BODAISATTASHISHÔHÔ

Vier bodhisattva-manieren, om anderen tegemoet te treden

Ten eerste: geven.
Ten tweede: woorden van liefde.
Ten derde: onbaatzuchtige hulp.
Ten vierde: één-worden.

Geven wil zeggen niet hebzuchtig zijn. Niet hebzuchtig zijn wil zeggen niet begeren. Niet begeren wordt doorgaans bestempeld als “niet vleien”. Zelfs al beheers je de vier continenten dan nog mag je geen begeren koesteren, zodat je de ware Weg zult begrijpen en door kunt geven. Het is als de schat die je loslaat door hem aan een onbekende te geven. Of je nu Boeddha bloemen uit verre bergen brengt, of de schatten van vergane levens onder de lijdende wezens verdeelt – om het even of het gaat om een leer of om een ding, elk geven draagt de daaraan gerelateerde deugd in zich. Het is zelfs toegestaan te geven wat niet van jou is. Jouw deugdzaam handelen moet echt zijn, zonder een ding als onbelangrijk af te doen. Op het moment dat je de Weg aan de Weg overlaat, zal de Weg je eigen worden. Als je je de Weg eigen gemaakt hebt, blijft de Weg volmaakt zichzelf. Als je de schat aan de schat overlaat, dan wordt de schat tot volmaakt geven. Geef jezelf aan jezelf en geef anderen aan de anderen. De karmische kracht van zulk een geven dringt door tot verre hemelse en menselijke werelden, ja zelfs tot de ontwaakte wijzen. Zo zij het, want waar een gift ontvangen wordt, wordt tevens een karmische band gevlochten.

Boeddha sprak: “Als iemand die geeft, zich bij een gemeenschap aansluit dan zijn alle ogen eerst op hem gericht. Begrijp dat zijn geest heimelijk mee deelt.”
Als dit zo is, moeten we zelfs een enkele spreuk of vers van de Leer geven – zo ontstaan de zaden van al het goede in dit leven en in toekomstige levens. Zelfs een enkele cent of een grashalm zijn schatten die we moeten geven – zo laten we de zaden van al het goede van deze wereld en van de anderen werelden ontkiemen. De Leer zelf is ook een schat, een schat is eveneens de Leer. Het is louter te danken aan onze vredige wensen.
Zo gaf iemand ooit zijn baard om de geest van een man tot rust te brengen en besteeg diegene die kiezelstenen als offerande gaf, de koningstroon. Ze gaven zonder er iets voor terug te verwachten, ze gaven gewoon wat in hun krachten lag. Een veerboot uitzetten of een brug bouwen zijn eveneens een alles overschrijdend geven.
Als iemand het geven goed bestudeerd heeft, dan is voor hem zowel het ontvangen van het lichaam als ook het loslaten van het lichaam een daad van geven. In het dagelijkse leven, tijdens het werk en de zaak is er niets wat niet een daad van geven is. De bloesem aan de wind overlaten, de vogel aan de tijd overlaten, zijn eveneens deugden van geven. Het beginsel dat de grote gift behelsde toen koning Ashoka meerdere honderden monniken een halve mangovrucht gaf, moet ook goed bestudeerd worden door diegenen die ontvangen. Niet alleen moeten we al onze fysieke krachten verzamelen, ook mogen we het juiste moment niet verzuimen.
Dat we nu zijn wie we zijn hebben we waarlijk te danken aan de omstandigheid dat we oorspronkelijk over de deugd van het geven beschikten. Boeddha sprak: “We kunnen het zelf ontvangen en gebruiken – hoe zouden we het dan niet ook kunnen geven aan vader en moeder, aan vrouw en kind?” Zo kunnen we ons ervan vergewissen dat ons eigen gebruik ook een deel van het geven is, zoals het geven aan vader en moeder, vrouw en kind ook een geven is. Als we tot geven overgaan door ook maar een enkele stofkorrel los te laten, kunnen we er ons gerust over verblijden, zelfs als het om ons eigen handelen gaat.
En wel omdat we zo al een deugd van Boeddha doorgeven en daardoor beginnen een leer van de boddhisattva in praktijk te brengen. Moeilijk is echter, het hartsbewustzijn van de lijdende wezens om te keren. Als we het begin van een enkele gift tot de kiem van het hartsbewustzijn van de lijdende wezens maken, willen we hen daarmee omkeren tot het bereiken van de Weg. Het begin moet daarbij steeds vanuit een gift komen. Daarom is het alles overschrijdende geven de eerste van de zes vervolmakingen. We moeten niet de grootte van het hart meten en we moeten ook niet de grootte der dingen meten. Maar er zijn tijden waarin het hart de dingen omkeert, en er zijn daden van geven waarin de dingen het hart omkeren.

Woorden van liefde wil zeggen lijdende wezens met een nederig hart begroeten en ze vredige woorden toespreken. Het zijn geen boze en wrede woorden. Overal in de wereld is het gepast te informeren naar het welbevinden van iemand en ook op de weg van Boeddha zeggen we: “Het gaat je goed” of “Hoe gaat het met u?”. Als we met een goed hart de woorden spreken tot de lijdende wezens als waren ze onze pasgeboren kinderen, dan zijn dat woorden van liefde. Waar we deugd ontmoeten, moeten we hem loven. Waar we geen deugd vinden, moeten we ons erover ontfermen. Als we eerst genegenheid ontwikkelen voor de woorden van liefde, zullen de woorden van liefde vanzelf toenemen. Zo zullen zich ook de woorden van liefde verwerkelijken die tot dusverre onopgemerkt en onzichtbaar waren. Zolang het leven dit lichaam omvat, moeten we vreugdevol de woorden van liefde spreken en ook in de volgende wereld en in het volgende leven moeten we daarmee doorgaan. De haat van de vijand bedwingen en de ministers met elkaar verzoenen kan alleen op grond van de woorden van liefde. Als we de woorden van liefde van een ander horen, fleurt ons gezicht op en verheugen we ons van harte. Als we onderweg woorden van liefde horen, bewaren we ze zorgvuldig in ons hart en onze ziel. Weet dat woorden van liefde uit een liefdevol hart komen en dat de kiem van een liefdevol hart een hart uit goedheid is. Leer dat de woorden van liefde de kracht bezitten de hemel open te breken. Het is niet slechts het loven van andermans capaciteiten.

Onbaatzuchtige hulp wil zeggen de lijdende wezens, voornaam of gewoon, op een nuttige manier ter zijde staan. Zoals bijvoorbeeld zelfloos op een nuttige manier ter zijde staan, door rekening te houden met de gevolgen zowel op de korte als op de lange termijn. De mens die zich om een gevangen schildpad bekommert of een gewonde vogel verpleegt, doet dit niet uit eigen belang. Hij werd gewoon bij het zien van de schildpad of de vogel gegrepen door het onbaatzuchtige geven.
Onwetende mensen denken dat de onbaatzuchtige hulp die we de ander geven ten koste gaat van onszelf. Dat is niet zo. Onbaatzuchtige hulp staat op zichzelf. Het reikt tot mijn en andermans voordeel. In oude tijden ging iemand drie keer uit bad om zijn haar te kammen en tijdens de maaltijd spuugde hij drie keer het eten uit, alleen maar om de anderen ten dienste te zijn. Ook vreemden uit andere landen heeft hij steeds onderwezen.
Daarom moeten we zowel vriend als vijand eenzelfde hulp bieden, anderen zo helpen als zouden we onszelf helpen. Als we ons deze geest eigenmaken, dan wordt het beginsel van de ononderbroken, uit zichzelf ontstane, onbaatzuchtige hulp zelfs onder bomen en gras, wind en water door deze onbaatzuchtige hulp in beweging gebracht. Het is de onvoorwaardelijke overgave de onwetenden te helpen.

Eén-worden (overeenstemming) wil zeggen, geen onderscheid maken. Het wil zeggen je niet van jezelf onderscheiden en je ook niet van anderen onderscheiden. Zoals een menselijke boeddha die één wordt met de mensen. Uit dit één-worden in de wereld van de mensen kunnen we opmaken dat het in de overige werelden net zo is. Als we het één-worden doorgronden, zijn wij zelf en de anderen één.
Harpen, wijn en poëzie voegen zich bij de mens, voegen zich bij de hemel, voegen zich bij de goden. Mensen voegen zich bij harpen, wijn en poëzie. Ook is er het beginsel dat harpen, wijn en poëzie zich bij harpen, wijn en poëzie voegen, terwijl mensen zich bij mensen voegen, de hemel zich bij de hemel voegt en de goden zich bij goden voegen. Dit is niets anders dan de doorgronding van het één-worden.
Concreet gezegd gaat het om het gedrag, de houding en de instelling (waar gelijkwaardigheid heerst). Er is een beginsel waarin we de ander als onszelf zien om vervolgens onszelf door de ander te zien. Wij zelf en de anderen volgen het moment, zonder verder enig voorbehoud.
In Guanzi wordt gezegd: “De oceaan is daarom zo groot daar hij geen water afwijst. De berg is daarom zo hoog daar hij de aarde niet afwijst. Een wijs heerser veracht geen mensen, daarom is zijn volk zo groot.”
Weet dat één-worden wil zeggen dat de oceaan geen water afwijst. Weet ook dat het water de deugd bezit de oceaan niet af te wijzen. Zo verzamelt zich het water en wordt tot oceaan, en zo hoopt zich de aarde en wordt tot berg. Ergens weten we dat de oceaan tot de oceaan wordt en groot, omdat de oceaan de oceaan niet afwijst. Omdat de berg de berg niet afwijst, wordt hij tot berg, wordt hij hoog. Als een wijs heerser de mensen niet veracht, vormt hij zijn volk. Het volk is het rijk. Wat hier met een wijze heerser bedoeld wordt, is niets anders dan een keizer. De keizer veracht de mensen niet. Dat hij de mensen niet veracht, wil echter niet zeggen dat er geen beloningen en straffen zijn. Dat er beloningen en straffen zijn wil niet zeggen dat de mensen veracht worden.
Vroeger in tijde van oprechtheid waren er in het rijk geen beloningen en straffen. Beloningen en straffen in die tijd waren anders dan heden ten dage. Zelfs vandaag de dag moeten er nog mensen zijn die naar de Weg zoeken, zonder uit te zijn op een beloning.
Dat kan de dwaze mens zich nog niet eens voorstellen. Een wijs heerser veracht – uit wijsheid – de mensen niet. Mensen vormen altijd een rijk en verlangen naar een wijze heerser, maar zelden begrijpen ze het beginsel wat een wijze heerser tot een wijze heerser maakt en zijn ze weliswaar blij dat de wijze heerser hen niet veracht, echter ze begrijpen niet dat ook zij hun wijze heerser niet verachten. Op deze manier geldt het beginsel van het één-worden voor zowel de wijze heerser als voor de dwaze mensen en derhalve is het één-worden de praktiserende gelofte van de boddhisattva’s. We moeten gewoon alle dingen met een zachte uitdrukking in onze ogen welkom heten.

Deze vier manieren van zich-gedragen hebben ieder voor zich de vier manieren in zich, daarom zijn het gezamenlijk de zestien manieren van zich-gedragen.

Bodaisattashishôhô, het 28e hoofdstuk van de Shôbôgenzô
Geschreven op de vijfde dag van de vijfde maand in het jaar 1243 door de monnik die de Leer uit de Song-Dynastie overbracht.

Copyright Antaiji

HACHIDAININKAKU - Het achtvoudig ontwaken van een groots mens