Wie de leer van Boeddha ...

Dogen Zenji - GAKUDÔYÔJINSHÛ

7. Wie de Leer van Boeddha wil oefenen en een uitweg zoekt, moet zen beoefenen

De leer van Boeddha stijgt boven alle wegen uit, daarom zijn de mensen er steeds naar op zoek. Toen Boeddha nog in deze wereld verwijlde, was er geen tweede leer of een tweede meester. Grootmeester Shakyamuni ontfermde zich alleen over alle lijdende wezens door zijn onovertroffen ontwaken. Na de overdracht van het Oog van de ware Leer aan Mahakashyapa gaven de achtentwintig generaties in India en de zes generaties in China, alsmede alle patriarchen in de vijf huizen de overdracht door, zonder dat deze lijn ooit verbroken werd. Sinds het Putongtijdperk van Liang (1) was er – van monniken tot ministers en koningen – onder diegenen die boven de menigte uitstegen, niemand die zich niet tot de leer van Boeddha bekeerd had. Wie echt in staat is het allesomvattende lief te hebben, zal het allesomvattende ook liefhebben. Maar deze liefde moet anders zijn dan de liefde van Yegong voor de draak. (2)
De woorden van de leer bedekken alle bergen en oceanen van de landen ten oosten van China als een web. Zelfs al worden alle bergen bedekt, dan nog ontbreken de wolken van de geest en laten ze het hart van de golven der oceanen uitdrogen. Dwaze schepselen verheugen zich erover, zoals iemand die aan een visoog hangt, denkend dat het een parel is. Verdwaalde mensen spelen ermee, zoals iemand die stenen verzamelt op de Yanberg (3) en deze voor edelstenen aanziet. Velen geraken in de valkuil van illusie en niet zelden kost hun dat hun leven.
Hoe betreurenswaardig is het dat in dit afgelegen land snel een verkeerde wind waait terwijl de ware Leer nauwelijks doordringt. Heel China heeft zich tot de ware boeddhaleer bekeerd, terwijl in ons land en in Korea de leer van Boeddha nog lang niet doorgedrongen is.
Waarom toch, waarom? In Korea heeft men tenminste nog vernomen van de naam van de ware Leer, maar in ons land heeft men zelfs daarvan nog niet eens gehoord.
Dat komt omdat de meesters die in het verleden, in de Tangdynastie (4), reisden, allen verstrikt zijn geraakt in het web van de schriftelijke leer. Ook al droegen ze de boeddhistische geschriften over, de leer van Boeddha zelf vergaten ze volledig. Waar was dat goed voor? Hun inzet was uiteindelijk nutteloos. En wel omdat ze de sleutel tot de leer niet bezaten.
Hoe betreurenswaardig is hun levenslange vergeefse moeite! (5)
Als je voor het eerst door de poort schrijdt om de boeddhaweg te leren, luister dan naar de woorden van je mentor en oefen deze leer dienovereenkomstig. Let hierbij op het volgende: De leer mangelt mij en ik mangel de leer. Als ik de leer mangel, ben ik sterk en is de leer zwak. Als daarentegen de leer mij mangelt, is de leer sterk en ben ik zwak. Oorspronkelijk zijn beide aspecten in de boeddhaleer verweven, maar wie niet een echte erfgenaam is, weet daarvan niets. Wie niet de opgelapte monnikspij draagt, zal er bijna nooit van gehoord hebben. Als je deze sleutel niet kent, hoe kun je je dan aan de leer wijden, hoe kun je weten wat goed en slecht is?
Doch wie nu de weg leert door zen te beoefenen, krijgt vanzelf de sleutel doorgegeven en zal zo niet verdwalen. In andere scholen is dat niet zo. Wie naar de boeddhaweg zoekt, zal de ware weg alleen vinden door zen te beoefenen.

(1) Volgens de legende kwam Bodhidharma in het jaar 520 naar China, dat in het Putong (Jap. Futsû) tijdperk valt. Liang (Jap. Ryô) is de naam van de keizer, met wie Bodhidharma zijn eerste onderhoud in China had.

(2) Hier wordt weer de anekdote bedoeld waar Dôgen Zenji ook op het eind van de Fukanzazengi aan refereert: Yegong (Jap. Sekkô) schilderde graag draken, maar schrok zich dood, toen hij een echte draak tegenkwam.

(3) Jap. En. In de verzamelde geschriften van Hanzu wordt verteld dat de stenen van deze berg op het eerste oog op edelstenen lijken, maar niet meer waarde bezitten dan vissenogen.

(4) China in de jaren 618-907

(5) Hier bekritiseert Dôgen Zenji de patriarchen Saichô en Kûkai van de Japanse Tendai en Shingon school, waar zich in de tijd van Dôgen de meeste boeddhisten op beriepen. Dôgen zelf had voor zijn reis naar China het Tendaiboeddhisme bestudeert.

 

8. Over de taak van een zenmonnik

Copyright Antaiji