterlijk: “Wonen en bewaren”, benaming voor een boeddhistische tempelpriester.

 

 

 

24. Aan jou, die de zakelijke bobo’s benijdt

 

Het zou leuk zijn als de spoken altijd gingen spoken als de bobo aan het prutsen is tijdens de begrafenis. Maar zelfs als de bobo de begrafenis verprutst, spoken de spoken niet en daarom leven de bobo’s zo boven hun stand.

 

Wat doen de bobo’s eigenlijk als ze een begrafenis houden? Het komt bij mij over als iemand die met losse flodders schiet, daar een film van maakt en daarvan weer een stille opname.

 

Radio en televisie geven geen beeld noch geluid als ze niet goed aangesloten zijn. Dat is niet zo bij de monniken: Die zie je in verfrommelde gewaden alleen maar verder verstrikt raken zonder dat ze daarbij weten hoe je correct in zazen moet zitten of moet gaan bedelen.

 

De bobo’s prediken hun wel geformuleerde woorden en de leken die ervoor betalen verwachten er heel wat van. Wat heeft deze ruilhandel van opgestoken kennis te maken met de Boeddhaleer?

 

Een bobo zegt over de oude vrouw die hij de soetra’s voorleest: “Deze oma heeft haar toevlucht bij mij gezocht.” Hou toch eens je mond, idioot!

 

De bobo’s zeggen vandaag dat ze iets beters te doen hebben dan zazen beoefenen. Ze zeggen dat ze Sawaki niet meer nodig hebben.

 

Zowel vanuit het communisme gezien als vanuit de democratie moet het boeddhisme iets hebben waar niet overheen gekeken kan worden. En waarin het ook mogelijk is daar de weg te wijzen waar het communisme en de democratie niet meer weten hoe het verder moet. Alleen is het zo storend wat de boeddhisten zelf aan de Boeddhadharma hebben toegevoegd.

 

De bobo’s stellen de vraag: “Wat biedt het boeddhisme nog?” Wie beweert er dat het boeddhisme niets meer te bieden heeft? Wie zegt dat Shakyamuni en de Boeddhadharma niet meer gevraagd zijn? Zijn niet de bobo’s de idioten die geen zin meer in de Weg hebben? Maar omdat dit nogal pijnlijk is, vraag ik ze: “Hoe staat het met jouw vrouw en kinderen – geloven die nog in jou?”

 

Een zenmonnik is iemand die een vrij leven leidt waarin de Boeddhaweg centraal staat.

 

Werkelijke thuisloosheid beoefen je als je het ware zelf uitleeft, dat absoluut nooit besmet kan raken. Op deze manier vorm je jouw leven dat één is met het hele universum.

 

Al die Indische en Chinese mythen … Hou je daar niet aan op en leef de naakte inhoud van de Boeddhaleer zelf! Dat is zen.

 

Nog voordat we het in de gaten hebben, mengen de nieuwsgierigen zich  onder de religieuzen. En zodra nieuwsgierigen op het toneel verschijnen, kloppen de dingen niet meer helemaal: Nieuwsgierigen maken een theater van religie. Maar als wij dan

 

zeggen: “Geen nieuwsgierigen – ieder zijn eigen probleem!”, dan verwisselt men ons met het kleine Voertuig.

 

Ascese is niets anders dan het zoeken naar reizen. De bobo’s van vroeger waren of ook uit op deze reis of het waren gewoon nietsnutten. Met religie heeft dat alles niets te maken.

 

“Ik hou me aan het celibaat!” – Zo veel maskers die de monniken zich opzetten.

 

Goocheltrucs zijn hier niet welkom. Als we niet oppassen wordt religie een goochel-revue.

 

“Waar jij staat, staat niemand anders” – dat wil zeggen: “Geen nieuwsgierigen!” Waar nieuwsgierigen opduiken komen de dingen plotseling in de uitverkoop. Samadhi is geen uitverkoop.

 

Als bobo’s niet oppassen gaan ze theater spelen en ook nog eens slechte, goedkope komedies. Vroeger schitterden er nog sterren die verstand hadden van toneel spelen, maar vandaag de dag vind je die niet meer.

 

De waardigheid van de bobo’s is vandaag de dag slechts nog een gespeelde waardigheid.

 

Als je de onovertroffen Wijsheid uit het oog verliest begin je jouw doorsneeburger-kunnen te vergelijken met de ander. Wijd je gewoon aan de onovertroffen Wijsheid. Laat je niet door het kunnen van de doorsneeburgers beïnvloeden.

 

Je weet dat je niets bijzonders bent? Je mag niet vergeten dat ook zij die in de wereld van religie door allen als bijzonder gezien worden niets bijzonders zijn.

 

Wat zijn jouw werkelijke motieven? Daar moet je eens goed over nadenken zonder jezelf voor de gek te houden. Gebeurt het niet dat je j– zonder dat je het in de gaten hebt – toneel staat te spelen waarbij het alleen maar om je eigen show draait? “Alleen jijzelf kunt het begrijpen, anderen kunnen het niet inzien.” (Lotussoetra) Als het jou erom gaat indruk te maken op de toeschouwers heeft dat niets te maken met boeddhisme.

 

“Och, ik wilde toch alleen maar goed doen.” – Weet je eigenlijk wel wat het inhoudt iets goed te doen? Of geloof je de groepswaanzin die zegt dat iets “goed” is zodra anderen jou daarvoor prijzen?

 

De bobo’s van vandaag willen iets goed doen voor de maatschappij: Ze geven het geld van de rijken aan de armen en doen zichzelf voor als de grote barmhartige. Dat staat totaal niet in verhouding met de Boeddhadharma.

 

Alleen jij kunt de Boeddhaleer beoefenen.

 

Zodra organisaties ontstaan is het geen religie meer, maar puur zakelijk.

 

“Goed doen” kan ook slecht zijn. Want menigeen doet goed om zichzelf te profileren.

 

Gaat het om de Leer of gaat het ons erom zaken te doen? Sommigen verwisselen dan nog wel eens.

 

Als in een van de hoofdtempels een schare zenmonniken snel en luid de helft van de Shôdôka soetra’s leest, tonen de bedevaartgangers groot respect. Geen idee wat daaraan zo respectvol is, maar op een of andere manier zijn ze allen onder de indruk. De monniken zijn alleen maar daar om hun licentie te behalen en de hoofdtempel doet goede zaken zulke monniken binnen te halen. Dat geldt ook voor de tempels in China. Daar worden zaken gedaan, zonder dat dit zaken doen als zaken doen gezien wordt.

 

Dat vandaag de dag de Boeddhadharma zo gedegenereerd is, is omdat de oefening zo gedegenereerd is. We willen maar niet inzien dat de oefening zelf satori is.

 

Waarom stelt het Japanse boeddhisme niets meer voor? Omdat Japan overspoeld is door boeddhistische rijkdommen maar de oefening zelf ontbreekt. Er waar geen oefening is, is ook geen Boeddhaleer. Zelfs al is de vrucht van de Leer aanwezig, zal deze niet ontkiemen zolang deze niet door de beoefening begoten wordt.

 

Men zegt dat het boeddhisme in Thailand, Birma, Ceylon en China nog streng gebonden is aan regels en geboden, echter de Leer is daar net zo inhoudsloos als hier. Alleen zijn de gebruiken anders, het zijn de Hinayana gebruiken.

 

 

 

25. Aan jou, die zich verder wil ontwikkelen met het boeddhisme

 

De betweterige analyses van de buitenstaanders: Dat is wat ik een “lege theorie” noem. Betweterige analyses deugen niet. Duik erin met eigen lichaam en ziel!

 

Je moet volledig sterven om over de Boeddhadharma na te kunnen denken. Het volstaat niet je slechts tot half stervens toe te pijnigen.

 

De Boeddhaleer is niets voor nieuwsgierigen. Het moet om jou gaan!

 

Religie is niet de wereld om je heen veranderen. Het wil zeggen jouw ogen, oren, zichtwijze en denken veranderen.

 

De Boeddhaleer is geen studievak, maar een probleemstelling: “Wat doe ik met dit lichaam?” Het menselijke lichaam is hoogst functioneel ingesteld. Maar waarvoor benut je eigenlijk dit lichaam? Als slaaf voor je lusten. De Boeddhaleer gaat zo met het lichaam om dat het niet langer een slaaf is voor de lusten. De Boeddhaleer brengt eenheid in lichaam en geest.

 

In het boeddhisme gaat het niet om ideeën. Het gaat om de vraag: “Wat doe ik met mezelf?”

 

Boeddhaweg is het omzetten van het absolute in de praktijk, het door oefening te verwezenlijken.

 

Boeddhaleer is de voortdurende oefening met lichaam en ziel zonder enig gewin. Voor deze oefening zonder gewin bestaat geen handleiding die jou ieder moment verder kan helpen. Maar toch is het belangrijk dat je altijd dat doet wat je moet doen en niet dat doet wat je niet mag doen. Waar je risico moet nemen, neem het risico met heel je hart en ziel. Als je geen risico mag nemen dan neem nog niet eens het geringste risico. De bedoeling van de oefening ligt niet in de dingen. Het ligt in de belichaming ervan.

 

“Alleen boeddha en boeddha kunnen het doorgronden.” (Lotussoetra)

Alleen een kat begrijpt de gevoelens van een kat. Alleen een boeddha begrijpt de Boeddhadharma. Alleen diegene die de Boeddhadharma beoefent, is een boeddha. Alleen maar een voorstelling van boeddha maken zonder de Boeddhadharma zelf te beoefenen heeft niets te maken met de Dharma.

 

Religie deugt niet als het alleen maar om begrippen draait. Religie is leven en leven moet belichaming zijn. Wie niet meer kan zeggen dan: “Ik neem de toevlucht tot de Lotussoetra”, heeft een probleem. Leven moet zich vrij kunnen bewegen naar links en rechts, naar boven en onder, in alle richtingen. Wordt geen mummie, laat je niet uitdrogen.

 

De hele wereld denkt dat het bij de beoefening van de Boeddhaweg erom gaat stap na stap de verlangens terug te dringen, net zoals men het licht van een lamp dimt totdat het op een dag helemaal uit is. De oefening van het grote Voertuig (Mahayana) bestaat uit “het voornemen en je best doen om alle lijdende wezens naar de andere kant te helpen voordat je jezelf redt” (Shôbôgenzô Hotsubodaishin).

 

Daarvoor is het noodzakelijk de verlangens bewust opzij te zetten om zo de levende wezens ten dienste te zijn. Dat wil zeggen dat we volkomen menselijk moeten zijn. Onze oefening mag niet zo kaal en bleek als een skelet zijn.

 

Jouw religie moet gaan om de vraag: Hoe leven?

 

Een religie die niets te maken heeft met jouw levensinstelling, deugt niet.

 

De Boeddhaleer is geen legende uit oude tijd. “Er was eens een oude opa en een oude oma …” – geen sprookje van deze aard. De Boeddhaleer moet jouw eigen probleem worden. Los van jou, los van dit ogenblik is er geen Boeddhaleer. Boeddhaleer is niets voor toeristen.

 

De Boeddhaleer ligt niet ergens ver weg. Het behoort ook niet tot de geschiedenis. Het behoort tot jou zelf!

 

In de wereld heerst een grote wanorde omdat iedereen met zijn eigen maatstaven meet als er sprake is van “groot” of “klein”. In het boeddhisme spreekt men van ongehinderde vrijheid in groot en klein, eng en weids. Dat is iets anders dan de dingen met een maatstok te meten en als “groot” of “klein” te bestempelen.

 

Boeddhisme is maatloos en grenzeloos. Als je probeert het boeddhisme te begrijpen en daarbij de grenzeloosheid buiten beschouwing laat, zul je volkomen verdwalen.

 

Horizontaal verstrengeld, verticaal verstrengeld – deze verstrengelingen hebben niets te maken met de Boeddhaleer. Relaties zijn niet absoluut. Alleen doorsneeburgers vertrouwen erop want ze denken dat ze echt zijn. Maar kijk toch eens, ga je jouw geliefde die je nu in je armen houdt niet aan de dood verliezen? Zelfs een miljonair valt om als zijn tijd gekomen is.

De ouden verlangen naar de goede, oude tijd en hebben het alleen nog maar over vroeger. En de jeugd maakt er grappen over. Maar wat doet de jeugd? Ze zeggen: “Vroeg of laat zal ik het jullie wel laten zien!” Op deze manier wordt dat wat ze nu doen tot een provisorium van het moment. We lachen en huilen, zijn boos, klagen en lijden binnen de horizontale en verticale verstrengelingen. “Ronddwalen” is een leven waarin we vertrouwen op deze horizontale en verticale verstrengelingen terwijl we het moment hier en nu volledig vergeten. De literatuur beschrijft deze wirwar binnen de horizontale en verticale verstrengelingen. Daarom produceerde Dôgen Zenji die niets te maken wilde hebben met deze horizontale en verticale verstrengelingen, geen stof voor romans.

De horizontale en verticale verstrengelingen staan voor de vergankelijke wereld terwijl dat wat zonder de horizontale en verticale verstrengelingen alleen hier en nu bestaat, zazen is. Wat zonder deze verstrengelingen bestaat wordt uitgedrukt in de woorden: “Alle dingen zijn een manifestatie van de waarheid.”

 

 

26. Aan jou, daar je graag geestverheffende woorden hoort

 

De mensen zeggen: “Wat die Sawaki ook zeggen mag, er is niets religieus aan!” Maar dat is toch logisch. Er is ook niets religieus aan mij. De Boeddhaleer probeert juist jou naar die plek te leiden waar “niets aan” is.

 

Sommigen zeggen: “Als ik die Sawaki hoor praten, val ik van mijn geloof af.” Die ga ik van nog wat meer afhelpen! Want zulk een geloof is niets anders dan bijgeloof. Anderen zeggen: “In Sawaki’s woorden vind ik geen geloof.” Het roept geen bijgeloof in je op, perfect toch!

 

Er is niets zo grappig als oude oma’s die naar iets “godsdienstig” zoeken. Alles is religieus voor ze, zelfs als het voor geen meter deugt. Maar dit “religieuze” is de bron van alle verwarring want uiteindelijk gaat het daarbij alleen maar om jou zelf. Je vertrouwt op boeddha in de hoop dat je wat lekkers krijgt.

 

Welke soetra je ook leest, overal wordt verteld je lichaam en leven op  geven voor de Weg. Hoe is het dan mogelijk dat de hele wereld denkt dat religie niets anders is dan bidden voor een goede gezondheid en zakelijk welzijn?

 

Hoezeer je ook denkt het goed te doen – alles wat een mens doet is slecht. Bij het geven, gaat het jou erom dat jij het gegeven hebt, bij religieuze oefening denk je: “Ik ben het die oefent” en als je goed doet wil je ook weten dat jij het bent die goed gedaan heeft. Wil dat dan zeggen, dat het beter is slecht te doen? Nee want zelfs als we goed doen, doen we slecht - als we slecht doen, is het nog slechter.

 

“Hoed je ervoor, goed te doen!” Want wie goed doet denkt zelf goed gedaan te hebben, daarom is hij slechter dan iemand die slecht doet. Is het niet schattig als iemand iets slecht doet? Want in zijn binnenste wordt hij daarbij heel klein.

“Wil dat zeggen dat ik slecht moet doen?”

 

“Zelfs het goede moet je laten, nog veel meer het slechte!(31)”

 

Als je goed doet, begin je je te ergeren over alles wat slecht is dat je ineens opvalt bij alle anderen. Als je slecht doet brengt dat je niet van de wijs, jou jeuken slechts je eigen handen. Maar niet alleen bij geld beginnen de mensen alles te berekenen. Bij alles en in alle omstandigheden, proberen ze wat van de prijs af te pingelen. Dat komt omdat lichaam en geest niet losgelaten zijn. Pas als lichaam en geest losgelaten zijn, wordt berekenen overbodig. De afgevallen lichaamgeest is het onmeetbare en grenzeloze.

 

Als iemand weer eens een goede spreuk bedacht heeft, zeg ik: “Daar stoomt de rijstebrij!” Moet zijn: Met een volle maag is het makkelijk praten.

 

Ruzie, seks, hebzucht en leugens – met andere woorden: De mensenwereld.

 

Je vergist je omdat je over alles als vleselijke mens nadenkt.

 

“Het weiland is groen, de bloesem is rood.”

 

Boeddhaleer is het vanzelfsprekende. Maar de mens brabbelt alleen over het overbodige. “Goed”, “slecht”, “nuttig”, “onnuttig” enzovoorts.

 

Zazen? Gewoon zitten? De wereld is daarin niet geïnteresseerd. De mensen willen een melodie. Liever zingen ze lofzangen en voelen zich daarbij spiritueel.

 

Nog voordat je het in de gaten hebt, gaat het jou weer om het menselijke geluk en ongeluk, liefde en haat, goed en slecht.

 

“Doe goed, vermijd het slechte”. Daar is geen twijfel over mogelijk, echter: Wat is goed en wat is slecht? Goed en slecht gaan hand in hand.

 

Zazen gaat voorbij aan goed of slecht. Het gaat hier niet om moralistische opvoeding. Zazen begint daar waar communisme en kapitalisme ophouden.

 

Zolang je niet ziek bent, vergeet je je lichaam. Ook ik vergat mijn benen toen ze nog energiek waren, of ik nou wandelde of liep. Dat de laatste tijd mijn benen zo belangrijk lijken, komt omdat ze ziek zijn. Wie gezond is gaat gewoon aan het werk zonder zich bewust te zijn van zijn gezondheid. Wat jou stoort, zijn de tekortkomingen. Als niets spiritueels tevoorschijn komt, is er niets aan.

Het boeddhisme leert de bevrijding die uitstijgt boven overeenkomsten en woorden. Het wordt louter direct van boeddha tot boeddha gecommuniceerd. Als niet beide kanten van begin af aan elkaar begrijpen, zal het niet begrepen worden.

 

Als zoiets als de Leer of het niets zou “bestaan” dan is het niet de Leer of het niets. “De Leer zien” wil zeggen dat er nog niets eens een leer te zien is.

 

31. In navolging van Shinran, de grondlegger van het Jôdô-Shin-boeddhisme dat leert dat geen mens op eigen kracht tot verlossing kan komen.

 

 

 

27. Aan jou, die naar zijn zelf vraagt

 

Je kunt jezelf niet grijpen of vasthouden. Je verwerkelijkt jezelf precies op dat moment waarin je je volkomen aan het universum opgeeft.

 

Alleen het “ik” wat ik niet zelf bedacht heb, ben ik werkelijk.

 

Datgene wat voorbij gaat aan jouw privé aangelegenheden wordt uitgedrukt in woorden als “Alle dingen zijn een manifestatie van de waarheid” of “Het gehele zijn is Boeddhanatuur”.

 

Het hele universum straalt in het licht van het zelf. Jij bent het hele universum. Je bent niet de onnozele hals die met de geldstukken in z’n portemonnee rinkelt.

 

Jouw lichaam is het hele universum. Als je dat zelfvertrouwen niet hebt zul je ergens blijven steken. Als je jaloers bent en stemmingswisselingen hebt dan wil dat zeggen dat je ergens bent blijven steken.

 

Geloof bestaat uit de overtuiging dat jij het hele universum bent, om het even of jou dat overtuigend overkomt of niet. Dit geloof is de enige vorm van religieuze oefening die nooit verzwakt.

 

Boeddhaweg is het geloven in de eigen Boeddhanatuur.

 

Ieder van ons, of je het nu weet of niet, bezit Boeddhanatuur. Dat wil zeggen dat je deel uitmaakt van alle dingen als manifestatie van de Waarheid.

 

De manifestatie van de Waarheid ligt voor ons open. Het is vergeefse moeite eraan te twijfelen.

 

Bij de Boeddhaweg gaat het om jouw poedelnaakte, onbreekbare zelf dat niet kan verdwalen.

 

Vergeet gewoon alles wat je sinds je geboorte opgestoken hebt.

 

“Afvallen-van-lichaam-en-geest” betekent gewoon ophouden met te volharden: “Ik ben, ik ben, ik ben!”

 

Alle dingen zijn inhoud van jouw zelf. Daarom moet je in al jouw handelen rekening houden met de wensen van anderen.

 

In de Gakudôyôjinshû staat: “Bodhi-geest is het herkennen van de vergankelijkheid.” In de Vairocana-soetra wordt ook gezegd: “Bodhi is het direct herkennen van de eigen geest.” Dat wil zeggen dat het herkennen van de vergankelijkheid in eerste instantie betekent zichzelf te herkennen.

 

“Niet-Ik” is geen verstandsverbijstering. Het is het één-worden met het universum.

 

“Niet-Ik” omgekeerd uitgedrukt: “Alle dingen zijn een manifestatie van de Waarheid”.

 

Niet-Ik of ongeest wil niet zeggen zich passief in bewusteloosheid te laten meevoeren. Ongeest betekent ook niet de noodzakelijkheid trotseren. Nee, het betekent het volgen van de kosmische orde. Leven, ingebonden in het universum.

 

Is leven binnen de tijd? Andersom: De tijd is binnen het leven. En alleen in jouw oefening is er leven.

 

Jij bent jezelf en tegelijkertijd het hele universum. Jij bent het hele universum en gelijktijdig jezelf. Dat is precies datgene wat deze zin uit de Lotussoetra zegt: “Er is alleen de Dharma van het ene Voertuig, niet twee, niet drie.”

 

Als een waterdruppel in de oceaan oplost en als een stofkorrel in de aarde zinkt, dan is de waterdruppel al de oceaan en is de stofkorrel de aarde.

 

Als de vrucht van het religieuze denkbeeld volledig gerijpt is manifesteert deze zich als dat wat in het boeddhisme “het zelf dat het hele universum vult” genoemd wordt.

 

De Boeddhaweg mag het ook niet ontbreken aan maatschappelijk bewustzijn. Als de Boeddhaleer aan de ene en de mensen met hun wensen en gevoelens aan de andere kant elkaar aankijken, dan scheiden zich de Leer van absolute werkelijkheid en de leer van de vergankelijke wereld. Maar voor een boeddha zijn de verdwaalde levende wezens de stamgasten daarom moet de Boeddhaleer hier met fingerspitzengefühl  te werk gaan.

 

Bij alle dingen waar we gebruik van maken denken aan diegenen die na ons komen, is zich ten dienste te stellen aan de maatschappij.

 

Waar geest is is er altijd iets uit te werken. Waar geen geest is, is ook geen geest van goedheid. Er mag noch geest, noch geen geest zijn: Dat is moeilijk. Hier rust de betekenis van het denken op grond van het niet-denken en ondenken is de ene, grote kwestie waarin zowel “geest” als “niet-geest” samen passen.

 

Ondenken is niet datgene wat jij in je hoofd uitrekent.

 

Als in het boeddhisme sprake is van de “toestand voor ruimte en tijd” betekent dat de ruimte en tijd waarin de dingen nog geen naam hebben. Hoe zou er daar een laatste antwoord kunnen zijn?

 

Van een werkelijke boeddha valt geen maat te nemen.

 

Boeddha heeft geen vaste vorm. Daarom kun je hem niet meten.

 

Als je “Amithaba” zegt dan klinkt dat alsof “Amithaba” jouw huisdier is. Dat is verkeerd. “Amithaba” betekent “maatloos licht en leven” – in andere woorden: Onbegrensdheid.

 

Als je vraagt wat boeddhisme is, luidt het antwoord: “De Boeddhaweg doorgronden is zichzelf doorgronden” (Shôbôgenzô Genjôkôan) en “de eigen geest werkelijk zien”(Vairocana-soetra).

 

Religieuze oefening is een reis naar jezelf. Let op, anders dwaal je nog je hele leven lang rond als een spook zonder te weten waar je naar op zoek bent.

 

Je schrijdt voort in jouw oefening op zoek naar die ene kwestie zonder eigen aard, zonder gewin, terwijl je de blaren onder je voeten loopt in je strosandalen. Maar deze oefening mag niet gericht zijn op iets anders buiten jouw zelf. Het moet het omdraaien van het licht en het belichten in jouw innerlijk zijn. In de Bendôwa heeft Dôgen Zenji het over de “Dharma-poort van vrede en geluk”, maar deze vrede en geluk zijn niet de vrede en geluk in wereldse zin. Een eind maken aan de vrede en het geluk in wereldse zin is het vinden van ware vrede en waar geluk.

 

De Boeddhaleer is niet ver van jou verwijderd maar je mag ook wachten totdat je deze geschonken krijgt. Het gaat erom jezelf duidelijk te krijgen.

 

 

 

28. Aan jou, daar je het boeddhisme als een slimme gedachte ziet

 

Een gedachte baseert zich op de stand der dingen als alles al afgesloten is. In de Boeddhaleer gaat het om zaken die niet afgesloten worden, het gaat om de dingen in beweging.

 

Religie is geen gedachte. Het is oefening.

 

Religieuze oefening is een concreet feit. Geen reclame voor een medicijn.

 

De proef van wetenschappers: In ons geval gaat het om de praktische oefening. Zoals de wetenschap zonder proeven zonder vernuft is, is ook het boeddhisme zonder oefening zonder vernuft.

 

Verlies jezelf niet in gedachten over de Boeddhaleer!

 

Pas op dat je de Boeddhadharma niet als een conservenblik vastpakt, dat met de concrete feiten van het leven niets te maken heeft.

 

Alles wat uit jouw mond komt, al jouw verklaringen en opmerkingen: Het is allemaal gezwets. De trekken in jouw gezicht zeggen genoeg.

 

De Boeddhaleer is niet te vinden in boeken. Hoeveel soetra’s zich ook stapelen in de bibliotheken als er niemand is die ze leest zijn ze nergens goed voor. Omdat de Boeddhaleer de oefening omhelst gaat het uitsluitend om mensen en mensen, om jou en mij.

 

De inhoud van begrippen en ideeën verandert voortdurend. Niets is vaststaand. Daarom wordt in de Hannya-Shingyô (Hart-soetra) gezegd dat oog, oor, neus, tong, lijf en brein niet bestaand zijn en dat de gezamenlijke fenomenen en het gehele waarnemingsproces op zich leeg zijn. Waar je ook kijkt, twee dingen zijn nooit eender. Ieder van ons heeft zijn eigen gezicht.

 

“Vorm is leegte, leegte is vorm.” Zodra je het in woorden vervat, breng je er een structuur in. Als je het uitspreekt komt het een voor het ander. In werkelijkheid is het gelijktijdig. In werkelijkheid wil zeggen: in de oefening.

 

Als een feit een feit is, zijn woorden overbodig. Woorden zonder werkelijkheid zijn lege theorie. Als we de inhoud begrijpen, zijn we vrij van woorden.

 

De werkelijkheid kun je met woorden geheel vrij uitdrukken. Maar deze woorden zelf zijn niet de werkelijkheid. Als de werkelijkheid in de woorden zelf vervat zou zijn, dan zou je jouw tong verbranden als je “vuur” zegt. En altijd als je over wijn zou spreken, zou je dronken worden. In werkelijkheid is het niet zo eenvoudig.

 

Wat zonder realiteit is, deugt niet om het even hoe wij het benoemen. Hoe we het ook keren, theorie brengt ons niet verder. Woorden zijn niet meer dan woorden. Ik heb veel boeken van de filosoof Nishida Kitarô gelezen en had het gevoel op een ontdekkingsreis te zijn op zoek naar nieuwe woorden.

 

Wie het niet in eenvoudige woorden kan uitdrukken heeft zijn kennis niet voldoende doorgrond.

 

De professoren in de Boeddhologie verkwisten hun hele leven met het uitrekenen van het aantal provisorische leerstelsels zonder ooit zelf een deel van de waarheid voor ogen te hebben gekregen. Zo verwisselt de Boeddholoog het leven van een kasregister met dat van een miljonair.

 

Wetenschappers zijn eigenaardige mensen: Ze proberen een diagram van de vijfentwintig manieren van bestaan in de drie werelden te maken, eerst in zwarte inkt en met een fijn penseel, daarover komen in rode inkt de additionele feiten en tenslotte nog een paar randcommentaren in krijt. Op deze manier doen ze perfect hun werk, maar ocharm!, ze hebben geen weet hoezeer dit alles met henzelf te maken heeft.

 

De Indiërs hebben er een handje aan alles af te tellen. Voor alles en iedereen hebben ze het precieze aantal gereed. Het precieze aantal om je neus te poetsen, een scheet te laten en ga zo maar door.

 

Ik heb gehoord dat in India het geloof in een lade met kunststukken en magie ligt.

 

Ook al wordt de door Kumarajiva vertaalde Lotussoetra gezien als zijnde eleganter dan het origineel, wat heeft dat te zeggen? Het gaat er uiteindelijk om zoveel mogelijk uit de Boeddhaleer te halen. Of is de Boeddhaleer alleen nog maar filologie en geschiedenis?

 

De boeddholoog ziet het boeddhisme alleen nog maar als een brontekst en niet als uitdrukking van zijn eigen leven.

 

De basis van de sociologie zou eruit moeten bestaan de geest van alle lijdende wezens tot de eigen geest te maken.

 

Het moet jou duidelijk zijn dat het een groot verschil is of dat jij geheel bereid bent je aan deze, ene kwestie over te geven of niet. En dat geldt voor ieder, afzonderlijk gebod, iedere afzonderlijke soetra, iedere afzonderlijke gedachte en iedere afzonderlijke cultuur. En dat geldt voor jouw hele leven.

 

Niets is zo bedrieglijk als een boeddhisme zonder daadwerkelijke oefening. Als je de soetra’s louter als symbolische uitdrukking van de oefening ziet dan zie je daarin kunstwerken die niet stiller en transparanter zouden kunnen zijn.

 

De overdracht vindt plaats buiten de soetra’s. We baseren ons niet op woorden want in de Boeddhadharma is niet te vinden in de soetra’s. Maar wil dat dan zeggen dat de soetra’s slechts leugens zijn? Niet bepaald. De soetra’s zijn net zo waar als de blik in de ogen van diegene die ze leest.

 

Suiker is zoet, ook als deze zwijgt. Hij zegt niet: “Geloof me, ik ben zo zoeoeoet.” Als we gewoon het woord “suiker” zeggen, smaakt dat niet zoet. Alleen als we eraan likken is suiker zoet. Want suiker is geen woord. Maar wil dat zeggen dat woorden geen betekenis hebben? Nee, want ik hoef maar alleen maar te zeggen “Breng me suiker” en zie, iemand brengt me suiker. Of wat zou jij me brengen?

 

Het boeddhisme is daarom zo moeilijk omdat het de Leer leert die niet uit te drukken is in woorden en niet te verklaren is. Anders gezegd, een leer zonder woorden. Alles wat jij begrijpt en van buiten kunt leren is geen boeddhisme.

 

Oudere mensen hebben het altijd over hun “levenservaring” zodra hun oude gewoontes ter sprake komen. De echte wijsheid echter, laat zich niet uit zijn evenwicht brengen zelfs als alles erom heen verandert.

 

Zich met lichaam en ziel aan de oefening over geven is het polijsten van de wijsheid net zolang totdat deze glanst. Het heeft geen nut er alleen maar op te blijven kauwen.

 

Toen de tweede patriarch grootmeester Eka voor het eerst Bodhidharma opzocht, kreeg hij geen toestemming toe te treden. Het was een sneeuwrijke nacht op negen december toen hij voor het raam stond, wachtend op het ochtendrood. In de oude teksten staat het als volgt: “De sneeuw reikte tot aan zijn heupen, de kou drong tot zijn botten door.” Bodhidharma sprak zonder ook maar om te blikken: “Ingenomen en oppervlakkig als je bent, mag je niet lichtvoetig naar de ware Leer vragen.” Ingesneeuwd tot aan zijn heupen, doorgevroren tot op het bot, kan men moeilijk Eka’s verzoek lichtvoetig noemen, toch? Toen hakte Eka zijn linkerarm af en hield deze voor Bodhidharma’s neus. Er wordt gezegd dat Bodhidharma hem daarop binnenliet met de woorden: “Alle boeddha’s vergaten volledig de fysieke wereld toen ze het eerst naar de Weg zochten. Ook jij die hier voor mijn ogen je arm afhakt, heeft hier nog iets te zoeken.” Nadat de tweede patriarch zijn arm afhakte, moet hij veel bloed hebben verloren. Mij gruwelt de gedachte of de wond op z’n minst verbonden werd voordat de dialoog voortgezet werd.  

 

 

 

29. Aan jou, die alleen maar gelooft dat je gelooft

 

Velen verwisselen het geloof met een soort roes. Zo is er ook een roes die lijkt op respect maar slechts een vergissing is. Geloof is het tegendeel, het is het volledig ontnuchteren van alle roes.

 

Als in de wereld sprake is van de geest van het geloof zijn de meesten alleen maar bezig boeddha de hielen te likken: “Doe wat je wilt met de anderen, maar ik smeek je alsjeblieft geef op z’n minst mij een plek vooraan in het paradijs!” Zulke gebeden hebben niets te maken met de geest van het geloof. Geloof is heldere duidelijkheid en geest is de al-één geest van de drie werelden. Dat betekent dus het helder- en reinworden van de ene geest van de drie werelden. De geest van het geloof bezitten is: zelf je eigen geest helder krijgen.

 

Geloof wil zeggen, helder en rein zijn. Het is gelatenheid. Maar er zijn altijd weer mensen die geloof verwisselen met vervoering en er alles aan doen om in vervoering te geraken. En dan concluderen ze dat het helemaal niet zo eenvoudig is om in vervoering te geraken: Uiteindelijk doen ze dan maar alsof.

 

In oude tijden toonden de mensen diep respect toen ze hoorden dat Amithaba boeddha af kwam dalen in het uur van hun dood om hen te halen. Wat is het verschil met iemand die zich een loer laat draaien?

 

Ze willen allemaal het paradijs in, maar heb jij het ooit gezien? Zo ja, dan moet je je goed vergist hebben.

 

Er zijn mensen die zo lang mogelijk willen leven. Wat het geloof betreft vinden ze alles goed. Waar wij in geloven vinden zij niet van belang. Ze leven er gewoon op los.

 

Als een cult massa’s van mensen gaat aantrekken, denkt ineens iedereen dat er een bron van waarheid in moet zitten.

 

Het aantal aanhangers is niet bepalend voor de waarheid binnen een religie. Als het om de meeste aanhangers gaat, heeft dan niet de cultuur van de doorsneeburger het grootste aantal leden? Nee wacht, bacteriën zijn er nog meer!

 

Wat worden er niet voor waanideeën aan de man gebracht, onder de noemers “geloof”, “satori” enzovoorts?

 

We moeten ons losmaken van onze verkrampte doorsneeburger-instelling. Geloof is heldere duidelijkheid: Wind en golven moeten tot rust komen.

 

Geloof is niet bidden voor een goede gezondheid, voortvarende zaken, een harmonieus familieleven of het opgroeien van kinderen. Ik definieer geloof als rein en helder. Met andere woorden: Helderheid en gelatenheid waarin troebelheid oplost en opwinding tot rust gekomen is. Dat is niets anders dan het komen tot volle bezinning.

 

Geloof mag geen gerucht zijn uit tweede hand. Ook boeddha mag geen gerucht zijn. Als het niet om jouw probleem in de realiteit hier en nu gaat, heeft het niets te maken met geloof. “Laten we dat even vooruitschuiven” – zo los je het probleem niet op. De vraag is of jij hier en nu het lichaam van boeddha daadwerkelijk ziet en de Leer daadwerkelijk hoort.

 

Je mag de anderen niet naar jouw weg vragen. Je moet eerst eens terugkeren naar jezelf. Als jij denkt dat Amithaba Boeddha ergens daar aan de andere kant verwijlt terwijl jij hem hier aanroept, zal hij zich terug trekken naar het westen terwijl jezelf afglijdt naar het oosten en uiteindelijk verliezen jullie je geheel uit het oog.

 

Er zijn figuren die de naam van boeddha aanroepen alsof ze hem willen omkopen met hun gelovig hart. Anderen denken dat wij zazen beoefenen om satori te verkrijgen. Zo lang het uitsluitend om jouw persoontje gaat heeft dat niet te maken met de Boeddhaleer.

 

Jouw persoonlijke problemen zijn oninteressant. Het kosmische geheel is het probleem waar het om gaat. Om het even hoe groot jouw satori en hoe hoog jouw onderscheidingen zijn, om het even hoe sociaal en goed je bent als het uitsluitend om jouw individuele persoon gaat is het niet meer dan een scène in het theater van zelfbedrog. “Namu” (letterlijk: “Ik neem toevlucht!”) betekent terugkeren naar datgene wat voorbij gaat aan persoonlijke beslommeringen.

 

Waar subject en object gescheiden zijn, is geen Boeddhaleer te vinden.

 

Een boeddha neemt zelfs het woord “boeddha” niet in de mond.

 

 

 

30. Aan jou, voor wie de Shôbôgenzô een harde noot is

 

Omdat je de Boeddhaleer vanuit het standpunt van het menselijk brein wilt zien, loop je 180 graden de verkeerde richting uit.

 

Dôgen Zenji verwacht niet iets onmenselijks van ons. Het gaat hem er alleen maar om natuurlijk te worden, zonder lege gedachtes en kronkels. Überhaupt verlangt het boeddhisme niet naar iets bijzonders, maar slechts naar oorspronkelijkheid. Zelfs al mogen sommige verzen in de soetra’s ons vreemd voorkomen – zoals: “ Het witte haartje tussen de wenkbrauwen verlicht de drieduizend grote werelden” – dan nog zijn het slechts literaire symbolen voor de konings-samadhi.

 

Dôgen Zenji’s hele leven was een onvervalst zich-verdiepen.

 

Zelfs vandaag zijn er nog mensen die grootmeester Kôbô kennen zonder dat ze ooit van Dôgen Zenji hebben gehoord. Want Kôbô had altijd spirituele ervaringen. Zo krijg bijvoorbeeld ik vaker Matatabi-vruchten opgestuurd uit de provincie Echigo. In een begeleidend schrijven staat dan dat Kôbô als hij vermoeid was van een reis, deze vruchten van de struik ging eten om weer op kracht te komen zodat hij verder kon reizen. Daarom heten deze vruchten vandaag Matatabi (letterlijk: “Weer op reis gaan”). Iedereen is onder de indruk van Kôbô want alles wat hij deed was een beleving op zich.

Maar bij Dôgen Zenji gebeurt er niets speciaals. “Zit gewoon! Shikantaza!” – dat is niet bepaald indrukwekkend. Hoe zou, wat de doorsneeburgers spirituele ervaringen of religieuze weldaden noemen ook maar iets te maken kunnen hebben met de Boeddhaleer? De Boeddhaleer is onbegrensd en voor doorsneeburgers niet te begrijpen.

 

Geen boeddha buiten de oefening, geen leer buiten het ondenken. Dat zijn de grondbeginselen van Dôgen Zenji.

 

Als je het denken loslaat, spelen “verwarring” en “ontwaken” geen rol meer.

 

Denken op grond van niet-denken: Wat woorden noch geest kunnen uitdrukken – denk het door te sterven!

 

“De Boeddhaweg doorgronden wil zeggen zichzelf doorgronden. Zichzelf doorgronden wil zeggen zichzelf vergeten. Zichzelf vergeten wil zeggen door de tienduizend dingen bevestigd worden.” (Shôbôgenzô Genjôkôan)

Dat betekent dat ik zelf samen met alle anderen het Boeddhaschap bereik.

 

Wat het meest fascinerend is aan Dôgen Zenji, is dat hij de Boeddhaleer rechtstreeks naar jou verwijst in plaats van fabeltjes te vertellen aan de doorsneeburger. Daarom maakt hij ook geen onderscheid tussen ons en Amithaba en Shakyamuni en spreekt over het voertuig van die ene Boeddha en dat ben je zelf. Dan moge het duidelijk zijn dat voor Dôgen de zenoefening het gedijen van de Boeddhadharma is en niet het oprichten van tempelhallen en pagoden.

Dôgen Zenji’s zazen is volkomen transparant. Het brengt de doorsneeburger niets: “Oefen de Leer van Boeddha niet omwille van jezelf. Oefen het niet om naam te verkrijgen. Oefen het niet om verdiensten te verwerven. Oefen het niet omwille van spirituele ervaringen. Oefen de Leer van Boeddha louter uit liefde voor de Leer van Boeddha zelf.” (Gakudôyôjinshû) Dat is zijn Dharma.    

 

Dôgen Zenji “kwam met lege handen thuis” (Eihei Kôroku). Toen hij naar Japan terugkeerde liep hij niet te pronken met zijn satori zoals anderen met hun tatoeages. “Je moet door zazen tot satori geraken!” – geheel open en ongekunseld wordt deze bekrompen bewering door de thuiskomst met lege handen ontkracht.

 

In onze religie bestaat het ontwaken al sinds mensenheugenis. We hoeven het alleen maar in oefening om te zetten. “Als jouw lichaam uit het oorspronkelijke ontwaken tevoorschijn komt, werkt de oefening overal in dit lichaam.” (Shôbôgenzô Bendôwa)

 

“Meer dan tweeduizend jaar worden we door de eerwaarde Shakyamuni in onze oefening van ontwaken voorafgegaan”, zegt Dôgen Zenji. Oei, als we niet oppassen gaan we nog denken dat we eerst moeten ontwaken!

 

De oefening die voorbij gaat aan het ontwaken dicht het gat tussen ons en Boeddha.(32)

 

Geen onderscheid tussen oefening en ontwaken wil zeggen: “Oefening is satori!”

 

Als je jouw rijst eet, dan eet je en eet je en eet je en jouw buik vult zich, toch? Dat is nu precies wat “eenheid van oefening en ontwaken” wordt genoemd. Als je eenmaal je buik rond gegeten hebt, wil dat niet zeggen dat je nooit meer hoeft te eten. Je moet je hele leven lang dagelijks eten. Zo moet je ook met je oefening je leven lang doorgaan.

 

Als jij je zozeer op jouw kôan concentreert dat geen enkele gedachte je meer stoort wil dat alleen maar zeggen dat je jouw storende gedachtes voor even opzij hebt geschoven. Bij Dôgen Zenji’s oefening van enkel zitten gaat het om meer: Je moet het hele landschap van jouw zelf overzien.

 

Dat boeddha’s en patriarchen zazen authentiek doorgeven wil zeggen dat niemand van ons de oefening zelf bedacht heeft. Doorgeven is niet een of ander transport van goederen.

 

“Anderen naar de andere kant helpen voordat ik mezelf red.” Dat is het kenmerk van de zelfloosheid waarin ik mezelf wegwerp en zo het onderscheid tussen mij en de lijdende wezens ophef.

 

Bodhi-geest wekken is zich voornemen eerst de anderen te verlossen voor zichzelf te verlossen. Voor de eigen verlossing de anderen te verlossen is dat ik en alle lijdende wezens van de wereld tegelijkertijd de Weg vinden. En dat betekent wederom aan het eigen lijf ondervinden dat bergen en rivieren, gras en bomen en het hele land van de aarde zonder uitzondering Boeddhanatuur zijn. Met andere woorden: Het betekent terugkeren naar huis.

 

In de Zazenyôjinki (letterlijk: “Notities van punten waarop te achten tijdens zazen”, een werk van Dôgens opvolger in de derde generatie Keizan Jôkin) wordt gezegd:

“Zazen is als het vredige zitten na thuiskomst.” Vermoeid thuiskomen en in alle rust gaan zitten, dat is zazen. En niet alleen zazen: Dôgen Zenji leert dat iemand die zazen beoefent ook eet en kookt. Uit deze geest ontspringt zijn Tenzo Kyôkun (letterlijk: “Aanwijzingen voor de kok”)

 

De Eihei Shingi (letterlijk: “De zuivere regels van de Eihei”) gaat over hoe wij met onze handen en voeten omgaan, hoe we met ons leven omgaan. En toch zijn er wetenschappers die beweren: “Wij zijn in de Eihei Shingi op interessant materiaal gestoten!”

 

De Boeddhadharma is ons gedrag. Ons gedrag moet de Boeddhadharma worden. Toen Boeddha nog op de wereld was, gedroeg iedereen zich naar behoren. Ook Dôgen Zenji leerde niet de onaantastbare rust van de geest maar de onaantastbare rust van het lichaam.

Het moet de basis van jouw gedrag zijn om de mond, tong, neus, oog en oor niet te misbruiken. Je moet goed letten op je houding. Een monnik moet de instelling van een monnik hebben.

 

In onze religie is de zin van het eten niet louter het innemen van voedsel. Eten is absoluut eten.

 

Belangrijk is exact die plek die je nu onder je voeten hebt.

 

Geen vis zegt: “Ik heb al het hele water doorzwommen.” En geen vogel zegt: “De hemel heb ik al doorkruist.” En toch zwemt de vis in het hele water en vliegt de vogel door de hele hemel. Zowel de haring als de walvis zwemmen in het hele water. Niet kwantiteit maar kwaliteit is het probleem. De reikwijdte van onze handen en voeten is niet groter dan een vierkante meter en toch werken we in het hele universum.

 

Er wordt gezegd dat wanneer de gouden feniks met zijn vleugels slaat, hij al het water uit de zee slaat zodat de draken op de bodem tevoorschijn komen. De feniks pakt ze en eet ze op. Maar zelfs deze feniks zal nooit tot het einde van de hemel kunnen vliegen. Anderzijds vliegt zelfs een mus als hij vliegt steeds door de hele hemel. Dat is de verwerkelijking van de openbare diepte. Het is het hier en nu leven van de eindeloze ruimte en de eindeloze tijd.

 

Boeddhadharma bestaat uit de oefening van eeuwigheid in dit moment.

 

“Duizend soetra’s en tienduizend inzichten reiken niet aan een enkel ontwaken.” (Shôbôgenzô Den-e)

Boeddhaleer is voor alle andere dingen ontwaken.

 

In het midden van het Sino-Japanse schriftteken “ben” in “Bendôwa” (letterlijk: “Gesprek over het doorgronden van de Weg”, een werk van Dôgen Zenji, 1234) vind je het schriftteken voor “kracht”. Daarom betekent “bendô” zijn kracht voor de Weg vinden.

 

Ooit vroeg een Christen mij: “Mijn pastoor heeft gezegd dat geen religie zoveel leugens verspreid als het boeddhisme. Is dat zo?” Toen heb ik geantwoord: “Je hebt de nagel op de kop getroffen, slimmerik!” Zowel de Lotus-soetra als ook de Bloemenslinger-soetra en de Shôbôgenzô zijn louter leugens zolang ze niet beoefend worden.

 

Zonder zazen is het boeddhisme de reinste leugen.

 

“De ene, grote kwestie van mijn levenslange zoektocht werd hier afgesloten.”(Shôbôgenzô Bendôwa) Dat is niks speciaals. Bij ieder van ons is die ene, grote kwestie van onze levenslange zoektocht allang afgesloten. Want geen mens ontbreekt het aan iets. Shakyamuni is niet anders dan jij of ik. Zichzelf als een dwaas zien: Dat is het meest dwaze wat er is.

 

Volgens Dôgen Zenji speelt het geen rol of we ontwaakt zijn of niet: “De ogen liggen horizontaal, de neus staat verticaal.” Veel meer is er niet aan de hand bij mens, ontwaakt of niet ontwaakt.

 

Er was eens iemand die Dôgen Zenji “onvolkomen” noemde. En dan nog, wil hij daarmee beweren dat hij zelf volkomen is? Wat volkomen is, is niet beter: Kant en klaar producten zijn net iets minder waard.

 

“Zo als het is” – het onscheidbare tussen zijn en niets is: “Zo”. Wat noch zijn noch niets is, is: “als het is”. Zijn betekent gedaante en onderscheid. Niets betekent gedaanteloosheid en Leer.

 

Soms lijkt het alsof goed en kwaad uitgemaakte dingen zijn. Dôgen Zenji zegt: “Goed en kwaad zijn tijd. Tijd is niet goed of kwaad.” Shôbôgenzô Shoakumakusa) We moeten daar beginnen waar geen goed of kwaad is.

 

Dôgen Zenji zegt: “Als je het gevaar van de wereld inziet, bestaat er voor jou geen gevaar meer in de wereld.”

 

Er is geen loopbaan in het monniksleven. Wie probeert als monnik carrière te maken is voor niets in de thuisloosheid getrokken. Niemand verafschuwde de eerzucht zo zeer als Dôgen Zenji.

 

De mensen in de wereld begrijpen hoogstens dat “nood wetten breekt”. Maar de tweede patriarch vertrouwde zo zeer op Bodhidharma dat hij zelfs zijn arm in de sneeuw afhakte. Wat heeft hij ervan gehad? Op het eind werd hij door tegenhangers van het boeddhisme verraden en vermoord. Niet bepaald dat wat mensen zich van het leven voorstellen.

 

32. “De oefening die voorbij gaat aan ontwaken” is een citaat uit de Bendôwa waarmee Dôgen benadrukt dat de oefening niet gericht is op ontwaken (satori) maar slechts op basis van het ontwaken van Boeddha beoefend kan worden. Dôgen gebruikt het begrip “ontwaken” (Jap. Shô) dat ook als “bewijs” of “getuigenis” vertaald kan worden, in dezelfde betekenis als satori. In de Shôbôgenzô hoofdstukken als de Genjôkôan of de Bendôwa gaat het Dôgen erom dat de oefening zelf al een manifestatie van satori is. Satori wordt daarom als het ontwaken van de oefening gezien. Voor Dôgen is er geen satori los van de oefening en omgekeerd is de oefening alleen op basis van satori mogelijk. Er is geen boeddha buiten onze oefening van dit moment en tegelijkertijd is deze oefening niet mogelijk als we niet al boeddha’s zijn.

 

 

 

31. Aan jou, die denkt dat het boeddhisme verheven is

 

In de gevangenis gaan de gevangenen voor de bewakers staan en zeggen: “Kijk toch eens naar jezelf, zonder ons hadden jullie geen brood op de plank!” Met ons doorsneeburgers is het net zo: Omdat wij er zijn, zijn er boeddha’s. Zonder ons doorsneeburgers waren de boeddha’s allang werkeloos. Doorsneeburgers en boeddha’s bestaan niet los van elkaar maar staan met elkaar in verbinding.

 

Een bodhisattva is een gewone mens die de lijdende wezens wekt. Een doorsneeburger die de bedoeling van Boeddha duidelijk voor ogen heeft.

 

Een bodhisattva is een doorsneeburger op zoek naar de Weg.

 

Een bodhisattva zijn is durven verdwalen temidden van het ontwaken. Zeg niet: “Ik ben ontwaakt – de doorsneeburgers zien maar hoe ze uit hun dwalen komen!” Omdat we in onze bodhisattva-oefening samen met de doorsneeburgers durven te verdwalen is deze oefening oneindig groot en grenzeloos weids.

 

De bodhi-geest ontvouwen wil zeggen anderen te verlossen voordat ik mezelf red. Ik mag me niet in het geringste onderscheiden van de andere lijdende wezens.

 

Als je over Boeddha spreekt denk je dat het iets is dat ver van je afstaat, waar je niets mee te maken hebt en daarom dwaal je doelloos in het rond.

 

Als een boeddha alleen een boeddha voor zichzelf zou zijn dan heeft dat niets te maken met een ware boeddha. Juist omdat hij zich richt op de lijdende wezens is een boeddha een boeddha.

 

De bewering dat er buiten jou een god bestaat is een ketterse leer die god en het zelf scheidt. Jij zelf moet god zijn. Als de schepper van de wereld erbuiten te vinden is heeft dat niets te maken met de Boeddhaleer.

 

Je wordt niet tot boeddha door zazen. Je was al boeddha nog voordat je met zazen begon. Als deze boeddha zich ergert, huilt of slaapt, dan is dat slechts een droom.

 

Doorsneeburgers worden door hun karmische conditioneringen opgejaagd. Terwijl ze de wereld zien vanuit het standpunt van hun geconditioneerde gevoelens en zich daarbij elkaar het leven onmogelijk maken laten ze zich van het ene leven in het volgende, van de ene wereld in de volgende duwen. Dit noemt men het ronddwalen in de maalstroom van wedergeboorte. Dan rest ons niets anders dan ons hier en nu – midden in dit karma – te ontdoen van karma. Daarvoor moeten we even de bril van onze karmische waarneming afzetten om in te zien wat Boeddha Shakyamuni tijdens het ontwaken uitdrukte: “De grote aarde en alle levende wezens erop bereiken op dit ogenblik de Weg. Bergen en rivieren, gras en bomen zijn zonder uitzondering de Boeddhanatuur.”

Dat wil zeggen dat in de ogen van Shakyamuni niemand van ons verdwaald is. Het zijn wij, de lijdende wezens die eigenwijs beweren verdwaald te zijn. De goedheid van Shakyamuni bestaat daaruit ons hiervan bewust te maken.

 

Doorsneeburgers zijn geraffineerde karakters: Hongergeesten, beesten en hellewezens – alle mogelijke zeldzame eigenaardigheden blijven aan ze plakken. Op het laatst zijn ze niets anders dan een hoop eigenaardigheden.

 

In oude tijden deden wonderverhalen de ronde. Maar in het neonlicht van de huidige wetenschap zijn er geen spoken meer te zien. Hier hebben ze namelijk geen plek meer om zich te verstoppen. Maar daarvoor laat de moderne mens, die slechts lacht over zijn voorvaderen zijn ware gezicht zien: De echte spoken zijn de mensen die geloven in hun “ik”. Deze karmische dwaling zet zich sinds duistere tijden van het eindeloze verleden hardnekkig voort. En het aantal van deze spoken neemt allesbehalve af.

 

Doorsneeburgers en boeddha’s hebben dezelfde verschijning. Ontwaken en verwarren zijn de twee kanten van dezelfde medaille.

 

Alwetendheid is het weten dat de Boeddhanatuur geen kier heeft waar we uit kunnen vallen. “De nachttrein draagt jou verder in de slaap.”

 

De boeddha’s in alle drie werelden dragen ons lijdende wezens op de schouders en zo bevinden ze zich altijd in verwarring. Alle lijdende wezens worden door de boeddha’s van de drie werelden gered, daarom bevinden ze zich altijd in ontwaken.

 

In het hoofdstuk over de maat van de lengte van leven in de Lotussoetra wordt gezegd: “Sinds ik het Boeddhaschap bereikt hebt, zijn ontelbare biljoenen en biljarden van kalpa’s (33) vergaan.” Dat geldt niet alleen voor Shakyamuni. Ook Sawaki Kôdô – en ook ieder ander wezen – heeft sinds eindeloze kalpa’s het Boeddhaschap bereikt. Dat verzekert ons de Lotussoetra. “Boeddhaschap sinds eeuwigheid” is geen privilege van Shakyamuni.

Daarom oefenen we ook niet nu om later ooit eens satori te verkrijgen. Onze oefening is niet het achternalopen van een eigen satori. Wij zijn van nature uit al sinds eeuwigheid ware boeddha’s. Zazen wil zeggen als boeddha te leven. Daarom noemt men zazen ook boeddha-oefening.

 

Als we de Boeddhaleer beoefenen, zijn we boeddha. Of beter: Omdat we boeddha zijn, zijn we in staat de Boeddhaleer te beoefenen.

 

Zowel Amithaba als ook Avalokiteshvara, zowel Bhaisajyaguru als ook Manjushri en Samantabhadra (namen van verschillende boeddha’s en bodhisattva’s van het Mahayana-boeddhisme) zijn uitdrukking van datgene wat in Boeddha Shakyamuni zit.

 

Als je vraagt wie Shakyamuni is, zou ik zeggen: Meer nog dan een wit papier is hij als de blauwe hemel – volkomen transparant en alom verbonden met alle lijdende wezens.

 

Boeddhaleer is subjectieve werkelijkheid. Waar deze afglijdt tot een persoonlijke bedoeling, hebben we het kleine Voertuig. Bij het grote Voertuig is dat anders: Hier moet niet alleen de naad tussen mij en Boeddha versmelten, maar ook de naad tussen mij en de lijdende wezens in de hel.

 

“De miljarden landen in de tien richtingen van het universum.” Zo drukken de soetra’s dat uit wat tussen mij zelf en mij zelf ligt.

 

Boeddha moet zich in alle lijdende wezens verplaatsen. Als iemand zijn kind verliest, giet Boeddha gezamenlijk met hem tranen. Het is laf te beweren dat men zich ver te houdt van de groepswaanzin alleen maar om de omgang met mensen te mijden.

 

Wat een winkelier uit hebzucht doet, doet een boeddhist uit goedheid. Daarom moet hij de regels van de wereld goed kennen.

 

Dacht jij dat het boeddhisme enigszins verschilt van de rest van de dingen? Nee hoor, het boeddhisme gaat van A tot Z. “Alles van A tot Z is een zaadje van mezelf” – zo ziet een boeddhist de dingen.

 

Als volwassenen alleen maar volwassen zijn, worden de kinderen niet groot. Als kinderen huilen, moet je met ze huilen. Volwassenen moet kinderen zijn, kinderen moeten volwassenen zijn.

 

Boeddha’s en doorsneeburgers, Boeddhaleer en de spelregels van de wereld, ontwaken en verdwalen, omhoog klimmen en afdalen, wijsheid en barmhartigheid – tussen deze schijnbare tegenstellingen moet een levendig verkeer plaatsvinden.

 

Niemand zegt dat jij een snoeper moet worden. Of alsmaar hoger op de ladder moet klimmen. Maar als je zo afgestompt bent dat je de zin op iets lekkers of de drang van de mensen om carrière te maken niet meer begrijpt, dan klopt er iets niet met jou.

 

Satori is als het hakken met een bijl. Daar ontbreekt nog de finishing touch met de rasp. Het volstaat niet met een slag in het bereik van de non-dualiteit door te dringen. Je moet van daaruit ook weer terug om de wereld van verschillen te cultiveren.

 

Oude geest is goedaardige geest en tegelijkertijd ouderlijke geest. Hij weerspreekt elke theorie. Ouderlijke geest is vol van tegenspraken:

“Eet geen kogelvis op reis, want anders zul je wat beleven!”

“Hoe koud het papiervenster is als geen kind  meer er nog een gat in maakt!”(34)

 

33. Een definitie luidt: Ervan uitgaande dat er een blok graniet is die een kilometer lang, een kilometer breed en een kilometer hoog is. Als elke honderd jaar een engel uit de hemel neerdwarrelt om met de arm van zijn veren zachtjes over de granietblok te strijken, dan zullen zich elke keer een paar stofkorrels van het graniet losmaken en op de bodem vallen. Een kalpa staat voor de tijd die nodig is om de hele blok graniet in stof te laten oplossen. In de omgangstaal wordt daarom vaak gemakshalve van een eeuwigheid gesproken, hoewel het tijdperk – om precies te zijn – niet oneindig maar eindig is.  

34. Kogelvis (Jap. Fugu) is een delicatesse in Japan maar het eten kan levensgevaarlijk zijn door het dodelijke gif van de vis, dat de kok niet altijd helemaal kan verwijderen. Breekbare papieren vensters vindt men in elk Japans huis en in de winter blaast de koude lucht door de gaten, terwijl de spelende kinderen de harten in huis warmen.

 

 

 

32. Aan jou, die zoals je bent, al boeddha is

 

Ishigawa Goemon zei: “De Ichikawa’s sterven uit als het zand dat in de zee wegspoelt. Maar het zal niemand lukken de kiem van het roversdom uit te rotten!”(35) Daarmee bezingt hij de aard van de rover die het hele universum doordringt. En toch zullen wij geen rovers worden zolang we niet handelen als Goemon. Datzelfde geldt ook voor de Boeddhanatuur: Alle dingen in het universum zijn ervan doordrongen, maar zolang we niet handelen als Boeddha worden we niet tot boeddha’s.

 

Alleen als je naadloos met Boeddha verbonden, het handelen van Boeddha daadwerkelijk in oefening omzet, ben je een boeddha. Als je daarentegen als een idioot handelt, dan ben je ook een idioot.

 

Boeddha verschijnt in de levensinstelling van elk van ons.

 

“Deze geest is boeddha – dus ben ik een boeddha omdat ik denk dat ik een boeddha ben.” Hebben jullie ooit zo een onzin gehoord? Zulke uitspraken worden als natuurgetrouwe ketterij bestempeld. Je kunt beweren dat een lucifer vuur bevat – het zal niet branden zolang je niet weet dat je de lucifer moet aanstrijken. En ook dat is niet voldoende: Als je het ook niet daadwerkelijk aanstrijkt, zal het niet gaan branden. Het klopt niet dat de lucifer zelf vuur is.

“Als het niet beoefend wordt, zal het niet tevoorschijn komen. Als het niet belichaamd wordt, kan men het niet ontvangen.” (Bendôwa) De oefening zelf is verwerkelijking.

 

Alleen als je zazen beoefent is er geen verschil tussen geest, Boeddha en alle wezens.

 

Boeddhabeelden en afbeeldingen zijn geen boeddha’s. Beelden en afbeeldingen tot boeddha verklaren is afgoderij. Dat is verkeerd. In het boeddhisme is de wezenloze houding van ieder, enkel ding boeddha. Mijn wezenloze houding, mijn zazen en mijn kesa zijn boeddha. Gewoon eten, gewoon werken, gewoon koken – al dat is boeddha.

 

Zolang ik de petroleum-oven niet met een lucifer aansteek, wordt het niet warm. Ook als we zeggen dat iedereen al Boeddhanatuur heeft – “hebben” alleen is niet voldoende. We moeten het vuur van de Boeddhanatuur ontvlammen. “De aard van de wind is eeuwig en overal – geen plek waar hij niet doordringt.” (Genjôkôan) Zelfs als de aard van de wind hemel en aarde doordringt, zolang wij geen waaier gebruiken waait geen wind.

“Oorzaak en werking liggen altijd volkomen stil en helder voor ons.”

Lang geleden vroeg iemand de monnik Gakushin: “Ik voel me momenteel niet geroepen de naam Boeddha aan te roepen – kan ik niet beter wachten totdat ik er zin in krijg?”

Gakushins antwoord luidde: “Als een nietsnut als jij erop moet wachten totdat je zin krijgt om de naam Boeddha aan te roepen, kun je je leven lang wachten. Of je nu zin hebt of niet – roep gewoon de naam Boeddha aan!”

En hij voegde er nog een gedicht aan toe: “Alleen als je met heel het hart aan het touw trekt, klinkt diep in de herfstnevel de bel van het rijstveld aan de berg.”

Boeddhaweg is oefening.

 

Zich met lichaam en ziel in de Boeddhaleer gooien – dat betekent zich constant aan de vruchteloze oefening wijden. Naar niets verlangen, niet ergens van weglopen – dat is de oefening die noch een doel, noch een einde kent.

 

Boeddha is iemand die het handelen van Boeddha belichaamt.

 

“Beweging is zen, zitten is zen. In praten en zwijgen, in werk en rust vindt het lichaam vrede.” Omdat het een boeddha zegt, is het de waarheid. Maar als het een doorsneeburger zegt, dan leidt dat tot catastrofale misverstanden.

 

“Verwarring en ontwaken, gewone mensen en boeddha’s zijn één.” Betekent dat: “met jouw lichaam, zoals het is”? Het lichaam van een doorsneeburger is – zoals het is – niet meer dan een doorsneeburgerlichaam. Het is anders: Het lichaam waarin de doorsneeburger zich geheel vergeet, is – zoals het is – boeddha.

 

Als je de hele wereld als een manifestatie van de waarheid ziet, is er niets verkeerd in de wereld. Als je de wereld als een brandend huis ziet, dan is alles verkeerd in de wereld.

 

De Boeddhaweg is alleen dan de Boeddhaweg als je hem van binnen uit bekijkt.

 

De Boeddhaweg beoefenen betekent opgenomen worden in de reeks van boeddha’s. Het betekent niet langer je karmische conditionering te volgen.

 

We moeten de tijd en ruimte van de boeddha’s goed begrijpen. Een boeddha ziet en hoort de dingen niet als een doorsneeburger. Boeddha’s wereld past niet in het kader van een doorsneeburger.

 

Zolang je de doorsneeburger in jou niet vanuit een geheel ander, nieuw perspectief bekijkt zul je nooit begrijpen waar het daadwerkelijk om draait.

 

Zelfs al zou je Shakyamuni Boeddha in het echt zien – het zou geen betekenis hebben als je hem door de ogen van een doorsneeburger ziet. “Alleen boeddha en boeddha” – je moet Boeddha met de ogen van een boeddha zien.

 

De door de mensen verzonnen boeddha is geen boeddha.

 

Boeddha is “onbegrensd” omdat hij geen vaste vorm heeft. Dat heeft niets te maken met zijn contouren.

 

Een boeddha is vreugdevol, vrij en opgewekt. Zijn wijsheid kan niet in begrippen gegoten worden. Toch schijnt de hele wereld te geloven dat een boeddha een onheilspellende pessimist is.

 

Samadhi is de reinheid en helderheid van de eigen aard, het doorzichtig-worden van de naadloze verbondenheid van doorsneeburgers en Boeddha.

 

Het ondenken kent geen doorsneeburgers, noch boeddha’s. Zazen is ondenken – in de oefening.

 

Het ondenken en de Boeddhadharma verorberen stiekem het ondeelbare restant van jouw twijfel, die aan het eind van alle divisies over blijft. Is het niet duidelijk dat de Boeddhadharma geen tevredenstellend antwoord is? Boeddhadharma is on-tevredenstellend omdat hij jouw doorsneeburger-aanspraken niet tevreden stelt.

 

Als jij als doorsneeburger de Boeddhaweg oefent en zazen beoefent, is jouw oefening natuurlijk niet echt zuiver. Maar dan nog: “Zoals de reiger die het water uit de plas drinkt zonder het troebel te maken en zoals de bijen die de geur van de bloesem niet aantasten, het stuifmeel verzamelen.” (Ehei Kôroku), zo vervolmaakt zijn ook de verdiensten van zazen zonder dat jij als doorsneeburger er ook maar iets aan kapot kan maken.

 

Sommigen menen dat het overeenkomstig de Boeddhaleer is om eerst zichzelf als doorsneeburger te definiëren om vervolgens net zoals in een les in moraal, zich verder te ontwikkelen. Verkeerd gezien! Het grondbeginsel van de Boeddhaleer is dat wij allen van begin af aan boeddha’s zijn. Hoe kunnen we dan beweren dat onze geest die nog niet tot de bodhi-geest geraakt is, al boeddha is?

 

35. Deze spreuk sprak de rovershoofdman voordat hij met zijn familie in een bad met kokend water terecht werd gesteld.

 

 

 

33. Aan jou, wiens geest geen rust wil vinden

 

De Boeddhaleer is onmeetbaar en onbegrensd – hoe zou deze ooit in jouw kader kunnen passen?

 

Wat jij begrijpt is begrensd.

 

Wat je kunt grijpen zijn dingen voor doorsneeburgers: Grijpen naar geld, vastklampen aan gezondheid, aan rang en stand, streven naar satori – alles waar je naar grijpt wordt tot eigendom van de doorsneeburger. Een boeddha laat alle eigendom van een doorsneeburger los.

 

Wanneer rust van geest tot een persoonlijke tevredenheid wordt, heeft dat niets meer te maken met de Boeddhaleer.

 

De Boeddhaleer leert onbegrensdheid. Wat niet doorgrond kan worden moet je zonder morren accepteren.

 

Als je probeert de Boeddhadharma af te bakenen krijg je een geestelijke verstopping. Je kunt de Dharma niet begrijpen, hij is absoluut grenzeloos.

 

Trek niet zo een lang gezicht! Neem toevlucht tot datgene wat alle dingen transcendeert!

 

“Eenvoudige oefening” wil niet zeggen dat het voor jou als mens eenvoudig is. “Andere kracht” heeft betrekking op datgene wat jou als mens transcendeert.

 

“Alleen boeddha en boeddha kunnen het volledig doorgronden.” (Lotussoetra) Alleen als je van begin af aan zelf een boeddha bent kun je de Boeddhaleer accepteren.

 

Je bent onrustig omdat je de rust-van-geest die je najaagt buiten jouw geest zoekt. Maar dat is niet goed: Geen enkele seconde mag jij je van je geest ontdoen, hoe onrustig deze ook is. Grote rust van geest verwerkelijkt zich juist tijdens de oefening die zich binnen deze onrustige geest voltrekt. Grote rust van geest is de wisselwerking tussen deze rustige en onrustige geest.

 

Rust van geest die volledig in rust is, is een fabricaat. Werkelijke rust van geest berust midden in de onrust van geest.

 

Waar jouw onbevredigd-zijn als onbevredigd-zijn wordt ontvangen, daar is de rust van geest. Het is als de geest van een dove, die stiekem luisterend zijn eigen fouten inziet. De geest die naakt om zijn leven smekend, secondesnel sterft. Of de geest die ineens de bedelaar niet meer kan vinden, die hem tot gisteren onophoudelijk aan de arm trekkend overal gevolgd heeft. Het is de geest na de vloed, die de schoonheidssalon van het goede geloof heeft weggespoeld.

 

Er is geen wereld waarin alles klopt. En toch dwaal je rond op zoek naar de perfecte wereld. Hoezeer je het ook zoekt, je zult het niet vinden! Maar dat is nog geen reden om je in slaap te huilen. Je moet het omdraaien: Het gaat erom vast verankerd in deze wereld te zitten, zonder rond te dwalen als een hond op zoek naar zijn bot.

 

Tevredenheid wil zeggen ophouden deze na te jagen.

 

Satori is geen intellectueel begrijpen. Het betekent onbeweeglijk zijn, om het even wat er gebeurd – in leven, in dood. Vele denken dat rust van geest de bevrijding van het lijden is, waarna er alleen nog maar plezier is. Dat is verkeerd: Hoe groot jouw lijden ook mag zijn, het gaat erom niet met handen en voeten om je heen te slaan. In plaats daarvan moet je je rust behouden. Neem bijvoorbeeld een muis in de val. Die spartelt uit alle kracht. Toch wordt hij aan de kat gevoerd. Jouw spartelen met handen en voeten is dezelfde krachtverspilling. Zit liever rustig in zazen.

 

Hoe zou een mens ooit over rust van geest kunnen beschikken? Het eigenlijke probleem is wat jij met de mens die je bent, doet. Wat jij met deze stinkende vleeszak doet, dat is het probleem.

 

De Boeddhaleer kent geen twee gescheiden wezens – de doorsneeburger en de boeddha, zoals twee katten op de bank. En ook de rust van geest zit daar niet als een bal gehakt.

 

De Boeddhaleer manifesteert zich in de oefening. Deze wordt door jouw lichaam omgezet. Dat betekent dat de juiste ontspanning en indeling van jouw spieren en zenuwen datgene moet zijn waar het in zazen om draait. Oefening is het oefenen van een levensinstelling waarbij zazen de maatstaf van je leven is. Waar deze oefening plaatsvindt, manifesteert zich de rust van geest. Jouw levensinstelling moet oefening zijn.

 

Je roept de naam Boeddha aan en bovendien wil je ook nog opklimmen tot in het paradijs – wat een onnodige ophef! Als je de naam Boeddha aanroept ben je al in het paradijs. Het is niet nodig om er nog verder over na te denken. Het is niet nodig Boeddha’s naam aan te roepen en ook nog eens moeite doen om in het paradijs te komen. Tokuhon schrijft daarover: “Namu-Amida-Butsu – alleen het uitspreken volstaat.”

 

Ook voor het aanroepen van Boeddha’s naam geldt dat het wezenlijk is het gewoon te doen – om het even of je daarbij de rust van geest vindt of niet.

 

 

 

34. Aan jou, die het om een leven uit zen gaat

 

Alles moet precies zo zijn maar het kan zo zijn hoe het wil zijn. Niets moet op een bepaalde manier zijn maar alles moet op de hoogste en beste manier zo zijn als het is.

 

Sen-no-Rikyû (36) gaf eens een timmerman opdracht om een spijker in te slaan. Na veel getob wees hij hem precies de plek aan. De timmerman markeerde de plek en nam toen eerst een pauze. Toen hij uiteindelijk de spijker wilde gaan inslaan kon hij de markering niet meer vinden. Weer vond er over en weer overleg plaats met Sen-no-Rikyû en toen deze uiteindelijk zei: “Hier, dit is een goede plek!” bleek na grondig kijken dat het precies dezelfde plek was waar de timmerman voorheen zijn markering had gezet.

Midden in de wezenloosheid is een definitieve doelrichting. Net zo is er een definitieve gezichtstrek onder de gezichtstrekken van de mensen.

 

Over mythische krachten beschikt diegene waarvan de gezichtstrekken geconcentreerd zijn.

 

Wij denken dat we constant door onze gevoelens in verwarring gebracht worden en dat daaraan niets te veranderen valt. Wij denken ook dat er een touwtrekken tussen de Boeddhaleer en onze verwarde gevoelens bestaat. Maar dat is niet juist. De Boeddhaleer zegt dat wij in het geheel niet verschillen van Boeddha. Alle dingen zijn belichaming van de Waarheid. Alles waar het in de Boeddhadharma om draait zijn de grondbeginselen van onze oefening.

 

Oefening is met lichaam en ziel de vraag doorgronden: “Wat kan ik op dit moment voor de Boeddhaweg doen?"

 

Het gaat erom naar boven en onder, links en rechts te kijken zonder de juiste aandacht voor de momentane plek en ogenblik te verliezen.

 

De uitdrukking “Het functionele wezen en het wezenlijke functioneren van boeddha’s en patriarchen” (Zazenshin) heeft betrekking op het gevoelige punt van jouw eigen oefening.

 

Goed en kwaad bestaat alleen op dit moment. In dit ene ogenblik is er het eeuwige goede en het eeuwige kwade.

 

Alles wat we doen belicht de laatste hoek van het universum. Dit moment is eeuwig – en dat is alles waar we ons met lichaam en ziel aan over geven.

 

“Wat moet met wat welkom geheten worden?” Je moet er alles aan doen deze vraag te beantwoorden.

 

Ook het geven moet een doel hebben. Je mag een boef niet de huissleutels en ook nog een pistool geven. Bij het geven moet zowel moed als ook wijsheid meespelen.

 

Zich in de vergankelijkheid van alle dingen verdiepen is zich in ieder, enkel ogenblik verdiepen zonder aan het doel voorbij te gaan. “Wat zijn de verhoudingen in dit speciale geval?” Elk afzonderlijk geval van het hele leven op deze manier vragend welkom heten is het verdiepen in de vergankelijkheid van de dingen. Vergankelijkheid wil niet alleen maar zeggen dat wij mensen ooit een keer sterven.

 

Onze verschijning als mens verandert van moment tot moment net zoals een brandende vlam. Het lijkt alleen maar zo dat ons lichaam een min of meer constante verschijning heeft.

 

Alle dingen zijn midden in het oorspronkelijke niet-bestaan van alle dingen vervat.

 

Nirvana wil zeggen: “ongeboren-ongestorven”.

 

De fundamentele houding-van-geest in de Boeddhaleer is: “Geen individu!”

 

“Niet-ik” is niet hetzelfde als verstrooidheid. In de bodhisattva-oefening van het grote Voertuig gaat het erom nooit onoplettend te zijn. In het kleine Voertuig zijn ze op zoek naar idioten maar in het grote Voertuig wordt de idioten eerst eens de wind van voren gegeven.

 

Een foto die uitsluitend “ergens” afbeeldt, deugt niet.

 

De oefening van de Boeddhaweg bestaat eruit jouw houding in het leven vorm te geven.

 

Galoppeer niet als een hengst. Loop liever als een os!

 

Het probleem waar het in zen om gaat is jouw levensinstelling.

 

Ook voor een kop thee is het een groot verschil of je deze gewoon neerkwakt of tot op het eind in de hand houdt en dan neerzet.

 

Het moet de aard van al jouw handelen zijn deze tot op het end correct door te voeren. Als je ook maar een moment afwezig bent, dan ben je als een dode.

 

Waar het om gaat is dat je je spieren en zenuwen geheel ontspannen gebruikt. Het gaat erom een mens zonder gaten te worden – dat wil zeggen de juiste spanning en houding in spieren en zenuwen te vinden.

 

“Wat laat ik voor een indruk achter in de ogen van de mensheid?” Ook deze vraag moeten we met lichaam en ziel doorgronden. “Hoe ben ik in de ogen van de rijken?” “Hoe in de ogen van de armen?” “Hoe ziet mij een westerling?” “En hoe ziet mij een marxist?” “Wat ben ik in de ogen van de premier?” Je moet iets in je dragen wat zijn glanst niet verliest, van welke kant uit je het ook bekijkt.

 

Blijf je best doen anders word je als boeddhist overbodig.

 

Waar gaat het om in de Boeddhaleer? Om jouw hele dagelijkse leven vanuit Boeddha te leven.

 

We vinden ons alleen maar met de eeuwige Weg. De eeuwige Weg: Dat betekent ieder, afzonderlijk moment opgaan in vruchteloze oefening.

 

Het volstaat niet slechts een keer raak te schieten. Het volledig aantal gehaalde punten van verleden jaar is vandaag niet meer geldig. Nu, hier moet je raak schieten: “Verspil geen gedachte aan vroeger of later, ben vrij nu in dit, ene ogenblik!”

 

Gewoon je rijstepap opeten. Bij dit “gewoon doen” is er noch hoog of laag, geen slim of dom. Ook geen verwarring of satori. Dit “gewoon doen” is de essentie van de Boeddhaweg en precies dit “gewoon doen” is wat de hele wereld maar niet wil begrijpen.

Alles lijdt aan misverstane levensinzichten. Als het om de verlossing van de mensheid gaat is het eerst eens noodzakelijk deze levensinzichten van begin af aan te herzien. Dit moet vanuit een basis gebeuren waar geen twijfel mogelijk is. Het leven vanuit een basis te zien waar geen twijfel mogelijk is betekent het met de wijsheid van Boeddha te zien.

 

Boeddhaweg is het transparant worden van datgene wat van begin af aan helder was. Met een ander woord: ondenken.

 

36. Sen-no-Rikyû is de grondlegger van de Japanse theeceremonie. Deze wordt tot op heden in de Ura-Senke en Omote-Senke (letterlijk: “De achter- en voorkant van het huis Sen”) beoefend.

 

 

Aan jou, ontevreden met jouw zazen

 

door Uchiyama Kôshô

 

De oefening van louter zitten (Shikantaza) zoals door Dôgen Zenji onderwezen, leerde mijn leraar Sawaki Kôdô Rôshi als het “zazen van alleen-maar zitten”. Daarom is het voor mij vanzelfsprekend dat de correcte zazen de oefening van alleen-maar zitten omvat. Dat betekent dat de zin van zazen niet de ervaring van kenshô is, of het doorworstelen van een berg kôans om een “oorkonde van verlichting” (Inka Shômei) te krijgen. Zazen is niets anders dan louter zitten.

 

Maar zelfs onder de aanhangers van de Sôtô school in Japan, die zich op de leer van Dôgen Zenji beroept, is er menig beoefenaar die deze zazen in twijfel trekt. Deze beoefenaars citeren onder andere de volgende uitspraken:

“In de hal: ‘Veel kloosters heb ik niet bezocht. Maar ik heb goed begrepen van mijn meester Tendô dat de ogen horizontaal en de neus vertikaal moeten staan. Nu kan niemand me nog iets wijs maken. Met lege handen keerde ik terug (naar huis).’” (Ehei Kôroku, Hoofdstuk1)

“Ik reisde door het China van de Sung-dynastie, bezocht alle meesters in alle delen van het land en studeerde de vijf huizen van zen. Uiteindelijk trof ik mijn meester Nyojô op de top van de Taihaku en aldaar openbaarde zich de grote kwestie van de levenslange oefening.”(Shôbôgenzô Bendôwa)

Aansluitend op deze citaten zeggen deze mensen dan: ”Zegt Dôgen Zenji zelf niet dat hij geleerd heeft dat de ogen horizontaal en de neus verticaal moeten staan en dat hij de grote kwestie van levenslange oefening opgelost heeft? Wat heeft het dan voor een nut dat de doorsneeburger zonder een spoor van satori ‘alleen maar zit’?”

 

Ik herinner me nog goed dat deze twijfel zich ook eens van mij meester maakte en niet alleen ik twijfelde: Meerdere zen-beoefenaars die zich om Sawaki Rôshi schaarden, gaven de zazen van “alleen-maar zitten” op en probeerden de Kenshô-zen of de Kôan-zen uit. Daarom begrijp ik deze twijfel goed.

Ik kan u verzekeren dat Sawaki Rôshi een zenmeester was met een groot charisma. Daarom voelden velen die hem voor het eerst zagen, zich onmiddellijk tot hem aangetrokken, zoals ijzerdeeltjes tot een magneet. Zelfs als hij zei dat “zazen nergens goed voor is” (dit was zijn manier zazen te beschrijven, waarbij er geen sprake is van gewin of besef), dachten zij toch dat hij dat zo maar zei en dat de oefening van zazen hen ooit toch eens “iets” zou opleveren. Ik denk dat dit voor velen gold die onder Sawaki Rôshi oefenden.

Voor diegene die buiten de tempel woonde en slechts regelmatig naar de zazen kwam en af en toe een sesshin volgde, heeft deze twijfel waarschijnlijk niet gehad. Maar diegenen die eenmaal besloten hadden hun huidige leven op te geven om monnik te worden en als deel van onze monnikengemeenschap onder Sawaki Rôshi het dagelijkse, intensieve zazen leven te beoefenen, gingen vroeg of laat twijfelen aan shikantaza. En wel omdat men nooit volledig tevreden is met zijn zazen, hoeveel men ook zit. “Niet volledig tevreden zijn” is hetzelfde als dat je na een overvloedige maaltijd geen volle-maag gevoel hebt. Als ik zeg dat wij ontevreden zijn met onze zazen, dan bedoel ik daarmee dat ons het gevoel ontbreekt satori in de maag te hebben.

Veel van deze jonge mensen die zich met hart en ziel aan zazen wijdden, begonnen zich op een gegeven moment af te vragen of ze niet hun jeugd weg gooiden daar zazen hen niet het volle maag gevoel gaf. En zodra deze twijfel opkomt, rijst onmiddellijk de vraag: “Zijn niet zelfs de oudere leerlingen, die al sinds jaar en dag zazen beoefenen, gewoon doorsneeburgers? We hebben toch satori nodig!”

 

Teveel hebben op deze manier de oefening opgegeven. De twijfel maakte zich haast ook van mij meester, maar ik bleef doorgaan met de zazen-oefening en volgde Sawaki Rôshi tot aan zijn dood, vijfentwintig jaar lang. Ik begrijp dus deze twijfel maar ik heb uiteindelijk ook begrepen wat shikantaza – zoals door Dôgen Zenji en Sawaki Rôshi onderwezen – inhoudt. Daarom probeer ik hier een soort van vertolker te spelen tussen beide standpunten. Als ik “vertolker” zeg, wil dat niet zeggen dat vele zenbeoefenaars de woorden van Dôgen Zenji en Sawaki Rôshi niet begrijpen. Omgekeerd begrijpen Dôgen Zenji en Sawaki Rôshi weliswaar onze diepe twijfel, maar soms reiken hun woorden niet zover dat ze de bron van onze problemen echt raken. Daarom zal ik zo vrij zijn, te proberen de woorden van Dôgen Zenji en Sawaki Rôshi op mijn eigen manier uit te leggen en van commentaar te voorzien.

 

Wat wil dat concreet zeggen? Nemen we als voorbeeld de volgende uitspraak: “ Ik heb goed begrepen dat de ogen horizontaal en de neus vertikaal moeten staan. Nu kan me niemand nog iets wijs maken. Met lege handen keerde ik terug.”

Waarom lezen we het niet zo: “Ik ben er zeker van dat ik leef doordat ik deze, ene ademteug in dit ene ogenblik volg.”

Ik interpreteer dit zo omdat ik de Shôbôgenzô niet als boeddholoog lees die het slechts erom gaat orde in de complexiteit van de schrifttekens te brengen. Ik ben ook geen sektariër, die elk schriftteken zo heilig is dat hij de Shôbôgenzô  – als een conservenblik dat nooit geopend mag worden – diep in een kast verstopt en daarvoor in het stof kruipt. Nee, ik lees het met de ogen van een zoeker op de Weg die het erom gaat een geheel nieuwe weg te vinden en mijn in ieder moment volkomen fris en eigen leven te leven. En ik denk dat nou juist bedoeld wordt met de uitspraken: “de oude Leer op de eigen geest reflecteren” of “de Boeddhaweg volgen is jezelf volgen”.

 

Als we het citaat lezen over de horizontale ogen en verticale neus als expressie van ons volkomen nieuwe, eigen leven, dan mogen we niet in onze statische en oppervlakkige hersenspinsels blijven hangen maar moeten we deze uitspraak dynamisch als het frisse leven interpreteren wat niets anders is als deze, ene ademteug in dit ene ogenblik. En als we zo deze woorden volgen dan zien we hier de normaalste zaak van ons eigen leven en niet een of ander ter sprake gebracht mysterie hoe men door zazen tot “satori” geraakt.

Daarom wordt in het begin van de Fukanzazengi gezegd: ”De Weg is allesomvattend en afgerond. Waarom nog oefenen en belichamen? De Waarheid openbaart zich overal vanzelf, waarom nog moeite doen deze te vatten?”

En wat wil het volgende zeggen?: “Een haarbreed onderscheid splitst de hemel van de aarde. Als je tegen de stroom ingaat, zul je je geest verliezen.”

Eenieder van ons leeft een leven, dat elk moment fris en nieuw is. Maar zodra we ons over deze fundamentele kwestie buigen, blijven we steken in wat we “begrijpen” (m.a.w. dat wat we tot begrippen omvormen): De “levensfrisheid” waarover we reflecteren heeft zijn frisse geur verloren, dat wil zeggen: Hij leeft niet. Echte levensfrisheid omhelst niets anders dan loslaten. Alleen door los te laten, is het leven fris. Zazen is niets anders dan de houding van loslaten en loslaten en loslaten…

 

Graag wil ik nu enkele woorden aan de daadwerkelijke beoefening van shikantaza wijden: Als we zazen beoefenen wil dat niet zeggen dat we geen gedachtes meer hebben. Alle mogelijke gedachten duiken aan de oppervlakte van ons bewustzijn op. Maar zodra we deze gedachten volgen beginnen we met nadenken, ook al zitten we in de houding van zazen. Dan moeten we ons realiseren dat we bezig zijn met zazen en geen tijd hebben om na te denken. Zo corrigeren we onze houding, laten de gedachten los en keren terug tot zazen. Dit wordt het “Ontwaken uit de verwarring” genoemd.

Dan is er de vermoeidheid: En moeten we ons realiseren dat we met zazen bezig zijn en dat het nog geen bedtijd is. Zo corrigeren we onze houding, worden wakker en keren terug tot zazen. Dit wordt het “Ontwaken uit de vertroebeling” genoemd. Zazen is telkens opnieuw ontwaken uit de wirwar en vertroebeling, honderd, duizend, tienduizend keer om terug te keren tot zazen. Levensfrisse zazen leven is niets anders dan de geest miljarden keren te ontwaken en al oefenend te belichamen. Hetzelfde geldt voor shikantaza.

Er wordt gezegd dat Dôgen Zenji door het loslaten van lichaam en geest (Shinjin-datsuraku) tot “satori” geraakte, maar wat wil dat eigenlijk zeggen? In de Hôkyôki wordt gezegd: ”De abt zei: ‘Beoefening van zazen is het loslaten van lichaam en geest. Dat wil zeggen gewoon zitten - zonder wierook te branden, zich op de grond gooien, de naam Boeddha reciteren, te biechten of de soetra’s te lezen.’ Ik maakte een buiging en vroeg: ‘Wat wil dat zeggen, loslaten van lichaam en geest?’ De abt antwoordde: ‘Loslaten van lichaam en geest is zazen. Als je louter zazen beoefent, heb je geen begeerten en ben je bevrijd van illusie.’”

Dat wil zeggen dat het loslaten en loslaten en miljarden keren terugkeren naar zazen zelf het loslaten van lichaam en geest is en niet staat voor een of andere mysterieuze ervaring. De Bendôwa zegt dat deze manier van zazen de gehele Boeddhadharma manifesteert en noemt het derhalve de “Hoofdpoort van de Boeddhadharma”.

 

Ik wil het leven hier eens vergelijken met een auto waar we ons leven lang in zitten. Als we in de auto rijden is het gevaarlijk om dronken of vermoeid achter het stuur te zitten. Daarbij is het riskant om tijdens de rit over andere dingen na te denken of nerveus en gespannen te rijden. Dat geldt zowel voor het daadwerkelijke autorijden als ook voor het sturen van je eigen leven. Het grondbeginsel van het leven moet het frisse ontwaken zijn uit zowel de vertroebeling van slaperigheid en dronkenschap, als ook uit de wirwar van nadenken en nervositeit. Zazen omvat niets anders dan dit grondbeginsel van het leven te beoefenen, daarom spreekt men van “de gehele Boeddhadharma” oftewel “de hoofdpoort van de Boeddhadharma”. Daarom heeft Dôgen Zenji ook “de aanbeveling voor zazen voor allen en iedereen” (Fukazazengi) opgesteld, waar hij ingaat op de beoefening van zazen.

“De Boeddhaweg omhelst het gras en de bomen, de keien en stenen, de wind en regen, vuur en water als zijn lichaam en zijn ziel. Daarin te woelen en het te herkennen als de Boeddhaweg is het ontwaken van de geest. Wordt één met de Leer en verwerkelijk zelf de pagoden en boeddha’s. Schep het water uit de dalen en vorm daaruit boeddha’s en pagoden. Dat is het ontvouwen van de onovertroffen en onvergelijkbare wijsheid en de eenmaal ontwaakte geest van de wijsheid miljarden malen opnieuw ontvouwen. Op deze manier moet je oefenend verwerkelijken.” (Shôbôgenzô Hotsumujôshin)

Deze “eenmaal ontwaakte geest van wijsheid miljarden keren opnieuw te ontvouwen” zo te interpreteren dat hier de nog niet verlichte zen-beoefenaars wordt opgedragen niet na te laten in hun oefening, is een grote fout. De ontwaakte geest miljarden keren opnieuw ontvouwen omvat niets anders dan de levensfrisse adem van het steeds nieuwe leven. Diegenen, die met de beoefening van Shikantaza beginnen alleen maar om er uiteindelijk mee op te houden daar het hen geen volle maag gevoel geeft en daardoor verveeld raken – deze personen begrijpen slechts het miljarden keren ontvouwen van de ontwaakte geest met hun brein. Daarom denken ze: “Hoe beschamend! Zolang ik geen satori heb, moet ik de geest miljarden keren ontwaken. Dan moet ik maar opschieten en eerst eens echt satori bereiken, zodat ik de miljarden keren in een keer kan afhandelen!”

Dat is hetzelfde als dat je tegen ons als baby zou zeggen dat we vanaf nu, voor de rest van ons leven onophoudelijk moeten ademen, en dat miljarden keren lang. Dan zouden we niet denken: ”Wat lastig! Ik moet een manier vinden om de hele adem van mijn leven in een grote ademteug af te handelen.”

Zelfs al zouden we het proberen, het zou ons niet lukken. Daarom wordt verder in het hoofdstuk Hotsumujôshin geschreven: “Als gezegd wordt dat de geest in een keer ontwaakt en dat er daarna geen ontwaken van de geest meer is en dat de oefening weliswaar eindeloos is, echter het ontwaken slechts eenmalig, dan komt dat niet overeen met de Boeddhadharma. Hij die zo spreekt, begrijpt de Boeddhadharma niet, is de Boeddhadharma nooit tegengekomen.” Wie denkt, in een keer tot “satori” te kunnen geraken, kan niet aanvaarden dat wij ons leven zo fris en sprankelend moeten leven zoals het is.

Zelfs uit louter biologisch oogpunt kunnen we alleen leven, indien we ons hele leven lang deze, ene ademteug in dit, ene ogenblik doen. Als het om het leven van de echte levensfrisheid gaat, volstaat het natuurlijk niet hierover slechts na te denken, maar moeten we het net zo fris en sprankelend begroeten, zoals het leven nou eenmaal is. Alleen op deze manier kunnen we onze eigen levenshouding vinden, die fris en sprankelend is. Dat bedoelt Dôgen Zenji met:  “De grote kwestie van levenslange oefening verheldert zich”. Als dat gebeurt, kunnen we eindelijk met de echte beoefening van Shikantaza beginnen. Dôgen Zenji noemt dit de “eenheid van oefening en verlichting” oftewel de “oefening op grond van verlichting”. Daarom zei Sawaki Rôshi ook: “Satori kent geen begin, oefening kent geen eind!”

 

Copyright Antaiji

 

 

Terug naar Kodo Sawaki