ZAZENSHIN

Een naald voor zazen

Inleiding (door Muhô):

Direct na het Zazengi-hoofdstuk volgt in de Shôbôgenzô de Zazenshin, de Naald voor zazen. Terwijl Dôgen zich in het vorige hoofdstuk beperkte tot de wezenlijke punten van de zazen beoefening, gaat het nu om de houding van de geest. Ook in dit hoofdstuk gebruikt Dôgen het begrip Hishiryô, hier letterlijk als „ondenken“ vertaalt.

Welk denken is werkzaam in de onbeweeglijke staat? Ondenken.

Als Dôgen de schijnbaar kryptische uitwisseling tussen leraar en leerling analiseert, worden we getuige van zowel zijn speelse als ook scrupuleuze methode, iedere afzonderlijke zin en ieder, afzonderlijk woord ervan er uit te nemen, te veranderen en het van elke kant te bekijken. Zo komt ook de schijnbaar onschuldige vraag ( „Wat voor een denken is werkzaan in de onbeweeglijke staat?“) ineens tot een verrassend inzicht: „Wat-voor-een-denken“, de vraag die zich in het denken manifesteert zonder door het denken begrepen en vastgegrepen te worden, is al het werkzaam zijn van het niet-denken en is niets anders dan ondenken.

Ook hierna houdt Dôgen vast aan deze methodiek. De uitwisseling tussen Nangaku en Daijaku is hierin een duidelijk voorbeeld: Normaal wordt dit zo begrepen dat hier de meester zijn leerling duidelijk maakt dat enkel zitten niet genoeg is om boeddha te worden. Zo als een tegel door het polijsten nooit tot een spiegel wordt, kan ook een mens niet door zazen tot boeddha worden. Het moet om meer gaan – zo dachten de vele interpretatoren. Maar niet Dôgen. Hij ontmaskert de bewering dat het erom zou gaan zich zelf „tot boeddha te maken“ als een illusie. In geen enkel opzicht is zazen een ontoereikend middel tot doel verklaart Dôgen, nee zazen is nooit een middel tot doel geweest en mag zo ook niet gezien worden. In de beoefening van het enkel zitten wordt het polijsten van de tegel zelf de houding van boeddha. Deze oefening is niet gericht op boeddha, het gebeurt vanuit boeddha. En zo is het ook met iedere, afzonderlijke vraag die Dôgen analyseert („Wat...?“, „Wie... ?“) De vragen zijn niet gericht op wie of wat, maar meer op de nog niet beantwoordde vraag in een nog onbekende toekomst die ergens op ons wacht. Het is niet de meester die de leerling de antwoorden geeft, zoals Dôgen ons leert is het de vraag zelf die in de antwoorden huist: „“Wat-doen is niets anders dan het polijsten van een tegel.“

In het tweede gedeelte komen we ook weer het beeld van de vis en de vogel tegen, hier wordt datgene dat in de Genjôkôan reeds verwoord is, verder uitgediept:

Helder water doordringt de grond,
de vis zwemt zoals een vis.

Uitgestrektheid doordringt de hemel,
de vogel vliegt zoals een vogel.

Wat heeft dat te maken met de zazen-beoefening? Als we zitten hebben we vaak het gevoel een schaapsherder te zijn die probeert zijn oncontroleerbare schapen onder controle te krijgen. Hij probeert de zwarte schapen van de witte te scheiden, wil ze een nummer geven en categoriseren en het allerliefst hield hij ze allemaal op stal. Maar de schapen in onze gedachtes rennen alle richtingen uit, springen moeiteloos over de door ons zo zorgvuldig opgerichte hekken heen, eten van de bloemen hier en van de groente daar. En hoe meer we ons bemoeien met de schapen, hoe meer het lijkt alsof ze er plezier aan beleven, ons een streek te leveren. En daarbij hebben we niet in de gaten dat het eigenlijke probleem niet de schapen zelf zijn maar meer de herder in onze geest die zich profileert als de heer over de kudde. De oplossing: We moeten de herder eens op vakantie sturen. Hishiryô, het Japanse woord dat hier vrij vertaald is als „Laat deze gedachte los!“, is onze geest op dat moment dat de herder zichzelf vergeet en één wordt met de wei waarin de schapen grazen, één met de hemel die zich beschermend over de wereld buigt. Vroeg of laat hebben de schapen zich volgevreten en keren vanzelf terug naar de stal. Maar dat kan alleen als ons lichaam echt zit „als een machtige berg“, want alleen op deze manier zal het onze geest de stabiliteit verlenen die hem toestaat zowel de hemel als ook de weidegrond voor de schapen te zijn zonder daarbij zelf als een schaap in de verwarring rond te dolen.   

 

Zazenshin - Een naald voor zazen

 

Na het zitten vraagt een monnik aan de Grote leraar Yaoshan Hongdao (Yakuzan Kudô): “Welk denken is werkzaam in de onbeweeglijke staat?”
De meester antwoordt: “Denken op grond van niet-denken.”
De monnik vraagt: ”Welk denken is werkzaam op grond van niet-denken?”
De meester antwoordt: “On-denken”.
Belichaam de woorden van deze meester door het onbeweeglijk zitten te doorgronden en het correct over te nemen. Dat wil zeggen het onbeweeglijk zitten diepgaand onderzoeken, zoals het volgens de Weg van Boeddha is overgedragen. Men kan op verschillende manieren over de onbeweeglijke staat nadenken, maar Yaoshans woorden komen voor alles. Hij zegt: “Denken op grond van niet-denken.” Dat zijn de huid, het vlees, de botten en merg van het denken en ook van het niet-denken.

De monnik vraagt: “Welk-denken is werkzaam op grond van niet-denken?”
Het niet-denken, zoals van oudsher onderwezen, is inderdaad niets anders dan de werking van welk-denken. Is er soms geen denken in de onbeweeglijke staat? En hoe zou de opgang tot de onbeweeglijke staat ooit kunnen mislukken?
Wie niet een dwaas is die het voor de hand liggende versmaadt, moet de kracht bezitten de onbeweeglijke staat te onderzoeken en erover door te denken.

De Grote leraar zegt: “On-denken”.
Als dit wat hier ondenken genoemd wordt, in de praktijk gebracht wordt, straalt het kristalhelder. We maken er steeds gebruik van als we op grond van het on-denken denken. In het on-denken is er iemand, iemand die mij draagt. Ook al is deze onbeweeglijke staat niets anders dan ik zelf, is daar niet alleen maar denken, maar ook de belichaming van de onbeweeglijke staat zelf. Ook al is de onbeweeglijke staat zelf de onbeweeglijke staat, hoe zou hij de onbeweeglijke staat kunnen denken? Daarom doet de onbeweeglijke staat in niets onder voor Boeddha of de leer, noch is deze te meten met ontwaken of inzicht. Yaoshan, die ons op deze manier de zuivere overdracht laat zien, is al de 36e patriarch in de directe lijn vanaf Boeddha Shakyamuni. Als we van Yaoshan naar boven onderzoeken, zien we Boeddha Shakyamuni op de 36e plaats. Op deze manier zuiver overgedragen, is enkel dit niet-denken denken.

Onlangs echter beweerden enkele dwaze ongeletterden: “Bij geconcentreerd zitten, draait alles om de staat van rust en vrede.”
Deze opvatting haalt het nog niet eens bij die van de leerstellingen van de Hinayana, zelfs niet bij de nog geringere menselijke en hemelse leerstellingen. Hoe zou men deze fraseurs kunnen rekenen tot diegenen die zich in de Leer van Boeddha verdiepen? Toch zijn er in de Song-dynastie vandaag de dag velen die op een dergelijke manier oefenen – hoe betreurenswaardig is dit verval van de weg der patriarchen!
Een ander soort dwazen verklaart: “Studie van de Weg middels zazen moge dan een belangrijk werktuig zijn, geëigend voor beginners of voor diegenen die pas op latere leeftijd de weg ontdekt hebben, maar is niet noodzakelijkerwijs regel bij boeddha’s en patriarchen. Zen is zowel in beweging als in het zitten, in praten als in zwijgen, zowel in gaan als in rust vindt het lichaam vrede. Ben niet alleen maar bezig met de oefening van dit ene moment.”
Deze opvatting hebben velen, die uit de lijn van Linji (Rinzai) komen. Dat ze zo hoog van zich spreken komt omdat ze nalatig zijn geweest in de juiste overdracht van de Leer van Boeddha. Wat wil hier beginnersgeest zeggen, wanneer is men geen beginner meer, wanneer is men een beginner?
Weet dat de verdieping in de studie van de Weg middels beoefening van de zazen-weg loopt. Deze wordt belichaamd door de boeddha’s die ons al oefenend de Weg leren en er niet naar streven een boeddha te creëren. Juist omdat boeddha’s in beoefening geen boeddha’s creëren, verwerkelijkt het fundamentele principe zich. De lichaam-boeddha is aan een gecreëerde boeddha voorbij, pas wanneer alle begripsnetten en denkramen doorbroken zijn, hindert de zit-boeddha het boeddha-maken niet meer. Dit moment bezit het potentieel om tesamen met de duizend en tienduizend tijdruimten in boeddha op te gaan of in de duivel op te gaan. Een stap voorwaarts, een stap terug, genoeg om greppels en dalen tegelijkertijd te vullen.

Sinds zenmeester Jiangxi Daji (Kôzei Daijaku) onder zenmeester Nanyue Dahui (Nangaku Daie) leerde en persoonlijk het hartszegel overdragen kreeg, zat hij dagelijks in zazen. Op een dag ging Nanyue naar Daji en vroeg: “Broeder, wat stel je je voor van jouw zazen?”
Neem rustig de tijd hierover na te denken.
Kunnen we ons een doel voorstellen buiten zazen? Stellen we ons een weg voor die buiten de horizonten van zazen ligt? Of stellen we ons er misschien helemaal niets van voor? Of vragen wij naar het voorstellen dat zich verwerkelijkt gedurende zazen?
Los dit op! Liever dan van de gebeeldhouwde draak te houden, moeten we onze liefde geven aan de echte draak. Weet dat zowel de gebeeldhouwde draak als de echte draak wolken doen optrekken en de regen kunnen laten vallen. Schat het verre niet hoog in, schat het noch laag in, maar raak vertrouwd met het verre. Schat het nabije niet hoog in, schat het noch laag in, maar raak vertrouwd met het nabije. Neem de ogen niet licht op, geef ze ook geen gewicht, neem de oren niet licht op, geef ze ook geen gewicht, maar maak je oren en ogen scherp en helder.

Jiangxi zegt:”Ik stel me voor een boeddha te worden”.
Deze uitspraak moet je goed doorgronden. Hoe word je een boeddha zoals hier omschreven? Wil boeddha-worden zeggen dat wij van boeddha tot boeddha gemaakt worden? Of betekent het dat we door het boeddha-worden boeddha tot boeddha maken? Wil dat zeggen dat zich een of ander gezicht van boeddha aan ons openbaart? Is de voorstelling van boeddha-worden het afwerpen en is dit afwerpen zelf de voorstelling van boeddha-worden? Ook al omvat het boeddha-worden meerdere manieren, wil dat dan zeggen dat we de “voorstelling van boeddha-worden” moeten zien als een verstrengeling in de voorstelling?
Weet dat de uitspraak van Daji zegt dat zazen steeds een voorstelling-boeddha-worden is, en dat wil zeggen dat zazen zelf de voorstelling van boeddha-worden is. De voorstelling omhelst zowel het voorafgaan aan het boeddha-worden als het volgen op het boeddha-worden, alsmede het moment zelf van boeddha-worden.
Ik stel je de vraag: Met hoeveel boeddha-worden is deze ene voorstelling verstrengeld? Deze verstrengeling draait zich met nog meer verstrengelingen ineen. Dan is binnen het gehele boeddha-worden iedere afzonderlijke verstrengeling een uiting van het gehele boeddha-worden en is iedere afzonderlijke verstrengeling zijn eigen voorstelling.
Probeer niet één enkele voorstelling te vermijden. Als je één enkele voorstelling probeert te vermijden, verlies je lichaam en leven. Het verlies van lichaam en leven is echter niets anders dan de verstrengeling in een voorstelling.

Toen nam Nanyue een tegel en begon deze te polijsten tegen een steen.
Daji vraagt hem: “Meester, wat-doet u?”
Waarlijk wie ziet hier niet het polijsten van een tegel, maar wie ziet het enkel als het polijsten van een tegel? Daarom wordt hier het polijsten van een tegel door “wat-doen” ter sprake gesteld. Wat hier “wat-doen” betekent, is niets anders dan het polijsten van de tegel. Het is een gegeven dat – ook al verschilt deze wereld van de andere werelden - het polijsten van een tegel nooit ophoudt. Ik zeg je dat je niet alleen jouw eigen inzichten moet laten varen maar veeleer moet je goed begrijpen dat de waarheid die we proberen te doorgronden in al ons handelen werkzaam is. Zoals je als je boeddha ziet hem noch zult herkennen, noch zult begrijpen, zo begrijp je ook het water niet dat je ziet, zo begrijp je de berg niet die je ziet. Overhaast te concluderen dat dat wat we zien geen verdere doorgang biedt, komt niet overeen met wat Boeddha ons geleerd heeft.

Nanyue antwoordt: “Door het polijsten maak ik een spiegel.”
Doorgrond deze uitspraak. “Door-polijsten-een-spiegel-maken” drukt een concreet principe uit. Het is de verwerkelijking van de openbare diepte en niet een of andere constructie van lege gedachten. Een tegel mag dan een tegel zijn en een spiegel niet meer dan een spiegel, als je je verdiept in het beginsel van het polijsten zul je zien dat er nog veel meer voorbeelden zijn. Zowel de Oude spiegel als de Heldere spiegel zijn door het polijsten van de tegel tot een spiegel geworden. Als je niet inziet dat de spiegels voortkomen uit het polijsten van tegels, zullen de woorden van boeddha’s en patriarchen je niet bereiken, zul je niet zien hoe boeddha’s en patriarchen hun mond openen en zul je nooit de uitademing van boeddha’s en patriarchen voelen.

Daji vroeg daarop: “Hoe kun je een spiegel maken door een tegel te polijsten?”
Inderdaad, degene die een tegel polijst zonder hulp van anderen, moet over een ijzeren wil beschikken. Tegel-polijsten is geen spiegel-maken maar op dit moment, alleen voor dit ene ogenblik: Zie, daar verschijnt het spiegel-maken.

Nanyue repliceerde: “Hoe kun je door zazen een boeddha worden?”
Je weet heel goed dat het beginsel van zazen er niet uit bestaat te wachten totdat je een boeddha wordt. De waarheid staat ons helder voor ogen: Het boeddha-worden heeft niets van doen met zazen.

Daji vraagt: “Hoe dat?”
Deze opmerking lijkt uitsluitend te vragen naar het “dat”, maar vraagt eveneens naar het “hoe”. Het is hetzelfde wanneer twee vrienden elkaar treffen. Hij is mijn vriend, dus ben ik zijn vriend. “Hoe” en “dat” verwerkelijken zich tegelijkertijd.

Nanyue zegt: “Als iemand een ossekar ment en de kar gaat niet vooruit, slaat hij dan de kar of de os?”
Als “de kar niet vooruit gaat”, wat wil dat zeggen “de kar gaat vooruit” en wat wil zeggen “de kar gaat niet vooruit”? Is stromend water als een kar die vooruit gaat of is stilstaand water als een kar die vooruit gaat? We moeten het stromen de onbeweeglijkheid van het water noemen en omgekeerd is de beweging van het water geen stromen. Als je je daarentegen verdiept in de opmerking “de kar gaat niet vooruit”, moet je doorgronden dat onbeweeglijkheid dan bestaand is en dan niet bestaand is – beiden op hun eigen tijd. De opmerking “als de kar niet vooruit gaat” drukt niet alleen maar onbeweeglijkheid uit.
“Slaat hij de kar of slaat hij de os” wil zeggen zowel de kar slaan als ook de os slaan. Is het slaan van de kar en het slaan van de os een en hetzelfde, of zijn ze verschillend? In de wereld bestaat de leer van het slaan van een kar niet, gewone mensen kennen het slaan van een kar niet. Weet dat de Boeddhaweg de leer van het slaan van de kar is, en dat dit het ware oog van de verdieping in de weg omvat.
Dat we hier leren van het slaan van de kar wil niet zeggen dat het identiek is aan het slaan van de os.
Onderzoek dit nauwkeurig. Alhoewel de gewone mens de leer kent van het slaan van de os, moet je op de Weg van Boeddha blijven vragen naar het slaan van de os en je daarin verdiepen. Is het een waterbuffel die je slaat? Of een ijzeren koe? Of een modderstier? Moeten we met de zweep slaan? Of moet het hele universum slaan? Of moet de allesomvattende geest slaan? Moet tot op het merg van de botten geslagen worden? Of moet met de vuist geslagen worden?
De vuist moet de vuist slaan – de os moet de os slaan.

Daji antwoordt niet.
Daar mag je niet over struikelen. Een tegel wordt uitgeworpen, een edelsteen binnengehaald. Het hoofd gedraaid, verandert het gezicht. “Niet antwoorden” mag hier niet gezien worden als dat het geen betekenis zou hebben.

Nanyue vervolgt: “Jouw zazen oefening (zitmeditatie) is de oefening van een zittende boeddha.”
Verdiep je in deze uitspraak, zie de aard van het handelen der patriarchen. Als je de essentie van de “zazenoefening” nog niet begrijpt, weet dan dat het de “oefening van de zittende boeddha” is. Wie anders dan een telg van ware afkomst kan “zazen beoefenen” als de “zittende boeddha beoefenen” omschrijven? Begrijp goed dat zazen met een beginnersgeest de allereerste zazen is en dat de allereerste zazen de allereerste zittende boeddha is.

Zazen wordt uitgedrukt met de woorden: “Als je zazen (zitmeditatie) beoefent, is zen (meditatie) noch zitten, noch liggen.”
Dat wil zeggen dat zazen zazen is en niet zitten of liggen. Sinds de authentieke overdracht dat het noch zitten noch liggen is, waren we en zijn we steeds zelf het onbegrensde zitten en liggen. Waarom vraag je of de levensaderen dichtbij of veraf zijn? Waarom discussieer je over verwarring en ontwaken? Wie denkt hier slim te kunnen oordelen?

Nanyue zegt: “Als je de zittende boeddha oefent, heeft boeddha geen vaste vorm.”
Op deze manier komt tot uitdrukking, wat “uitdrukking” in ware zin is. De zittende boeddha manifesteert zich als één boeddha of als twee boeddha’s doordat hij zich met geen-vaste vorm siert. De uitdrukking “boeddha zonder vaste vorm” drukt precies de vorm van boeddha uit. Juist omdat boeddha zonder vaste vorm is, kunnen we niet om de zittende boeddha heen. Daar een boeddha zich met geen-vaste vorm siert, zijn we tijdens de verdieping in zazen niets anders dan de zittende boeddha. Wie kan temidden van de rustloze dharma een oordeel vellen over “boeddha zijn” of “niet-boeddha zijn”? Als we stoppen met oordelen, zijn we de zittende boeddha.

Nanyue zegt: “Als je zit als boeddha, dan dood je de boeddha.”
Als jullie de zittende boeddha doorgronden, dan zullen jullie stoten op de deugd van het boeddha-doden. Precies in dit ene ogenblik dat boeddha zit, wordt boeddha gedood. Als je naar de vrolijke gestalte en de lichtende straling van een gedode boeddha zoekt, zul je steeds de zittende boeddha vinden. Ook al is het woord “doden” hier hetzelfde als in het dagelijks taalgebruik, toch moet je het niet hetzelfde zien. Doorgrond de identiteit van de vorm en structuur van het “boeddha-zitten” en van het “boeddha-doden”. Als je aanvaardt dat het de deugd van boeddha is om boeddha te doden, dan moet je ook onderzoeken of je zelf al gedood bent, of dat je nog niet gedood bent.

“Als je hecht aan de zitvorm, heb je het beginsel nog niet doorgrond.”
Hechten aan de zitvorm wil zeggen de zitvorm los laten, de zitvorm tastend waarnemen. Dat wil zeggen dat het onmogelijk is tijdens het boeddha-zitten niet aan de zitvorm te hechten. Omdat het onmogelijk niet aan de zitvorm te hechten wil dat zeggen dat het beginsel niet doorgrond kan worden, hoewel het hechten aan de zitvorm zelf een uitstekende zaak is. Het afwerpen van lichaam en geest is niets anders dan zich op deze wijze aan de oefening overgeven. Wie nooit heeft gezeten, heeft deze weg niet gevonden. Zodra we ons aan het zitten overgeven, bestaat deze weg in de mens die zich aan het zitten overgeeft en in Boeddha die met hart en ziel zit, alsmede in de studie van het boeddha-zitten.
Toch is het zitten zoals gewone mensen liggen en zitten niet gelijk het toegewijde zitten van Boeddha. Als een mens zit, lijkt het vanzelf op een zittende boeddha of op het zitten van een boeddha, zoals bij de mens die boeddha wordt en de tot boeddha geworden mens. Maar hoewel er tot boeddha geworden mensen zijn, is toch de gehele mensheid anders dan boeddha-worden en is boeddha anders dan de gehele mensheid. Omdat ‘alle boeddha’s’ niet gewoon ‘alle mensen’ zijn, is een mens niet vanzelfsprekend een boeddha en een boeddha niet vanzelfsprekend een mens. Dit geldt ook voor zittende boeddha’s.

Zo is het dus met Nanyue en Jiangxi, de superieure meester en de sterke leerling. Het is Jiangxi die middels het boeddha-zitten het boeddha-worden belichaamt. Het is Nanyue, die middels het boeddha-worden het boeddha-zitten belichaamt. In de monnikengemeenschap van Nanyue werd op deze wijze geoefend en in de gemeenschap van Yaoshan werd dit sinds oudsher verkondigd.
Weet dat juist het boeddha-zitten de essentie aller activiteiten van boeddha’s en patriarchen omvat. Alle boeddha’s en patriarchen hebben deze essentiële activiteit beoefend. Wie dit niet doet, kan nog niet eens in een droom herkennen wat werkelijk is. Wat de overdracht van het boeddhisme van India uit naar het oosten genoemd wordt, is niets anders dan de overdracht van het boeddha-zitten. Want dit is de essentiële werking. Wordt de boeddhadharma niet overgedragen, wordt ook geen zazen overgedragen. Wat van opvolger tot opvolger overgedragen wordt, behelst niets anders dan het beginsel van zazen. Waar deze overdracht niet zuiver plaatsgevonden heeft, kan geen sprake zijn van boeddha’s en patriarchen. Wie niet deze ene dharma doorgrondt, zal ook de tienduizend dharma’s en verschijnselen niet doorgronden. Wie niet iedere afzonderlijke dharma doorgrondt, zal ook het heldere oog niet openen en de weg niet bereiken. Hoe kan men zo iemand rekenen tot de boeddha’s en patriarchen van verleden en heden? Daarom is de authentieke overdracht van zazen essentieel voor boeddha’s en patriarchen.

De stralende aura van boeddha’s en patriarchen is niets anders dan het opgaan in de verdieping van zazen.
Enkele dwazen hadden het niet goed begrepen en dachten dat deze aura straalde als de lichtkring om de maan of de zon, of als de schittering van een parel of een vlam. Maar het licht van zon en maan is niet meer dan de verschijning van karma in de cyclus van de zes werelden. Niet te vergelijken met de aura van Boeddha.
De aura van Boeddha is het horen en aannemen van een enkel woord, het aanvaarden en zorgvuldig bewaren van een enkele leer, het is de onvervalste overdracht van zazen. Wie niet door deze aura belicht wordt, kan haar niet zorgvuldig bewaren en kan haar niet onvoorwaardelijk aannemen.
Zelfs in oude tijden waren er slechts weinigen die zazen als zazen begrepen hadden. En vandaag de dag zijn er in de kloosters van de Songdynastie zelfs onder de gezaghebbende abten, velen die zen noch kennen, noch bestuderen. Al zijn enigen tot inzicht gekomen, nog zijn het er niet veel. Alle kloosters hebben vaste tijden voor zazen. Alle monniken met inbegrip van de abten zien zazen als het wezenlijke van oefening en moedigen een ieder aan tot oefening. En toch zijn er maar weinig abten die echt begrijpen.
Om deze reden zijn er tot de huidige dag toe een of twee oude monikken geweest, die de “Kenmerken van zazen” samengevat hebben. Een of twee anderen hebben de “Regels voor zazen” opgesteld. Weer anderen schreven de “Naalden voor zazen”. Echter de “Kenmerken van zazen” bevat geen informatie die de moeite waard is in ogenschouw te nemen en de “Regels voor zazen” bieden überhaupt geen soelaas. Ze zijn opgesteld door fraseurs die niets van zazen weten, die zazen niet authentiek overdragen. Dit geldt zowel voor de “Naald voor zazen”, die we terugvinden in de “Jingde-kroniek van de overdracht van de lamp” alsmede voor de “Kenmerken van zazen” die terug te vinden zijn in de “Jiatai-kroniek van de universele lamp”.
Hoe betreurenswaardig is het zijn leven lang door de hele wereld van de ene monnikengemeenschap naar de andere, door de hele wereld te pelgrimeren, zonder zich ook maar eenmaal daadwerkelijk te wijden aan het zitten. Hoe jammerlijk is het je niet te kunnen overgeven aan toegewijde oefening en uiteindelijk jezelf niet te vinden ondanks alle moeite die je je geeft. Het ligt niet daaraan dat zazen lichaam en geest zou afwijzen. Het ligt daaraan dat de toegewijde oefening van velen onvoldoende doorgrond is en dat zij zich overhaast in verwarring storten. Waar zij naar op zoek zijn is een “terugkeer naar de bron”, een terugkeer naar de “oorspronkelijke staat”. Vastbesloten zoeken ze naar een manier om het bewustzijn te stillen om zo “geestesrust” te verkrijgen. Daarbij komen ze nog niet eens in de buurt van de vier stadia van waarneming, oefening, doorgronding en ontwikkeling van meditatie, ze vallen terug achter de tien laatste stadia en het ontwaken van een boddhisattva op de weg naar boeddhaschap. Hoe zouden ze ooit de zazen van boeddha’s en patriarchen onvervalst kunnen overdragen? De kroniekschrijvers van de Songdynastie hebben het verkeerde neergeschreven en latere studenten doen er goed aan deze kronieken ongelezen weg te gooien.
De enige naald voor zazen die een uitdrukking is van alle boeddha’s en patriarchen, is de “Naald voor zazen” van zenmeester Hongzhi (Wanshi), de monnik Zhengjue (Shôgaku) van het Tiantong Jingde- (Tendô Keitoku) klooster op de Taiboberg, in het district Zhejiang in de Songdynastie. Alleen deze verlicht het dharma-universum van binnen en van buiten, alleen deze vertegenwoordigt boeddha’s en patriarchen onder de boeddha’s en patriarchen van verleden en heden. Een boeddha steekt de volgende met deze naald, huidige en vroegere patriarchen blijven deze naald belichamen.
De “Naald voor zazen” luidt als volgt:

Een naald voor de zazenoefening
Geschreven door zenmeester Hung-chih, de monnik Chêng-chüeh

Het wezenlijk functioneren van boeddha’s en boeddha’s,
het functionele wezen van patriarchen en patriarchen.

Weten zonder iets aan te raken,
verlichten zonder objecten tegemoet te treden

Weten zonder iets aan te raken,
welk een verfijnd weten!

Verlichten zonder objecten tegemoet te treden,
welk een wonderlijk verlichten!

Welk een verfijnd weten,
geen enkel onderscheid makende gedachte!

Welk een wonderbaarlijk verlichten,
niet de geringste aanduiding!

Zonder een onderscheid makende gedachte
is het weten ondeelbaar, één.

Zonder de geringste aanduiding
is verlichting ongrijpbaar, volkomen.

Het water is helder tot op de bodem,
langzaam, langzaam zwemt de vis.

Grenzeloos uitgestrekt is de hemel,
de vogel vliegt hoog en vrij.

De naald van deze “Naald voor zazen” is de allesomvattende verwerkelijking, is het handelen voorbij geluid en vorm, is het kenmerk dat je droeg voor de geboorte van je ouders. Het is de deugd die ons opdraagt boeddha’s niet te belasteren, het is het onontkoombare verlies van lichaam en leven, het is een hoofd van drie voet hoog en het zijn de zes centimeters van de nek.

“Het wezenlijk functioneren van boeddha’s en boeddha’s”
Boeddha’s en boeddha's beschouwen “boeddha’s en boeddha’s” altijd als hun wezenlijk functioneren. Dit wezenlijk functioneren wordt verwerkelijkt, en wel door zazen.

“Het functionele wezen van patriarchen en patriarchen”
“Mijn meester heeft zoiets nooit gezegd” – dit is het beginsel van “patriarchen en patriarchen”. Het is de overdracht van de dharma, het doorgeven van de monnikenpij. “Het hoofd gedraaid, verandert het gezicht”. De gezichten zijn hier de gezichten van het wezenlijk functioneren van boeddha’s en boeddha’s. “Met veranderd gezicht het hoofd gedraaid.” De hoofden zijn hier de hoofden van het functionele wezen van patriarchen en patriarchen.

“Weten zonder iets aan te raken”
Weten wil hier niet zeggen waarnemend erkennen, want waarnemend erkennen is begrensd. Weten wil hier echter ook niet zeggen intellectueel weten, want intellectueel weten is slechts een willekeurige constructie. Daarom is “weten” niets anders dan “zonder iets aan te raken”, en zonder iets aan te raken niets anders dan dit weten. Probeer het niet als universeel weten op te vatten, evenmin als zelfkennis. Komt een helder gezicht, dan is het een helder gezicht. Komt een donker gezicht, dan is het een donker gezicht. Het is het doorzitten van het lichaam dat onze moeder ter wereld heeft gebracht.

“Verlichten zonder objecten tegemoet te treden”
Dit “verlichten” wil niet zeggen “volledig beschijnen” en is ook geen spirituele verlichting. “Zonder tegemoet te treden” wil niets anders zeggen dan “verlichten”. Het verlichten verandert niet in het object want het object zelf is de verlichting. “Zonder tegemoet te treden” wil zeggen “het universum is nooit verborgen”, wil zeggen “de gebroken wereld verschijnt niet”. Het is “subtiel”, het is “wonderbaarlijk” en het is “gebonden-ongebonden”.

“Welk een verfijnd weten, geen enkel onderscheid makende gedachte!”
“Gedachten” zijn het “weten”, zonder hulp van buitenaf. Dit weten is vorm, vorm is bergen en rivieren. Bergen en rivieren zijn “verfijnd”, “verfijnd” wil zeggen “wonderbaarlijk”, de toepassing maakt het springlevend. Wanneer we een draak manifesteren, maakt het niet uit of we ons voor of achter de drakenpoort bevinden. Als we dit ene weten ook maar in geringe mate toepassen, verwerven we daarmee de hele wereld met bergen en rivieren en doorgronden deze met al onze kracht. Als ons weten niet innig vertrouwd is met de bergen en de rivieren kan er geen sprake zijn van dit ene weten, nog niet eens van een half begrijpen.
Beklaag je niet als later de onderscheidende gedachten opkomen: Het onderscheid van boeddha’s en boeddha’s heeft zich al voltrokken, ze hebben zich al verwerkelijkt. “Geen enkel” is hetzelfde als “nu al”, “nu al” betekent “verwerkelijking”. Als dit zo is, betekent “geen enkel onderscheid makende gedachte” hetzelfde als “geen enkel persoon ontmoeten”.

“Welk een wonderbaarlijk verlichten, niet de geringste aanduiding!”
“Niet de geringste” wil zeggen “de hele wereld”. Zo is het wonderbaarlijk, zo verlicht het van binnen uit. Daarom is er niets wat op ons afkomt. Argwaan het oog niet, vertrouw niet het oor. Verlichting is “de waarheid die buiten het vingerwijzen ligt direct doorgronden en niet de leer in woorden zoeken”. Het is ondeelbaar en daardoor ongrijpbaar. Als ik het als “één” aanvaard en als “volkomen” bewaar, wil dat zeggen “ik twijfel”.

“Het water is helder tot op de bodem, langzaam, langzaam zwemt de vis.”
“Helder water” is geen water dat de ruimte vult, want dat water is niet helder “tot-op-de-bodem”. “Helder water” is ook niet het water dat als zuiver water in de uit vaten bestaande wereld wordt bestempeld. Alleen het water dat niet begrensd is door kust of oever is “helder-tot-op-de-bodem”. Als een vis in dit water zwemt, is hij niet zonder “zwemmen”. Maar zelfs wanneer dit zwemmen tienduizenden afstanden overtreft, is het noch te meten, noch te doorgronden. Door geen oever begrensd, door geen hemel overspannen en zonder een waterbodem in de diepte is er niets wat te meten valt. Onze visie van wat meetbaar is, kan nergens anders op gebaseerd zijn dan ‘tot-op-de-bodem-helder-water’. De verdienste van zazen is als het zwemmen van deze vis. Wie kan duizenden, tienduizenden afstanden meten? De afstand tot-op-de-bodem zwemmen wil zeggen met het hele lichaam “niet de weg van de vogel volgen”.

“Grenzeloos uitgestrekt is de hemel, de vogel vliegt hoog en vrij.”
“Uitgestrekte hemel” heeft niets van doen met het hemelfirmament. Het firmament dat zich boven ons uitstrekt, is niet de “uitgestrekte hemel”. Nog minder is de lucht die de ruimte om ons heen vult, de “grenzeloze uitgestrekte hemel”. “Grenzeloze uitgestrekte hemel” is zonder binnen of buiten, ongeopend en ongesloten. Als een vogel door deze hemel vliegt is dat de ene dharma van het hemelvliegen. Het hemelvliegen kan niet gemeten worden. “Hemelvliegen” is “de hele wereld” want de hele wereld vliegt door de hemel. Niemand weet hoe ver dit vliegen reikt, maar in woorden - voorbij alles wat meetbaar is, wordt het als “hoog en vrij” omschreven. Het is “direct voortschrijden zonder een draad onder je voeten”. Als de hemel wegvliegt, vliegen ook de vogels weg. Het wegvliegen van de vogels laat ook de hemel wegvliegen. Een uitdrukking die het wegvliegen doorgrondt is: “Er is slechts deze ene plek”. Dit is de naald voor de onbeweeglijke staat. Zovele tienduizenden afstanden worden door “slechts deze ene plek” aangeduid!

Zover de “Naald voor zazen” van zenmeester Hongzhi.
Geen van de oude monikken door alle generaties heen heeft deze “Naald voor zazen” ooit geëvenaard. Zelfs als alle stinkende vleesvrachten in de wijde wereld de kracht waarover ze in een of twee levens beschikken, zouden besteden aan het vinden van woorden om deze “Naald voor zazen” te evenaren, zou het hen niet lukken. Ik aanschouw niets in deze wijde wereld als enkel en alleen deze “Naald voor zazen”.
Als mijn vroegere meester voordrachten hield, noemde hij Hongzhi altijd een “oude Boeddha”. Nooit heeft hij een ander zo genoemd. Wie over het oog beschikt de mensen te begrijpen, zal ook de stem van boeddha’s en patriarchen herkennen. Zo kennen we waarlijk de boeddha’s en patriarchen bij Dongshan (Tôzan).
Het is nu iets langer dan tachtig jaar geleden dat zenmeester Hongzhi stierf en terwijl ik zijn “Naald voor zazen” aanschouw, schrijf ik mijn eigen “Naald voor zazen”. Het is het jaar 1242, de achttiende dag van de derde maand. Als we terugrekenen naar het jaar 1157, zijn het precies 85 jaar.
Mijn versie van de “Naald voor zazen” luidt als volgt:

Een naald voor de zazenoefening

Het functionele wezen van boeddha’s en boeddha’s,
het wezenlijk functioneren van patriarchen en patriarchen.

Verwerkelijkd in niet denken
ontstaan in onverbondenheid

Verwerkelijking in niet denken,
deze verwerkelijking is vanzelf eigen.

Onverbonden ontstaan,
dit ontstaan is vanzelf belichaamd.

Dit verwerkelijken is vanzelf eigen,
altijd zonder een vlek of bezoedeling.

Dit ontstaan is vanzelf belichaamd,
zonder recht of krom.

Vertrouwen zonder vlek of bezoedeling
is het afwerpen van alle afhankelijkheid.

Belichaming zonder recht of krom,
is de onvoorwaardelijke inzet.

Helder water doordringt de grond,
de vis zwemt zoals een vis.

Uitgestrektheid doordringt de hemel,
de vogel vliegt zoals een vogel.

Niet dat de “Naald voor zazen” van Hongzhi verkeerd is, maar ik wilde deze woorden nog toevoegen.
Afstammelingen van boeddha’s en patriarchen moeten zich in zazen verdiepen als zijnde de ene, grote kwestie. Het is het zuivere zegel van authentieke overdracht.

Zazenshin, het twaalfde hoofdstuk van de Shôbôgenzô.
Opgeschreven op de 18e dag van de derde maand in het jaar 1242 in het Kôshô Hôrin klooster.
Voorgedragen in de elfde maand van het jaar 1243 op een bijeenkomst in Kippô Shôsha, district Yoshida in de provincie Echizen.

Copyright Antaiji

 

Gabyô - Geschilderde taart