Kodo Sawaki - een korte biografie

Een korte biografie van Kôdô Sawaki Rôshi door Shûsoku Kushiya Rôshi.

Te lezen in het boek “Zen ist die größte Lüge aller Zeiten“ uitgegeven door Angkor-Verlag.

 


Kôdô Sawaki Rôshi – zijn leven en zijn geest


 

De woorden van Sawaki Rôshi zijn als de wind die vanuit zen in ons gezicht blaast. Deze wind geeft ons de lucht om te ademen. Soms verzacht de wind ons lijden door als een zachte, koele bries ons hart te verfrissen. Soms is het als een onweer, dat met hagel en storm boven ons hoofd losbreekt, alsof het hele universum zich tegen ons keert, om vervolgens met een donderslag ons uit de illusies te bevrijden. En als deze wilde wind het oude zelf van de tafel blaast en we de ogen naar de hemel richten dan blijkt de storm allang te zijn verdwenen en schijnt het heldere licht van zazen op ons.

Kôdô Sawaki Rôshi kwam in 1880 ter wereld in de Shinto wijk van de stad Tsu (prefectuur Mie) en was het zesde kind van Tada Sotaro (met uitzondering van twee oudere zussen en een oudere broer stierven zijn andere broer en zus al als kind). Zijn geboortenaam was Saikichi en er wordt beweerd dat hij als kind al rebels was. Toen hij vier jaar oud was, stierf plots zijn moeder Shige en toen hij zeven was zijn vader. Eerst ging hij bij een tante wonen maar toen haar man een half jaar later stierf werd hij door een bevriende handelaar in lampions geadopteerd – die echter alleen op papier in lampions handelde, in werkelijkheid verdiende hij zijn geld met gokken. Zijn naam was Bunkichi Sawaki en hij leefde in de Isshinden wijk van de stad.

Dit was een wijk vol met bordelen waar in de zijstraten de eigenaren van de kermistenten klanten wierven om te komen gokken en waar bedriegers en zakkenrollers vrij hun gang konden gaan. Hier huisde het uitschot van de maatschappij. Sawaki Rôshi was acht toen hij hier naar school ging en toen werkte hij al als uitkijkjongen bij de gokspelen of paste op de schoenen bij de ingang. Toen hij twaalf jaar was en de basisschool afgesloten had, hielp hij mee in de lampionbusiness en verzorgde zo zijn stiefouders, die zelf praktisch nooit werkten.

Op een dag zag hij hoe een man van in de vijftig – die zich een prostituee gekocht had die zijn kleinkind kon zijn – plotseling stierf in een bordeel om de hoek. Ineens drong de vergankelijkheid van de wereld tot hem door en ontbloeide in zijn geest de wens de weg van boeddha te gaan volgen.

In dezelfde wijk, direct ernaast woonde de familie Morita. Alhoewel zij in eenvoud leefden, hadden ze gestudeerd en genoten een te zeggen zuivere levenswandel. Sawaki Rôshi ging vaak op bezoek bij de oudste zoon Chiaki die hem de standaardwerken van oude Chinese en Japanse geschiedenis en filosofie leerde. Zo vernam hij dat er meer in de wereld was dan alleen rang en stand, geld of zinnelijke genoegens. Aldus lagen de wortels van de zoektocht naar de Weg van Sawaki Rôshi in huize Moritas.

Maar de tegenstelling tussen Sawaki’s geest die naar de weg zocht en de realiteit van het dagelijkse leven dreef hem uiteindelijk ertoe met 15 jaar van huis weg te lopen, daar hij geen andere uitweg meer zag. Hij logeerde bij een vriend in Osaka, maar werd al snel terug naar huis gebracht. Het jaar erop lukte de vlucht hem wel. Met slechts een Odawara lampion, 3 kilo rauwe rijst en 27 Sen munten op zak ging te voet hij op weg naar Eiheiji. Vier dagen en nachten duurde de reis naar Eiheiji dat in de prefectuur Fukui lag en Sawaki voedde zich door te kauwen op de rauwe rijst en tuinbonen die hij gekocht had. In Eiheiji echter was hij niet welkom als monnik. “Ga terug naar huis” luidde de verwelkoming aldaar. Maar Sawaki bleef vastbesloten twee dagen lang zonder enig eten of drinken verzoeken om toegelaten te worden en werd tenslotte als handlanger in de werkplaats opgenomen. Een groter geluk had hem niet kunnen overkomen.

Tijdens de Obon tijd, midden in de zomer, hielp hij uit in Ryuunji, een tempel van een leidende priester van Eiheiji. En toen hij aan het eind van de dag klaar was met zijn werk en vrij kreeg, besloot hij in een achterkamer in zazen te gaan zitten. Plots opende de schuifdeuren zich en de oude vrouw – die hem altijd als een loopjongen behandelde – kwam binnen om het servies op te ruimen. Ze was volkomen verrast door de jonge Sawaki die daar in zazen zat en boog zich diep voor hem als ware hij Boeddha persoonlijk. Zo zag de latere Sawaki Rôshi voor het eerst de verheven waarde van zazen en besloot de rest van zijn leven aan zazen te wijden.

En inderdaad mag men concluderen dat het leven van Sawaki louter eruit bestond zazen te beoefenen. Alles wat hij nadien ondernam, baseerde zich op het diepe geloof in zazen.

Via enkele omwegen ging uiteindelijk de wens in vervulling om monnik te worden en werd hij door Sawaki Koho, de abt van Soshinji in het verre Kyushu geordineerd. Toen hij zeventien was kreeg hij de naam “Kodo”- op 8 december, de dag dat Boeddha verlichting bereikte. Met 19 jaar trad hij toe als unsui  (pelgrimerende zenmonnik) in Entsuji in Tanba, waar hij aan een ordinatie ceremonie voor leken deelnam en in contact kwam met Fueoka Ryoun Roshi, een leerling van Nishiari Bokusan Zenji. Fueoka had een hoge pet op van Sawaki en ook Sawaki voelde zich aangetrokken tot de zuivere aard van Fueoka Roshi en volgde hem. Eerst in zijn tempel Hosenji in Kyoto en daarna in de tempel Hosenji in Kakegawa (beiden worden hetzelfde uitgesproken, zijn echter met verschillende schrifttekens geschreven) totdat hij met twintig opgeroepen werd voor het leger. In deze korte jaren was hem de Gakudoyojinshu, de Eiheishingi en de Zazenyojinki-funogo van mond tot mond geleerd en zo werd het geloof in shikantaza de basis voor Sawaki’s verdere leven.

In februari 1900 trad hij in dienst en drie later, net voordat zijn diensttijd afliep, brak de oorlog uit tussen Japan en Rusland en werd hij opgeroepen. Hij liep een verwonding op, die hem bijna zijn leven koste en werd daardoor enige tijd uit de vuurlinie gehaald, moest echter na rehabilitatie weer terug aan het front waar hij tot aan het eind van de oorlog in 1906 vocht.

In datzelfde jaar ging hij in zijn woonplaats naar de hogeschool voor boeddhistische studies, dat onderdeel uitmaakte van de Takada richting van de Jodo-Shin school en in de Isshinden wijk lag. Het daaropvolgende jaar ging hij naar het Horyuji college waar hij dag en nacht Yogacara filosofie studeerde onder de abt Saeki Join Sojo. Hier ontmoette hij een non die de naaikunst Nyoho-e (een monnikgewaad dat conform de leer vervaardigd wordt) naar de wijze van Jiun Sonjas beheerste. Dit was voor Sawaki Roshi aanleiding om zich in de Nyoho-e te verdiepen.

Nadat hij zich in de boeddhistische leer verdiept had, verliet hij het boeddhistische college en betrok in december 1912 als tanto (monnikkenhoofd) de tempel Yosenji in de stad Matsusaka. Hier begon hij aan een diepgaande studie van de leer van de Soto school onder Oka Sotan Roshi, die de eerste leerling van Nishiari Bokusan Zenji was. Toen hij 34 was trok hij zich voor meer dan twee jaar terug in de Jofukuji tempel in Ikaruga, om zich met lichaam en geest volledig aan zazen te wijden.

In 1916, hij was toen 36, werd hij door Oka Sotan Roshi aangesteld als leraar voor de monikken in Daijiji in Higo. Eindelijk trof hij lotgenoten die dezelfde weg als hem wilde bewandelden. Hier ontwikkelde en verfijnde hij zijn eigen stijl, zen te leren. Aanleiding hiervoor was de ontmoeting met de brutale vijfdejaars gymnasiasten uit Kumamoto, die de klerikale laklaag van hem afkrabden en hem dwongen zijn religie met een frisse en levendige blik uit te dragen.

Na de dood van Oka Roshi in 1922 verliet Sawaki Roshi de Daijiji tempel en betrok een huurwoning waar hij een dojo inrichtte en deze Daitetsudo (Hal der grote vervulling) noemde. Een half jaar later echter ging hij op de Mannichi berg wonen in Kumamoto. Hier kwam hij met persoonlijkheden uit de Japanse krijgskunst in aanraking. Dertien jaar lang, tot aan zijn 55ste leefde hij hier alleen en begon van hieruit naar alle delen van Japan te reizen om zazen en voordrachten te geven waar hij ook maar gevraagd werd. Zo verbreidde hij de praktijk van shikantaza (alleen-zitten) in de wereld.

In april 1935 werd hij gevraagd als professor aan de Komazawa universiteit en in december van datzelfde jaar ook als godo (een van de leidende priesters) in Sojiji, een van de twee hoofdtempels van de Sotoschool. Sawaki was niet te stoppen in zijn activiteiten en sloeg daarbij geen acht op zijn gezondheid. Niet alleen was hij werkzaam op de universiteit en in Sojiji, maar ook organiseerde hij nieuwe zazenbijeenkomsten in geheel Japan, naast de reeds bestaande bijeenkomsten die hij gaf. Hij was daardoor constant onderweg. Hij deed er alles aan om ons zoekenden de weg te laten vinden en zijn eigen weg te laten zien, om met ons te zitten en ons op deze manier met iedere ademteug opnieuw de oefening van shikantaza bij te brengen.

Sawaki Roshi was altijd daar te vinden waar hij zich geheel aan oefening wijden kon. Elke dag, ieder afzonderlijk ogenblik leefde hij het leven opnieuw - en gaf het meest mogelijke van hemzelf. Tijdens sesshins (intensieve zazen-oefeningsweken) was hij in de ochtend de eerste die op het kussen zat en zijn aanwezigheid was tot diep in de nacht zo intens voelbaar dat het de deelnemers angst en huivering kon bezorgen. De sfeer was altijd gespannen en soms was het zo alsof een heftige donderslag de tempel op zijn grondvesten deed schudden.

In 1940 opende hij een zen-dojo in Daichuji in de prefectuur Tochigi en ook bleef hij zen bijeenkomsten in geheel Japan organiseren. In 1946 werd hij tot abt benoemd van het klooster Daitoin in Shizuoka en tevens tot hoofd van het nonnenklooster Myozetsuan in Kyoto. Desalniettemin heeft hij nooit in zijn eigen tempel gewoond, was nooit getrouwd en heeft nooit een organisatie opgericht. Samen met zijn leerlingen was Sawaki Roshi steeds onderweg, daarom werd zijn sangha de “pelgrimerende sangha” genoemd. Zijn hele leven was als een droom in zazen: Zonder betekenis, zonder gewin – uitsluitend gewijd aan deze vorm van zazen. In die tijd was zelfs onder de boeddhisten “zen” niet veel meer dan de koan-zen van de Rinzai school, waar het in het zitten uitsluitend ging om het bereiken van “satori”. Sawaki Roshi was diegene die de zuivere zazen in de stijl van shikantaza nieuw leven inblies,

Sawaki Roshi’s weg was steeds naar voren gericht, echter in 1963 had hij geen kracht meer over in zijn benen en moest hij het reizen opgeven. Hij trok zich terug in Antaiji in Kyoto, waar hij de regelmatige zenbijeenkomsten voortzette.

“Wat hebben we vandaag mooi weer! Waar hebben we dit aan verdiend, zonder er ook maar een cent voor betaald te hebben?”

“Waar heb ik het aan verdiend, zo gelukkig te mogen zijn? Dit geluk moet gedeeld worden met alle andere mensen!”

Nadat hij zich teruggetrokken had van zijn verplichtingen, kreeg hij eindelijk de tijd voor zulk stil gebed. Op 21 december 1965, hij was toen 85 stierf hij in Antaiji, temidden van zijn volgelingen.

De verschijning van Sawaki Roshi was die van een zenmeester, zoals wij ons dat voorstellen. Zijn charisma, zijn houding in het dagelijkse leven, het zichzelf wegcijferen en zich ten dienste stellen van de anderen – dat alles liet een diepe indruk na op diegenen die het geluk hadden hem persoonlijk te mogen ontmoeten. Je had het gevoel dat zijn ogen uitsluitend op jou gericht waren en zijn hart alleen maar jou toebehoorde. Uchiyama Roshi noemde hem daarom altijd de “gigant die open stond naar alle richtingen”. Anderzijds werd gezegd dat in Sawaki Roshi een onopgevoede bengel huisde wiens illusies groter waren dan iedere, andere doorsneeburger. Dat moet ook de reden geweest zijn dat hij zo streng was voor zichzelf en voor anderen en kenmerkend voor de onstuimige dynamiek in zijn leven: De ogen van de brutale vlegel in Sawaki Roshi’s hart hebben de illusies van ons kleingeestige doorsneeburgers allang doorzien. Sawaki moet deze vlegel in zich gekoesterd hebben. En altijd als hij deze kleine Saikichi in zich liefdevol de weg wees, reikte hij tevens ons de reddende hand.

Tegelijkertijd echter opent Sawaki Roshi de waarheid in zich. Zijn woorden, die altijd een uitdrukking zijn van zijn zoektocht naar de Weg zijn steeds in beweging alsof ze het middelpunt van de aarde willen bereiken. We moeten deze woorden zowel in ons hart als in ons hele lichaam opnemen – en in ons leven laten weerklinken. En als we op deze manier de akker van ons leven omploegen komen we uiteindelijk op het punt dat deze woorden de waarheid in onszelf opent en tot bloei brengt.

Sommigen zullen misschien vinden dat Sawaki Roshi altijd hetzelfde zegt – en hebben zich al ‘zat’ gelezen. Maar dat komt omdat deze uitspraken als een moderne soetra zijn. Zo als ook de oude soetra’s vol van herhalingen zijn, zo prediken ook de bergen en rivieren, het gras en de bomen dagelijks opnieuw eeuwig dezelfde soetra. En daarom moeten we iedere uitspraak van Sawaki Roshi zo lezen alsof we onszelf voor de allereerste keer ontmoeten. Als we dezelfde woorden van de waarheid in verschillende vormen telkens weer opnieuw tegenkomen, zal daardoor vroeger of later – zonder dat we het überhaupt in de gaten hebben – iets in ons wakker worden.

De woorden van Sawaki Roshi ontspringen uit de beoefening van zazen. Ze zijn het vlees en bloed van zazen. Sawaki Roshi heeft deze woorden niet alleen gepredikt – hij heeft ze geleefd. Zijn leven begon met “za” en eindigde met “zen”. Zijn woorden geven ons de kracht onze illusies te doorzitten. Ze brengen ons tot zazen. Zo als ook voor Sawaki Roshi zazen er steeds was – als de kracht in zijn leven, als zijn wens en gelofte, als eenvoudigweg de reden van zijn bestaan.

Het boek “Aan jou” (het Japanse origineel “Zen ni kike” is in 1987 verschenen) bevat de notities van Uchiyama Roshi die hij maakte tijdens het mondelinge onderricht en aanwijzingen van zijn meester Sawaki Roshi. Dit tweede deel, “Zen ist die größte Lüge aller Zeiten” bevat spreuken uit het totale oeuvre die ik opgeschreven heb, omdat ze in mijn hart zijn blijven steken. In dit boek heb ik ze zodanig geordend dat ze op een verklarende manier met elkaar communiceren en zich wederzijds belichten. Soms heb ik ze waar nodig enigszins aangevuld of heb ik passages die gescheiden van elkaar waren bij elkaar gezet. Uitdrukkingen die tegenwoordig als discriminerend gezien kunnen worden, heb ik veranderd. Natuurlijk is de rijkdom van Sawaki Roshi’s woorden nog veel groter, doch ik ben van mening dat met dit boek in iedere afzonderlijk citaat Sawaki Roshi’s geest huist.

Sawaki Roshi heeft zelf nooit een boek geschreven. Deze compilatie is mogelijk gemaakt door de inzet van vele mensen, die zijn voordrachten gestenografeerd en opgeschreven hebben alsook diegenen die ze hebben geëditeerd en uitgebracht. Daarnaast wil ik mijn meester Uchiyama Kosho Roshi, Sakai Tokugen Roshi en de heer Tanake Yoneki danken voor hun werk.

Ik hoop dat dit boek een aanleiding mag zijn over het eigen leven na te denken en misschien zelfs tot zitten motiveert. Als dat zo moge zijn, dan zal niemand zich er zo over verheugen als Sawaki Roshi zelf. Als u uw leven in zazen leeft, dan leeft Sawaki Roshi met u.

 

Copyright Antaiji

 

 

Terug naar Kodo Sawaki