Apengeest en paardenwil

Door abt Muho

Ik herinner me nog dat in de dojo in Duitsland waar ik als student oefende, er regelmatig werd gezegd dat we zazen ‘onbewust, natuurlijk, automatisch’ moesten beoefenen. Iedereen was ook van mening dat de oefening ‘natuurlijk’ moest zijn.

Uiteraard moest deze ‘natuurlijk’ zijn, maar hoe kunnen we ‘natuurlijk’ zijn, als we begrensd worden door begrippen als ‘automatisch’ en ‘onbewust’?

Dat lijkt bijna het tegendeel van ‘natuurlijk zijn’, alsof we artificiële, onnatuurlijke wezens zijn, robots. Ging het bij zen niet juist daarom het leven bewuster te leven? Bewust van iedere ademteug, bewust van elke stap? Ik heb al geprobeerd daarop een antwoord te geven: zodra we proberen ons bewustzijn te manifesteren, creëren we een kloof tussen ‘ons’ en het ‘object’ van ons bewustzijn. ‘Onbewust’ oefenen wil zeggen, één zijn met alles wat je doet. Het Japanse woord voor ‘natuurlijk’ is ‘shizen’, wat zoveel wil zeggen als: “zelf zijn, vanuit jezelf zijn”. Maar de Japanse vertaling van het woord ‘automatisch’ is ‘jido(teki)’ en betekent “je laten bewegen door je zelf”. Het is dus duidelijk dat beide begrippen elkaar nader treden – als wij ‘onbewust, natuurlijk, automatisch’ oefenen, zijn we één met alles wat we doen (‘onbewust’ – geen tweedeling). Dat wil zeggen dat de oefening de oefening zelf is (‘natuurlijk’ – geen doel), dat de oefening zelf de oefening oefent (‘automatisch’ – geen ego-object).

Dat is zazen, de praktijk die Shakyamuni Boeddha belichaamde toen hij 2500 jaar geleden onder de Bodhiboom zat. Jammer genoeg werd deze oefening niet altijd juist begrepen en correct doorgegeven. Vaak denkt men dat zazen niets anders is dan fysiek onbeweeglijk zitten, en dat het wezenlijke van oefening het ‘spirituele vlak’ omvat: concentratie van geest, aandacht schenken, streven naar verlichting. Men gaat hierin zelfs nog verder, ‘Za-zen’, opgedeeld in twee lettergrepen, twee delen, waarbij ‘Zen (dhyana)’ belangrijker is dan ‘Za (zitten)’.

Uiteraard is de zenbeoefening een religie – en geen lichaamstherapie en in dat opzicht is het ook niet verwonderlijk te zeggen dat het bij zazen gaat om de geest en om verlichting. Maar deze geest kan niet van de lichamelijke oefening gescheiden worden: De zithouding zelf is expressie van de geest – oefening is expressie van Satori. Dogen Zenji heeft daar altijd weer op gewezen heeft, en deze leer is in de vorige eeuw door Sawaki Rôshi opnieuw tot leven gewekt. Daarom is het zo jammer te zien dat er nog altijd zenbeoefenaars zijn - pretenderend leerlingen van Meester Dogen te zijn - die denken dat de beoefening van zazen een kwestie van de geest is en niet van het lichaam. Dat het om satori gaat – in plaats van om het zitten met gekruiste benen.

Daarbij begaan ze dezelfde fout als de monniken van de Tendai-school in de tijd van Dogen, de ‘shi-kan (samatha/vipassana)’meditatie. Deze meditatie-oefening berust op het idee dat wij de ‘stille meditatie (samatha/shi)’ met ons lichaam beoefenen, maar dat de ‘inzicht meditatie (vipassana/kan)’ die we met onze geest beoefenen, het wezenlijke zou zijn. Maar hoe kunnen we onze geest bevatten, als we deze van ons lichamelijke oefening afscheiden?

Dat laat me denken aan de eerste leerrede van Bodhidharma die hij gaf toen hij de leer verbreidde in China. Hem werd gevraagd welke verdienste men kon verwachten van het bevorderen van het Boeddhisme en zijn antwoord luidde: “Geen verdienste!”. Toen hem daarop gevraagd werd wat de diepste waarheid van het Boeddhisme was, antwoordde hij: “Uitgestrekte leegte – ongrijpbaar”. Op de vraag wie hij dan wel dacht dat hij was, antwoordde hij ten slotte: “Geen idee – ik weet het niet”. Daarna trok hij de bergen in en ging negen jaar lang voor een wand zitten. Midden in de winter kwam de tweede patriarch naar hem toe en verzocht hem leerling te mogen worden. Bodhidharma negeerde hem. Nadat hij een nacht lang in de sneeuw gestaan had, hakte de tweede patriarch - om Bodhidharma te overtuigen van de ernst van zijn bedoelingen - zijn linkerarm af en sprak: “Mijn geest heeft nog geen vrede. Ik smeek u, breng hem alsjeblieft tot bedaren”. Is dat nou net niet wat we allemaal zoeken? Een bedaarde geest? Bodhidharma hielp hem, door te antwoordden: “Breng me je geest en ik zal hem bedaren”. De tweede patriarch zei: “Ik heb overal naar mijn geest gezocht, maar uiteindelijk is hij nergens te vinden!”. Waarop Bodhidharma zei: “Zo, ik heb je geest voorgoed tot rust gebracht”.

Zolang je probeert je geest te manipuleren, zolang je probeert aandachtig te zijn etc, zul je nooit je geest tot bedaren brengen. Hoe kun je de geest tot rust brengen? Bodhidharma gaf het antwoord, zittend voor een wand.

Dit wordt eveneens duidelijk in de Chüeh-Kuan Lun (Jap. Zekkanron), een dialoog tussen meester en leerling, die als volgt begint: “De grote Weg kan niet met de geest begrepen worden, noch in woorden uitgedrukt. Toch staat een leerling op en vraagt de meester. Leerling: ”Wat is de geest? En wat is een bedaarde geest?” Meester: “Stop met pretenderen een geest te hebben. Stop met deze tot rust te brengen. Dat is een bedaarde geest.” Leerling: “Als er geen geest is, hoe kunnen we dan de grote Weg bevatten?” Meester: “Zelfs al zou je een geest hebben, kun je de Weg niet bevatten – de Weg staat volledig los van zaken zoals de geest”…”

De Eihei Koroku van meester Dogen is onlangs in het Engels vertaald. In Boek 5 is de volgende tekst te vinden: “Ogen zijn horizontaal, de neus verticaal, de kruin steunt het plafond en de oren liggen op een lijn met de schouders. Hoe is dat, nu, hier? Na een korte pauze zei Dogen: Geen controle over apengeest, noch over paardenwil. Beoefening als een lotus in het vuur”.

Dat laat me ook denken aan de instructie van Dogen te oefenen: “alsof ons hoofd vlam gevat heeft”. Maak je niet druk over jouw dolle geest – je hebt geen tijd je met ‘opmerkzaamheid’ bezig te houden. Jouw zazen moet een brandende vlam zijn.

Eveneens uit Boek 5: “Te zeggen dat “precies deze geest is Boeddha” is onzin. Wijzen naar de menselijke geest is hetzelfde als wijzen naar de hemel en aarde tegelijkertijd…”

Dan is er nog de bekende leerrede over de adem: “Monniken in voddenzak, in zazen moeten jullie eerst eens de juiste houding aannemen…. in de school van het kleine Voertuig wordt het tellen van de adem gebruikt om de ademhaling te regelen. De Boeddhaweg verschilt echter van die van het kleine Voertuig: “Zelfs al bezit je de geest van een kreupele, wilde vos – breng nooit de theorie van de zelfcontrole van de twee voertuigen in praktijk”…”

Vervolgens citeert Dogen de weg van het Mahayana voor het regelen van de adem, zoals zijn meester Tendo Nyojo Zenji het hem geleerd heeft: “De adem komt en gaat vanuit de tanden (onderbuik), toch komt deze nergens vandaan en gaat nergens heen. In- en uitademing zijn noch lang, noch kort…”

Een van de vertalers van het boek - een Dharma-oudoom van mij - was enkele dagen op bezoek in Antaiji en we onderhielden ons erover hoe moeilijk het is om teksten van Dogen te vertalen. Vaak is dat net zo moeilijk als dat men de tekst van ‘Alice in wonderland’ zou willen vertalen: Een vertaler zal eerst kijken naar wat de woorden in de oorspronkelijke versie betekenen, om vervolgens een vertaling neer te zetten die een equivalent is van het origineel. Maar met ‘Alice’is dat onmogelijk. Er is bijna geen betekenis buiten de woorden zelf. Voor Dogen geldt dat ook. Als men letterlijk vertaalt, verliest men inhoudelijk de helft. En toch is het precies dat, wat de meeste vertalers willen doen: De inhoud van de tekst weergeven – en niet de woorden zelf. Het is ook logisch te zeggen dat de inhoud er toe doet en niet de woorden. Toch vinden we interessant genoeg in Dogens werk een bijdrage van Dogen zelf over het ‘woord (ku)’ en de ‘betekenis (i)’. Hij zegt dat beiden ‘zijn-tijd (uji)’ zijn, echter het lijkt alsof hij meer waarde hecht aan het woord dan aan de betekenis. Hoe is dit mogelijk?

Net zoals de filosofen uit de 20e eeuw, weet Dogen Zenji heel goed, dat betekenis niet los gezien kan worden van het woord als uitdrukking. Betekenis en uitdrukking zijn één, net zoals oefening en verlichting één zijn, lichaam en geest één zijn en zazen één is: Alleen maar doen, enkel één zijn. Dit ‘enkel’ is in het Japans ‘shikan’ en met deze uitspraak vervangt Dogen Zenji de Tendai theorie van ‘shi-kan’ (twee verschillende schrifttekens): stilstaan en waarnemen.

Dit ‘één-zijn’ is echter meer dan alleen theorie. Het is onze oefening. En tijdens de oefening moeten we met een van de twee aspecten beginnen: Betekenis of uitdrukking, geest of lichaam, verlichting of oefening. Ons gezonde mensenverstand zegt dat we de nadruk op betekenis, geest en verlichting moeten leggen. Dogen Zenji draait dit om, door te zeggen: “Begin in het dagelijkse leven met dit lichaam, deze oefening en deze uitdrukking”. En Sawaki Roshi bevestigt dit door te zeggen: “Zen is niet spiritueel, oefen gewoon met dit lichaam”.

Er zijn inderdaad een groot aantal serieuze Mahayana monniken in Japan – maar ook in Korea en misschien ook in China – die ontevreden zijn met deze leer van ‘alleen maar doen’, ‘enkel één-zijn’. Sommigen onder hen, gaan zelfs naar Thailand of Myanmar, om daar de Bikkhu-geboden van het Theravada Boeddhisme aan te nemen. Een van mijn Dharma broeders ging deze weg. Hij zei: “Alleen maar zitten is als een draak zonder ogen”. Wat hij wilde zeggen was dat hij slechts uiterlijk oefende (met zijn lichaam), en dat de essentie (Satori) ontbrak. Momenteel leeft hij ergens in de jungle in zuidoost Azië. Dat is oké, het is zijn beslissing en zijn oefening. Zelf echter stel ik me de vraag: “Wie zegt jou als een draak zonder ogen te moeten oefenen? Moet zazen niet beoefend worden als een draak die in het water onderduikt?” Als je merkt, dat je je ogen verloren hebt, zal niemand ze voor jou vinden. Je moet zelf zoeken, en je zult het nergens anders vinden als in jouw oefening, nu, hier met dit lichaam. Je ogen wachten niet op jou ergens daar buiten in de jungle of bovenop een bergtop in de Himalaya. Als jouw oefening louter naar buiten gericht is, moet je dieper in ‘enkel doen’ binnendringen.

‘Enkel doen’ wil natuurlijk niet zeggen, alleen maar op een kussen gaan zitten. Vorige maand heeft een tyfoon een deel van de straat naar Antaiji weggeveegd. De garage werd weggeblazen en we hadden geen drinkwater meer daar de waterdam volgelopen was met modder en stenen – net zoals in de herfst van 1990, toen ik voor het eerst hier was. Twee dagen lang hebben we modder geschept in stromende regen. Geen tijd om over zaken na te denken als: Is dit nu oefening? Doe ik het goed? Is dit echt de Boeddha-weg? Alleen maar modder scheppen, modder scheppen, modder scheppen…

Laat me afsluiten met een citaat uit een boek van Sawaki Roshi, dat ik net aan het vertalen ben: “Hoe meer je je bezighoudt met jouw apengeest en paardenwil, des te gestoorder zal deze apen- en paardengeest worden en met je op de loop gaan. Je kunt zazen beoefenen, Nenbutsu beoefenen ( de naam Amithaba Boeddha reciteren), de geboden strikt naleven – je kunt wachten tot je een ons weegt: Jouw illusies zul je nooit kwijtraken. Hoe vertwijfeld je ook probeert je te bevrijden van illusie, nooit zul je de toestand van Niet-denken of Niet-geest bereiken – je maakt alleen maar jezelf gek!”

(Muho, november 2004)
 
Copyright Antaiji