Zijn we niet allemaal maar heel gewone mensen?

Lezing door Sawaki Kôdô Rôshi gehouden op 20 augustus 1959 in de stad Ono

 

 


Wij verschillen alleen in datgene waar we naar grijpen


 

“Wat jij denkt dat goed is, vind ik niet goed.

Wat ik denk dat goed is, vind jij niet goed.

Zijn we niet beiden maar heel gewone mensen?”

 

Dit is een citaat van prins Shôtoku uit het tiende artikel van de Grondwet in Zeventien Artikelen(1). Het citaat is eigenlijk nog iets langer, hier heb ik vooralsnog het belangrijkste punt opgeschreven.

Ieder mens heeft zijn eigen persoonlijke mening. De jeugd van tegenwoordig verwijt de mensen uit de Meiji-periode(2) dat ze star zijn en niet meer te helpen. De mensen uit de Meiji-periode echter, zeiden: “Het is de jeugd van tegenwoordig die een duw in de rug nodig heeft!” Ieder van ons grijpt naar iets anders.

Daarom vraagt prins Shôtoku: “Denkt niet iedere geest op zijn manier?”

We zijn in verschillende landen opgegroeid, hebben verschillende genen geërfd, verschillende gewoontes ontwikkeld en verschillende vriendschappen gesloten. We zijn allemaal verschillend. Maar, nog even in de woorden van de Grondwet in Zeventien Artikelen:

“Waarom stoort het ons, dat anderen anders denken dan ons? Hebben we niet allemaal onze eigen mening en denkt niet iedere geest op zijn eigen manier? Wat jij denkt dat goed is, vind ik niet goed. Wat ik denk dat goed is, vind jij niet goed. Wie heeft hier de wijsheid in pacht? Weet je het zeker dat ik me vergis? Kan ik er zeker van zijn dat jij je vergist? Zijn we niet beiden maar heel gewone mensen?”

Dat we allemaal gewone, feilbare wezens zijn, geldt ook voor onze familie, ouders en kinderen, broer en zus. En in breder perspectief ook voor bijvoorbeeld de Sovjet Unie en de Verenigde Staten. Allemaal heel gewone mensen.

Er zijn drie theorieën over het geboortejaar van prins Shôtoku. Sommigen zeggen het jaar 572, andere 573 en weer anderen 574. Hoe dan ook, ergens in het begin van de regeringsperiode van keizer Bidatsu aanschouwde hij het licht van de wereld.

Zelf heb ik 8 jaar lang in Hôryûji(3) gestudeerd. Dat kwam omdat ik geen geld had. Of eigenlijk is het zo: Toen ik uit de Russisch-Japanse Oorlog terugkwam kreeg ik maandelijks een veteranenuitkering en daarnaast nog eens een invalide rente. Maar mijn adoptie ouders hadden tijdens de oorlog schulden gemaakt en zouden deze terugbetalen van de uitkering die ze zouden krijgen zodra ik aan het front gevallen zou zijn. Echter ik keerde levend terug uit de oorlog. En toen eisten ze dat ik hun schulden vereffende met mijn veteranen- en invalidenuitkering. Zo stuurde ik hen maandelijks zoveel geld op als ik kon en behield slechts twee of drie Yen voor mezelf. Daarom kon ik niet in Tokyo gaan studeren, want toen was het - anders dan nu – niet gebruikelijk dat men bijbaantjes had. Geen geld, geen studie…

En in Hôryûji was het leven niet duur, ik moest slechts voor mijn eigen kostje zorgen, dat dan weer eens uit bonen, dan uit tarwe bestond. Zelfs vandaag voel ik me nog altijd zeer verbonden met prins Shôtoku. Want ik hoefde indertijd geen huur te betalen, ik moest slechts enkele keren per maand uithelpen op het kantoor van de tempel. Zo leek het alsof de prins Shôtoku mijn studie bekostigde.

Als de toenmalige abt Saeki Jôin (1867-1952) op reis ging, moest ik hem wel eens vervangen. Hij hield namelijk elk jaar ‘s zomers 100 dagen achter elkaar voordrachten over de Lotus soetra, de Srimala soetra en de Vimalakirti soetra(4). Ook tijdens deze 100 dagen verliet Saeki Jôin wel eens de tempel en moest ik voor hem inspringen bij de lezingen. Daarom moest ik veel lezen van en over prins Shôtoku. Ook vandaag de dag is nog veel in mijn hoofd blijven hangen van de prins Shôtoku, over de Hôryûji en over de Suiko-periode(5).

In wat voor een tijd werd prins Shôtoku geboren? Toen hij zeven jaar oud was, werd het boeddhisme in Japan langzaam aan bekend. Toen streden Mononobe-no-Moriya en Soga-no-Umako(6) nog of het boeddhisme wel of niet ingevoerd moest worden in Japan. Daarbij ging het hard tegen hard en uiteindelijk heeft Moriya het onderspit gedolven. Maar net toen het leek alsof hiermee het verhaal ten einde was, sloeg Umako –wiens tegenstander hem ontglipt was - door en probeerde zelfs bij de Keizerin ingang te vinden.

In deze roerige tijd importeerde Japan via het schiereiland Korea steeds meer culturele producten uit China en India. Japan was niet alleen maar op zichzelf gericht. Toen was het gebruikelijk dat de diplomatieke betrekkingen van buitenlanders die naar Japan emigreerde en de Chinese taal spraken, goed geregeld werden. Prins Shôtoku was de eerste die persoonlijk de diplomatieke post verzorgde. Toen de keizerin Suiko de troon besteeg, nam haar neef, prins Shôtoku de regeringszaken over. Hij was toen pas 19. Vanaf zijn negentiende heeft hij zich dertig jaar lang met de regering van Japan gemoeid.

In de eerste maand van zijn twaalfde ambtsjaar, heerste er grote oproer in het land. Daarop stelde hij aan het hof een hiërarchie met twaalf officiële rangen in en schreef drie maanden later de 17 Artikelen. Het tiende artikel luidde:

 “Wat jij denkt dat juist is, vind ik niet goed. Wat ik denk dat juist is, vind jij niet goed. Zijn we niet beiden maar heel gewone mensen?”

De ministerpresident Nehru(7) noemde prins Shôtoku en Ashoka(8) - de koning van het oude India - voorbeelden van respectabele regeerders in de geschiedenis van de mensheid van oost tot west. Tot op heden zijn er niet zulke politici.

 

(1) „De Grondwet in Zeventien Artikelen (Jap. Jûshichijô kenpô) geldt als het eerste staatsrechtelijke document van Japan. Naar zeggen heeft de prins Shôtoku de tekst in het jaar 604 opgesteld. Het werd door prins Shōtoku gebruikt om het morele en filosofische aspect van het boeddhisme te verspreiden. Daarnaast maakte de grondwet ook gebruik van het confucianisme om het hof te vestigen als het centrale bestuursorgaan.” (Wikipedia)

 

(2) Meiji-periode: Tijd van 1868 tot 1912, onder het regentschap van keizer Mutsuhito. Toen stelde Japan zich open voor het westen en groeide de feodale staat langzaam uit tot een moderne grootmacht.

 

(3) Een tempel in Nara die door prins Shôtoku in het jaar 607 is opgericht. Vandaag zijn er de oudste houten gebouwen ter wereld te vinden, alsmede vele Japanse nationale schatten.

 

(4) Over deze drie soetra’s heeft prins Shôtoku eertijds in de jaren 611 tot 615 zijn eigen commentaar (Jap. Sangyô-gisho) geschreven. De Lotus soetra (Jap. Hokke-kyô) is in Azië een van de meest populaire Mahâyâna soetra’s. In tegenstelling tot de vroegere leringen van Boeddha zoals beschreven in de Pali-canon, lag de nadruk niet op het verwerven van heiligheid of de verlossing in Nirvana, maar was gericht op de verlossing van alle mensen, iedereen bezit Boeddhanatuur. De Srimala soetra (Jap. Shoman-kyô) behoort tot de minder bekende, vroegere Mahâyâna soetra’s. Het discours van de gelijknamige Indische koningin Srimala beschrijft de Leer alsmede de allesomvattende Boeddhanatuur. Een speciale positie binnen de grote Mahâyâna soetra’s neemt de Vimalakirti soetra in. Deze staat bekend om de welbespraakte en humoristische manier waarop de Mahâyâna grondleer wordt gebracht, terwijl men normaal genomen bij dit soort religieuze werken zelden humor aantreft. Uniek in deze soetra is dat, niet zoals gewoonlijk, Boeddha of een transcendente Bodhisattva de protagonist speelt, maar een rentmeester, die het ideaal van een boeddhistische lekenvolgeling voorstelt. In alle takken van het Oostaziatische Mahâyâna geniet dit werk hoog aanzien en het is een van de weinige soetra’s die een blijvende invloed op de zenschool heeft uitgeoefend.

 

(5) De Suiko-periode was van 592 tot 628 toen de keizerin Suiko op de troon zat. Ze benoemde Shôtoku tot haar regent en hij kreeg de controle over de regering.

 

(6) Moriyo (overleden in 587) was een tegenstander van het Boeddhisme, terwijl Umako (551-626) het Boeddhisme steunde. Moriyo stak de eerste boeddhistische tempel in brand en gooide de Boeddhabeelden in de waterkanalen, werd echter later door Soga-Klan – wiens aanvoerder Umako was – om het leven gebracht.

 

(7) Jawaharlal of Pandir Nehru (1889-1964) was van 1947 tot 1964 de eerste ministerpresident van India.

 

(8) Ashoka, heerser van de oud Indische Maurya dynastie, regeerde van ca. 268 v.Chr.- 233 v. Chr. Na bloedige veroveringstochten waarbij hij het Indische rijk vergrootte, bekeerde hij zich later tot het boeddhisme en besloot niet langer ten strijde te trekken. Hij zette zich nog uitsluitend in voor de bevordering van de vrede en de sociale welvaart. Hij verbood oorlogsvoering en beval zijn onderdanen voortaan van elke vorm van geweld af te zien.

 


De mensen zijn geen stap voorwaarts gekomen


 

Mensen hebben altijd met elkaar gestreden. Er is niets op tegen dat we ons verdragen, maar uiteindelijk geldt: “Dat wat jij goed vindt, vind ik niet goed. Wat ik goed vind, vind jij niet goed. Zijn we niet beiden maar heel gewone mensen?”

Ouders ruziën met hun kinderen, de man ruziet met zijn vrouw. De vrouw van de familie waar ik wel eens verbleef tijdens mijn reizen was voorzitster van het Vrouwengilde van Kyûshû. Toen het thema gelijkberechtiging ter sprake kwam, ging het erom of de vrouwen niet een of twee geliefden moesten hebben, daar hun echtgenoten dat ook hadden. Maar deze lezing wordt op tape gezet, dus ik verbrand liever niet mijn mond…

Maar goed, de ruzies nemen geen einde. Het probleem schuilt daarin dat de mensheid geen stap voorwaarts komt. Zowel vroeger als nu spreekt men vaak over vooruitgang. De vooruitgang in de wetenschap danken we aan de vroegere generaties. Als de wijzer van de klok een seconde verder tikt, dan wordt ergens op de wereld een nieuw experiment uitgevoerd of een nieuwe uitvinding gedaan. Alleen de mens zelf ontwikkelt zich niet verder. Niets verandert in de seksualiteit en niets veranderd in onze overige begeerten. Nog altijd maken we ons druk om niets en verliezen ons star in de alomtegenwoordige wirwar. De mens is zo gewoontjes als tevoren, echter de machines die ze bedienen worden steeds beter. De vooruitgang beperkt zich slechts tot de wetenschap die niet alleen nieuwe machines bouwt, maar ook raketten, atoombommen, waterstofbommen…

Gewone mensen die zich op de top van deze immense berg van almachtige machines bevinden: Dat is het gevaar wat dreigt.

Dôgen Zenji zegt:

“De mens volgt zijn schamele geest en schrijdt zo voort op de zes wegen.(9)

Als men spreekt over het verwijlen in de zes werelden, heeft dit geen betrekking op de wedergeboorte na de dood. Neen, de mens met zijn grote mond verorbert in dit leven al gretig zijn eten van zes verschillende borden. Dat is het voortschrijden op de zes wegen.

 

(9) De zes wegen of werelden zijn de werelden van de hellewezens, de hongerige geesten, de dieren, de demonen, mensen en hemelwezens. Louter boeddhistische legende doorloopt ieder onverlicht wezen deze zes bestaansvormen alvorens verlichting te bereiken.

 


Het is de hoogste tijd, volwassen te worden


 

Twee of drie jaar geleden waren de waterstof- en atoombom een actueel thema en de natuurwetenschapper Tsuji Jirô schreef toen in een tijdschrift: “De onschuldige kinderen schreden voort in de grotten die hun ouders lang geleden uitgegraven hadden. Toen ze aan het eind kwamen, stootten ze op een zware kist waarvan ze het slot openbraken. Ze vonden de eindresultaten van de wetenschappelijke vooruitgang: Atoom- en waterstofbommen.”

Hij spreekt over ‘onschuldige kinderen’. De onschuldige, onwetende kinderen zijn op het erfgoed - de wapens - van hun voorouders gestoten. Aan de ene kant de Sovjet Unie, aan de andere kant Amerika. Onwetende kinderen, die zich met monsterlijke wapens profileren. En als er iemand zou zijn die zich ertussen plaatste om hen te waarschuwen voor het gevaar, zou hij de eerste zijn die er van langs zou krijgen. Japan, dat zelf niet over atoom- of waterstofbommen beschikt rest niets dan zich in een hoekje terug te trekken. Tsuji zegt dat de enige uitweg de volwassenheid der mensheid is. Niet langzaam aan, maar nu direct!

Wat wil dat zeggen, volwassen worden? Het wil zeggen religie beoefenen. Maar wat wil dat zeggen, religie beoefenen? Mensen denken dat elke religie, elk geloof verschillend is. Maar als binnen de leer van Boeddha verschillende geloofsrichtingen zouden zijn, dan zou het niet meer de ware leer van Boeddha zijn. Wie de naam Boeddha aanroept, die roept uitsluitend de naam Boeddha aan. Wie zazen beoefent, beoefent uitsluitend zazen. Wie de soetra leest, leest de soetra. 100%, zonder enig onderscheid: Dat is de Leer van Boeddha.

Toen ik in Kumamoto(10) leefde onderwees professor Omodaka Japans aan het vijfde Gymnasium van Kumamoto. Omodaka was gespecialiseerd op het gebied van Manyôshû en tien jaar jonger dan ik. Later werd hij professor aan de universiteit van Kyôto, maar toen was hij nog negenentwintig en ik negenendertig. Hij kwam graag naar mijn lezingen en ik werd regelmatig bij hem thuis uitgenodigd om samen met zijn studenten zazen te beoefenen. Ook nadat hij naar Kyôto vertrokken was, werd ik nog vaak bij hem thuis onthaald voor de wekelijkse zazen-leergangen.

Prof. Omodaka liep eens door een achterstraat in Kumamoto en nam waar hoe een boeddhistische priester in een huis, zichzelf wat koelte toewaaide terwijl hij een of andere soetra afratelde: “Ik neem toevlucht tot de Tathagata van het eeuwige leven, heil het wonderbaarlijke licht!” De man die hem in zijn huis uitgenodigd had en voor de ceremonie betaald had, sliep op de achtergrond. Prof. Omodaka zei toen: “De ene overbodige verlaat zich op de andere.”

Voor een boeddhistische priester moet het lezen van soetra’s deel zijn van zijn religieuze oefening. Helaas is het een geldkwestie geworden. Dat ligt deels aan de gelovigen, die steeds de priesters verzoeken ceremoniën voor henzelf te houden. Niets is erop tegen als mensen voor de oefening een bijdrage willen leveren. Dat zelfs iemand 10.000 of 100.000 yen betaald om een priester de Gatha van het Ware Geloof(11) te laten lezen, daar heb ik niets op tegen. In tegendeel. Het is echter een vergissing te denken dat een korte soetra niet veel kost en dat voor een langere soetra meer geld neergelegd moet worden. Dan wordt recitatie een geldkwestie.

Ik zelf zou nooit geld vragen voor het reciteren van een soetra. Dan beoefen ik nog liever zazen. Dat heeft enkel als nadeel, dat niemand me ervoor betaald. Maar tegen m’n gewoontes, kan ik nou eenmaal niet op…

Doorgaans reciteert een priester de soetra’s niet in een enkel huis, maar op tien, vijftien verschillende plekken, de een na de ander. Daar hij de soetra’s niet hoog acht, zal hij zich niet in het zweet werken, of zolang doorgaan tot hij geen stem meer heeft. Dus is het begrijpelijk dat hij tijdens de recitatie van de soetra’s een waaier gebruikt.

Anders is het voor de gelovige. Die krijgt niet elke dag een soetra voorgelezen en wordt ook niet betaald om er naar te luisteren. Hem gaat het erom dat hij zijn voorouders gedenkt of een gestorven kind of de ouders. Daarom moet hij op de dag dat de priester komt, toch in een zekere religieuze stemming zijn. Maar ook hij neemt het niet al te serieus. Hij steekt het geld in de envelop, zoals het hoort en neemt dan eerst wat te drinken. Want moet zo een recitatie niet relaxed aangehoord worden? En als de recitatie is afgelopen, dan luidt de priester de bel en ontwaakt hij uit zijn sluimeren en dankt de priester voor de gedane arbeid. In de woorden van Prof. Omodaka: „De ene overbodige verlaat zich op de andere.”

 

(10) Omodaka Hisataka was een Japanse literatuurwetenschapper die leefde van 1890 tot 1968. Hij stond bekend voor zijn studie van het Oud Japans en vooral het Manyôshû, een klassieke gedichtenverzameling uit de achtste eeuw. Het vijfde Gymnasium in Kumamoto, waar hij onderwees alvorens hij naar de universiteit in Kyôto ging, was een van de vijf elitescholen in Japan. Het werd opgericht in 1887 en in de begintijd onderwezen er de bekende Japanse schrijver Natsume Sôseki en Lafcadio Hearn, een van de eerste Japanologen uit het westen. Toen Sawaki nog in Mannichizan bij Kumamoto leefde bezochten veel leerlingen van het Vijfde Gymnasium Sawaki om bij hem zazen te beoefenen.

 

(11) Jap. Shôshinge, hymne van Shinran (1171-1262) waarin hij de essentie van de leer van het geloof in  Amitabha Boeddha samenvat.

  


Niets in de wereld mag overbodig zijn


 

In het geloof bestaat altijd het gevaar dat de ene overbodige zich op de andere verlaat. Dat geldt zowel voor de priesters als voor de gelovigen. Meestal gaat het daarbij nog niet eens om het geloof: De ceremoniën worden gehouden als een soort gezelschapsspel of gezien als een familietreffen zonder verder enige religieuze inhoud. Al het overbodige aan religie zou geëlimineerd moeten worden. Als men al het overbodige weglaat, volgt elke religie dezelfde richting. Als men zich daarentegen op het overbodige richt - of dat nu de “eenvoudige oefening” of de “andere kracht” is of  wat dan ook – dan heeft dat niets van doen met religie. Als Tsuji verlangt, dat de mensen volwassen worden, dan betekent dat voor de religies slechts dit: Al het overbodige moet geëlimineerd worden.

Het oude testament spreekt van de schepping van de mens naar het beeld Gods. Een goede grondregel: Schep de mens naar het evenbeeld God. Dôgen Zenji spreekt over oefening tijdens het leven zelf (Jap. Gyôbutsu-iigi). Dat wil zeggen leven als Boeddha.

Daarom heeft het niets van doen met religie, als je zegt: “Ik geloof dit maar jij beweert dat.”

Het gaat er niet om wat de mensen zeggen, het gaat erom wat wij doen. Er zei eens iemand dat de verschillende religies zijn als de verschillende muntstelsels. Vandaag de dag weten dat slechts nog enkele oude grijsaards, of wellicht historici: Zelfs in Japan had vroeger iedere provincie zijn eigen muntsoorten. Hier in de stad Ono werd geld gedrukt dat buiten de stad geen waarde had. Ik kom van een arme familie uit Tsu, de Ise regio. Er was een kleine provincie Todo, die ook zijn eigen muntsoort had maar die zijn waarde verloor zodra men de provinciegrens overschreed.

Ook nu nog hoor ik de mensen zeggen: Het mag bij jullie dan zo zijn, maar bij ons is dat anders. Onze geestesrust, onze satori, ons gelovig hart heeft met dat van jullie niets van doen. Het is een grote vergissing als de religies zich gaan verhouden als het muntstelsel in een kleine provincie, dat slechts binnen zijn eigen, beperkte grenzen waarde heeft. Voor een leerling van Shakyamuni Boeddha mag er slechts een werkelijkheid zijn die overal geldt. In deze werkelijkheid is niets overbodig, er zijn geen privé aangelegenheden.

Grootmeester Sôsan(12) sprak over het vormloze lichaam van de heldere en allesomvattende waarheidsnatuur (Jap. Kakushô-enmyô-musô-no shin). Mooie woorden. Maar het gaat niet om de woorden, het gaat om de inhoud: Het vormloze lichaam van de heldere en allesomvattende waarheidsnatuur. De gemeenschappelijke bron waaruit hemel en aarde en ik ontspringen. Oude meesters zeggen ook wel, het één-zijn van het Zelf met de tienduizend dingen.

Dôgen Zenji heeft het altijd over de “stinkende vleesvracht”. Wij zijn allemaal stinkende vleesvrachten. Ik merk dat bij mezelf: Hoe ouder ik word, hoe meer ik ga stinken. Het zou een verkwisting van dit leven zijn als het zich alleen maar om deze stinkende vleesvracht zou  handelen. De Boeddhaweg bewandelen wil zeggen dit lichaam op een kosmische manier benutten, op een manier die over tijd en ruimte heen gaat: Als het vormloze lichaam van de heldere en allesomvattende waarheidsnatuur.

 

(12) Chin. Caoshan, 804-901. Sôsan en de patriarch Tôzan staan aan de wieg van de soto-zenschool.

 


Waar komt dit individuele lichaam vandaan?


 

We hebben een ego en daarmee begint de ellende. Want ons ego maakt onderscheid tussen deze vleesvracht en de andere. Er was eens tijd waarin er geen onderscheid was tussen man en vrouw. Ook waren er geen rijken, noch armen. Men had ook geen voedsel nodig om in leven te blijven. Tenminste, dat wordt beweerd in de soetra “De grond waaruit de wereld ontstond”. (Jap. Kisei-in-honkyô). In deze soetra hadden de mensen geen eten nodig. Ze gebruikten ook geen zaklampen en hadden het zonlicht niet nodig. Er was geen arm of rijk, geen mannen of vrouwen. Men leefde zoals de goden.

Op een dag kwam er iemand op het idee om eens van de aardbodem te proeven. En het verhaal gaat dat de aardbodem net zo lekker smaakte als een rijstkoek. Dat gelijkt de mens die de atoom- en waterstofbommen heeft uitgevonden en er helemaal enthousiast over is: “Lekker, lekker! Nog meer!”

En toen allen de aardbodem gingen eten, kregen ze ineens dorst. Zo proefde iemand het water uit een waterplas en het verhaal gaat dat het smaakte als hemelse nectar. En weer begon het: “Lekker, lekker!” Nadat de mens vaste en vloeibare voeding tot zich nam, begon het in zijn binnenste te rommelen. En nog voordat hij het in de gaten had, opende zich zijn achterste en het stonk. En het vloeibare kwam er aan de voorkant uit. De voorkant had twee varianten: de een had een kleine slang, dat was zeer praktisch, de ander had geen slang en moest ervoor gaan zitten.

En zoals het bij elektrische en magnetische polen is, zo speelt ook hier de aantrekkingskracht: De slang aan de ene kant paste precies daar waar bij de ander geen slang was: “Ah, dat kietelt, oh, meer, meer! En zo ging het dieper en dieper. En toen…enfin, dat weten jullie wel. En zij die geen slang hadden, kregen een dikke buik en een baby werd geboren.

Op een dag smaakte de aardbodem niet meer zo lekker en gingen de mensen wilde rijst- en tarwegrassen eten. De zaden hadden toen nog geen harde vlies, derhalve was het mogelijk de planten fris te oogsten en rauw te verorberen. En iedereen bouwde zijn eigen hutje, zodat ze zich in alle rust met hun slang konden bezighouden. Langzaam ging men in de hutjes voedsel inslaan. Zo ontstond de hebzucht.

Met het begin van de hebzucht, groeiden ook ieders voorraden, doch de rijstkorrel ontwikkelde een harde vlies. Zo werd men genoodzaakt een manier te vinden de rijstkorrel van zijn vlies te ontdoen en te dorsen. En hoe groter de hebzucht, hoe vindingrijker de mens werd. Hij besloot land te bebouwen om de oogst te vergroten. Daarvoor moest hij elk jaar opnieuw de rijst uitzaaien. En ineens was alles aan arbeid gebonden.

Zo gebeurde het dat de een de rijst maaide die een ander geplant had: Diefstal was geboren! Met als gevolg: “Hey jij daar, wat ben je aan het doen met mijn rijst?” “Hoezo jouw rijst, hebben we dan niet eeuwig dezelfde rijst gegeten?” “Ja maar, wie denk je wel dat je bent?” Zo ontstond de ruzie tussen de mensen.

En met de diefstal en ruzie verschenen ook de bewakers ten tonele. En met de bewakers weer anderen die nog sterker waren. Wat leidde tot moord en doodslag. De bewakers groepeerden zich in bendes en legers en noemden zich “politie”, “bodyguards”, “landmacht” of hoe dan ook. En ineens was alles zoals vandaag: “Geef me geld en ik zal je beschermen.”

Zoals ook in het Christendom man en vrouw van begin af aan niet gescheiden waren, ziet ook de soetra de “Grond waaruit de wereld ontstond” als een fundamentele eenheid. Ons probleem is dat we dit vormloze lichaam heldere en allesomvattende waarheidsnatuur als het eigendom van ons individuele ego zien.

 


De altijddurende illusie: Ik...


 

Gachi is onwetendheid. Je weet niet waarom je geboren bent. Voordat je je het bewust was, ben je op deze aarde geworpen. Jouw leven is doelloos als een lange dwaaltocht in de nacht. Je weet niets en zelfs dat weet je niet. Daarom is deze onwetendheid zo verraderlijk.

Gaken is jouw eigen mening. Je denkt slim te zijn. Ieder vertrouwt op zijn eigen verstand, op zijn eigen, persoonlijke visie. Zo begint de strijd.

Gamen is de vergelijking met anderen: Wie van ons beide is beter? Dat verklaart ook waarom sport nu zo populair is. De schijnwerpers van het baseballveld op de Komazawa universiteit schijnen zo fel dat de studenten in de aangrenzende kamers het licht niet aan hoeven te doen om een boek te lezen. De hele nacht door blijft het strijklicht aan. Gewone mensen raken verveeld als er geen gewin of verlies in het spel is. Sport zelf daar is niets mis mee. Het is de mens die altijd zien wil wie de betere is. Maar zoiets is kinderlijk.

Boeddha Shakyamuni zei: „De hele wereld is mijn bestaan en alle lijdende wezens zijn mijn kinderen”.

Boeddha Shakyamuni was niet geïnteresseerd in gewin of verlies. Amithaba Boeddha(13) beschrijft het licht dat het gehele universum ongehinderd beschijnt. Hij zegt ook: Grenzeloos leven. Zoals gezegd moet het erom gaan de mens naar het evenbeeld Gods te schapen. Daarom zijn er belangrijkere tijdsbestedingen dan te kijken naar wie het een paar centimeter verder of hoger redt. Het criterium moet bij Shakyamuni of Amithaba liggen.

Ik heb eens een foto gezien van een immens grote Sumo worstelaar, die na een verloren wedstrijd zat te huilen. Zonde van al die overtollige kilo’s! Wie is er nou geïnteresseerd in gewin of verlies? Als je verliest, dan verlies gewoon. Toen een kennis van Ryôkan(14), wiens huis en haard afgebrand was, hem om raad vroeg hoe hij het ongeluk kon ontvluchten, antwoordde hij: “In ongeluk moet je ongelukkig zijn, als je dood gaat, moet je gewoon sterven. Zo kun je elk ongeluk ontvluchten”. Alle ophef over verlies of gewin is kinderlijk.

Tenslotte is er Gaai, de eigenliefde. Je ziet het allerliefste jezelf. Voor jou is niet alles eender. Nee, dat hier, jij zelf, bent het allerbelangrijkste.

 

(13) Amitabha Boeddha is in tegenstelling tot Shakyamuni geen historische persoonlijkheid maar een transcendente boeddha, wiens naam het “eeuwige leven” of “grenzeloos licht” betekent. Het geloof in deze boeddha is wijd verbreid in Japan en in geheel Oost-Azië en baseert zich op verschillende soetra’s uit het Mahâyâna boeddhisme. Deze soetra’s gaan over een bodhisattva die de gelofte aflegt na het bereiken van het Boeddhaschap eenieder, die zijn naam aanroept in het Zuivere Land in het Westen te redden. De recitatie “Namu Amidabutsu” (“ik neem toevlucht tot Amitabha Boeddha”) geniet derhalve grote populariteit in Japan.

 

(14) Een Japanse dichter en zenmonnik die het kluizenaarsleven boven het klooster verkoos. Hij leefde van 1758-1831 en noemde zichzelf “de grote sukkel”. Hij stond bekend om zijn zorgeloosheid en bracht een groot deel van zijn tijd door met kinderen te spelen.

 


Een ieder van ons verlicht het hele universum


 

Dat wat het hele universum vult – groots en weids, onbevlekt en grenzeloos – wordt het vormloze lichaam heldere en allesomvattende waarheidsnatuur genoemd. Het is zowel het lichaam van Boeddha als het lichaam van eenieder die tot de ware leer ontwaakt. Maar wie van ons vindt daadwerkelijk dit lichaam?

Het antwoord is dat iedereen dit lichaam kan vinden, zelfs nu, in dit ene ogenblik. Dat is de schepping van de mens naar boeddha’s evenbeeld. Daarbij is de vorm van belang. Probeer eens met de handen gevouwen in gasshô(15) ruzie te maken met een ander, terwijl je de naam Amithaba Boeddha aanroept of de Daihi-shin-darani(16) reciteert. Voelt dat niet vreemd? De handen gevouwen in gasshô kennen geen strijd.

Takayama Chogyû zei: “We moeten verder dan de huidige tijd kijken”. Dat wil zeggen dat we innerlijk genoeg ruimte moeten hebben om een overzicht over de tijd zelf te krijgen. Geen wonder dat we in de huidige tijd nog alleen maar strijden om wie de beste papieren heeft.

We kunnen deze strijd slechts beslechten op een manier: We moeten eindelijk eens volwassen worden. Als de kinderen ruziën, lopen de ouders erom heen en krijsen: “Wat is dit nou weer voor een theater?” Als kinderen ruziën, moeten we ons als een vader opstellen. Met welke ogen zouden God of Boeddha de strijd tussen Amerika en de Sovjet-Unie aanschouwen? We moeten innerlijk genoeg ruimte scheppen om de dingen vanuit een verhevener standpunt te betrachten. Maar het beste zou zijn als ik het voor mekaar zou krijgen om de secretarisgeneraal van de CPSU en de Amerikaanse president bij elkaar te laten zitten en zazen te laten beoefenen. Ik zou de Kyôsaku(17) ter hand nemen en roepen: “Kom op, strekken die ruggengraat!”

Je moet bij jezelf beginnen. Het gaat hier om jou. Ook al zeggen de mensen soms: “Wacht maar af!” Of: “Ik zal het je ooit nog wel eens laten zien!” In werkelijkheid gaat het alleen om dit, ene moment, nu hier. Voor hetzelfde geld ben ik morgenvroeg dood. Niemand weet of hij morgen nog de zonsopgang mag aanschouwen.

Je hoeft nog niets eens tot morgen te wachten. Het boeddhisme leert dat in het tijdsbestek van het knipperen met de vingers het universum 65 keer ontstaat en vergaat. Deze tijdseenheid wordt een Ksana genoemd. Terwijl ik nu met mijn vingers knipper verstrijken 65 Ksana’s. In elk van deze ksana momenten sterven we en worden we opnieuw geboren. Daarom kunnen we niet weten wanneer we sterven. Ik ben nu tachtig en niet meer geïnteresseerd wanneer of waar ik dood ga. Ik doe wat ik wil, zeg wat ik wil en krijg ook nog eens te eten – wat wil ik nog meer?

Nukariya Kaiten(18) wist hoe te sterven: Hij stierf tijdens een voordracht. Als ik tussen de lakens van een geliefde zou sterven, zou dat mijn reputatie aanzienlijk schaden. Anderzijds: Wie zou er denken dat ik met tachtig er nog een minnares op na zou houden? Hoe dan ook, ik zou niet weten, waar en wanneer ik aan de beurt ben.

 

(15) Traditionele buiging met zoals bij een gebed samengevouwde handen

(16) Skr. Nilakantha Dharani of Maha Karuna Dharani, wordt toegeschreven aan de bodhisattva Avalokiteshvara. Een Dharani verschilt qua opzet in principe niet van een mantra. Het is een tekst die op een symbolische manier de essentie van de leer of een gebed weergeeft. Daarbij gaat het niet om een logische samenhang van de woorden, vandaar dat de recitatie in de originele taal Sanskriet plaatsvindt. Daar het onderricht niet het doel is, maar een magische functie heeft, is het niet van belang of de toehoorder het begrijpt.

(17) Een platte, smalle stok waarmee de meester of een andere verantwoordelijke monnik tijdens zazen de meditatiehal inspecteert, om monniken met een slechte houding te corrigeren of slapende beoefenaars met een slag te wekken.

(18) 1876-1934. Een Japanse godsdienstwetenschapper, later rector van de Komazawa universiteit, die voornamelijk over zen publiceerde. Tot zijn werk behoort ook een van de eerste geschriften in Japan over de profeet Mohammed.


Wapenstilstand!


 

Grootmeester Tôzan(19) laat ons de dingen zien vanuit het perspectief van een dode. Als je alles bekijkt vanuit het standpunt van de dood, zie je alles met het vormloze lichaam heldere en allesomvattende waarheidsnatuur. Beginnen we de dingen te analyseren terwijl we, met handen en voeten om ons heen slaand, ons een weg in het leven trachten te banen, dan leidt dat slechts tot ruzies. Wie alles ziet vanuit het perspectief van de dood ziet zal geen verdere fouten maken. Maar omdat het sterven niet zo eenvoudig is, beoefenen we zazen. Zazen is geen werk, het is afscheid nemen uit de wereld van de mens.

De mensen willen alles met de abacus uitrekenen. Het gaat om naam en rang en al die andere onzin. Carrière. Anderen gebruiken hun brein en lichaam om uit te rekenen hoe ze zo snel mogelijk in het parlement gekozen kunnen worden. Vervolgens willen ze in het kabinet komen en dan moeten ze minister-president worden. Dan keer zich het tij: Als ze eindelijk het doel van hun droom bereikt hebben, worden ze belaagd door journalisten die in hun privéleven gaan rommelen. Hoeveel heeft die villa aan de kust gekost? Waar komt het geld vandaan? Eerst zijn het slechts geruchten, dan echter komen de feiten op tafel, die vervolgens nauwgezet geanalyseerd worden. Is het werkelijk zo boeiend iemand zo te volgen? Blijkbaar wel, want ondanks deze onaangename bijkomstigheden blijven roem en eerzucht trekken als hinge hun leven er vanaf. Dat is vreemd, vind je niet?

We genereren onze eigen stress. Er valt overal iets te bereiken of beter in te zijn. We moeten ons ontdoen van deze eerzucht, pas op de plaats nemen. Dat bedoel ik met sterven, of anders gezegd: Zazen, wapenstilstand! We leven ons leven als bevonden we ons in de frontlinie van het gevecht, de mitrailleur in aanslag: Rattatata..! Stel je een trompet voor die schalt: Staakt het vuren, wapenstilstand!

In werkelijkheid was er in de oorlog natuurlijk geen trompetgeschal. Maar op het oefenterrein of bij de oefeningen, was het er wel. Ik kan me nog herinneren dat we tijdens een oefening in Shizuoka omringt waren door de “vijand”. Ik begon me al voor stellen hoe het zou zijn als we gevangen genomen werden. Bizar, is het niet? Maar ook tijdens de oefeningen werd men als een krijgsgevangene behandeld. Toen ik niet meer wist waarheen, hoorde ik ineens de trompetten schalken en alles was voorbij: We gooiden het geweer om onze schouders en marcheerden terug naar de basis.

Het is niet eenvoudig het leven te meesteren. Als we echter al onze energie focussen op hoe we het de ander zo moeilijk mogelijk kunnen maken, dan is het niet verwonderlijk dat de wereld aan een neurose lijdt. Religieuze oefening – of dat nou zazen is, of het aanroepen van Boeddha, het reciteren van de soetra’s of buigingen of wat dan ook – moet als een wapenstilstand in het leven zijn.

De mensen staan opgesteld naar rang en worden geteld: Een, twee, drie, vier… Ik sta vooraan in de eerste rij, jij helemaal achter, de achtste van links. Maar als het commando “inrukken” gegeven wordt, lost de rangorde onmiddellijk op. Je moet jezelf naar het evenbeeld boeddha’s scheppen. Maar niemand van ons begrijpt dat. Jij begrijpt niet hoe verheven het is als een boeddha te leven. Je begrijpt het niet als het om jou zelf gaat, maar hoe ziet het in de ogen van een ander uit?

 

(19) Chin. Tung-shan, 806-869. De Chinese Sôtôschool gaat op hem en zijn leerling Sôsan terug. Hij raakte verlicht tijdens het oversteken van een rivier toen hij zijn spiegelbeeld in het water zag: “Dit ben ik, maar ik ben niet dit!”

 


De gebeurtenis die mijn leven veranderde


 

Ik kan me nog goed herinneren hoe ik in de nacht van 10 juni 1896 wegliep uit het huis van mijn adoptiefouders in Ise. Van een priester uit de Shin school had ik drie kilo rijst mee gekregen, die ik dan onderweg rauw opat. Vanuit Ilse ging het richting Kuwana en van daaruit ’s nachts met de boot naar Ogaki. Daar ging ik aan land en vervolgens liep ik door tot aan het Jizô-standbeeld(20) in Kinomoto. Daar aangekomen was het al tien uur ’s avonds en ik was doodop. Ik heb gewacht tot de zon weer opkwam en ben toen verder gegaan richting Imajô over de passen Yanagigase en Tochinoki. Wederom overnachtte ik bij een Jizô standbeeld, totdat de regen me wekte. Maar dat deerde me niet, mij ging het om mijn leven, zelfs regen kon me niet weerhouden. De volgende dag vertrok ik richting Eiheiji. Toen ik in Fukui arriveerde ging de zon al onder en eenmaal in de bergen, was het pikkedonker. Daar ik mijn geld verdiend had met het repareren van papieren lantaarns, had ik voor deze reis een Odawara(21) lantaarn meegenomen. Dezelfde Sin priester die me de rijst had meegegeven, had me ook twee kaarsen meegegeven en ik had lucifers op zak, echter die waren doorweekt. Met het laatste greintje hoop streek ik ze allemaal tegelijk aan en met een sissend geluid ontvlamde ze! Ik stak de kaars aan en vervolgde mijn weg over de volgende bergpas richting Eiheiji. Ik had nog drie kilometer te gaan.

Later werd ik van Eiheiji naar Ryûunji gestuurd, dat in de provincie Sakai ligt. Ik moest uithelpen met de O-Bon, de feestdagen in de zomer ter nagedachtenis aan de overleden voorouders. Natuurlijk stond ik op de ladder helemaal onderaan, ik had nog niet eens een echte monnikenpij. Een non uit de Hakujuan tempel die voor de poort van Eiheiji lag, had uit oude vodden iets genaaid. Het zag uit alsof ze een oude pij, die een of andere monnik onderweg had afgedankt, weer opgelapt had met poetsdoeken. Mijn god wat was die stof zwaar en dik… en dat midden in de zomerhitte! Mijn taak bestond eruit tijdens de ceremonie de priester in de tempel koelte toe te wuiven met een grote waaier. En toen ik luidkeels uit volle borst de recitatie van de soetra’s meedeed, snauwde hij me toe: “Waarom schreeuw je zo? Soetra’s worden niet zo luid gereciteerd!” Daarna prevelde ik ze slechts nog voor me uit.

Toen de ceremoniën voorbij waren, nodigde de burgemeester de monniken die uit Eiheiji gekomen waren om mee te helpen, uit voor een ontspanningsreis. Ik dacht dat het richting Mikuni ging. Maar als de jongste en de minste onder de monniken was ik natuurlijk niet welkom mee te gaan: “Jij, jij kunt hier blijven en uitrusten!”

Dus bleef ik achter met de oude kokkin, om de schalen en dienbladen met een droge doek te boenen en op te ruimen. Deze oude kokkin liet me gewoonlijk water halen of de vloer dweilen, en kankerde als ik de dweilen niet goed uitwreef. Alleen die dag gaf ze me toestemming dat ik mocht gaan doen waar ik plezier in had. Daar mijn leven niet gemakkelijk was na de dood van mijn ouders, wist ik helemaal niet wat “plezier hebben” omhelsde. Zelfs nu weet ik nog niet goed wat ik daaronder moet verstaan. Dus eigenlijk wist ik niet wat ik met mezelf – met dit lichaam – aan moest toen me gezegd werd dat ik iets leuks moest gaan doen. In Eiheiji had ik geleerd in zazen te zitten en dus besloot ik gewoon een beetje te gaan zitten. Ik plaatste mijn achterste op het kussen en ging zitten in zazen.

Toen kwam de oude kokkin de ruimte binnen om een paar schalen in de wandkast op te bergen. Waarschijnlijk was ze ervan uit gegaan dat ik, de kleine monnik zich teruggetrokken  had in een achterkamer voor een middagslaapje. Maar toen ze me in zazen zag zitten, viel haar mond open van verbazing. Ze vouwde haar handen en aanbad me alsof ik Boeddha Shakyamuni zelf was.

Dat bepaalde de verdere richting in mijn leven. Niets wist ik over zazen, er was ook niemand die ik ernaar kon vragen. En toch boog deze oude dame zich zo respectvol voor me, als ware ik Boeddha zelf. Waarom? Het was als een wonder. Uit wat voor een reden dan ook, ik wist echt niet waarom, boog zich voor mijn ogen deze oude vrouw. Toen wist ik dat ik de rest van mijn leven zazen wilde beoefenen. Zelfs tot op de dag van vandaag, nu ik heel het land af reis om lezingen te houden, doe ik dat alleen maar voor zazen. Ook mijn functie aan de Komazawa universiteit verricht ik uitsluitend om zazen te onderwijzen.

 

(20) Skr. Ksitigarbha, een Bodhisattva figuur die zeer populair is in Japan. Hij is de schutspatroon voor reizigers en wegen, maar wordt ook vereerd als beschermheilige voor kinderen, vooral voor de kinderen die eerder dan hun ouders sterven. Volgens de legende begeleidt hij de zielen op weg naar de onderwereld.

(21) Een papieren lantaarn die veel door Japanse reizigers wordt gebruikt. Deze is cilindervormig, makkelijk op te vouwen en relatief stevig bij wind en regen. Veel reizigers geloofden bovendien dat deze lantaarn – die uit een zeer heilig hout vervaardigd werd – bescherming bood tegen boze geesten.


Als je zit ben je Boeddha


 

Proberen staat boven studeren, praktijk staat boven welke theorie dan ook. Ik zat in zazen en werd vereerd alsof ik Boeddha zelf was. Waarom, dat wist ik niet. Het is ook niet nodig het waarom te weten. In een boek met de titel “Verhalen van een rare snuiter uit de nieuwe tijd” (Jap. Kinsei-kijinden) wordt gezegd: “Een echte, rare snuiter is zich er niet van bewust een rare snuiter te zijn. Hij denkt de normaalste mens ter wereld te zijn. Alleen in de ogen van de anderen is hij een rare snuiter.”

Zazen is verheven, zazen is satori, zazen is het leven van boeddha – maar je hebt dat zelf niet in de gaten. Het valt je niet op dat de anderen jou als boeddha zien. Ze vereren je als ware je Boeddha zelf.

Eens vroeg een verslaggever aan mij: “Wat er gebeurt als je zazen beoefent?” Mijn antwoord luidde: “Als je zit, dan ben je boeddha!” De verslaggever die tot dan toe alleen maar zacht gepreveld had, “Hm, hm, ik begrijp het” riep ineens verbaasd: “Dat meent u toch niet, of wel?”

Als je iets van een ander afneemt, dan ben je een dief. Op dat moment ben je een dief. Je hoeft niet te wachten tot de politie komt en je arresteert, je voor het gerecht sleept en veroordeelt. Die steelt is een dief. Zo is het ook met zazen. Eerder noemde ik het al de schepping van de mens naar boeddha’s evenbeeld. Zazen is groots en weids, het lichaam van boeddha omvat het gehele universum.

De verslaggever vroeg me ook of het mogelijk was de Boeddhadharma te leren als je niet in een klooster zat. Hoezo? Dogen Zenji zei: “Waar je je ook bevindt boven of onder de hemel – daar waar je nu bent, kun je de eeuwige vrede (Jap. Eihei) vinden. Waar je ook zazen beoefent, zul je eeuwige vrede vinden.” Dus is voor mij iedere plek een oord van de Weg, ook als ik niet in de tempel leef. Daar waar ik me nu bevind, heerst eeuwige vrede. Dogen Zenji spreekt ook van de “berg van het geluk”: Alle boeddha’s verzamelen zich daar, vandaar de naam ‘berg van het geluk’.  Waar we ook zitten, we zitten altijd op deze berg van geluk, we zitten altijd in het zuivere land van Amithaba Boeddha. Dat geldt overal, waarheen de voeten van mijn reis mij ook brengen.

Voor de lezing beoefenen we altijd zazen, maar omdat ik pas vanmorgen uit Daijôji in Kamazawa gekomen ben en ik morgen weer een lezing in Fukui heb, zal dat vandaag helaas niet lukken. Mijn bezoek hier is tussen de anderen ingestouwd, er rest geen verdere tijd. Morgen na de lezing in Fukui, moet ik direct door naar Kyoto. Zwaar werk voor dit oude lichaam, maar het is niet anders. Ik voel me als een pakezel, die voor vertrek nog wat extra bagage op zijn rug gestouwd krijgt.

Schep de mens naar het evenbeeld Boeddha, zonder enig verdere gedachte over uiterlijk. In het hoofdstuk Dôshin uit de Shôbôgenzô draagt Dôgen Zenji ons op het Kesa(22) gewaad te dragen en in zazen te zitten, want door de Kesa zullen we de bevrijding in de drie levens vinden. Hij refereert hierbij naar de non Utpalavarna, die in een vorig leven prostituee was. Op een dag kleedde ze zich in het Kesa gewaad, om de klanten met een dans te vervoeren. Er wordt gezegd dat ze in haar volgende leven non werd en uiteindelijk in een volgend leven een discipel van Boeddha Shakyamuni, alwaar ze de bevrijding als arhat(23) vond. Daarom spreekt men van de bevrijding van de drie werelden en zegt dat zazen boven de drie werelden uitstijgt. De drie werelden zijn de wereld van begeerte, de wereld van vorm en de vormloze wereld(24). Al onze illusies hebben hun wortels in alle drie werelden. De wereld van de begeerte omvat de hel, de hongerige geesten, dieren, vechtende demonen, mensen en hemelswezens. De wereld van vorm en de vormloze wereld staan daarboven. Zolang we onze illusies niet ontwortelen, bevinden we ons in de drie werelden. Zazen is niet de leer van de drie werelden. Het is de leer van Boeddha’s en Patriarchen, die boven de drie werelden uitstijgt. Zo als de dief niet de leer van de rechtschapen mens volgt, maar de leer van de dief.

 

(22) “Een kesa is een gewaad, dat uit lappen stof bestaat die met de hand aan elkaar genaaid zijn. Volgens de traditie hebben de eerste boeddhistische monniken hun gewaden gemaakt uit weggeworpen stofresten, lijkendoeken etc. en okerkleurig geverfd.” (Wikipedia)

 

(23) “Arhat is een religieuze titel voor een boeddhistische heilige die voorbij begeerte, haat en blindheid is. Het woord stamt uit het Sanskriet en betekent: ‘De waardige’.” (Wikipedia)

 

(24) Jap. Yokkai, Shikikai en Mushikikai. De wereld van begeerte omvat de zes werelden tussen hemel en hel, waartoe ook de mensenwereld behoort. De wereld van vorm is de materiële wereld, die voorbij subjectieve begeerte waargenomen wordt. De toegang ertoe verlenen de eerste vier niveaus van Samadhi, dus de meditatie. De vormloze wereld is immaterieel en verschijnt alleen aan de mediterenden die de andere vier stadia van Samadhi gemeesterd hebben.

 


Het geheim van religie ligt in de buiging


  

Een andere belangrijke oefening is de buiging. Dôgen Zenji schreef een gedicht met de titel “buiging” (Jap. raihai):

 

“Het wintergras is niet zichtbaar.

Op de met sneeuw bedekte bodem: Een reiger,

Verborgen in zijn eigen gestalte.”

 

Een witte reiger op een witte grond is net zo moeilijk te zien als het wintergras dat door sneeuw bedekt is. In alles naadloos verbonden. De buiging is iets wonderbaarlijks, het omvat het geheim van het boeddhisme. Zo is de buiging gelijk aan zazen. Hij die buigt gaat ook liggen om te slapen en hij die zazen beoefent, rekent ook met de abacus, daar alles in het universum met elkaar verbonden is. Ik en alle dingen hebben dezelfde wortels: Grootste, onbegrensde wijdte. Het beoefenen van het boeddhisme is niet zo ingewikkeld. Oefening is buigen. De naam van Boeddha aanroepen is eveneens oefening. Zazen is oefening. Je moet het gewoon doen.

De een waait zichzelf wat koelte toe tijdens een slaapwekkende recitatie van de soetra’s en de ander die ervoor betaald heeft, geniet achter zijn rug van zijn middagdutje: Zo iets is overbodig. Oefening is je best doen in alles wat je doet. Als je je best doet is alles onomstotelijk één met zazen. Lopen is zazen, zitten is zazen, het lichaam vindt rust en vrede in zowel het zwijgen als het spreken, in zowel de stilte als de beweging.

Een zijn in alles wat je doet is een zijn met de geest van het geloof. Ben één met het leven. Dan ben je een boeddha, een ontwaakte. In het Shin Boeddhisme spreekt men van het verlichtende gelaat van een boeddha (Jap. Kôgengigi).

Maar zoals gezegd het wordt de hoogste tijd volwassen te worden. Tijd om de Weg ons dagelijkse leven te laten zijn.

 

(Lezing gehouden op 20 augustus 1959 in de stad Ono)