Wat je over de zen-oefening ...

Dogen Zenji - GAKUDÔYÔJINSHÛ

6. Wat je over de zen-oefening dient te weten

De beoefening van zen en het onderzoek naar de Weg is de ene grote kwestie in jouw leven. Ga daar niet laks en onverschillig mee om. In oude tijden hakte de een zijn arm en de ander zijn vingers af (1). Dat zijn grootste voorbeelden uit het oude China. Door af te zien van zijn paleis en rijkdom liet Boeddha ons het voorbeeld na hoe de Weg beoefend dient te worden.
Tegenwoordig zeggen de mensen dat we dat moeten oefenen wat eenvoudig te oefenen is. Niets is minder waar, het wijkt geheel van de boeddhaweg af. Als je de oefening op één punt richt, zal zelfs het liggen je nog veel moeite kosten. Als één ding je veel moeite kost, zullen alle dingen je veel moeite kosten. Het spreekt voor zich dat iemand die het zich graag gemakkelijk maakt, niet geschikt is voor de Weg. De leer die heden ten dage circuleert is dezelfde waartoe de grootmeester Shakyamuni gekomen is na ontelbare eonen van moeizame en pijnvolle oefening. Als het al aan de bron zo was, waarom zou het dan stroomafwaarts gemakkelijker worden?
Wie zich tot de Weg gericht heeft, moet niet uit zijn op een makkelijke oefening. Als je zoekt naar een comfortabele oefening, zul je onder geen enkele omstandigheid veld winnen, nooit zul je de schatkamer binnendringen. In oude tijden zeiden zelfs diegene die grote krachten bezaten, dat de oefening moeilijk is. Weet, dat de boeddhaweg groots en diep is. Als de boeddhaweg gemakkelijk te beoefenen was, waarom spraken dan de grote talenten van weleer over zware oefening en moeizaam begrip?
Als we de mensen van vandaag vergelijken met die van vroeger, kunnen ze nog niet eens op tegen één haar van negen koeien. Zelfs als ze met hun geringe begaafdheid en klein verstand al hun krachten bundelen in een zware en intensieve oefening, dan nog komt dit niet eens in de buurt van de lichte oefening en het eenvoudige inzicht van de mensen van weleer.
Wat is dat überhaupt voor een leer – die gemakkelijk te beoefenen en eenvoudig te begrijpen is, waar de mensen heden ten dage van uit gaan? Het is noch de leer van de wereld, noch de leer van Boeddha. Het lijkt nog niet eens op de oefeningen van de Papiya-demonen, heidenen en Hinayanaboeddhisten. We kunnen deze slechts bestempelen als hersenspinsels van verdwaalde mensen. Ondanks dat ze naar een uitweg zoeken, verstrengelen ze zich alleen nog maar meer in eindeloze wirwar.
Zie, om je botten te breken en het merg eruit te schrapen is zo moeilijk niet – het moeilijkst is de geest in harmonie te brengen. En ook om ascetische oefeningen bij slechts één dagelijkse maaltijd voor langere tijd te continueren is niet moeilijk – het moeilijkst is harmonie in het handelen van het lichaam te scheppen.
Als je denkt dat het een nobele zaak is je botten te vermalen – sinds oudsher zijn er velen die dit op zich genomen hebben, maar slechts weinigen hebben de Leer gevonden. Als je denkt dat het een nobele zaak is slechts één maaltijd dagelijks te nuttigen – velen hebben dit sinds de oudheid gedaan, echter slechts weinigen zijn tot Weg ontwaakt. En wel daarom omdat het zo moeilijk is de geest in harmonie te brengen. Scherp verstand komt niet op de eerste plaats, noch dat wat je geleerd en begrepen hebt, noch de geest, wil en bewustzijn, noch aandacht, denken en contemplatie. Door lichaam en geest te harmoniseren, betreed je de Boeddhaweg zonder je van een dezer te bedienen.

De oude Shakyamuni zegt: “ Avalokiteshvara keert de stroom om en stijgt uit boven kennenden en het gekende.”
Precies daarom gaat het hier. Beweging en stilte zijn volledig opgelost – dat is harmonie. Als er iemand de Boeddhaweg zou kunnen bewandelen door middel van scherp verstand en moeizaam weten, dan was het wel de monnik Jinshû (Chin. Shenxiu) geweest. Als iemand van lage komaf en bedeesd uiterlijk uitgesloten zou worden van de Boeddhaweg, hoe had dan uitgerekend Enô (Chin. Huineng) (2) de zesde patriarch kunnen worden?
De gave de boeddhaweg over te dragen heeft niets van doen met scherp verstand en moeizaam weten. Dat is hier wel duidelijk geworden. Diep je vragen nog verder uit en doorgrond deze door je blik naar binnen te richten!
Noch de ouderen, noch de jongeren zijn van de leer uitgesloten. Jôshû (Chin. Zhaozhou) (3) was over de zestig toen hij met oefenen begon en toch heeft hij een heldenplek onder de patriarchen verworven. Juffrouw Zheng (4) had al met twaalf jaar oud een lange studie achter zich, ze steeg boven de monnikengemeenschap uit. De verheven verschijning van de boeddhaleer is afhankelijk van onze inzet en onze oefening.
Wie de soetra’s lang bestudeerd heeft of wie een oude autoriteit in de geschriften van de wereld is, zou aan de deur van zen moeten kloppen. Daar zijn vele voorbeelden van: Nangaku Eshi (5) bezat veel bekwaamheden, toch oefende hij met Bodhidharma. Yôka Gengaku (6) was hoogst begaafd, toch oefende hij met Daikan (7).
Het is de oefening met een meester die ons de kracht geeft de Leer te doorgronden en de Weg te bereiken. Als je met een leermeester oefent en van hem leert, mag je de leer die je van je meester hoort, niet mengen met je eigen inzichten. Als je je eigen inzichten toevoegt, kom je niet tot de leer van je meester. Als je met een meester oefent en de leer hoort, reinig jezelf dan in lichaam en geest en neem de leer van je meester aan met heldere ogen en oren. Laat alle andere gedachten varen. Eén zijn met lichaam en geest is als een vat waar water in geschonken wordt. Als je daarin slaagt, zul je de leer van jouw meester verwerven.
Dwaze tijdgenoten proberen de leer van de meester te vergelijken met alle boeken die ze van buiten kennen en met hun zogenaamde verworven kennis. Op deze manier blijven ze hangen in eigen inzichten en oude spreuken, zonder de woorden van hun meester gewaar te worden. Enkelen onder hen beroepen zich op eigen inzichten als ze de soetra’s openslaan en een of twee citaten van buiten kennen en denken zo de boeddhaleer te kunnen verklaren. Als ze dan later onder een slimme leermeester oefenen en de leer vernemen, verklaren ze dat wat klopt overeenkomstig hun eigen inzichten en ontkennen het als het niet met hun oude inzichten overeenkomt. Zij weten niet hoe ze zich van hun waan kunnen bevrijden – hoe zouden ze ooit kunnen vorderen op de weg die terug naar de Waarheid leidt? Zelfs na eonen, talrijk als stof- en zandkorrels blijven ze nog steeds steken in verwarring.
Zeer betreurenswaardig, wie zou dat niet betreuren!
Beoefenaar van de Weg, weet dat de boeddhaweg uitstijgt boven gedachte, uitstijgt boven onderscheid, berekening, waarneming, inzicht en begrip. Als de Weg binnen deze bereiken lag, hoe is dan mogelijk dat je nog steeds niet tot de boeddhaweg ontwaakt bent, terwijl je je leven lang hierop beroept en er vrij gebruik van maakt? Je mag de weg niet leren door middel van nadenken en onderscheid maken. Onderzoek je eigen lichaam – dat voortdurend bezaaid is met gedachten, onderscheid maken en dergelijke - en het zal je zo helder verschijnen als in een spiegel.
De ingang van de poort is daar waar een meester is die de ware Leer gevonden heeft, nooit zou een leermeester der geschriften deze kunnen openbaren.

Geschreven in het jaar 1234, vijftien dagen na de lente dag-en-nachtevening.

(1) Dôgen Zenji refereert hier aan de ontmoeting tussen Bodhidharma en de tweede patriarch die zijn arm afhakte om hem van zijn ernst te overtuigen. Twee vingers daarentegen sneed zich Kyôzan Ejaku (Chin. Yangshan Huji, 807-833) af, daar hij niet de toestemming van zijn ouders kreeg om monnik te worden. Uiteindelijk gaven ze het plan op om hem een dame te laten huwen en lieten hem zijn weg gaan. Een vinger verloor ook een leerling van de meester Gutei. Gutei stond erom bekend dat hij elke vraag met het heffen van een vinger beantwoordde. Toen de leerling op een dag de vraag van een bezoeker op dezelfde manier beantwoordde, liet zijn meester hem de vinger afhakken. De leerling keerde zich in zijn pijn van de meester af, die daarop zijn naam riep. Toen hij zich omdraaide hief de meester zijn vinger. De leerling raakte verlicht.

(2) Jinshû (606-706) en Enô (638-713) waren twee leerlingen van de vijfde patriarch Daiman Kônin (Chin. Daman Hongren). Jinshû was de eerste onder de monniken, niet alleen had hij de meeste ervaring, maar ook had hij een hoge opleiding genoten. Over Enô werd daarentegen verteld dat hij niet lezen of schrijven kon. Hij werkte nog niet eens een jaar in de kloostergemeenschap als knecht, toen de abt Kônin de monniken opdroeg, hun inzicht in de leer in een gedicht te verwoorden. Jinshû dichtte: “Het lichaam is de Bodhiboom, de geest een heldere spiegel. We mogen nooit nalaten deze te poetsen, zodat zich geen stofkorrels erop kunnen verzamelen.” Enô liet dit gedicht door een monnik voorlezen en droeg vervolgens zijn eigen versie voor, met het verzoek deze op te schrijven. Het luidde: “Er zijn noch bodhiboom, noch heldere spiegel. Daar oorspronkelijk geen enkel ding bestaat, waar zou zich dan het stof kunnen verzamelen?” De legende vertelt, dat de vijfde patriarch de nacht daarop Enô tot zich riep en hem tot zijn opvolger benoemde en hem zijn gewaad toevertrouwde.

(3) Chin. Zhaozhou, 778-895. Jôshû was een leerling van Nansen, van wie de kôan van de kat overgeleverd is: Op een dag streden de monniken van de oosthal met de monniken van de westhal om een kat. Nansen greep het beest en dreigde het te doden als de monniken hem niet de essentie van de boeddhaleer in een zin verklaarden. Toen de gemeenschap zweeg, doodde Nansen de kat. Later kwam Jôshû terug in het klooster van een bedelgang en toen Nansen hem vroeg hoe hij geantwoord zou hebben, legde hij zijn strosandalen op zijn hoofd en liep verder. Nansen zei toen: “Jij had de kat kunnen redden”. Nansen stierf echter al in het jaar 834 toen Jôshû zesenvijftig was. Dôgen vergist zich, als hij zegt dat Jôshû pas met zestig monnik werd. De legende verhaalt dat Jôshû al op jeugdige leeftijd leerling werd van Nansen en veertig jaar lang bij hem oefende. Toen hij zestig werd, begon hij aan een twintig jaar lange pelgrimstocht, de laatste veertig jaar van zijn leven werkte hij als abt in een klooster. Mogelijkerwijze doelt Dôgen hier op de pelgrimstocht van Jôshû en niet op het begin van zijn monniksoefening.

(4) Bedoeld wordt de dochter uit het huis Zheng (Jap. Tei), die in de leeftijd van twaalf jaar het klooster van Isan Reiyû (Chin. Guishan Lingzou, 771-853) bezocht en later door diens navolger de bevestiging ontving van de Dharma overdracht.

(5) Chin. Nanyue Huisi, 515-577, de tweede patriarch van de Chinese Tendaischool.

(6) Chin. Yongjia Xuanjue (665-713). Beroemde Tendaifilosoof en schrijver van de Shôdôka, dat begint met de woorden: “Zie je niet de nietsdoener die al het geleerde vergeet en gewoon niets doet? Hij zoekt niet naar de waarheid en probeert zich ook niet te ontdoen van illusie.”

(7) Chin. Dajian (Huineng), de zesde patriarch Daikan Enô.

 

7. Wie de Leer van Boeddha wil oefenen en een uitweg zoekt, moet zen beoefenen

Copyright Antaiji