GENJÔKÔAN

Verwerkelijking van de openbare diepte

Inleiding (door Muhô):

Naar verluid had Dôgen in zijn jeugd grote twijfel over de zin van de boeddhistische oefening. De Tendai-school waar Dôgen als kind al monnik was, leert dat het gehele universum de manifestatie van de verlichting van Boeddha is. Niemand van ons, hoe onbeduidend ook, verschilt van Boeddha.

We kunnen begrijpen dat de jonge Dôgen zich afvroeg: Waarom dan nog monnik worden? Waarom oefenen? Waarom de soetra’s bestuderen?

Deze twijfel was reeds zichtbaar in de eerste drie zinnen van de Fukanzazengi: ‘Het voertuig van de Leer beweegt zich vrij en als vanzelf, wat is dan de zin van ons ijverig oefenen? In het gehele universum is geen enkele stofkorrel te bekennen, hoe kunnen we dan ooit proberen onszelf door oefening te reinigen? De plek waar we ons nu bevinden is onafgescheiden, waarheen moeten we de voeten van onze oefening richten?’

In Japan kon niemand deze vragen voor Dôgen beantwoorden. Pas in China loste Dôgens twijfel zich op. In de Fukanzazengi verwoordt hij zijn inzicht in de vorm van zazen. In de Gejôkôan, dat hij vijf jaar later schrijft, gebruikt hij het woord ‘zazen’ helemaal niet. Oefening is voor Dôgen als het waaien met een waaier: De ‘lucht’ of Boeddhanatuur heeft ieder van ons reeds in zich maar alleen door het ‘waaien’ in de oefening manifesteert deze zich ook als de ‘wind’ van ons leven. Wie probeert zonder oefening de Leer te begrijpen is als iemand die hoopt dat door het nadenken over de aard van de lucht vanzelf een frisse bries ontstaat.

Belangrijk is ook de dynamische relatie tussen het ontwaken van een boeddha en de verwarring waar wij gewone mensen ons in bevinden. Een boeddha ontwaakt niet uit de verwarring, hij ontwaakt tot de verwarring. Boeddha is diegene en alleen diegene die zich duidelijk in zijn eigen verwarring herkent. Omgekeerd is hij die naar verlichting buiten de verwarring zoekt, die wellicht denkt reeds ontwaakt te zijn, de daadwerkelijk verdwaalde. Daarom is het volgens Dôgen ook niet de boeddha die zich als een boeddha ziet: ‘Als alle boeddha’s werkelijk boeddha’s zijn, beseffen ze niet dat ze boeddha’s zijn.’ Omgekeerd wordt er later in de tekst gezegd: ‘Als de Leer lichaam en geest geheel vervult, dan merk je dat er nog iets ontbreekt.’ Een oude Japanse Haiku lost deze schijnbare tegenstelling op:  

De schaduw van de pijnboom

Hoe donkerder, hoe lichter

De maan schijnt

‘Belichamen’ is Dôgens uitdrukking voor de eenheid van oefening en ontwaken. Het is bijna vergelijkbaar met als een experiment uit de natuurwetenschap waar een theorie noch bevestigd, noch tegengesproken kan worden. Zouden we kunnen zeggen dat we door onze oefening in leven en dood de werkelijkheid belichamen? Nee, zou Dôgen zeggen, we moeten zelfs nog verder gaan. Niet wij zijn het, die zoals de natuurwetenschappers de werkelijkheid belichamen maar omgekeerd belichaamt de werkelijkheid ons: ‘Zelf naar voren treden om de tienduizend dingen te belichamen is verwarring. Dat de tienduizend dingen naar voren treden en ons zelf oefenend belichamen is ontwaken.’

Vanuit de meest uiteenlopende zichtswijzen onderzoekt Dôgen in dit hoofdstuk de relatie tussen verwarring en ontwaken, leven en dood, boeddha’s en lijdende wezens. Daarbij gebruikt hij geen moeilijke vaktermen maar grijpt terug op de metafoor van de boot op de zee om ons uit te nodigen tot een ander inzicht in het leven te komen. Hij spreekt over de maan in een waterdruppel om te verduidelijken waarom we reeds boeddha’s zijn zonder dat we er ooit mee ophouden lijdende wezens te zijn. Vuur, hout en as geven een levendig beeld van leven en sterven in dit ogenblik en de vis en de vogel laten zien hoe men één met zichzelf en de wereld leeft. Bij elk beeld gaat het om ons zelf, de wereld waarin we leven en sterven en de manier waarop we in en met deze wereld leven en sterven.

De volgende zinnen zijn wellicht de meest bekende onder de vele, belangrijke passages in dit hoofdstuk:

‘De Boeddhaweg doorgronden is zichzelf doorgronden. Zichzelf doorgronden is zichzelf vergeten. Zichzelf vergeten is belichaamd worden door de tienduizend dingen.’

Het thema van het boeddhisme is ieder van ons afzonderlijk en verder niets. Maar als we het boeddhisme in praktijk willen brengen moeten we geheel van ons zelf af kunnen zien, geheel ons zelf loslaten. Dan en alleen dan zullen we ons in de ontmoeting met elke gebeurtenis in deze wereld kunnen herkennen, hoe schijnbaar onbeduidend die gebeurtenis ook mag zijn.”

‘Hier verwerkelijkt zich het openbare geheim’, schrijft Dôgen in de Fukanzazengi en meent daarmee precies dat: Genjôkôan. In dit hoofdstuk vertaald als Verwerkelijking van de openbare diepte. Dat wat zo dicht bij ieder van ons is dat hij of zij het niet ziet: de eigen aard. Het gaat er niet om deze te erkennen en te begrijpen, het gaat erom deze in het dagelijkse leven te belichamen.

 

GENJÔKÔAN – verwerkelijking van de openbare diepte

Als alle dingen Boeddhaleer zijn, dan zijn er verwarring en ontwaken, oefening, leven en dood, alle boeddha's en levende wezens.
Als de tienduizend dingen zonder ik zijn, dan is er geen verwarring of ontwaken, noch boeddha’s of levende wezens, noch ontstaan of vergaan.
Omdat de weg van Boeddha ontspringt buiten overvloed en gebrek zijn er ontstaan en vergaan, verwarring en ontwaken, lijdende wezens en boeddha’s.
Maar al moge dat zo zijn, bloesem vergaat als een smachtende liefde en onkruid ontspruit tot ieders ergernis, en dat is alles.

Zelf naar voren treden om de tienduizend dingen te verlichten is verwarring. Het naar voren treden van de tienduizend dingen die het zelf oefenend verlichten, is ontwaken.
Zij die verwarring helemaal verlichten, zijn boeddha's. Zij die verlichting helemaal verwarren, zijn lijdende wezens. Er zijn mensen die verwerkelijking op verwerkelijking ervaren, en er zijn mensen die binnen de verwarring nog verder verwarren.
Als alle boeddha's werkelijk boeddha's zijn, beseffen ze niet dat zij boeddha's zijn. Niettemin zijn zij verwerkelijkte boeddha's, en blijven ze het boeddhaschap verwerkelijken.

Als men met geheel het lichaam en de geest een kleur ziet of met lichaam en geest tezamen een stem hoort, dan is dit, ook als men diepgaand begrijpt en inziet, niet zoals een spiegelbeeld in een spiegel of als de maan en het water. Als de ene zijde wordt verlicht, blijft de andere donker.

De boeddhaweg doorgronden is zichzelf doorgronden ( De boeddha weg volgen is zichzelf volgen/ De boeddha weg gaan is zelf gaan).
Zichzelf doorgronden (zichzelf volgen/ zelf gaan) is zichzelf vergeten.
Zichzelf vergeten is verlicht worden door de tienduizend dingen.
Verlicht worden door de tienduizend dingen, wil zeggen het wegvallen van zowel het eigen alsook andermans lichaam en geest.
De sporen van verlichting lossen op en deze spoorloze verlichting zet zich eindeloos voort.

Als een mens voor het eerst verlangt naar de Leer, verwijdert hij zich daarmee ver van het oord van de Leer. Zodra de Leer op de juiste manier wordt overgedragen, is hij direct een oorspronkelijk, compleet mens.
Als een mens in een boot vaart en hij zijn ogen naar de oever richt, heeft hij het mis te denken dat het de oever is die beweegt. Alleen als hij zijn blik zorgvuldig op de boot richt, herkent hij zijn eigen beweging. Zo vergist zich ook diegene, die lichaam en geest door elkaar haalt en oordelen vormt over de tienduizend dingen, en meent dat zijn geest van blijvende aard is. Maar als hij volledig betrokken is en thuiskomt op de huidige plek, zal de waarheid dat de tienduizend dingen zonder ik zijn zich openbaren.

Brandhout wordt as en kan niet opnieuw brandhout worden. Maar men moet het niet zo opvatten dat de as ‘achteraf’ en het brandhout ‘vooraf’ zij. Begrijp dat brandhout de verschijningsvorm van brandhout is waarin vooraf en achteraf vervat zijn. Ook al zijn vooraf en achteraf bestaand, toch is het bereik van vooraf en achteraf afgescheiden. Zo is ook as de verschijningsvorm van as, zowel vooraf als achteraf.
Zoals brandhout geen brandhout meer wordt nadat het as is geworden, zo keert ook de mens niet terug tot leven na te zijn gestorven. Maar in Boeddha’s onderricht zegt men niet dat leven tot sterven leidt. Daarom spreekt men van “het ongeborene”. Dat sterven niet tot leven leidt, is overeenkomstig de manier waarop Boeddha het Rad der Leer draait. Daarom spreekt men van “niet-gestorven”. Leven is een verschijningsvorm van tijd net zoals dood een verschijningsvorm van tijd is. Het is als met de winter en de lente: Niemand zegt dat de winter lente wordt en men zegt ook niet dat de lente zomer wordt.

Ontwaken is als de weerspiegeling van de maan in het water. De maan wordt niet nat, het wateroppervlak wordt niet doorbroken. Het licht is weids en groots, toch wordt het zelfs in een kleine plas water weerspiegeld. De hele maan, ja zelfs de hele hemel is zichtbaar in de dauw op het gras, zelfs in een enkele waterdruppel. De mens biedt geen weerstand aan het ontwaken, zoals ook een dauwdruppel de maan en de hemel niet tegenhoudt.
De diepte is bepalend voor de hoogte. Hoe kort of lang is de tijd? Onderzoek nauwgezet de uitgestrektheid van het water en de grenzeloosheid van hemel en maan!
Wie de Leer nog niet geheel in lichaam en geest heeft opgenomen, voelt zich wellicht al snel voldaan. Als de Leer lichaam en geest geheel vervult, is er een gevoel dat er nog iets ontbreekt.
Als bijvoorbeeld iemand ver van de bergen met een boot naar het midden van de oceaan vaart en vervolgens in alle hemelrichtingen tuurt, dan moge de oceaan hem cirkelvormig voorkomen, andere vormen zijn er niet. De oceaan echter is niet cirkelvormig noch vierkant maar bezit daarentegen onuitputtelijke verschijningsvormen. Het is als een paleis, of als een edelsteen. Alleen in onze waarneming is hij nu cirkelvormig.
Zo is het ook met de tienduizend dingen: De stoffelijke wereld en de wereld voorbij vormen verschijnen op meerdere manieren en het oog ziet en begrijpt alleen dat wat binnen de horizont van zijn leren ligt. Als je naar de aard van de tienduizend dingen vraagt, mag je niet alleen maar rond en vierkant zien, maar zul je de al overschrijdende, onbegrensde verschijningsmogelijkheden van oceanen en bergen en alle hemelrichtingen gewaar moeten worden. Weet dat dit niet alleen voor jouw verre omgeving geldt, maar ook hier direct voor je voeten en voor iedere, afzonderlijke druppel.

Een vis die in het water zwemt; hoe ver hij ook zwemt er komt geen eind aan het water. Een vogel die in de lucht vliegt; hoe ver hij ook vliegt, er komt geen eind aan de lucht. Zowel vis als vogel zijn nooit van water en lucht gescheiden geweest. Is hun behoefte groot, dan is hun veld groot. Is hun behoefte gering, dan is hun veld gering. Zo zullen ze nooit hun behoeften te boven gaan en is er geen plek waar ze hun activiteit niet volledig ontplooien. Maar verlaat de vogel het luchtruim, dan zal hij onmiddellijk sterven. Verlaat de vis het water, dan zal hij onmiddellijk sterven. Weet dat leven door het water geleefd wordt. Weet dat de hemel leven volbrengt. De vogel belichaamt het leven, de vis belichaamt het leven. En het leven belichaamt de vogel, het leven belichaamt de vis. En zo gaat het alsmaar verder. Zowel bij oefening-verwerkelijking als bij al wat leeft, zien we eenzelfde verhouding.

Zou er echter een vogel of een vis zijn die eerst het water of de hemel gaat opmeten alvorens hij erin zwemt of vliegt, dan zal hij noch de weg, noch de plek in het water of de hemel vinden.

Alhier aanbeland, aldus gehandeld is dat de verwerkelijking van het fundamentele principe. Alhier de weg gevonden, aldus gehandeld is de verwerkelijking van het fundamentele principe. Zo zij het, daar deze weg en deze plek groot noch klein is, zelf noch buiten het zelf is, niet eerder bestaand is en niet pas in dit ogenblik verschijnend.

Zo is het ook als de mens de boeddhaweg oefenend verwerkelijkt. Het bereiken van de Leer is het doordringen van de Leer. Het vinden van een activiteit is het beoefenen van een activiteit.
Hier is de plek; hier ontvouwt zich de weg.

Daarom zijn de grenzen van inzicht niet afgebakend, want dit inzicht heeft eenzelfde oorsprong en berust op dezelfde oefening als de peilloze verdieping in de boeddhaleer. Ga er niet vanuit dat diegene die op deze plek is aanbeland, het direct in zichzelf zal herkennen en begrijpen. Ook al wordt de diepste verwerkelijking onmiddellijk gerealiseerd, daardoor wordt een verborgen zijn niet noodzakelijk manifest. Realisatie is niet vatbaar.

Toen zenmeester Baoche (Hôtetsu) van de Mayu Berg (Mayoku) een waaier gebruikte, trad een monnik naar voren en vroeg: "Abt, de aard van de wind is blijvend werkzaam, en er is geen plek waar hij niet reikt. Waarom gebruikt u dan toch een waaier?"
De meester antwoordde: "Je begrijpt slechts dat de aard van de wind blijvend werkzaam is, maar je begrijpt nog niet wat de betekenis is van dat er is geen plek is waar hij niet reikt."
De monnik vroeg: "Wat is dan de ware betekenis van dat er geen plek is waar hij niet reikt?"
De meester ging door met waaieren. De monnik maakte een buiging.

Dit is het zegel van de Leer van Boeddha en de levende Weg van juiste overdracht. Te zeggen dat men geen waaier nodig heeft daar de aard van de wind blijvend werkzaam is en dat er ook zonder een waaier wind is, dan begrijp je noch het blijvend karakter noch de aard van de wind. Omdat de aard van de wind blijvend werkzaam is, verwerkelijkt de wind van het boeddha-huis de aarde als goud en laat de Melkweg stollen tot zoete room.

Genjôkôan, het eerste hoofdstuk uit de Shôbôgenzô.

Geschreven in het midden van de herfst van het jaar 1233 en gestuurd aan de lekenleerling Yô Kôshû van Chinzei.
Toegevoegd in het jaar 1253.

 

Zenki - Allesomvattend werken

Copyright Antaiji