wegglueck

Zazen of de weg naar geluk

Het complete boek (in het Duits) is uitgegeven door Rowohlt en verkrijgbaar in de reguliere boekhandel of bij Amazon.


Begrijp je niet dat je vrede zult hebben, zodra je ophoudt ervoor te vechten?

(Uit de Zen-en Shingi, een Chinese verzameling kloosterregels uit de 12e eeuw)

 

Je zoekt naar geluk en vrede? Maak je eerst maar eens ergens écht zorgen over!

(Sawaki Kodo Roshi, Japanse zenmeester en de vijfde abt van Antaiji 1880-1965)

 

 

Inhoud

 

Voorwoord

1. Mijn weg naar Antaiji

2. Wat is geluk?

3. Mijn eerste jaren als zennovice

4. Waarom ben ik ontevreden?

5. De weg uit de impasse

6. Tevredenheid en ontevredenheid voorbij

7. Terug naar Antaiji

8. Hoe te leven?

9. Leven in het park

10. Is liefde echt alles wat je nodig hebt?

11. Mijn jeugd

12. Familiegeluk

13. Mijn huidige leven als abt en vader

14. Hoe te werken?

15. Het leven in Antaiji

16. De beoefening van zazen

17. Zazen – een weg naar geluk?

Nawoord


 

Voorwoord

De vraag naar het geluk is zo oud als de mensheid zelf. Grote denkers hebben er veel tijd en energie in gestoken zonder dat  het antwoord erop ooit gevonden is. Of anders gezegd: er zijn reeds duizenden antwoorden gegeven, maar ze spreken elkaar tegen en zijn niet werkelijk bevredigend, omdat geen enkel antwoord precies past op jouw leven zoals je dat hier en nu leeft. Wij mensen in de 21e eeuw stellen ons nog altijd de vraag hoe we het geluk in ons leven kunnen vinden en vooral in Duitsland waar materiële welstand hand in hand gaat met een pessimistische zienswijze en spirituele armoede, speelt deze vraag meer dan ooit.

Met dit boek wil ik niet het definitieve antwoord op de vraag naar jouw geluk geven. Veeleer wil ik je uitnodigen om de vraag samen met mij nogmaals te stellen en zelf het antwoord te vinden. Want niemand anders dan jij zelf kan het antwoord geven. Ik kan slechts proberen je de weg te wijzen in een richting waarin jouw geluk in het leven eventueel verborgen zou kunnen liggen. De hoofdstukken in dit boek, waarin ik mijn eigen weg van jonge gelukszoeker tot zenmeester beschrijf, worden afgewisseld met algemene beschouwingen naar de grondslag van onze zoektocht naar het geluk in het leven. Tenslotte probeer ik  je duidelijk te maken dat jouw geluk niet verborgen is, maar dat je het al lang in handen hebt zonder dat je je ervan bewust bent.

Toen mijn moeder stierf, was ik zeven jaar oud en was ik vaak alleen met mijn gedachten). Al snel vroeg ik me af: 'Waarom leven we eigenlijk? Als we toch moeten sterven, waarom zou je dan je best doen op school, waarom zou je je druk maken op je werk, waarom zou je een gezin stichten en onderhouden – is niet alles om het even zodra we in het graf liggen?' Mijn vader noch mijn leraren op school konden een antwoord geven. Met een schouderophalen werd er tegen me gezegd: 'Dat zul je pas begrijpen als je groot bent, kleine filosoof'.

Toen al had ik het vermoeden dat zelfs de 'grote mensen' volkomen in het duister tasten. Ik dacht dat als het leven überhaupt een zin zou moeten hebben het daar alleen maar uit kon bestaan zoveel mogelijk lol te trappen. Tegelijkertijd had ik het gevoel dat één moment van genot onherroepelijk gevolgd werd door verveling en tegenzin die de korte beleving van tevredenheid direct teniet deden. Elke nieuwe dag was er een van troosteloze oneindigheid. In mijn puberteit had ik daarvoor altijd een  alternatief: zelfmoord. Daarvoor ontbrak me echter de moed. Ook al had het leven voor mij geen enkele zin en leek de dood weliswaar een verleidelijke uitweg, veel haast echter had ik er uiteindelijk toch niet mee.

Toen ik zestien was, ging ik naar kostschool. Een van de pedagogen aldaar leidde een meditatiegroep in zen-stijl . Hij nodigde me uit eraan deel te nemen. Het was in de tijd dat een Bagwan in India net verkondigde dat hij elke dag per jaar in een andere Rolls Royce wilde rijden. Meditatie uit het verre oosten had dus niet een al te beste reputatie en ook ik twijfelde niet en wees het aanbod af. Twee weken later kwam hij opnieuw naar me toe en vroeg: 'Zou je het niet toch eens willen proberen?' . 'Nee dankjewel, geen interesse', was mijn antwoord. Waarop hij zei: 'Als je het niet één keer geprobeerd hebt,  hoe kun je dan weten of het jou wel of niet interesseert?' Daar kon ik niets tegenin brengen en dus liet ik me ompraten om er op zijn minst één keer aan deel te nemen. De daaropvolgende drie jaren was ik er elke dag te vinden. Tenslotte werd ik de groepsleider en het mij werd al snel duidelijk dat als ik een weg voor de rest van mijn leven wilde bewandelen het de weg van zen moest zijn.

Wat had mijn twijfel weggenomen? Ten eerste was het het vanzelfsprekende besef dat ik een lichaam bezat. Tot dan toe had ik uitsluitend in mijn hoofd geleefd. Als iemand mij indertijd gevraagd zou hebben wie ik was, had ik geantwoord: 'Mijn brein, wat anders?' Maar op het meditatiekussen voelde ik voor het eerst mijn adem, het kloppen van mijn hart en de houding van mijn ruggengraat. Zowel thuis als op school werd mij altijd gezegd dat ik een slechte houding had. Door de meditatie kwam ik erachter dat mijn lichaamshouding mij en de wereld om me heen veranderde. Dat wat in mijn hoofd speelt, is onherroepelijk verbonden met hoe ik met mijn lichaam omga. Na enige tijd in deze groep ging ik boeken over zen lezen. Hier kwam ik weer de vragen tegen die tot nu toe niemand voor mij kon beantwoorden: Wat is de zin van het leven? Wie ben ik?

Later besloot ik Japans te gaan studeren aan de universiteit van Berlijn en daarnaast natuurkunde en filosofie. En tijdens een eenjarig verblijf aan de universiteit van Kyoto kwam ik in aanraking met Antaiji, een zenklooster in de bergen van Japan. Ik dacht eindelijk de plek in mijn leven gevonden te hebben en nadat ik mijn studie afgesloten had, verzocht ik de abt om mij als leerling aan te nemen en tot boeddhistisch monnik te wijden. Het leven als zenmonnik was echter niet zo eenvoudig als ik me had voorgesteld. Ik had nog nooit in mijn leven zwaar lichamelijk werk verricht; het zwaarste dat ik ooit getild had was een dikke pil over filosofie.

Ik was niet voorbereid op een leven in een zelfvoorzienend klooster. Ik moest op het land werken, bouwwerkzaamheden verrichten, bomen vellen en hout hakken. Daarnaast was er nog de keukendienst. Mijn ervaring met koken bestond uit spiegel- en roereieren en ineens stond ik alleen voor het fornuis en moest voor het gehele klooster het eten bereiden. Het gebeurde verschillende keren dat ik mijn koffer al had ingepakt en alleen maar bleef omdat het al laat was en de laatste bus aan de voet van de berg allang achter de horizon verdwenen was. De volgende ochtend zei ik dan tegen mezelf: Ik probeer het op z’n minst tot vanmiddag. En dan na het middageten: Ik blijf tot aan het invallen van de avond. En ‘s avonds was het dan weer te laat om te gaan en zo had ik weer een dag in het zenklooster overleefd.

De eerste jaren waren allesbehalve gelukkig. Niet alleen had ik moeite met het zwaar lichamelijke werk, maar ook kon ik me maar moeilijk aanpassen aan de strenge hiërarchie van het kloosterleven. Op een gegeven moment veranderde mijn zienswijze. Ik begon langzaam in te zien dat de antwoorden op mijn vragen niet ergens in de toekomst op me wachten, maar dat de vragen meer aan mezelf gericht waren en dat het aan mij was om het antwoord te geven. Als ik het niet doe, wie dan wel? Als het niet vandaag is, wanneer dan wel? Als het niet hier op deze plek is, waar dan wel? Vanuit dat oogpunt werd alles eenvoudiger. Ik had geleerd dat de weg direct onder mijn voeten begint en dat iedere dag opnieuw, ieder ogenblik en iedere ademteug een nieuwe stap op deze weg is. Tegelijkertijd moest ik ook leren dat, wilde ik deze weg bewandelen, ik mezelf volledig moest opgeven.

Tien jaar na mijn eerste ontmoeting met mijn meester in Antaiji kreeg ik formeel de leer overgedragen, dat wil zeggen ik werd geïnitieerd als zenmeester die zelf zijn eigen leerlingen mag aannemen. De laatste woorden die hij mee meegaf waren: 'Ga vanaf nu je eigen weg. Maak je niet druk over het klooster. Mocht ik echter doodgaan, dan kom terug'. Ik denk dat mijn meester deze woorden sprak tot al zijn leerlingen. Hij had nog geen opvolger uitgezocht, maar hij wenste dat zijn leerlingen Antaiji in stand zouden houden, mocht hij ooit komen te overlijden. Niemand  – behalve hijzelf misschien – had gedacht dat dit zo snel zou gebeuren....

Ik had terug kunnen gaan naar Duitsland, maar besloot nog een tijdje in Japan te blijven om enkele ideeën die ik had te verwerkelijken. Het was mijn wens om een zengroep ergens in de stad te beginnen; de gewone Japanner zou zo de mogelijkheid krijgen in aanraking te komen met de spirituele traditie van zijn eigen land. De Japanse beschaving is sterk verwesterd en de meeste Japanners kennen nog niet eens het schriftteken voor zazen, de zitmeditatie van zen; er zijn slechts enkele, ver afgelegen priesterseminaries waar men de gelegenheid geboden krijgt aan de oefening van zenmonniken deel te nemen.

Voor mezelf hield dat in dat ik een schuld wilde vereffenen. Ik wilde alles wat ik geleerd had, op z’n minst aan één Japanner doorgeven. Daarom sloeg ik letterlijk mijn tent op in het kasteelpark dat in het centrum lag van de miljoenenstad Osaka. Daar leefde ik temidden van honderden daklozen die hun dekzeilen tussen de bomen gespannen hadden. ‘s Ochtends mediteerde ik twee uur lang met eenieder die erbij wilde zijn en overdag bedelde ik en vertaalde zenboeken in het Duits.

In het park had ik mijn thuis gevonden tot ik ineens een oproep kreeg op mijn mobiele telefoon dat ik terug moest naar Antaiji omdat mijn meester dodelijk verongelukt was tijdens het sneeuwruimen. Vandaag ben ik verantwoordelijk voor vijftig hectare land die bij het klooster horen en staat de deur open voor iedereen die hier samen met ons de weg van zen wil bewandelen. Dat deze weg de enige weg naar geluk is, wil ik niet beweren. Of er überhaupt een weg naar het geluk bestaat en niet veeleer sprake is van een loslaten, een zich openen en verantwoording nemen voor het leven zoals het zich aan ons voordoet, daarover gaat dit boek.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

1. Mijn weg naar Antaiji

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

De weg van het geluk volgen betekent jezelf volgen. Jezelf volgen betekent, jezelf vergeten. Jezelf vergeten betekent het geluk in ieder, afzonderlijk ding tegen te komen.

(vrij naar Dôgen Zenji, de grondlegger van de Japanse zen, 1200-1253)

 

Zen was het enige waarvan ik zeker wist dat ik het voor de rest van mijn leven wilde doen. Al het andere, wiskunde, natuurkunde, informatica, interesseerde me weliswaar, maar ik wist dat ik daarin niet het antwoord op dé vraag van mijn leven zou kunnen vinden. Waarom zou ik dan nog mijn tijd aan de universiteit verkwisten en niet meteen zenmonnik in een Japans klooster worden?

Iedereen probeerde het me uit mijn hoofd te praten maar geen argument kon me tegenhouden, totdat Hubert, de pedagoog die me met zen in aanraking had laten komen, me afraadde mijn besluit zo snel te nemen: ‘Je moet een beroepsopleiding volgen, zodat je altijd een tweede mogelijkheid hebt, mocht het met zen in je leven niet lukken. Teveel mensen eindigen in een zenklooster, omdat ze geen alternatief hebben.’ Deze woorden overvielen me. Ik dacht dat alle zenmonniken min of meer supermannen waren. Het ging mijn voorstellingsvermogen te boven dat iemand zich in een zenklooster zou terugtrekken alleen maar omdat hij geen ander beroep had gevonden of zich niet zou kunnen aanpassen aan de maatschappij.  Zoals een vriendin ooit treffend zei: ‘Ik wilde direct vanuit mijn puberteit tot verlichting geraken.’ Toch liet ik me ompraten dat het beter was om op z’n minst eerst eens Japans te leren en een diploma op zak te hebben.

In Berlijn studeerde ik Japans en daarnaast nog filosofie en als tweede studie natuurkunde. Een van de boeken die toen in de mode waren, heette ‘De tao van de natuurkunde’ (München 1984) van Fritjof Capra. Ik leefde in de naïeve veronderstelling dat de grondslag van de elementaire deeltjes die in hun banen zweefden dezelfde was als die van de leerredes van Boeddha of Lao-tse van duizenden jaren geleden.

Niet alleen wilde ik middels zen verlichting bereiken, nee, ik wilde zelfs de Nobelprijs winnen voor een grensoverschrijdende theorie op het gebied van quarks en het Melkwegstelsel. Toch brak ik de studie natuurkunde na mijn bachelor af. Hoewel het de gemakkelijkste weg in het beroepsleven zou zijn, had natuurkunde toch het minst met mijn leven te maken.

De droom van een leven als ‘echte’ zenmonnik liet me ook in Berlijn niet los. Zo nam ik regelmatig deel aan de zenbijeenkomsten. Maar ik moest en zou naar Japan! Toen ik 22 was, kreeg ik de gelegenheid om een jaar aan de universiteit van Kyoto te gaan studeren. Kyoto geldt als het centrum van zen in Japan en dus ging ik vol verwachting richting het onbekende, waarvan ik me een spiritueel paradijs op aarde had voorgesteld. Hoe groot was mijn teleurstelling toen ik moest concluderen dat er in Kyoto aan de universiteit noch wat betreft zen weinig te beleven was. Er zijn weliswaar in Kyoto meerdere hoofdtempels van de zenschool, maar deze zijn niet toegankelijk voor buitenstaanders, tenzij men als toerist komt. Zen is in Japan tot koopwaar vervallen, de zenmonniken zijn niets anders dan zakenlieden die geld verdienen met het boeddhisme. Er zijn slechts enkele openbare zengroepen, die bovendien minder vaak bijeen komen dan die in Duitse steden. Pas na weken kwam ik bij toeval te weten dat de professor die mij begeleidde zelf een zenpriester was. Dat zou ik nooit gedacht hebben want hij droeg altijd een pak met een stropdas en onderwees de denkbeelden van Immanuel Kant.

Alleen in een kleine tempel genaamd Shorinji, die een half uur buiten Kyoto lag, kon ik elke maand aan een vijfdaagse sesshin deelnemen. Sesshins zijn intensieve praktijkoefeningen, waar van ’s ochtends vier tot ’s avonds negen uur zazen, dat wil zeggen zitmeditatie, wordt beoefend en waarbij zazen uitsluitend onderbroken wordt om naar de wc te gaan en te eten. Hoewel ik al zes jaar ervaring had met zitten en mezelf niet als een beginner zag, ging ik in deze sesshins door een hel. De pijn in mijn benen gingen voorbij elke grens van verdraaglijkheid. Als je bovendien de hele dag niets anders te doen hebt dan  voor je uit te kijken naar een wand, dan kan makkelijk gebeuren dat je de neiging krijgt om uit de band te springen. Maar toch was dat precies de test waar ik op gewacht had. Als er al een weg naar een zinvol leven bestond, dan moest deze door de hel gaan; tenminste dat dacht ik.

Daarom besloot ik om tijdens de zomervakantie twee maanden in het klooster Shorinji door te brengen. Omdat voor mij het leven in een ‘echte Japanse’ zentempel nieuw was, ging ik ervan uit dat de andere bewoners mij zouden inlichten over hoe ik mij zou moeten gedragen. De tempel werd geleid door zenmeester Okumura Shohaku Rôshi, die vandaag een belangrijk zencentrum in Amerika leidt. Hij zou me precies vertellen hoe ik moest mediteren, welke werkzaamheden in de tempel verricht moesten worden, hoe je boeddhistisch kookt en misschien wel hoe je verlicht zou raken; tenminste dat dacht ik ...

 

Als je naar het geluk zoekt, dan loop je weg van je eigen geluk. Pas als je dit ogenblik als jouw geluk beschouwt, zul je één zijn met jezelf.

(Dôgen Zenji)

 

Alles begon dan ook veelbelovend toen ik als hulp van Hans, een Zweed, gelijk de eerste dag aan de slag mocht in de keuken. Ik kon eigenlijk niet koken en verheugde me erop iets nieuws te leren. Hans was zelf pas een week eerder in Shorinji aangekomen en hij had last van de zwoele Japanse juli-hitte. Hij klaagde alsmaar dat er een airco miste en verlangde naar het meisje uit Tokyo dat haar telefoonnummer aan hem had gegeven ...

Drie dagen later ging hij ervan door en je kunt je voorstellen hoe versteld ik stond toen Okumura Rôshi zei: ‘Je hebt nu al een paar dagen in de keuken gestaan. De komende tien dagen kun je het wel alleen af, toch?’ ‘Hoe stellen jullie je dat voor? Iemand moet me toch eerst eens leren hoe ik moet koken, voordat ik alleen in de keuken kan staan!’ Het was duidelijk dat ik me deze taak niet zag volbrengen. Want in een zentempel neemt de kok een van de belangrijkste plaatsen in. Niet alleen is daarbij vakkennis vereist, maar ook een geestelijke rijping. Van het een had ik net zo weinig verstand als van het andere. Okumura zei echter: ‘Heb je dan nog nooit gehoord dat zen wil zeggen zichzelf te doorgronden? Je kunt niets van Boeddha leren, als je niet eerst van jezelf leert. Alles waar het om draait ben jij zelf en afgezien daarvan heb ik je niets te leren.’

Wat een onzin! Wat had het koken nou met mij te maken? Maar uiteindelijk restte me niets anders dan mijn best te doen om de rest van de gemeenschap niet al te zeer te pijnigen met mijn culinaire wanprestaties. Daarbij leden de anderen zeker meer onder de beslissing van Okumura om mij tien dagen lang de verantwoording in de keuken te geven dan ik zelf. Voor mij was het de eerste grote ervaring in zen: Alles wat er speelt, ben je zelf ...

 

Kijk niet om je heen: hier gaat het om jou

(Sawaki Kôdô)

 

In augustus kreeg ik de gelegenheid mijn ervaring verder uit te diepen. In deze maand nodigen alle Japanse families boeddhistische priesters thuis uit om ceremoniën te houden voor de gestorven voorouders. Okumura Rôshi was er zo druk mee om in andere tempels te helpen dat hij pas laat in de nacht thuiskwam en de volgende ochtend alweer voor dag en dauw vertrokken was. Ook de andere bewoners van de tempel, van wie de meesten tijdelijke gasten uit het buitenland waren, vervolgden hun weg. En ineens was ik daar alleen, met uitzondering van de vrouw en dochter van Okumura, maar die leefden buiten de tempel. Dat hield in dat ik iedere ochtend om vijf uur met de bel door de lege gangen liep, terwijl er niemand was om te wekken. Daarna sloeg ik de gong voor zazen en bereidde vervolgens het ontbijt, voor mij alleen. Poetsen, werken op het land en het bad verwarmen, alle werkzaamheden gedurende de dag, die normaal door meerdere personen gedaan worden, rustten nu op mijn schouders.

Als ik er nu aan terug denk, bewonder ik de moed van Okumura om een groentje als mij, alleen in de tempel te laten; ik had die ook per ongeluk in brand kunnen steken. Maar toen dacht ik: Hoe is het mogelijk dat deze zenmeester het te druk heeft om mij in de geheimen van zen in te wijden? Tenslotte had ik de twee maanden zomervakantie willen besteden om iets over de waarheid van het leven te leren. En nu sta ik hier in deze kleine tempel, helemaal alleen!

Aan het eind van de zomervakantie had ik de keus: voor het resterende half jaar teruggaan naar de universiteit in Kyoto of de zoektocht naar zen voort te zetten. Die was inmiddels, zonder dat ik het in de gaten had, een zoektocht naar mezelf geworden. Ik koos voor het tweede alternatief. George uit Albanië, die ik in Shorinji ontmoet had, vertelde mij over zijn verblijf in Antaiji. Daar was alles anders, zo waren zijn woorden. Het klooster lag vijf kilometer buiten het kleine dorpje Kutoyama, afgelegen in de bergen en de vier Japanse monniken, die daar met hun meester leefden, verzorgden zichzelf met de rijst en groente die ze op de velden verbouwden. Het hout voor het keukenfornuis en het bad kwam van de bomen die de monniken zelf kapten en ’s winters lag er meer dan twee meter sneeuw, zodat het klooster volledig van de buitenwereld was afgesloten. Er was geen krant of tv en het verwonderde me dat ze überhaupt telefoon en stroom hadden. En sesshins, de intensieve meditatiedagen, waarvan ik dacht dat ze de sleutel van verlichting in zich droegen, waren daar zelfs twee keer per maand.

Daar moet ik zijn, dacht ik, en toen ik hoorde dat ook Okumura Rôshi oorspronkelijk uit Antaiji kwam, verzocht ik hem, mij daar aan te bevelen. Dat deed hij ook en eind september zat ik in de trein van Kyoto richting noordwesten. Hamasaka is de naam van het volgende, kleine station in het noorden van de prefectuur Hyogo aan de kust van de Japanse zee. Van daaruit rijden dagelijks vier bussen richting Kutoyama en aan het eindpunt gaat het te voet verder, bergop. Toen ik arriveerde regende het pijpenstelen, maar ik was in een opperbeste stemming toen ik uit de bus stapte en de monnik mij begroette die me kwam afhalen.

 

Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

(Zenkoan)

 

Normaal genomen worden bezoekers niet afgehaald. Wie aan het leven in Antaiji wil deel nemen, moet de vijf kilometer bergop alleen met zijn bagage lopen. Maar twee weken voor mijn aankomst had een grote tyfoon de straat weggeveegd en het dal was een grote woestenij van ontwortelde bomen, rotsen en stenen. Gezamenlijk liepen we de weg omhoog door de regen. De monnik die me begeleidde heette Jiun, wat zoveel als ‘Wolk van goedheid’ betekent. Het merendeel van mijn bagage rustte op zijn schouders. Hij was begin dertig en kwam uit Gunma, een van de weinige prefecturen in Japan die niet aan de zee grenzen. Zijn ronde gezicht deed denken aan een bij Japanse kinderen geliefd mangafiguur Anpanman. Die is een soort van superman en staat altijd klaar om mensen in nood te helpen. Jiun was zes maanden in Antaiji en nummer twee onder de monniken.

Onderweg bleef hij af te toe staan om te wijzen naar de resten van de weggespoelde straten of afgebrokkelde brugdelen waarover de beek richting dal stroomde, die door de aanhoudende herfstregen tot een kleine rivier gezwollen was: ‘Wat is er nog verder te zeggen? We leven zo afgelegen in de bergen en nu hebben we niet eens meer een weg! Zelfs de post moeten we zelf beneden in het dorp afhalen!’ Omdat ik niet op de hoogte was van de tyfoon, wist ik er ook niets op te antwoorden. Eigenlijk verwonderde het me ook niet dat het klooster niet per auto bereikbaar was, tenslotte had ik me het klooster onbereikbaar in de wolken voorgesteld met monniken die ’s nachts bij kaarslicht mediteren ...

Na ongeveer een uur waren we op de plaats van bestemming. Omdat we volledig doorweekt waren, bood de kok Taijun ons een heet bad aan. Het water verhitte hij in een metalen tobbe met een vuur eronder. Japanners gaan dagelijks in bad. Ze wassen zich dan met water dat ze uit de badkuip scheppen en daarna neemt de een na de ander een bad. Het viel me op dat het badwater zeer donker was, bijna als een modderbad. Ook het water dat in de keuken uit de kraan kwam, had dezelfde vreemde kleur. De reden waarom kwam ik pas een week later aan de weet toen ik in het klooster aan het werk moest. De eerste vijf dagen vooralsnog stond de sesshin op het programma. Elk uur zazen. Dus begaf ik me na een kort gesprek met de abt en na het avondeten naar een kale ruimte waar ik moest slapen. Deze bevatte slechts zes tatamimatten en een lege kast. Soberheid is niet alleen een kenmerk van de Japanse binnenhuisarchitectuur maar ook een uitdrukking van de zengeest. Ondanks de nieuwe, geheel onwennige omgeving vatte ik onder invloed van de lange mars in de regen snel de slaap.

Mijn slaap mocht helaas niet lang duren. Ergens voor mijn raam klonk gospelgezang in de stikdonkere nacht. Wie was het die daar constant ‘halleluja’ riep? Was er ergens in dit dal, buiten dit klooster, nog een christelijke kapel? Met een zangkoor dat ’s nachts zijn gezangen instudeerde? Een betere uitleg kon ik op dat moment niet bedenken. Het enige wat ik wist, was dat ik zo een kabaal nog nooit in de stad gehoord had. Hoewel ik nog maar net gearriveerd was, overviel me al snel de spijt dat ik hierheen gekomen was.   

Ik had nog maar nauwelijks een oog dichtgedaan, toen ’s ochtends om vier uur een van de monniken met een bel door de gangen rende. Tijd om op te staan en om in de hoofdhal zazen te gaan beoefenen. De hal was geschikt voor twintig monniken, maar we waren slechts met z’n zessen. En dat bleef zo, tot aan het voorjaar. In Duitsland nemen normaal genomen meer dan honderd mensen deel aan een sesshin en de ervaring alleen in een hoek van een grote hal te zitten, was nieuw voor me. Ook was het nieuw voor me te merken dat het merendeel van de monniken constant zat te slapen. Is het niet de taak van een zenmonnik zich aan zazen te wijden? De hele, lange weg hierheen ben ik gekomen om te mediteren en de monniken slapen! Was de beslissing voor Antaiji te kiezen verkeerd geweest?

Toen ik over mijn situatie nadacht, was ik de woorden die de abt me de dag ervoor had meegegeven allang vergeten: ‘Jij belichaamt Antaiji. Denk niet dat Antaiji zich ergens boven de wolken bevindt met verlichte monniken en kloosterregels waaraan je je moet houden om zelf tot verlichting te geraken. Antaiji is niets meer of minder dan dat jij ervan maakt!’ Hij richtte deze woorden waarschijnlijk tot iedere nieuwkomer. Jij zelf moet Antaiji vormgeven. Hier ben je verantwoordelijk voor je eigen leven. Verwacht niet dat anderen je helpen. Dit was een van de belangrijkste lessen die ik ooit van hem gekregen heb. Ondanks dat ik dit alles gehoord had, begon ik in gedachte al over alles te mekkeren. Daarbij waren mijn bezwaren slechts de keerzijde van mijn verwachtingen van Antaiji. Het heeft lang geduurd voordat ik begreep wat het inhoudt Antaiji zelf vorm te geven. Het wil namelijk ook zeggen je eigen leven zelf vormgeven. De reden van mijn ontevredenheid was niet mijn buurman die tijdens zazen altijd zat te snurken en ook niet het lawaai ’s nachts of het modderwater uit de kraan. De reden was ik zelf die vasthield aan mijn droom van een harmonieuze zenwereld in plaats van eerst eens de werkelijkheid te accepteren zoals zij is.  

 

Als je niet begrijpt wat geluk inhoudt, zul je er tevergeefs op wachten dat de wereld zich voor jou verandert. Als je inziet dat het geluk in dit moment vervat is zul je ook begrijpen dat het aan jou is om je te veranderen en gelukkig te zijn.

(vrij naar Dôgen Zenji)

 

Pas na de sesshin kwam ik erachter waar dat geluid ‘s nachts vandaan kwam. De monniken hadden de rijst geoogst en op een bamboestellage voor het klooster gehangen. Elke nacht kwamen wilde zwijnen om ervan te vreten. De monniken hadden bedacht dat een luid spelende radio de dieren wel zou afschrikken. Dat was natuurlijk niet zo, want de radio hield juist ons kloosterbewoners wakker! Het hallelujagezang was nog maar het begin. Na de sesshin moesten we aan het werk. Een klein stuwmeer in de bergen waar het klooster het drinkwater vandaan haalt, was als gevolg van de tyfoon tot aan de rand bezaaid geraakt met modder, stenen en takken. Het was onze taak te zorgen dat we weer helder drinkwater kregen en dat alles in de nog steeds stromende regen. Ik had gedacht dat de beide maandelijkse sesshins het moeilijkste deel van het kloosterleven zouden zijn, maar dat was niet zo. De sesshins waren weliswaar pijnlijk voor mijn benen, maar tijdens het werk moest ik mijn eigen grenzen overschrijden. Ook de andere monniken om wier slaperigheid tijdens de sesshin ik gelachen had, deden hun best. Zelfs na het invallen van de duisternis werkten ze nog gezamenlijk door.

Na elke drie dagen was er een vrije dag. Dat hield alleen maar in dat er die dag ’s ochtends geen zazen was. In plaats daarvan gingen we naar het dorp beneden om de post af te halen, benzine te halen en sojasaus en olie te kopen. Dat alles moest de steile berg omhoog gedragen worden. Kort na mijn aankomst kocht Eshin, een van de monniken van het klooster een tweedehands off-the-roadmotor. Daarmee kon hij op z’n minst een deel van de weg afleggen, maar de laatste drie kilometer moesten we toch alles op onze rug sjouwen. De dag erna gingen we dan weer aan het werk. Ontwortelde bomen moesten gezaagd worden en tot stookhout verwerkt, een begaanbaar pad richting dal moest aangelegd worden en een provisorische brug over de beek moest ook gebouwd worden. De rijst moest gedorst, de groentevelden bemest en het onkruid gewied worden.

 

Als je de tienduizend dingen naar eigen maatstaven beoordeelt, zul je nooit tevreden zijn. Alleen als je de tienduizend dingen op je af laat komen zoals ze zijn, zul je kalm en tevreden zijn.

(Dôgen Zenji)

 

Daarnaast leerde ik van de monniken dat meditatie niet alleen op het zitkussen plaatsvindt. Zazen is slechts een voorbereiding om in elk aspect van het dagelijkse leven alles van jezelf te geven. Dat dat zo moeilijk is komt omdat we ons niet volledig willen opgeven. We vinden het beangstigend om in het moment op te gaan, terwijl we juist in het één-zijn met ons handelen het levensgeluk kunnen vinden. Dat was me toen nog in het geheel niet duidelijk en vaak telde ik de minuten tot aan de volgende werkpauze. Tijdens een van de pauzes, zei Taijun tegen mij: ‘Zijn alle Duitsers zo lui?’

Zelf had ik helemaal niet het gevoel lui te zijn, want ik deed juist erg mijn best maar helaas was dat vaak niet goed genoeg. Hoewel ik voor de monniken een blok aan het been moet zijn geweest, kwam het mij juist voor dat zij zo inefficiënt werkten. Niemand vroeg mij naar mijn mening en zelfs al zou ik die geuit hebben, dan was de reactie waarschijnlijk geweest: ‘Geen woorden maar daden!’ (En inderdaad was het zo dat er wel eens dagenlang werk verricht werd, die – met een goede planning – waarschijnlijk in een paar uur volbracht hadden kunnen worden). Een goede planning zou ervoor gezorgd hebben dat de arbeid een stuk efficiënter had kunnen gebeuren. Hoeveel tijd werd er niet verspild met boomstammen te laden op de vrachtauto om ze van het ene eind van het kloosterterrein naar het andere te verplaatsen, alleen maar om na het uitladen te horen te krijgen: ‘Wat doet dat hout daar? Breng het weer terug waar het vandaan komt!’ En om niet de kar weer helemaal opnieuw vol te laden, droegen we de stammen op onze schouders weer terug. Maar terugkijkend lijkt het, dat zelfs dat een goede zenoefening voor me was.

Vaak denken we dat wat we onze tijd en energie verspillen aan zinloze opdrachten. Dan moeten we ons afvragen wat eigenlijk zinvol is. Is het zinvol om op het strand in de zon te liggen? Of op de bank voor de tv? En wat voor een zin heeft het leven eigenlijk? Geen enkele, als we niet geheel in ons handelen opgaan. Dat kunnen we maar moeilijk omdat we ons elke keer afvragen wat het leven ons eigenlijk brengt. De zin van een handeling vinden we vaak pas als we er geheel in op gaan en gewoon dat doen wat van ons gevraagd wordt. Daarom zei Sawaki Kôdô Rôshi, die tot aan zijn dood in 1965 de abt van Antaiji was: ‘Welk geluk kan groter zijn dan in omstandigheden te verkeren die je ertoe dwingen alles van jezelf te geven?’

Beetje bij beetje kwam ik meer te weten over de andere kloosterbewoners. De abt Miyaura Shinjû was de enige die uit het zuiden van Japan kwam. Hij was de jongste van zeven kinderen, die op het eiland Shikoku opgroeiden. Na zijn schoolopleiding had hij eerst enkele jaren in een kaasfabriek gewerkt, totdat hij in het begin van de jaren zeventig op wereldreis ging. Toen hij vier jaar later naar Japan terugkeerde wilde hij niet meer terug in de gevestigde samenleving. Hij besloot zenmonnik te worden, hoewel hij eigenlijk een man van de praktijk was en van nature niet hield van het stille zitten in meditatie noch van de studie van boeddhistische geschriften. Hij was een van die zenleraren die weinig sprak, maar de leer doorgaf door zelf het goed voorbeeld te geven, zo goed als hij kon. Zijn leerlingen moesten gewoon hun ogen open houden. Toen ik naar Antaiji kwam was hij twee en veertig jaar en sinds drie jaar abt. Hij had dertien jaar lang in het klooster gewoond en na zijn benoeming tot abt was hij met zijn vrouw Reiko getrouwd. Dat zenpriesters getrouwd zijn mag menigeen verbazen, maar in Japan is dat heel normaal.

Naast Jiun leefde ook Taijun, letterlijk vertaald de ‘Grote Reinheid’,  sinds zes jaar in Antaiji. Hij was drie weken voor Jiun gearriveerd en stond derhalve bovenaan in de monnikenhiërarchie. Twee jaar jonger dan de abt pretendeerde hij niet alleen de chef te zijn van de keuken maar van het hele klooster. Voor hij naar Antaiji kwam had Taiji drie jaar lang in een klooster van de Rinzaischool gewoond. Rinzai staat bekend om zijn rigoureuze strengheid omdat de monniken zich tijdens zazen concentreren op een ogenschijnlijk zinloze mentale opdracht, de zogenaamde koans. Bijvoorbeeld de koan ‘Hoe klinkt het klappen van één hand’? Twee handen zijn immers nodig om te klappen. Bij deze koan echter wil de meester van de leerling weten hoe het klappen van één hand klinkt. Logisch denken biedt hier geen soelaas, er wordt van de monnik verwacht één te worden met de ‘ene hand’.

Jaren later kreeg ik zelf de gelegenheid het leven in een rinzaiklooster aan den lijve te mogen ondervinden. Antaiji behoort echter tot de grotere tak van de Japanse zen, te weten de Sotoschool.

Tannen, de ‘Gelaten Rust’ was sinds drie jaar in Antaiji. Hij deed zijn naam slechts beperkt eer aan; hij moet de naam gekregen hebben in de hoop dat het kloosterleven een rustgevende werking op hem zou hebben. In zijn studententijd had hij in de communistische beweging gezeten en als hij sprak, leek het altijd alsof hij propaganda maakte. Het leven met hem was daarom soms moeilijk, maar zelf had hij het ook niet makkelijk omdat hij niet alleen slecht hoorde maar ook bijna niets meer zag. Helemaal onderaan in de hiërarchie stond Eshin, het ‘Genadige Hart’. Hij was pas ’s zomers aangekomen en stond het dichtst bij mij. Van hem wist ik dat hij ’s nachts uit een ander klooster was weggelopen omdat het de abt niet zozeer om de boeddhaweg ging maar meer om geld en roem. Toen Eshin in Antaiji aankwam, bezat hij niets anders dan de verscheurde werkkleding aan zijn lijf. Hij had zijn hoofd sinds weken niet meer geschoren en was nauwelijks van een zwerver te onderscheiden. 

Het leven in Antaiji was niet gemakkelijk, maar toen ik een half jaar later in het vliegtuig zat terug naar Berlijn wist ik zeker dat ik na mijn studie terug wilde komen om zenmonnik te worden. Hoewel het werk in wind en regen me niet gemakkelijk afging, zag ik dit bestaan toch veel meer zitten dan een leven van 35 uur per week achter een bureau.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

2. Wat is geluk?

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

We zijn op de aarde om het geluk te zoeken, niet om het te vinden.

(Sidonie-Gabrielle Colette, Frans schrijfster, 1873-1954)

 

We willen allemaal gelukkig zijn, maar wat bedoelen we eigenlijk met het woord ‘geluk’? Weten we eigenlijk wel in welke richting we het moeten zoeken? Of is het misschien zo hoe meer we proberen gelukkig te zijn des te minder begrijpen we wat geluk betekent. Geluk is met z’n tweetjes kijken naar een zonsondergang op een bankje aan de oever van een rivier. Geluk is ook Kerstmis vieren met je familie. Het is ook een winnende lot in de loterij. Een bos bloemen. Een tien op je rapport. De postbode die de lang verwachte brief brengt. Een glimlach. Kinderen. Een succesvolle loopbaan. Een eigen huis hebben.

Hoewel we genoeg antwoorden kunnen bedenken, blijft toch nog de vraag: Wat hebben al deze dingen die we met geluk associëren met elkaar gemeen? Kun je geluk  überhaupt onder een noemer brengen? Of betekent geluk voor iedereen iets anders? Wat is essentieel voor jouw geluk? Is geluk de stofjes in je lichaam, zoals dopamine, serotonine of noradreanaline? Zit het in chocolade? In de fles bier ’s avonds op de bank als Studio Sport op tv is? Is geld toch een voorwaarde voor gelukkig zijn? Of is het uiteindelijk alleen de liefde, die ons de sleutel tot geluk in handen geeft? En hoe staat het met seks?

En vragen we ons nog verder af: Is geluk de zin van het leven of is het slechts een onbereikbare wensdroom? Een leugen van het leven of gewoonweg de waarheid? Is het een bevrediging van onze driften of bereiken we het alleen door zelfoverwinning? Zijn we terugkijkend op ons leven gelukkig of betekent geluk juist kunnen vergeten? Ligt het geluk in de hoop op een betere toekomst of ligt het geluk in dit ogenblik besloten? Is geluk je doel of je weg? Is geluk hebben of geven?

 

Mijn god, wat is geluk! Een bord griesmeelpap, een plek om te slapen en geen enkel lichamelijk ongemak, dat is al heel wat.

(Theodoor Fontane, Duits schrijver, 1819-1898)

 

In mijn jeugd was geluk voor mij geen groot thema. Ik dacht dat in mijn leven tevredenheid en ontevredenheid elkaar in evenwicht hielden en dat het verlangen naar meer geluk vandaag, slechts de volgende dag tot meer verveling zou leiden. Mij ging het eerder om de vraag naar de zin van mijn leven. Ik wilde weten waarom ik überhaupt dit golfbad van geluk en ongeluk moest nemen. Als de Dalai Lama gelijk heeft dat de zin van het leven niets anders is dan gelukkig zijn, dan kan ik mezelf ook als gelukszoeker bestempelen. Zonder te veel vooruit te lopen, wil ik hier toch graag direct mijn antwoord geven: Geluk is loslaten. Geluk is innerlijk evenwicht, dat zich uit in dankbaarheid tegenover je leven zoals het is. 

Hoe kun je dat nou bereiken? Het zo schijnbare paradoxale antwoord luidt wederom: slechts door los te laten. Afzien van de hunkering naar geld, carrière en sociale relaties is niet voldoende. Je moet ook het geluk zelf loslaten om gelukkig te zijn. Het ligt in de aard van het geluk dat het verder van je afraakt naarmate je het meer nastreeft. Het is een beetje als bij touwtrekken: je zult er niet in slagen het geluk dichter naar je toe te trekken want het geluk is sterker dan jij. Als je juist het touw iets laat vieren zul je merken dat het meer jouw richting op komt! Omdat er niet een en hetzelfde antwoord voor alle mensen bestaat, wil ik eerst nog andere betekenissen van geluk bespreken.

 

Velen zoeken naar het geluk zoals ze naar hun hoed zoeken die ze al op hun hoofd hebben.

(Nicolaus Lenau, Oostenrijks schrijver, 1802-1850)

 

Het woord ‘geluk’ wordt in het Duits op verschillende manieren gebruikt. Geluk kan om te beginnen een gelukkig toeval betekenen zoals bij een kansspel of een gunstig lot. Hier gaat het om het geluk-hebben waarmee astrologen zich bezig houden. Als dit het soort geluk is dat jou interesseert, moet je er in de horoscopen naar op zoek gaan. In dit boek zul je hierover niets vinden.

Daarnaast kan geluk ook een aangenaam gevoel zijn, dat we ervaren als het ons goed gaat. Dit is het zich-gelukkig-voelen; het kan kort en extatisch zijn of ook langer duren en wordt gekenmerkt door rust en vrede. Met gelukkige gevoelens houdt de ‘gelukswetenschap’ zich bezig. Het gaat er enerzijds om erachter te komen wanneer wij ons hoe goed voelen en anderzijds welke delen in ons brein actief zijn als we ons gelukkig voelen.

In de derde plaats kan geluk een toestand zijn die zelfs in het ongeluk aanwezig blijft. Alleen deze vorm is in engere zin een gelukkig zijn dat uitstijgt boven het toeval en het ervaren van gelukkige gevoelens. Deze vorm van geluk ligt geworteld in een levensinstelling die gekenmerkt wordt door gelatenheid, openheid en acceptatie. Om deze laatste betekenis van levensgeluk gaat het mij, en hierbij is niet uitgesloten dat je je voortdurend gelukkig ‘voelt’.

In het Japans heet geluk shiawase. Het begrip kan met twee schrifttekens geschreven worden, die letterlijk ‘doen’, ‘werken’ of ‘dienen’ (shi) en ‘elkander’, ‘samenvoegen’ of ‘zich aanpassen’ (awase) betekenen. De oorspronkelijk betekenis van het woord is een ‘gelukkig samenzijn’ en het interessante is dat hierbij de samenwerking van twee krachten benadrukt wordt: het persoonlijke, naar buiten gerichte handelen en de inwerking van de buitenwereld op de persoon zelf.

Voor deze soort van geluk is het wezenlijk dat er harmonie is tussen het leven van het individu en de situatie waarin hij zich bevindt. Daarbij is het van belang dat je je eigen situatie zelf actief vorm geeft en verandert én dat je bovendien je situatie accepteert zoals die is. Pas dan kun je uit de situatie opmaken wat er van je gevraagd wordt en zul jij je afvragen wat je zelf kunt en moet geven. Want bij shiawasa gaat het om het wederzijdse dienen en niet zozeer om wat wij van de anderen of van het leven mogen verwachten. Geluk laat zich niet afdwingen: jouw eerste stap bestaat eruit een innerlijk evenwicht te vinden om je van daaruit naar het leven te openen. Deze openheid biedt je vervolgens de mogelijkheid aanvaardend naar buiten te treden en tegelijkertijd de omgeving bij je binnen te laten komen. De hiermee beschreven wisselwerking tussen jou, je leefsituatie en de wereld in zijn geheel is wat in het Japans shiawasa genoemd wordt.

Nu een zenmop. Een novice opent op een winterse ochtend het raam en roept verrast: ‘Meester het heeft vannacht gesneeuwd, bergen sneeuw!’ Dan vraagt de meester: ‘Hoe hoog ligt de sneeuw?’ Waarop de novice zegt: ‘Hoe hoog weet ik niet. Maar de sneeuw ligt wel breed uitgespreid!’ Ik ben bang dat wat hier over de sneeuw gezegd wordt, vaak geldt voor wat er de laatste tijd allemaal over geluk geschreven wordt. De schappen van de boekhandels liggen vol met counselors over hoe gelukkig te worden, die beweren eindelijk antwoord gevonden te hebben op de vragen waarover wijze mannen zich tevergeefs het hoofd gebroken hebben. Een hele wetenschap wijdt zich inmiddels aan het geluk, het onderzoek naar geluk beleeft hoogtijdagen. Maar dat wil niet zeggen dat daarmee de mensheid het geluk dichter nadert. Integendeel, als wij werkelijk gelukkig zouden zijn, hadden we geen boeken over geluk nodig. En omdat deze boeken uiteindelijk hun beloftes niet nakomen, blijven ze altijd goed verkopen.

Wat hebben de gelukswetenschappers eigenlijk tot nu toe concreet gevonden over de parameters van het geluk? Een professor heeft het maandelijkse minimuminkomen berekend dat een gelukkig leven garandeert; het is hoger dan mijn eigen jaarinkomen. Een ander heeft geconcludeerd dat we gelukkig zijn tijdens seks en minder gelukkig op de maandagochtend op weg naar het werk. Er bestaan daadwerkelijk geluksbijbels die ons aanraden eerst een smakelijke croissant te eten totdat de verkeersfile opgelost is. Waarom? Omdat dat de stemming verheft! Hebben we echt wetenschappers nodig om ons dit te realiseren?

Als je op internet op zoek gaat naar de geluksindex van verschillende landen vind je feiten die elkaar tegensprekend. Dan staat het rijke Zwitserland bovenaan, dan weer het arme Bangladesh. Soms zijn het de Latijns-Amerikaanse landen zoals Venezuela, Puerto Rico of Mexico, terwijl in andere statistieken Ierland of het koude IJsland de lijst aanvoeren. Waar komt deze willekeur van feitelijkheden vandaan? Een reden is dat wetenschappers niet weten welke factoren het geluk uitmaken, laat staan hoe ze te meten zijn. Daarom vragen ze de mensen vaak gewoon: ‘Hoe gelukkig ben je op een schaal van één tot tien?’ Dit uitgangspunt is absurd, zoals het voorbeeld ‘werk’ laat zien. Op een gelukschaal waarmee mensen moeten aangeven hoe ze zich voelen bij het verrichten van een activiteit, komt ‘werk’ helemaal onderaan, met daaronder alleen nog maar het item ‘de weg naar het werk’. Geluk wordt door mensen eerder geassocieerd met vakantie op het strand. Als wetenschappers onderzoeken hoe mensen zich op het werk voelen, komen ze tot de conclusie dat zij zich daar vergelijkenderwijs gelukkig voelen. Dat verklaren zogenaamde ‘flow’-onderzoekers die zich wijden aan het fenomeen hoe we opgaan in een bezigheid, door te concluderen dat werk ons de mogelijkheid biedt om onze ontevredenheid te vergeten. Omgedraaid betekent dat: we voelen ons ontevreden als we niets doen en niet als we met iets bezig zijn.

Alle enquêtes en onderzoeken ten spijt is er geen reden om aan te nemen dat bewoners van arme landen ongelukkiger zijn dan mensen in de zogenaamde eerste wereld. De bewering van het tegenovergestelde lijkt me dan ook slechts een een romantische overdrijving. Tenslotte is het antwoord op de vraag ‘ben je gelukkig?’ niet alleen afhankelijk of de persoon in kwestie inderdaad gelukkig is, maar ook wat diegene onder geluk verstaat. Denkt hij aan het geluk in het spel of geluk in de liefde? Daarbij is het verder van belang hoe eerlijk hij tegenover zichzelf en de vraagsteller is en of hij geen sociaal gewenste antwoorden geeft. Ook is zijn culturele achtergrond van invloed; wat voor een betekenis heeft het woord geluk in zijn eigen taal en cultuur?

Het willen meten van geluk wordt net name kwestieus bij de neurofysiologische richting binnen de gelukswetenschap, waartoe objectieve criteria gehanteerd worden. Hier is de sleutel tot geluk terug te brengen tot de activiteit van onze hersenschors. Wetenschappers zijn het er niet over eens of het nu de alpha-, beta- of gammagolven zijn die ons gelukkig maken, of dat we er beter aan doen met de linker- of de rechterhelft,  met de kleine of de grote hersenen te denken. Zelfs als de neurofysiologen met het maken van CT-scans precies kunnen zien hoe zich bijvoorbeeld de hersenactiviteit ontwikkelt terwijl iemand een appel of een peer eet, verandert dat nog niets aan de bijzondere kwaliteit van onze smaakbeleving. Hoe de peer smaakt als zijn zachte vlees op mijn tong smelt, daarvan is op het beeldscherm niets te zien. Is daarom de vaak gehoorde uitspraak dat geluk uit dopamine bestaat niet net zo inhoudsloos als de constatering dat lachen bestaat uit het omhoog trekken van de mondhoeken? Ik hoef de vaktermen van mijn gezichtspieren niet te kennen om te kunnen lachen. Wat het voor jou betekent om te lachen, daar kun je alleen achter komen door het te doen.

De genwetenschappers geloven zelfs dat ze ons met een geluksgen ‘een betere staat van gelukkig zijn’ kunnen geven. Het is maar zeer de vraag of dit een gelukkiger leven genereert. Bovendien is de discussie over de genmanipulatie nog steeds in volle gang en de gevolgen van zulke ingrepen in de natuur kunnen niet goed ingeschat worden.

Toch zijn er ook wetenschappelijke bewijzen die ons verder kunnen helpen als het over het thema geluk gaat. De gelukswetenschap zelf zal echter niemand gelukkig maken. Het gaat erom wat jij met deze beschikbare informatie doet.

 

Je zult nooit gelukkig zijn, zolang je je blijft afvragen waaruit het geluk bestaat. Zo lang je naar de zin van het leven zoekt, leef je niet.

(Albert Camus, Franse filosoof en schrijver, 1913-1960)

 

Vaak lezen we in onderzoeken van neurofysiologen over boeddhistische monniken dat het de meditatie is die ze gelukkig maakt. Toch vraag ik me af of het geluk waarover ik in dit boek schrijf hetzelfde item is als wat deze hersenwetenschappers meten. Hierover een kleine anekdote uit de wetenschap. Neurofysiologen wilden de hersenactiviteit tijdens de meditatie meten van een zenmonnik op het Zuid-Japanse eiland Shikoku. Nadat ze de elektroden van hun meetapparatuur op zijn schedel vastgemaakt hadden, konden ze plots hun ogen niet geloven: de hersenen van de monnik zonden golven in frequenties uit die leken op een toestand van een ongewone, stabiele geestesrust. Zo’n toestand neem je normaal alleen tijdens de slaap waar. In welke spirituele dimensie vertoefde deze monnik? De wetenschappers waren zo druk bezig met hun resultaten op het beeldscherm dat het hen totaal ontgaan was dat de monnik gewoon op zijn kussen in slaap gevallen was.

Dat de boeddhistische monniken bij de onderzoeken naar de gelukwetenschap goede resultaten behalen, kan ook andere oorzaken hebben. Zij zijn tenslotte niet altijd de halfverhongerde asceten die wij ons vaak voorstellen. Integendeel, in de meeste Aziatische landen zijn monniken zeer bevoorrecht en hun levensstandaard ligt ver boven die van de gewone bevolking. Daarom staan de deuren van het klooster niet open voor elke arme boer, maar zijn het de betere families die hun zonen naar het klooster sturen en er ook voor zorgen dat het hun verder aan niets ontbreekt. Dat monniken niet hoeven te werken voor hun eigen levensonderhoud wordt meestal als vanzelfsprekend beschouwd. Ze hoeven evenmin zorg te dragen voor een familie want met uitzondering van de Japanse priesters, die mogen trouwen, leven de monniken in de rest van Azië celibatair. Dus is het niet verwonderlijk dat deze mannen ook zonder meditatie gelukkig en tevreden lijken.

In mijn boek gaat het niet over deze vorm van zorgeloosheid en geestelijke rust. De meesten van ons kunnen deze weg sowieso niet gaan. We moeten zorgen voor ons dagelijks leven en voor onze naasten. Dat geluk mogelijk is  zonder de privileges van een monnik, gelukspillen (Prozac) of cursussen over zelfverwerkelijking, daar heeft mijn eigen weg me van overtuigd.

 

Het klopt dat geld niet gelukkig maakt. Daar bedoelen we dan wel het geld van anderen mee.

(George Bernard Shaw, Iers schrijver, 1856-1950)

 

Hier wil ik ingaan op een veelbesproken thema met betrekking tot geluk: geld maakt niet gelukkig, dat weet ieder kind, en dat wenst zich desondanks meer zakgeld. Hoewel gelukwetenschappers vastgesteld hebben dat rijke mensen gemiddeld niet gelukkiger zijn dan arme, zijn we het toch eens met de acteur Peter Falk, die zegt dat geld alleen niet ongelukkig maakt. Waarom spelen we anders met de lotto mee? Gezegd moet worden dat het niet het geld is dat ons ongelukkig maakt, maar de manier waarop we ermee omgaan. Hoeveel winnaars van miljoenen hebben het er niet gewoon door gejaagd en hebben zo hun eigen leven verwoest? Anderen spenderen het voorzichtiger maar mogelijk zijn hun medemensen jaloers en verliezen ze hun vrienden die graag een graantje mee wilden pikken. Het meest gelukkig zijn altijd diegenen die niemand over hun prijs vertellen, miljoenen op hun banksaldo hebben en gewoon zo doorleven als voorheen.  

Een echtpaar dat het winnen van de lotto zelfs voor hun eigen kinderen verzwegen had, verklaarde aan een verbaasde reporter: ‘Wij hebben ons doel in ons leven bereikt’. Is er niet altijd enige trots te bespeuren als iemand beweert volkomen gelukkig te zijn? Er is moed voor nodig toe te geven dat we ontevreden zijn en onze zoektocht naar geluk is vaak niet meer dan een vlucht.

 

De meeste mensen zijn net zo gelukkig als ze zich voorgenomen hebben.

(Abraham Lincoln, Amerikaanse president, 1809-1865)

 

Vaak wordt gezegd dat de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 de mensen het recht op geluk verschaft heeft. Daarin wordt gezegd ‘dat (alle mensen) door hun schepper met bepaalde, onvervreemdbare rechten uitgerust zijn, waaronder het recht op leven, vrijheid en streven naar geluk’. Wie deze verklaring goed leest zal het opvallen dat het geluk hier niet op dezelfde hoogte staat als leven en vrijheid. De mens heeft het recht op leven en vrijheid, maar niet heeft niet het recht op geluk, doch slechts op het streven ernaar.

Dat is een belangrijk verschil, want niet iedereen die naar geluk streeft, krijgt het ook te pakken. De Amerikaanse grondleggers waren tamelijk realistisch met hun conclusies dat het eenvoudiger is naar geluk te streven dan het te bereiken. In plaats van de mensen een concrete weg te wijzen verwordt daardoor het geluk in de Nieuwe Wereld tot een droom die slechts weinigen weten te vervullen. Geluk is in een bepaald opzicht vergelijkbaar met materiële spullen: het blote feit zelf dat we proberen er steeds van te krijgen, stemt ons niet gelukkig. Is het niet juist het streven ernaar dat ons ervan weerhoudt gelukkig te zijn? Hoe meer we het geluk achterna lopen, des te meer verwijderen we ons ervan. En uiteindelijk verliezen we niet alleen het geluk, maar ook onszelf.

 

Je kunt nooit genoeg krijgen van wat je niet nodig hebt om gelukkig te zijn.

(Eric Hoffer, Amerikaanse filosoof, 1902-1983)

 

Een andere belangrijke gedachte die met betrekking tot geluk altijd weer opduikt, is hoe wij zelf kunnen inzien hoe gelukkig wij eigenlijk zijn. Vaak vergelijken wij onze eigen situatie met die van onze buren of medemensen. Wetenschappelijk onderzoek op dit gebied wijst vaak uit dat het geluk van een ander minder geluk voor onszelf betekent. Dat zou omgekeerd betekenen dat het ongenoegen van de ander ons juist genoegen verschaft. Of zoals Aesopus schreef: ‘De ongelukkigen putten troost uit het grotere leed van de anderen.’ Maar omvat dit werkelijk het geluk en de vrede waar het ons om gaat? Ik hoop het niet! 

Dus nog eens opnieuw: Wat is geluk? We weten alleen dat geluk niet te pakken is en dat de mensheid er altijd naar verlangd heeft. De mensen die geluk het meest weten te benaderen, zijn zij die het juist kunnen loslaten. De vraag is: hoe kunnen we dat leren? Valt het überhaupt te leren? In ons dagelijks leven gaat het in het algemeen niet om het loslaten. Integendeel, we willen steeds meer: meer geld, meer seks, meer geluk… En dan nog komt het er in de praktijk vaak op neer dat ‘meer’juist ‘minder’ betekent: we hebben meer geld, maar zijn geestelijk armer. We hebben meer seks, maar met minder liefde. We hebben meer tijd, maar we weten niet wat we ermee moeten doen. We hebben meer mogelijkheden en we halen er minder uit. We zien meer van de wereld en we kennen nog niet eens onszelf. Wat geluk nu eigenlijk betekent, weten we nog altijd niet. 

 

Tevredenheid wil zeggen ophouden het na te jagen.

(Sawaki Kôdô)

 

Tien jaar geleden leefde ik een jaar lang in de hoofdtempel van de zenschool, de Saifukuji in Kyoto. Over het leven in dit klooster zal ik in het zevende hoofdstuk meer vertellen, hier beperk ik me vooralsnog tot een kleine anekdote die illustreert waartoe ons streven naar ‘iets meer’ leiden kan. Ik was samen met een groep monniken onderweg door de straten voor de ochtendlijke bedelgang. Daarbij waren we niet zo succesvol als we gehoopt hadden en in de hoop ergens anders een paar centen meer te kunnen krijgen, hadden we ons zo ver van het klooster verwijderd dat we een taxi moesten nemen om op tijd terug te zijn voor de lunch. Zo hadden we al het geld dat we met bedelen gekregen hadden, weer moeten uitgeven om terug te komen in het klooster, dat we alleen maar verlaten hadden om aalmoezen te verzamelen.

De taxichauffeur had ons snel door: ‘Jullie zijn zenmonniken op bedeltoer? Kennen jullie niet de leer van Boeddha die spreekt over weinig wensen en inzien dat het ons aan niets ontbreekt?’ ‘Wat zegt u?’, vroeg de oudste onder ons monniken verbluft. In Kyoto kennen veel taxichauffeurs de Leer van Boeddha beter dan menig zenmonnik, die vaak alleen maar in het klooster gegaan is om snel geld te kunnen verdienen. Daarom was ik niet ook verbaasd toen de chauffeur de monniken de mond snoerde: ‘Weten jullie dan niet dat je genoeg hebt zodra je ophoudt naar meer te verlangen dan je al hebt? Begrijpen jullie dan niet, dat alles wat je daadwerkelijk nodig hebt reeds in dit ene moment van het leven vervat is?’ Daarbij refereerde hij aan een beroemde spreuk die op vele oude Japanse munten staat. Vier schrifttekens zijn kwadratisch gegroepeerd en het totaal van de vier begrippen betekent: ‘Ik weet gewoon wanneer het genoeg is’.

 

Weinig eisen stellen en het inzicht dat het ons aan niets ontbreekt, zijn twee aspecten van het ‘achtvoudig ontwaken van een groots mens’, dat de inhoud weergeeft van het laatste onderricht dat Boeddha op zijn sterfbed gaf. Daarmee vatte Boeddha zijn leer samen. Het achtvoudig ontwaken van een groots mens bevat de volgende punten:

 

1. Weinig eisen stellen

2. Weten wanneer het genoeg is

3. Genieten van de stilte

4. Zich met lichaam en ziel aan de oefening wijden

5. Nooit onopmerkzaam zijn

6. Zich in concentratie verdiepen

7. Wijsheid beoefenen

8. Geen lege theorieën nastreven

 

Nauwgezette opmerkzaamheid richt zich meestal op de eerste twee aspecten, die concreet betrekking hebben op ons dagelijkse leven: weinig eisen stellen wil zeggen ophouden met het najagen van alle dingen die we nog niet hebben. Weten wanneer het genoeg is omvat het inzicht dat we allang datgene hebben wat we nodig hebben om gelukkig te zijn.

Een citaat uit de laatste preek van Boeddha, die Dogen in het hoofdstuk ‘Hachidaininkaku’ van de Shobogenzo beschrijft, geeft dit mooi weer: ‘Een mens die veel eisen stelt, heeft ook veel moeite en nood, want hij probeert veel te bereiken. Een mens met weinig eisen probeert niets te bereiken en omdat hij geen pretenties heeft wordt hij ook niet gekweld… Een mens die voldaan is met wat hij heeft is tevreden en gelukkig, zelfs al slaapt hij op de kale bodem. Wie niet tevreden is met wat hij heeft, zal zelfs nog in een hemels paleis wensen te over hebben. Wie niet weet wat genoeg is, is arm in zijn rijkdom. Wie weet wanneer het genoeg is, is zelfs in armoede rijk.”

 

Het lijkt zo te zijn dat ons geluk niet van buitenaf komt, maar berust op een innerlijke instelling. Waar moeten we naar geluk zoeken, als het niet hier is? Wanneer willen we gelukkig zijn, als het niet nu is? Alleen al daarom moet het duidelijk zijn dat elke poging het geluk buiten dit momentane ogenblik te vinden tot mislukken gedoemd is. Maar nu eerst even terug naar de jonge Duitse gelukszoeker die dacht zijn geluk in Antaiji gevonden te hebben – terug naar mijn eigen verhaal.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

3. Mijn eerste jaren als zennovice

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Geluk is een vlinder die van je wegvliegt zodra je hem achterna loopt.

Als je daarentegen stil blijft zitten, dan strijkt hij op je neer.

(Nathaniel Hawthorme, Amerikaans dichter, 1804-1864)

 

Weer terug in Berlijn, begon ik te werken aan mijn doctoraalscriptie over de Genjokoan, een tekst van Dogen Zenji. Hij was de eerste die zen in de pure vorm van China naar Japan bracht. Genjokoan is van de eerste werken die hij na zijn terugkomst uit Japan schreef. Deze tekst heb ik op een vrije wijze vertaald en het is een van basisteksten waar ik steeds op terugkom. Wanneer Dogen in de Genjokoan over de oefening van het leven en het ontwaken spreekt, slaat hij altijd weer de spijker op zijn kop en wijst ons daarmee tevens de weg naar de zoektocht naar het geluk in dít boek.

Na mijn doctoraalstudie kreeg ik de mogelijkheid een promotie-onderzoek te doen. Ik kreeg een studiebeurs om nog een jaar aan de universiteit in Kyoto te gaan studeren. Daar kon ik een proefschrift schrijven en vervolgens een academische carrière beginnen. Maar in Kyoto kwam ik er al snel achter dat het eindelijk tijd werd mijn droom om monnik te worden te verwerkelijken. Ik was vierentwintig en er waren al acht jaren voorbij sinds ik met zen in aanraking gekomen was. Als ik niet snel de sprong zou wagen, zou ik ooit als Dogen-deskundige eindigen. En dat was het laatste wat ik wilde.

Twee jaar na mijn eerste bezoek aan Antaiji klopte ik dus opnieuw op de kloosterdeur. Het voorjaar erop werd ik door mijn meester Miyaura Roshi tot monnik gewijd. De naam Muho die ik toen kreeg, betekent geen richting; wat tevens betekent: open voor alle richtingen. De naam heb ik zelf uitgezocht, want een zenmonnik leeft zijn leven als een vis in het water, vrij in elke richting, op elke plek in zijn element.

Met de wijding werd een droom realiteit en wederom was de realiteit harder dan ik me had voorgesteld. Dat het zelfvoorzienend leven in Antaiji niet eenvoudig was, wist ik al van mijn eerste bezoek, alleen nu kwam er ook nog de verantwoordelijkheid bij als monnik. Gedurende de zes maanden die ik als student in Antaiji had doorgebracht, had ik geen bijzondere taken. Nu ineens moest ik alles doen wat niemand anders wilde doen: wc’s schoonmaken, afval verbranden, de kamers voor de gasten in orde maken en na hun vertrek de lakens wassen.

De taak die de meeste tijd in beslag nam, was de verzorging van de twee geiten van het klooster, Yuki en Taro. Yuki, het vrouwtje, moest elke morgen gemolken worden. Daarmee had ik het als stadsjongen niet makkelijk. Dat moet ze gevoeld hebben en dus was het zaak geduld te bewaren: hoe meer ik met haar in conflict raakte, des te minder mocht ik aan haar uiers komen. Na enige tijd konden we het goed met elkaar vinden. Dan was er nog Taro, de geitenbok. Hij overnachtte altijd buiten en had meestal slechte zin. Taro was niet alleen sterker dan Yuki – dat maakte het in het begin beslist moeilijker om met hem te dealen -, hij had ook een penetrante lijfgeur. Als ik eindelijk met de emmer melk terug de keuken inkwam, stonk ik niet alleen naar mijn eigen zweet. Vaak was dan het werk in de bossen of op het veld al begonnen en moest ik me haasten om niet al te laat bij de andere monniken te zijn.

De verzorging van de geiten en alle andere taken op zich waren eigenlijk niet het werkelijke probleem, ik had gewoon graag iets meer tijd voor mezelf gehad. Vaak had ik nog niet eens de tijd om na het eten mijn tanden te poetsen. Dat een zenmonnik geen tijd voor zichzelf heeft, is een vanzelfsprekendheid waar geen discussie over mogelijk is. De 24 uur per dag behoren toe aan de oefening van de zenweg en in een klooster omvat dit niets anders dan zichzelf ten dienste te stellen van de gemeenschap.

Daar kwam ook nog eens bij dat er in de kloostergemeenschap een strenge hiërarchie heerste. In Duitsland was ik gewend mijn mening te geven, vaak zelfs nog voordat ik naar de anderen geluisterd had. In het zenklooster echter was niemand geïnteresseerd in de mening van een nieuwkomer. Daar werd je geacht te gehoorzamen, zelfs al scheen het me vaak zinloos toe wat de oudere monniken te melden hadden. Er heerste een strenge pikorde – zoals bij kippen –,  maar in mijn ogen bezat niet iedere monnik een hogere spirituele rijpheid. Enkele ouderen waren vaak echt gemeen en ik was teleurgesteld, want zelfs mijn meester, van wie ik een gebruiksaanwijzing tot een ontwaakt leven verwacht had, maakte mij het leven vaak nog moeilijker. Ik vroeg me af wanneer ik eindelijk de monniken ging begrijpen en zij mij.

Ook de keukendienst was niet eenvoudig. In Antaiji ging het niet zo gemakkelijk als in Shorinji waar gezegd werd: ‘Je redt het wel!’ Vaak waren de pasta’s te hard, dan weer te zacht. Er zat teveel zout in de soep of te weinig. De ene dag was de rijst te waterig, de andere dag te droog. Als ik vroeg of er niets belangrijker was in het leven van een zenmonnik dan het eten, luidde het antwoord: ‘Nee, als je kok bent, is er niets belangrijker dan het eten!’ ‘Hoe zit het dan met zazen? Zijn we niet allemaal hier om zazen te beoefenen?’ ‘Als je in de meditatiehal zit, denk dan alleen maar aan zitten. Als je daarentegen in de keuken staat, denk dan alleen maar aan koken. Wie beweert dat het één belangrijker is dan het ander?’

 

De boeddhaweg is eeuwig en onbegrensd – hoe zou deze ooit in jouw kleine wereld  van geluk en tevredenheid kunnen passen?

(Sawaki Kôdô)

 

Een zenmonnik is niet verplicht zijn leven lang in een klooster te blijven. Maar in Antaiji werd gezegd: ‘Blijf op zijn minst eens tien jaar!’ Want dan heeft het geen nut meer om als Robinson Crusoe de dagen te tellen. Zodra het einde niet meer in zicht is, overstijgt de ontevredenheid met de huidige situatie plots alle grenzen. Tijdens mijn verblijf stootte ik telkens weer op innerlijke en uiterlijke tegenstand. Ik had een gescheurde pees, wat zowel het werk als het zitten in meditatie hinderde. Voortdurend had ik last van buikkrampen, die ik meende met vasten te kunnen genezen; dat maakte het alleen maar erger. ’s Winters had ik last van aambeien. En op een gegeven moment ging de kramp in mijn linkeronderbeen niet meer over, waardoor ik het grootste gevoel in mijn voet voor altijd verloor. Om kort te gaan, ik was aan het eind van mijn grenzen gekomen en voelde me een slachtoffer van de omstandigheden.

Ik had gedacht de eindeloze verveling van mijn leven te kunnen ontvluchten door zenmonnik te worden. Maar het leven in het klooster dat me eerst een halt toeriep, liet me geen enkele vrijheid. Het leek alsof ik stikte en ik wist nog niet eens waarom. Sawaki Kôdô Roshi heeft goed beschreven hoe we onszelf in zo een benarde situatie brengen: ‘Je denkt dat geluk en tevredenheid eruit bestaan dat je je kunt ontdoen van alle lijden om vervolgens alleen nog maar het geluk te  hoeven verwelkomen? Dat is niet juist. Hoe groot jouw lijden ook mag zijn, het gaat er niet om met handen en voeten om je heen te slaan en te trappen, het gaat er juist om je kalmte te bewaren. Wil je de toestand zien waarin een geest geen rust vindt, dan kijk naar een muis die in een val gevangen zit. Hij probeert met alle geweld eruit te komen. De mens die dat ziet pakt de muis en geeft hem aan de kat. De kat vreet hem met genoegen op. Zo zul je inzien dat het slaan met handen en het trappen van voeten louter krachtsverspilling is. Zit gewoon in alle rust in zazen.’   

Mijn meester had mijn toestand natuurlijk allang doorzien. En wat deed hij? Hij kroop in de rol van de kat toen hij zei: ‘Jij doet überhaupt niet terzake!’ Dat klonk ineens heel anders dan wat eerst gezegd werd: ‘Jij belichaamt Antaiji!’ Sprak hij zichzelf niet tegen? En hoe kon hij beweren dat het hier niet om mij ging, als ik diegene moest zijn die Antaiji vorm gaf?

In werkelijkheid horen deze twee uitspraken bij elkaar als de twee kanten van een medaille. Als ik Antaiji belichamen wil om zo de wereld te veranderen, moet ik bij mezelf beginnen. Maar dat wil niet zeggen dat ik alles zo moet doen als dat ik het wil in de hoop dat alles zo loopt als dat ik me dat wens. Tenslotte maakt het leven in Antaiji deel uit van een gemeenschap. En alleen maar omdat ik dat niet wilde inzien, sloeg en trapte ik met handen en voeten om me heen. Jij doet überhaupt niet terzake wil niets anders zeggen dan af te zien van de persoonlijke belangen en eindelijk eens rust te vinden. En om van Antaiji werkelijk een plek te maken om de boeddhaweg te oefenen is het niet alleen zinvol, maar zelfs noodzakelijk om te zeggen: ‘Uiteindelijk doe ik zelf helemaal niet terzake!’ De boeddhaweg is niet mijn eigen, oorspronkelijk idee, het past niet in mijn beperkte visie, het gaat verder dan dat ik vanuit mijn eigen perspectief kan zien. De boeddhaweg stijgt uit boven het beperkte inzicht van mijn ego. Deze houdt zich niet bezig met mijn voorliefdes of wensen, het is geen middel tot een doel. De boeddhaweg interesseert zich nog niet eens voor mijn geluk of ongeluk.

    

‘Ach’, zei de muis, ‘de wereld wordt met de dag kleiner. Eerst strekte hij zich zo ver uit dat ik angst had, ik liep verder en was blij toen ik eindelijk links en rechts in de verte muren zag, maar deze lange muren worden steeds smaller en nu ben ik inmiddels in de laatste kamer gekomen en daar in de hoek staat de val, waar ik in loop.’ ‘Je hoeft alleen maar de richting te wijzigen waarin je loopt!’, zei de kat en at hem op.

(Franz Kafka, Tsjechisch schrijver, 1883-1924)

 

Inderdaad waren het mijn meester en ook de andere monniken in de gemeenschap die mij soms hard, soms wat milder erop wezen dat het in Antaiji niet om mijn eigen idee van geluk en tevredenheid ging. In zen wordt het samenleven onder monniken voorgesteld aan de hand van de metafoor van losse stenen, die langs elkaar rollen en zo elkanders oneffenheden wegslijpen, totdat de ruwe stenen blinkende edelstenen zijn geworden. Dat is precies wat een zengemeenschap is: een plek waar zich onbehouwen individuen elkanders egoïsme afslijpen. En soms doet dat pijn.  

Waarom in een zenklooster zoveel waarde gehecht wordt aan het gemeenschapsleven wordt door Dogen Zenji in zijn Genjokoan als volgt verwoordt: ‘Als je met een boot naar het midden van de oceaan vaart en vervolgens in alle windrichtingen tuurt, dan zal de oceaan je cirkelvormig voorkomen; andere vormen zijn er niet. De oceaan is echter niet cirkelvormig noch vierkant, maar bezit daarentegen onuitputtelijke verschijningsvormen. Voor de vissen is het als een paleis en van de hemel uit bekeken is het als een edelsteen. Alleen in jouw waarneming is het cirkelvormig… Jouw ogen zien alleen wat binnen de horizont van jouw leren ligt. Als je naar de aard van de dingen vraagt, mag je niet alleen maar rond en vierkant zien, maar zul je de alle grensoverschrijdende, onbegrensde verschijningsmogelijkheden van oceanen en bergen in alle windrichtingen gewaar moeten zijn. Weet dat dit niet alleen voor je verre omgeving geldt, maar ook voor die hier direct voor je voeten.’

Deze woorden zeggen dat ieder van ons in zijn eigen wereld leeft, die hij vanuit zijn eigen persoonlijke standpunt bekijkt. Andere mensen zien de dingen dus met andere ogen dan ik en het is belangrijk te begrijpen hoe zij die zien. Ik zal moeten inzien hoe begrensd mijn horizont is. Vaak is dat niet eenvoudig in te zien omdat ik de grenzen van mijn eigen inzicht en begrijpen nog niet eens kan waarnemen, laat staan die verklaren. Nog veel minder kan ik zien en begrijpen wat over deze grenzen gaat, vooral wanneer ik de kritiek van anderen niet wil horen, want dan pas kan ik mezelf in een ander daglicht plaatsen. En dat is juist waar het om gaat: Dogen heeft het hier niet over een of andere oceaan en zus of zo bergen, maar over de grond die zich onder mijn voeten bevindt: ik zelf. Maar omdat ik in eerste twee jaar als zennovice mijn ogen alleen maar richtte op de anderen, zag ik mezelf niet. Ik zag slechts de fouten van de ander, niet die van mezelf. Het was dus niet verwonderlijk dat het me op geen enkele manier lukte Antaiji vorm te geven.

Uiteraard moet iedereen leren met zijn eigen hoofd te denken en met zijn eigen ogen te zien. Het is echter net zo belangrijk te begrijpen dat dit denken en zien zeer beperkt zijn. Dat geldt natuurlijk ook voor het horen: we zijn altijd zeer gevoelig als het om het lawaai van onze buurman gaat, maar horen we ook wat voor een lawaai wij in de oren van onze buurman produceren? Wat voor een individu moeilijk te doen is, zal in een groep gemakkelijker zijn, als je alleen maar luistert. Voortdurend zullen de anderen je met fouten confronteren die je zelf nog niet eens opgevallen zijn. Dit is kortweg de basale blauwdruk van de zenweg. Het is ook hier makkelijker de wereld te kritiseren dan je eigen fouten te zien. Als ik als novice niet op een gebruiksaanwijzing gewacht had hoe ik tot een hoger, spiritueel niveau kon geraken, dan had ik ook niet de eerste twee jaar van mijn monniksleven verspild met me slechts te bemoeien met de fouten van anderen.

 

Als de bloesem van de lente verwelkt, voel je spijt en als in de zomer het onkruid groeit, bemerk je woede. En dat is alles.

(Dôgen Zenji)

 

Het eerste jaar in Antaiji was niet gemakkelijk, want ik moest me in de eerste plaats op het kloosterleven richten met zijn eigen regels, die vaak niet eenvoudig te begrijpen waren. Toch had ik een duidelijk doel voor ogen, namelijk de hoop dat mijn ontevredenheid snel zou oplossen. Toen ik voor het eerst in de herfstregen modder schepte, telde ik de dagen tot aan de winter, waarin wij monniken de tijd hadden om boeken te lezen. ‘s Winters wanneer elke dag dezelfde soep met licht verschimmelde aardappels voorgezet werd, verheugde ik me op het voorjaar. In het voorjaar op zijn beurt, als het eten echt karig werd was het werk het zwaarst: de wegen moesten weer begaanbaar gemaakt worden, de groentevelden ingezaaid en ten slotte de rijst aangeplant. Waar ik dan naar uitkeek was de zomer met verse groente en het vooruitzicht om op een vrije dag eens naar zee te kunnen gaan.

Je zou zeggen dat ik na het eerste jaar wel enigszins gewend was, maar om eerlijk te zijn was het tweede jaar nog veel moeilijker. Nu wist ik het beter: elk jaargetijde heeft zijn eigen problemen en wilde ik mijn situatie veranderen dan moest ik er zelf iets aan doen – alleen wist ik niet hoe! Toen ik de tweede winter in Antaiji meemaakte, had ik alle hoop verloren. Het enige wat mij er toen van weerhield om niet weg te lopen was de sneeuw en de overtuiging dat als ik in Antaiji niet met het leven kon dealen, ik het nergens zou redden. Ik was toen niet de enige die door twijfel geplaagd werd: Jiun, die mij bij mijn aankomst van de bus afgehaald had, kreeg ruzie met de meester en ging weg. En ook Seiryu, een jonge monnik die al de tweede keer in Antaiji was, wilde het nog een keer in het wereldlijke leven proberen. In dezelfde maand vernamen we dat een grote aardbeving de stad Kobe, ten zuiden van de bergen, vernietigd had. De hulpeloosheid over mijn eigen situatie werd nog eens versterkt door het gevoel ook de andere mensen in nood niet te kunnen helpen.

 

Je wilt een boeddha worden? Wat een overbodig gedoe! Wees gewoon jezelf in elk ogenblik. Wat denk je te kunnen bereiken als je deze plek opgeeft?

(Sawaki Kôdô)

 

Ik kon het hele gebeuren niet meer aan. De zo schijnbaar uitzichtloze situatie ontnam me elke kracht, wat mijn lijden nog alleen maar verzwaarde. Op een gegeven moment was het zo alsof ik niet meer leed, maar dat het lijden bezit genomen had van mij. Wat het bijna nog eenvoudiger maakte: ik verzonk in een toestand van passiviteit. Simpele opdrachten zoals poetsen of de keukendienst kostte me drie keer zoveel tijd als voorheen. Ik bewoog als in slow motion.  Seksuele begeerten – geen klein probleem voor een zenmonnik – waren geen issue meer. Weken en maandenlang leefde ik als een zombie. Pas jaren later, toen ik boeken ging lezen over psychologie, zag ik in dat ik een depressie gehad had. Toch probeerde ik mezelf deze winter wijs te maken dat ik me slechts in een tunnel bevond waar op het eind de verlichting op me wachtte.

In de lente monterde mijn zwaarmoedige stemming enigszins op, echter de verlichting had ik nog steeds niet gevonden. Dus pakte ik al mijn boeken in dozen en verscheepte ze terug naar Duitsland, van plan om elk moment met lichte bagage op de rug de terugreis vanuit Antaiji te ondernemen. Taijun, die inmiddels in een eigen tempel niet ver van Antaiji woonde, bracht ik van mijn plannen op de hoogte. Hij zei: ‘Dat Antaiji niet geschikt is voor een wijsneus zoals jij had ik je gelijk kunnen vertellen. Maar wil je werkelijk als loser terug naar Duitsland? Wat jij nodig hebt is een strenger klooster!’

En dat terwijl ik dacht dat het leven in Antaiji al streng genoeg, eerder te streng was. Omdat me in Duitsland daadwerkelijk niets anders te wachten stond dan het besef dat ik het opgegeven had, besloot ik het nog een keer te wagen. Al de jaren van zenoefening konden toch niet voor niets geweest zijn. Met hulp van Taijun vertrok ik in de herfst na twee volle jaren uit het klooster Antaiji. Of ik ooit nog eens terug zou komen wist ik niet. Natuurlijk hoopte ik mijn meester en mijn medebroeders weer eens te zien, maar nu ging mijn weg een andere richting uit. Enkele dagen later knielde ik voor de deur van het Rinzai-klooster Tofukuji in Kyoto, waarnaar Taijun me verwezen had en dat berucht stond om zijn strengheid. Er was geen weg meer terug en zelfs toen de oudste monnik mij ter begroeting in de kraag vatte en me de stenen trap terug naar onder wierp, wist ik dat mijn weg alleen nog maar door deze poort zou gaan.

 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

4. Waarom ben ik ontevreden?

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Alles is goed. De mens is ongelukkig omdat hij niet weet dat hij gelukkig is. Alleen maar daarom. Dat is alles, alles! Diegene die dat inziet, zal direct gelukkig zijn, meteen, nog in dit zelfde ogenblik.

(Fjodor Michailowitsch Dostojewski, Russisch schrijver, 1821-1881)

 

Hoe meer we naar geluk streven, hoe ontevredener we zullen zijn met onszelf. Waarom vinden we het zo moeilijk in te zien dat we allang gelukkig zijn en dat er niets is waar we naar streven moeten? Waar komt dit voortdurend knagende gevoel van ontevredenheid vandaan, deze angel in onze borst? De Engelse rockband Rolling Stones lanceerde in het jaar 1965 hun eerste hit met “I can’t get no satisfaction”. Deze song trof de snaar van de tijd en heeft sindsdien niets van zijn glans verloren. Vandaag net zoals toen, hebben we het gevoel dat het ons aan iets ontbreekt.

  Waar zijn we eigenlijk naar op zoek? Geld, liefde, seks? Zijn we op zoek naar meer succes of meer vrije tijd? Misschien willen we wel van alles een beetje, maar uiteindelijk is het toch het gevoel gelukkig te zijn, wat ons ontbeert. En het maffe daarin is: Hoe sterker we het geluk achterna lopen, des te eerder verliezen we onszelf – zo als we nu en hier leven – uit het oog. Geluk ligt voor ons altijd aan de andere kant van de berg, we willen met ons huidige leven, zoals het is, helemaal niet tevreden zijn.

Alhoewel het ons aan niets ontbreekt, is er toch steeds dit verlangen naar meer.

  Ik ben ervan overtuigd dat niet alleen de moderne mens dit gevoel heeft, maar dat het er al was in de oertijd. Zouden de eerste mensapen rechtop zijn lopen en naar werktuigen gezocht hebben voor hun vrijgekomen handen, als ze tevreden waren geweest met hun aap-zijn? Zouden ze vuur gemaakt hebben, als niet een innerlijke impuls ervoor gezorgd had dat ze de instinctieve angst ervoor konden overwinnen? Ik denk dit niets anders is dan uitingen van de ontevredenheid met de huidige situatie en dat we er de uitvinding van het wiel, het papier en de drukkunst aan te danken hebben. Tevens heeft dit geleid tot vernieuwing in de psychologie en religie, alsmede in de geneeskunst en de natuurwetenschappen. We zijn niet tevreden met hoe het is, dus gaan we door. De vraag echter, die overigens terecht gesteld wordt, luidt: Welke richting gaan we eigenlijk uit? Heeft de vooruitgang ons een stap dichter bij geluk gebracht? Zo te zien niet, want anders zou je geen boeken over geluk lezen, toch? Als het om geluk gaat, schijnt slechts een ding zeker te zijn: De ontevredenheid is geen uitzonderlijke toestand, waarvoor we ons slecht moeten voelen. Neen, deze ontevredenheid is onze normale toestand. Als we deze niet accepteren zoals hij is, dan houden we slechts onszelf voor de gek als we naar geluk zoeken.

  Maar we komen altijd uit op de vraag wat geluk eigenlijk is. Daarvoor zijn er de meest uiteenlopende verklaringen: de hedonisten zeggen dat geluk niets anders omvat dan genieten van het leven. Ons probleem echter is dat we nooit genoeg kunnen krijgen. De Griekse filosoof Epikur zei al: “Voor wie genoeg te weinig is, zal nooit genoeg hebben.” Zo verklaarden de Grieken de zelfvoldaanheid tot geluk. Maar ook hier schuilt een adder onder het gras: We zijn alleen maar tevreden als het om niets minder dan ons zelf gaat. Is dat niet juist de reden waarom we zozeer naar bevestiging en bevrediging zoeken? En zodra de mens inziet op welke wankelende benen niet alleen het materiële bezit, maar ook de sociale status en intermenselijke relaties staan, dan richt hij zijn hoop al snel richting het hiernamaals.

  Zo was het in de Middeleeuwen. Het geluk, dat in de oudheid nog in de vorm van gematigd genot enigszins grijpbaar scheen, werd tot een belofte voor het volgende leven. Het leven omvatte slechts de voorbereiding, het geluk zelf wachtte ons op in de hemel. En toen Friedrich Nietzsche in de negentiende eeuw god tot dood verklaarde, was voor de filosofen ook het geluk allang begraven. Sigmund Freud, de grondlegger van de psychoanalyse, had het geluk ook al afgeschreven: “De intentie dat een mens gelukkig is, is niet in het plan van de schepping opgenomen.” En tot deze conclusie kwam ook de Franse filosoof Michel Foucault: “Geluk bestaat niet en het geluk van de mens bestaat nog minder.”

 

Daar waar je niet bent, daar is het geluk

(Pools spreekwoord)

 

Deze uitingen over geluk klinken zeer negatief. Ergens vind ik ze juist daardoor verfrissend want hun duidelijke standpunten met betrekking tot geluk maakt in ieder geval een ding helder: We hoeven ons niet te schamen voor onze ontevredenheid. Er zijn belangrijkere dingen in het leven dan je goed voelen. Anderzijds: Waar komt deze ontevredenheid met onszelf en ons leven eigenlijk vandaan en hoe gaan we ermee om?  

  „Het vergelijken is het einde van het geluk en het begin van de ontevredenheid”, schreef de Deense filosoof en theoloog Søren Kierkegaard en hij raakt daarmee ons dilemma in de kern: Wij zijn ontevreden omdat we altijd nog iets meer gelukkiger zijn willen. “Pas in ongeluk, weet men daadwerkelijk wie men is”, zegt daarentegen de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig en ziet daarmee deze toestand als een beproeving, waarin we onszelf leren kennen. De schrijver Hermann Hesse voegt toe: “Ongeluk wordt tot geluk, als men het najaagt.” Wij zouden kunnen toevoegen: Geluk wordt tot ongeluk, als men het vasthoudt. Geluk dat daaruit bestaat het ongeluk te accepteren is voor ons leven belangrijker dan het geluksgevoel dat een opponent van ontevredenheid is. Tijl Uilenspiegel bijvoorbeeld lachte tijdens zijn wandelingen als hij bergop ging want hij wist dat het ergens weer bergafwaarts zou gaan. Als hij bergafwaarts ging, huilde hij omdat hij de volgende, moeizame klimtocht voor zich zag. Maar ons leven mag niet door zulke gemoedstoestanden geleid worden, maar moet door een gefundeerde geestesinstelling gedragen worden. Daarvoor is het noodzakelijk dat we geluk en ongeluk, tevredenheid en ontevredenheid niet als tegenstellingen zien maar als een samenhangend geheel.

  Maar we weten nog steeds niet wat de zin van ontevredenheid is. Een antwoord zou kunnen zijn dat het in het evolutionaire overlevingsgevecht voordelen biedt. Daarin had Freud gelijk dat het individuele geluk niet in het plan van de schepping is opgenomen, want als we altijd zo tevreden zouden zijn als na een goede maaltijd of goede seks, dan zou ons niets meer van de ligstoel op het terras af krijgen. Alleen daarom al mag het niet ons doel zijn ons brein met dopamine en andere gelukshormonen te overspoelen. Maar we moeten ons ook niet gewoon bij onze ontevredenheid neer leggen. We kunnen het namelijk ook een zin geven. 

 

Het is goed als het ongeluk jou treft. Want dan zie je weer helder voor ogen. Het is niet zo goed als het je altijd voor de wind gaat. Dan trek je een gezicht als een kater die zich slaperig  in de zon uitrekt.

(Sawaki Kodo)

 

Dit citaat attendeert ons erop dat we alleen door ontevredenheid en teleurstellingen tot geluk kunnen geraken. Geluk is daarmee de keerzijde van het ongeluk. Dogen Zenji beschrijft deze samenhang waar het hier over gaat in de “Genjokoan” met eenvoudige woorden: “Verlicht is hij, die zijn illusies doorziet. Vergissen doet diegene die zich illusies over de verlichting maakt.” Met betrekking tot geluk zou het als volgt luiden: “Gelukkig is diegene die de aard van zijn ontevredenheid doorziet. Ongelukkig is hij die zich grote illusies over het geluk maakt.” Op deze manier was ik ongelukkig na twee jaar in het klooster Antaiji. Ik was monnik geworden, had een carrière opgeofferd, echter het geluk waar ik zo op hoopte, kwam niet tevoorschijn.

 

Je bent nooit tevreden: Je bent nog niet eens met jezelf tevreden en daarom doe je je best om iemand anders te worden. Maar dat is nou juist het punt waar jouw dwaling begint. Je bent niemand anders dan die, die op dit moment ontevreden met zichzelf  zijn leven leeft. Er kan niemand anders voor jou in de plaats zijn. En alles wat je op dit moment denkt en wilt en doet, ben je zelf, onvervangbaar zoals je bent – dat wil zeggen,  er is geen ware, gelukkige zelf is buiten deze ontevreden zelf hier en nu.

(Sawaki Kodo)

 

Als men in de jaren 80 de jeugd gevraagd zou hebben of ze gelukkiger zouden zijn als ze met Michael Jackson konden ruilen, dan zouden waarschijnlijk velen met “Ja!” geantwoord hebben. Michael was op het hoogtepunt van zijn carrière, een dansgenie die meer platen verkocht als indertijd de Beatles. Vandaag hebben de idolen andere namen, maar veranderd is er niets: We willen niet onszelf zijn, we willen het leven van een ander hebben. Daarbij is het toch duidelijk dat ook de sterren niet gelukkiger zijn dan wij zelf – misschien zelfs in tegendeel. Ze wensen zich waarschijnlijk niet meer dan eens in alle rust te kunnen gaan eten zonder zich een weg te moeten banen door hordes journalisten. Als wij in de supermarkt gaan inkopen vraagt ons niemand om een handtekening – maar we beseffen niet welk een voorrecht dat eigenlijk is.

  Maar een ding schijnen we altijd zeker te weten: dat onze huidige situatie nog altijd beter kan. En we denken dat we eigenlijk gelukkiger zouden moeten zijn, dan dat we zijn. Soms hebben we zelfs de neiging om ons tegenover anderen gelukkiger of ongelukkiger voor te doen dan dat we eigenlijk zijn. En anderzijds maken we ons minder druk om ons geluk, als we op dat moment gelukkig zijn.

 

Je wilt zo gelukkig zijn als de rest? Je zegt: “Ik zou graag zo willen zijn als jij?” Jouw geluk is niet het geluk van een ander. Je moet je eigen geluk voor jezelf vinden.

(Sawaki Kodo)

 

Ik heb het gevoel dat veel mensen bij de zoektocht naar geluk gewoon de ontevredenheid van hun dagelijkse leven weg wensen en met een grote sprong in het geluk willen duiken. Maar zo eenvoudig is het niet, de ontevredenheid mag niet buiten de deur blijven als het om geluk gaat.

  Voor Shakyamuni, de historische Boeddha die 2500 jaar geleden in India leefde, was de ontevredenheid het uitgangspunt van zijn Leer, wat vaak in de beroemde zin “leven is lijden” verwoord wordt. Dit mag niet verkeerd begrepen worden, het boeddhisme zegt niet dat het leven een eindeloos, elkaar opvolgend catastrofaal verlopend noodlot is. Tenslotte was het leven van de jonge Shakyamuni alles behalve een lijdensweg. Als prins geboren bezat hij alle luxe die hij zich maar wensen kon. Daarbij had hij een vrouw en een zoon en – wat vaak verzwegen wordt – ook vele concubines. Maar wat meende Shakyamuni dan met lijden? Reeds eeuwen voor de Griekse filosofen had hij ingezien dat genot en vreugde nooit tot tevredenheid leidde. We willen altijd meer. „Leven is lijden“ betekent daarom preciezer gezegd: „Niets stelt werkelijk tevreden.”

  Shakyamuni onderscheid acht aspecten van het lijden of beter gezegd van de ontevredenheid. De eerste vier zijn het leven, het ouder worden, ziektes en de dood. Velen zullen toegeven dat het moeilijk is om met het leven, het ouder worden, de ziekte en dood tevreden te zijn. Maar waarom zou het leven zelf een reden tot ontevredenheid zijn? Een existentialist zal waarschijnlijk antwoorden: Omdat het een onderdompeling in de absurditeit is. Niemand van ons is gevraagd of hij of zij in deze wereld geboren wilde worden. En op een gegeven moment vragen we ons af: Waarom ben ik hier? In mijn kinderjaren en jeugd was dat mijn grootste probleem. Mij ontbrak het aan niets, van ouder worden, ziekte en dood kon nog geen sprake zijn. Maar het leven zelf kwam me voor als in een kerker. Ik kan me voorstellen dat het de jonge Shakyamuni in zijn koningspaleis net zo verging.

  De andere vier aspecten van ontevredenheid zijn de scheiding van geliefden, de samenleving met ongewenste anderen, het niet vervuld worden van wensen en het lijden aan de eigen situatie. De eerste twee laten aan de hand van een concreet voorbeeld van intermenselijke betrekkingen zien wat de laatste twee in algemene vorm uitdrukken: We krijgen nooit precies dat wat we willen. En we willen altijd precies dat, wat we niet kunnen krijgen. Dat geldt niet alleen voor de onbeantwoorde liefde. Weliswaar kan door het vuur van de liefde van beide kanten de scheiding overwonnen worden en een samenleven ontstaan. Maar vaak moeten de geliefden, die zich als het gelukkige prinsenpaar aan het eind van het sprookje waanden, concluderen dat hun gevoelens sneller dan verwacht verdampen. Uit de grote liefde wordt dan een “samenleven met de ongewenste ander”. 

 

I can’t live – with or without you.

(U2, Ierse popband)

 

Shakyamuni leert dat de reden voor deze ontevredenheid nergens anders dan in onszelf te vinden is. We lijden omdat we naar datgene verlangen wat aan de andere kant van de horizon ligt, terwijl we onze ogen sluiten voor de werkelijkheid. In een zin samengevat kan het boeddhisme dus als een uitnodiging gezien worden: “Open je ogen en zie de dingen zoals ze zijn!” Oorspronkelijk leerde het boeddhisme drie kenmerken van de werkelijkheid: als eerste het feit dat niets blijvend tevreden stelt. Ten tweede het feit dat niets blijvend is, alles is vergankelijk. Ten derde het feit - dat met de eerste twee samenhangt – dat niets substantie heeft. Dat betekent tevens en vooral dat er in werkelijkheid niets is dat met “ik” of “mijn”, “jij” of “jouw” aangeduid kan worden. Het voordurend vasthouden aan de eigen persoon wordt in het boeddhisme als oorzaak van het lijden gezien.

  Deze drie kenmerken werden al snel door een vierde voltooid, dat in de loop van de historische ontwikkeling van het boeddhisme het eerste kenmerk – “leven is lijden” – verdrong. Het vierde kenmerk is: de vredevolle stilte van het nirvana. Waar, zul je je afvragen, heeft in de ontevredenheid met het leven het nirvana zijn plek? Sommige boeddhistische scholen antwoorden dat het nirvana bereikt wordt als we ons verlossen van het lijden in het leven. Daarvoor is het noodzakelijk, door ontelbare cycli van wedergeboorten heen de boeddhaweg te bewandelen tot je “op een mooie dag” zelf tot boeddha wordt en in het nirvana binnentreedt. Het nirvana heeft daarmee een vergelijkbare betekenis als de hemel in het christendom met het enige verschil dat het niet al na een leven, maar eerst na ontelbare levens (en dood) te bereiken is.

  Maar dat is niet het uitgangspunt van zen. Als het nirvana in het hiernamaals ligt, dan wordt het streven ernaar zelf reden tot lijden. Want daardoor wordt het nirvana tot de “blauwe vogel”, die eerst eens gevonden moet worden. In zen ligt het nirvana niet in het hiernamaals wat tegenover het nu – wat in het boeddhisme met het begrip “leven-en-dood” uitgedrukt wordt – staat. In de woorden van Dogen Zenji: “Begrijp dat leven-en-dood niets anders is dan het nirvana zelf!” Verder schrijft hij in zijn belangrijk werk “Shoji” (letterlijk: “leven-en-dood”):  “Als je naar het geluk buiten het hier en nu zoekt is hetzelfde als dat je naar de zuidpool gaat om de Poolster te vinden. Je zult alleen nog maar ontevredener worden met je huidige situatie terwijl je jezelf en je geluk uit de ogen verliest. Begrijp dat je huidige situatie zelf nirvana is. Probeer niet van je eigen situatie weg te lopen. Het heeft ook geen zin om het nirvana achter na te lopen. Alleen als je loslaat en in het hier en nu opgaat zal het je lukken om nirvana in het dagelijkse leven te verwerkelijken.”

  Ontevredenheid en geluk zijn niet te scheiden – als de twee kanten van een medaille. Het gaat er niet om, ons van onze ontevredenheid te ontdoen maar ons te openen voor de ontevredenheid. Jaren na hun eerste hit speelden de Rolling Stones de song: “You can’t always get what you want, but if you try sometime, you just might find you get what you need.” Als we leven en dood accepteren zoals ze zijn zien we wat we al die tijd niet wilden zien: Ons ontbreekt het aan niets. Nirvana is het leven op dit moment. Deze eenvoudige wijsheid zou ik al snel in het klooster Saifukuji leren.

 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

5. De weg uit de impasse

-------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Geluk vindt hij, die een harde school doorloopt. Die begrijpt dat tegenslag niet noodzakelijkerwijs tegenslag is en dat vreugde niet noodzakelijkerwijs vreugde omhelst. De doorsneeburger maakt een groot theater om niets. Hij draait alleen maar rondjes, loopt achterna wat hem zint en loop weg van wat hem niet zint – terwijl het grootste geluk daaruit bestaat, alles gewoon welkom te heten.’

(Sawaki Kodo)

 

 „TANOOOMIMAAASHOOO!“ riep ik zo luid ik kon, op een vroege ochtend van een mooie oktoberdag in Kyoto. Ik stond in de entreehal van het Saifukuji klooster en mijn woorden betekenden zo veel als: “Ik verzoek binnen te mogen komen!” Wat volgde was een ritueel: De oudste monnik verscheen om te vragen wat er aan de hand was. Nog een keer bracht ik mijn verzoek ten gehore – met het hoofd op de houten planken, waarop ik geknield zat. Voor me lag een brief, die iedere nieuwkomer hebben moet. Er staat een levensloop in en de toezegging het klooster niet te verlaten voordat verlichting bereikt is. Daarbij moet de nieuweling ondertekenen akkoord te gaan met elke handeling, hoe brutaal dan ook, ook al kost hem dat zijn leven. Het geweld wordt in de Rinzai-zen gezien als een hulpmiddel dat noodzakelijk is om de monniken de sprong over de drempel naar verlichting heen te vergemakkelijken. Alhoewel het boeddhisme goedheid en mededogen tegenover alle levende wezens leert, vordert deze van de monniken een grote hardheid jegens zichzelf. Er wordt van hen verwacht dat ze zelfs hun fysieke lichaam opgeven om er voor de anderen te zijn.

  De monnik las de papieren, trok zich voor een tijdje in zijn kantoor terug, knielde vervolgens zelf op de bodem en zei beleefd: “Het spijt mij ten zeerste, maar uit ruimtegebrek moet ik u vriendelijk verzoeken om op zoek te gaan naar een ander klooster.” Dit hoort net zozeer tot het ritueel als het volhouden van de nieuwkomer om in het klooster opgenomen te worden. Toen ik een half uur later nog steeds ogeknield zat, stormde de monnik met een luide kreet op me af, trok me door de poort naar buiten en beval me de trap naar beneden te gaan.

  Alles verliep volgens plan. Twee volle dagen zat ik geknield ik met gebogen hoofd in de entreehal en ik werd eenmaal ’s ochtends en eenmaal ’s middags de trap naar beneden gegooid. Dat waren tenminste tien minuten pauze, om de vermoeide ledematen te strekken. De derde dag werd ik als nieuwkomer op proef in het klooster opgenomen. Daarna zat ik vijf dagen lang in een kleine ruimte naast in de ingang in meditatie, slechts onderbroken door twee maaltijden per dag en zo nu en dan een sanitaire stop. Omdat ik het dagenlang zitten gewend was en tevens wist dat de eerste week een soort van test was, doorstond ik deze tijd zeer goed.

  De eerste week in het klooster stond ik ’s ochtends om 3.00 uur op en ging ’s avonds om 21.00 uur naar bed. De nachtrust werd slechts onderbroken door het luiden van de immens grote tempelklok, precies om middernacht. Zes uur slaap, dat was een uur minder dan dat ik in Antaiji gewend was. Maar daar er geen werk was, voelde ik me fit en begon al te lachen om de zogeheten strengheid van het klooster. Was het niet allemaal slechts theater? Maar ik vergiste me opnieuw. Toen ik dacht het ergste achter de rug te hebben, begon het pas echt.

  Na een week werd ik officieel in het klooster opgenomen. Daarvoor moest ik een eenmalige bijdrage van 1.000 Yen betalen, wat overeenkomt met bijna acht Euro. Het geld was bedoeld voor een audiëntie bij de abt, die een half uur lang sprak, terwijl ik, het gezicht op de tatamimat gebogen, hem mocht toehoren. Vervolgens werd ik aan de monniken voorgesteld, die net theepauze hadden. Ik had de indruk dat ze allen blij waren met mijn komst en het ging er allemaal zeer ontspannen aan toe – nog wist ik niet dat iedere nieuwkomer een welkome zondebok was.

  Er is maar een manier om in de kloosterhiërarchie omhoog te klimmen en een gemakkelijker leven te leiden: Men moet wachten, dat er iemand nieuw komt. Gezamenlijk waren we met elf monniken, maar anders dan in Antaiji waar ik de jongste was, waren er hier slechts twee die ouder waren dan ik – toen nog zevenentwintig. De meesten waren zonen van zenpriesters die direct na de middelbare school of de universiteit in het klooster getreden waren om in Saifukuji een licentie tot boeddhistisch priester te verwerven. Daarvoor zijn drie jaren verblijf in het klooster een vereiste. Dus interesseerde hier niemand zich echt voor meditatie of de leer van Shakyamuni Boeddha, het ging de betrokkenen voornamelijk erom ooit de tempel van hun vader over te nemen om de rest van hun leven met begrafenissen een boterham te verdienen.

  De meeste professionele priesters worden vandaag de dag in Japan als monnik geboren, voor hen een zen geen roeping, slechts een beroep. Natuurlijk vroeg mij niemand naar mijn mening en dat ik al in Antaiji twee jaar als monnik geleefd had, deed ook niet ter zake. Ik moest me gewoon opnieuw onderaan de ladder opstellen en had te luisteren naar de meestal jongere en onervaren monniken. En precies daar beging ik mijn eerste en moeilijkste fout: Alhoewel ik mijn best deed mijn eigen mening over de andere monniken voor me te houden, was het voor hen toch duidelijk wat ik dacht. Ik had een air over me en keek op ze neer. Al snel had ik de reputatie een arrogante wijsneus te zijn. En de monniken hadden zelfs gelijk, want hoewel ik meer wist van de theorie over het boeddhisme en ook meer meditatie ervaring bezat, waren ze toch verder dan ik. Ik had nog veel te leren.

  Van bijvoorbeeld Ryo: Hij was drie dagen voor mij aangekomen en stond daarom op de ladder een tree boven mij, hoewel hij een jaar jonger was. Hij was in een tempel opgegroeid en had enkele jobs bij transportfirma’s gehad. Hij wilde niets weten van het priesterschap totdat hij op een dag vernam, dat zijn vader plotseling overleden was. Om zijn moeder te kunnen onderhouden moest hij zo snel mogelijk een priesterlicentie zien te halen om de tempel over te kunnen nemen – eerbied geldt in Japan als de hoogste deugd en ook weerbarstige kinderen vervullen hun plicht jegens hun ouders als het erop aan komt. Ook Kando leefde toen in het klooster, hij was al over de dertig en had een familie die op hem wachtte.

  Wij drieën waren in de herfst aangekomen, werden daarom allemaal als nieuwkomers gezien en gingen in het begin door dik en dun. Echter Kando verdween al twee weken na mijn aankomst, dus bleven Ryo en ik over. De onderste van de monniken wordt “battan” dat betekent laatste plaats, genoemd. Hij wordt anders dan de rest behandeld. Bij het eten moet hij de restanten opeten en bij de theepauze moet hij de thee serveren en zoetigheden aan de anderen aanbieden. Na het werk staat hij klaar met een emmer en een washand zodat de anderen zich de voeten wassen kunnen en tijdens de middagpauze moet hij de wc’s poetsen. ’s Nachts, als de anderen al slapen is hij nog op om de wierookhouders schoon te maken. Daarbij moet de battan de hele dag ervoor zorgen dat de sandalen van alle monniken netjes voor de deur staan – daarbij komt het op de millimeter neer. Als iets niet goed is, krijgt de battan slaag. Hoewel ik tot aan het voorjaar deze rol moest gaan spelen hielp Ryo mij waar hij maar kon. Onvoorwaardelijk stonden we samen voor de fouten van de ander in. “Wie was dat!?” Als deze roep van de hoofdmonnik weer eens door de gangen schalde, was het de taak van mij als battan om de hand omhoog te heffen: “Het spijt me, ik was het.” Waarop Ryo direct riep: “Nee, ik was het!” Slaag kregen we beiden, maar gedeeld deed het minder pijn.

 

Slagen met de stok tijdens de meditatie is een ritueel in de Rinzai-zen, buiten de meditatiehal zijn het oorvijgen, maar ook trappen en vuistslagen. In het begin brak me dat op want ik was nog nooit tevoor in mijn leven geslagen geworden. Maar ik leerde al snel dat ik de monnik die me toesnauwde dankbaar moest zijn dat ik geen oorvijg van hem kreeg. En diegene die me een oorvijg gaf was ik dankbaar dat hij me niet met de vuist sloeg. Zelfs de monnik die me een keer met een houten pantoffel een trap in mijn zij gaf, deed het niet zo hard dat ik er geen blijvend letsel aan zou over houden. Wij nieuwkomers waren gewoon blij – zelfs als zo nu en dan bloed vloeide – nog in leven te zijn.

 

Maar er waren meer nieuwe zaken waarop ik me moest instellen. De dag in Saifukuji bijvoorbeeld eindigde met het nachtzitten. Om 21.00 uur zaten de monniken in een rij buiten in de tuin. Vanaf 22.00 uur gingen ze een voor een slapen, eerst de oudste monnik, dan elke vijf minuten een volgende monnik totdat de battan uiteindelijk om 23.00 uur uitgeblust naar bed mocht. Dus ik had maar vier uur slaap tot aan de volgende ochtend, twee uur minder dan in de proefweek, die ik als zeer streng ervaren had. Het constante slaaptekort leidde ertoe dat ik bij elke gelegenheid in slaap viel: tijdens de meditatie als bij het eten, bij het reciteren van de soetra’s – de kanon van boeddhistische leerschriften die net zo belangrijk maar veel omvangrijker is dan de bijbel in het christendom – en tijdens de lezingen van de abt sowieso. Zelfs tijdens het lopen en staan schakelde mijn bewustzijn zich altijd weer voor seconden uit.

  Het eten in het klooster bestond uit een mix van rijst en tarwe, daarnaast was er misosoep en twee schijven ingemaakte radijs. Het bevatte zo goed als geen proteïnen, vitaminen en mineralen. De oudere monniken raakten de maaltijden nauwelijks aan, want de privileges die ze genoten gaven ze de mogelijkheid om later salami of chocolade te eten, die hun ouders opgestuurd hadden. De monniken onderaan de ladder echter, moesten de rijst en de soep naar binnen werken. Doorgaans waren het drie schalen rijst die ik als battan moest zien te verorberen terwijl de oudere monniken schreeuwden: “Eet meer, eet sneller – of moeten we hier eeuwig wachten!?” Soms moesten we zelfs ons eigen braaksel weer opeten. Na het eten was het mijn taak als battan de eetzaal op de ruimen en daarbij alles wat bij de haastige maaltijd op de grond gevallen was, op te eten – tenslotte mocht niets verkwist worden. Natuurlijk was het voor de kok eenvoudig geweest om minder te koken. Maar daar ging het niet om: Wij nieuwe monniken moesten aan en voorbij onze grenzen gebracht worden – de verkrachting van maag en darmen hoort in een Rinzai klooster daarbij.

  Mijn lichaam had enkele weken nodig om zich op dit anormale eetpatroon in te stellen. Tot dan was het moeilijk om de blaas en anus te controleren. En daar ik als nieuwkomer niet naar het toilet mocht voordat een oudere monnik me hiervoor toestemming had gegeven, deed ik het enkele keren in mijn broek – een pijnlijke ervaring. Later vernam ik dat veel monniken om deze reden luiers dragen.

  Maar dat was nog niet alles. Ook de kou in de winter brak me op. Zelfs als de temperatuur onder het vriespunt zakte, bleven tijdens de meditatie de papieren vensters in de hal open. Een nieuwkomer echter, mag buiten het monnikgewaad en een kimono alleen een onderhemd met korte mouwen dragen. De oudere monniken dragen dikkere kleding en toen ik dat ook een keer deed, kreeg ik direct een pak slaag: Ik had niet verwacht dat het geluid van de houten stok waarmee we tijdens de meditatie op de schouders geslagen werden, zou onthullen dat ik extra kleding droeg. Jaren later sprak ik de monnik die me toen een pak slaag gaf: “Je had ook een leren jack onder het gewaad moeten aantrekken – dat geeft geen ander geluid. Zo heb ik het indertijd als nieuwkomer gedaan!”

  Daarnaast was mijn lengte een probleem, want tenslotte wordt in het klooster iedereen hetzelfde behandeld. Dus waren alle houten sandalen even lang: vierentwintig centimeter, wat overeenkomt met schoenmaat zesendertig. Ik zelf heb schoenmaat vijfenveertig, dus hingen vijf centimeter van mijn hakken over de rand van de houten sandalen. En met mijn lengte van 1,90 meter had ik het ook ’s nachts niet makkelijk: de futons hadden eveneens gelijke lengte, mijn kuiten lagen in de ijzige kou op de grond. Daar hielp alleen nog het chronische slaaptekort.

 

Waarom we hier zijn, dat weet ik niet, maar ik ben er redelijk van overtuigd dat het er niet om draait dat het ons goed gaat.

(Ludwig Wittgenstein, Oostenrijkse filosoof, 1889-1951)

 

Een andere, voor mij ongewone ervaring was de bijzondere manier van meditatie in de Rinzai-zen. De monniken zitten niet gewoon, maar werken aan een koan. Daarbij kan het om bijvoorbeeld een schijnbaar, zinloze vraag gaan. Of het gaat om een wisselwerking tussen zenmeester en leerling, een vers uit een soetra of een gedicht. Vaak is het ook gewoon een bevel. Van de monniken wordt dan verwacht, dat ze de zenmeester hun inzicht in de koan demonstreren. Twee maal daags en tijdens de sesshins zelfs vijf keer op een dag, moet iedere monnik de abt een “antwoord” op de koan geven. Doorgaans wordt gezegd dat dit een expressie van verlichting – of op zijn minst een stap op de weg ernaar toe – is. Dat lijkt allemaal heel moeilijk maar vaak is het veel eenvoudiger dan dat men zich dat voorstelt. Alhoewel elke koan op meerdere manieren beantwoord kan worden, is er voor de meeste een soort van voorbeeldoplossing die de monnik moet zien zo dicht mogelijk te benaderen.

  De eerste en wellicht meest bekende koan is een uitwisseling tussen zenmeester en leerling: “Heeft een hond ook Boeddhanatuur?”, vraagt de monnik. De meester antwoordt: “Mu!” Mu kan “nee” of “niets” betekenen. De monnik moet zich verwonderd hebben want het boeddhisme leert dat zonder uitzondering ieder wezen boeddhanatuur bezit. “Wat is mu?”, zal de abt aan iedere novice vragen, die de eerste keer de ruimte voor het formele onderhoud – genaamd dokusan – betreedt.

  Veel nieuwkomers weten uit de boeken dat het antwoord luidt: “Muuuu!” Wie het niet weet, laat de dagindeling in het klooster geen tijd om na te denken, voor filosofische gesprekken heeft een zenmonnik geen tijd en energie. Dus, wat is mu? Mu is gewoon mu, niet meer en niet minder. En dan nog: Ooit komt een ieder aan het punt waar hij gewoon diep vanuit de buik “MUUUU!” brult. En dan tot zijn stomme verbazing hoort: “Goed zo, dat is het antwoord. Zeg me nu waarom dit het antwoord is.” Er is geen reden voor dit antwoord maar om diegenen die hun kennis uit de boeken hebben, het niet makkelijk te maken, blijft de abt doorvragen. Pas als de monnik de abt er echt van overtuigd heeft dat er voor hem niets is buiten mu, geen hond, geen boeddhnatuur, noch niet eens zich zelf, dan pas krijgt hij van de abt de volgende koan. Maar meestal doorzien de meeste monniken snel het patroon, hoe alle koans beantwoord moeten worden:

„Welke kleur heeft mu?“ – De monnik wijst naar zijn blauwe gewaad.

“Hoe beweegt mu zich?” – De monnik staat op en loopt door de ruimte.

“Hoe voelt mu zich aan?” – De monnik antwoordt: “Goed, slecht, heet, koud.”

“Welke redding is er als je door een zwaard gespleten wordt?” – De monnik stoot een pijnkreet uit.

“Hoe verjaag je een spook?” – De monnik doet een spook na en roept: “Boeoeoe!”

“Beweeg het hele universum met een vinger!” – De monnik heft een vinger.

“Hoeveel naalden heeft de dennenboom voor de kloosterpoort?” – De monnik telt op zijn vingers.

“Zorg ervoor dat ik opsta, zonder me aan te raken!” – De monnik zegt: “Hiernaast staat het eten voor u klaar.”

“Ga op mijn handpalm wandelen!” – De monnik wandelt een paar stappen door de ruimte.

„Doe de berg Fuji een riem om!” – De monnik staat op en wijst naar zijn riem.

“Welke van de acht drakengoden laat de regen vallen?” – De monnik staat op en doet alsof hij tegen de wand gaat plassen.

“Een kraai heeft de stenen boeddha op zijn hoofd gescheten!” – De monnik aait over zijn hoofd en roept: “Die vervloekte vogel!”

  Toen ik eenmaal begrepen had dat het altijd erom ging het één-zijn met het kernaspect van elke koan te demonstreren – zonder rekening te houden met de logica van het geheel – ging het beter. Ik moest alleen geen angst hebben dat ik me belachelijk maakte. Maar daar de dagindeling van het klooster sowieso op elk moment alles van me vroeg en me dwong mezelf geheel te vergeten, waren de meeste gesprekken met de abt geen echte uitdaging. Veel moeilijker was het de schrifttekens te lezen waarmee hij de koans voor ons op een briefje schreef. Maar daar ik, anders dan de meeste andere monniken, de boeddhistische geschriften gestudeerd had, was ik het uiteindelijk die de andere monniken bij het ontcijferen van de koans hielp. Na enkele weken had ik de meeste monniken ingehaald.

  De sesshins echter waren moeilijker te doorstaan, vooral de Rohatsu-sesshin dat elk jaar op 1 december begint en in de ochtend van 8 december om 3.00 uur eindigt. Het wordt gehouden ter nagedachtenis aan Shakyaminu Boeddha die volgens de legende in de ochtend van 8 december verlichting vond, toen hij de morgenster zag rijzen. Tijdens deze sesshin is het niet toegestaan dat de monniken gaan slapen. Tijdens de nacht wordt in de tuin gemediteerd, alleen tussen twee en drie uur ’s ochtends is het toegestaan tijdens het zitten een beetje in te dommelen. Aan het eind van deze periode is het brein zo vermoeid dat de eigen waarneming lijkt op een verscheurde film: Meerdere seconden achter elkaar is het bewustzijn helder, echter degene verliest het altijd weer voor seconden, zonder dat hij er zich van bewust is.

  Na deze sesshin keek ik dan ook ernaar uit – zoals wellicht iedere monnik – om eens goed uit te slapen. Maar op vijftien december begon alweer de volgende sesshin en tot aan de vijftiende gold de normale dagindeling met vier uur slaap, zazen van ’s ochtends drie uur tot aan zonsopgang, de ochtend op bedeltoer, werken in de namiddag en zazen tot het aanbreken van de nacht om elf uur. Tijdens deze tweede sesshin in december brak ik tijdens het verdelen van de maaltijd een teen. Het gebeurde gewoon toen ik opstond, nadat ik knielend op de houten vloer de monniken de rijst en de soep geserveerd had. Eerst voelde ik slechts een snerpende pijn. Maar omdat ik in hetzelfde tempo als dat de monniken aten, me tussen de tafels bewegen moest, had ik geen tijd om aandacht aan mijn voet te besteden. Toen ’s avonds de pijn nog steeds aanwezig was, sprak ik een van de oudere monniken, die zei: “Wat denk je eigenlijk? We hebben sesshin! Dan heeft toch iedereen pijn!“

  Pas drie weken later kreeg ik toestemming om een arts te raadplegen. Die concludeerde dat het bot inmiddels weer aan elkaar gegroeid was, weliswaar enigszins scheef – vandaar de pijn. Hij gaf me een paar krukken mee die ik moest gebruiken “totdat de pijn verdwenen was”. Maar op krukken kon ik de dag in het klooster niet redden en liep dus alweer snel tijdens de dagelijkse bedeltoeren op de strosandalen – voor zover je deze zo kunt benoemen. Een monnik geeft zijn sandalen, zodra deze kapot en versleten raken verder aan diegene die in de hiërarchie onder hem staat. Dus hadden de strosandalen zich allang opgelost, zodra ik ze kreeg.

  Kijkend naar al deze plagerijen was ik onder de indruk van de nederige houding waarmee de Japanners deze harde school doorliepen. In plaats van zich tegen deze oneerlijke behandeling door de oudere monniken te verzetten, zeiden ze bijvoorbeeld: “Nu begrijp wat ze zelf hebben moeten doorstaan enkele jaren geleden.” Of: “Wat wij hier moeten doormaken is hard, maar het moet nog harder zijn dit een ander aan te moeten doen.” Het leek er haast op alsof ze medelijden hadden met de oudere monniken als ze het vanuit hun standpunt bekeken.

  Ik herinner me bijvoorbeeld nog de nieuwjaarsdag die Ryo en ik alleen in de hal doorbrachten, terwijl alle andere monniken een vrije dag hadden. Novicen moeten eerst de soetra’s van buiten leren, voordat ze met nieuwjaar naar buiten mogen. Gebogen over mijn soetraboek, deed ik mijn beklag bij Ryo: “Waarom zijn we hier nog eigenlijk? We leven zoals in de gevangenis!” Ryo begon te lachen: “Nee, in de gevangenis is er verwarming, je kunt naar de toilet gaan, eten hoef je maar zoveel je wilt en slaag krijg je er ook niet zoveel als hier.” “Klopt!”, moest ik toegeven, “het is hier geen gevangenis, het is de reinste hel!” Weer opnieuw moest hij mijn ogen openen: “De hel? Nee, nu overdrijf je. In de hel zouden we nu niet zo gemoedelijk samen hier zitten. Daar smoor je voortdurend in het vuur, zinkt in een meer van uitwerpselen of je wordt op een berg van naalden geworpen. En ’s nachts kun je daar echt niet vier uur lang in jouw futon slapen.” Toen pas zag ik in, hoe verkeerd ik mijn situatie beoordeeld had. Natuurlijker ging het mij waarschijnlijk slechter dan in de gevangenis, maar de hel was het nou ook alweer niet.

  In Saifukuji werden we in elk opzicht over onze eigen grenzen heen gedreven, maar een ding was hier gemakkelijker dan in Antaiji, namelijk het werk. Ik hoefde slechts mee te helpen de tuin te vegen en incidenteel hout hakken – maar ook hier gaf het slaag als ik een fout maakte. Daarom was ik constant alert om precies datgene te doen wat ieder moment van me gevraagd werd. Ik moest gedachten kunnen lezen en secondesnel handelen: Geen verkeerde beweging, geen overbodig woord werd geduld. En hoe onmenselijk dit ook mag voorkomen, in deze situatie was het mogelijk alle overtollige balast af te gooien. Ik kon niet meer begrijpen waarover ik me eigenlijk beklaagd had in Antaiji. Vergeleken met het leven hier had ik het goed gehad. En zelfs in Saifukuji klaagde ik niet meer. Als ik tijdens het plassen een dauwdruppel aan de andere kant van het kloosterraam zag waarin de stralen van de ochtendzon fonkelden, was ik gewoonweg alleen nog maar dankbaar: “Ik leef, maar waarom?” Deze vraag scheen ineens niet meer belangrijk. Ik leefde en wat kon er mooier zijn dan dat?  

  Toen ik in Antaiji leefde waren er momenten waarop ik dacht gewoonweg niet meer verder te kunnen – of dat nou tijdens het werk of tijdens een sesshin was. Hoewel ik me niet in levensgevaar bevond kwam het me voor alsof de oefening mij mijn leven zou kosten. Als ik dan toch besloot om een stap verder te gaan dan was het alsof een kracht me droeg die niet uit mezelf voortkwam. Het voelde alsof ik een stap in de afgrond gezet had om ineens in te zien dat ik de hele tijd door mezelf geborgen vond in de hand van boeddha – of om een minder religieuze term te gebruiken: in het leven zelf. In Saufukuji groeide deze ervaring uit tot een zekerheid: Niets kon mij meer raken, zelfs de dood was geen bedreiging. Eindelijk besefte ik wat mijn meester bedoelde toen hij zei: “Jij doet überhaupt niet ter zake!”

 

In ongeluk moet je gewoon ongelukkig zijn. En als je sterft, dan sterf!

(Ryokan, Japanse zendichter, 1758-1831)

 

Het ging dus beter met me en daarbij werd het ook gemakkelijker want in het voorjaar was een nieuwe monnik aangekomen. Nu had iemand anders de rol van battan. Maar nu was het mijn taak om hem alle dingen op te dragen, die ik voorheen moest doen. Dat was niet altijd aangenaam, de monniken hadden gelijk toen ze zeiden dat het minder pijn doet zelf een test te doorstaan dan ze een ander op te dragen. Ook was de atmosfeer in het klooster tijdens de zomer meer ontspannen, het leek alsof de Japanse zomer met temperaturen van boven 40 graden Celsius alles gelijk trok. Zelfs de bovenste monniken konden niet aan de hitte ontkomen waarvan je aan de ene kant moe wordt en anderzijds als een stoombad werkt. De spieren ontspannen zich, lichaam en geest zijn minder verkrampt. Dus waren er in deze tijd ook minder geweldsuitbarstingen.

  Aan het eind van de zomer moest ik te besluiten wat te doen, nog een winter in Saifukuji doorbrengen of opnieuw gaan pelgrimeren. Oorspronkelijk was het de bedoeling tenminste een half jaar of een heel jaar in een Rinzai klooster door te brengen. Deze tijd lag nu achter me en ik voelde de verleiding om nog langer te blijven. Maar ik ging toch. Een reden hiervoor was de pijn aan mijn teen die ik nog steeds na driekwart jaar had. Maar doorslaggevender was dat ik me minder kon vinden in het leven dat de oudere monniken voerden. Hun taak was het de nieuwkomers te commanderen. Bij mij had deze harde methode gewerkt, ik had een muur doorbroken. Maar de jongere Japanners doorstonden deze tijd slechts daar ze hun priesterlicentie wilde halen en niet om verlichting te bereiken. Met de licentie op zak keerden ze dan naar de tempel van hun vader terug. Zazen zullen ze verder niet meer beoefenen. Als ik monniksbroeders van toen nu nog wel eens zie, komen ze bij me over als een schaduw van zichzelf. De lucht is uit hen verdwenen en het gemeenschappelijke leven en lijden in Saifukuji is slechts nog een vage herinnering.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

6. Voorbij tevredenheid en ontevredenheid

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Een droge hoop stront waarvoor zich nog niets een de vliegen interesseren. Is dit het paradijs? Ach nee.

(Koun, Koreaanse zendichter, geb. 1933)

 

Onze stemmingswisselingen zijn als eb en vloed. Als we een dieptepunt hebben, zien we onszelf als ongelukkig en een hoogtepunt bestempelen we als geluk. De optimisten troosten zich door te zeggen dat het altijd slechter kan zolang het water niet de absolute dieptestand bereikt heeft en daarna, zo beweren ze, stijgt het peil toch weer. De pessimisten onder ons missen altijd iets als de vloed niet op zijn hoogtepunt is. En zelfs dit moment zien ze pas achteraf in, als de zee zich aan het terugtrekken is en het gewaande geluk tot een herinnering wegebt.

  Ik denk dat we ons moeten afvragen wat we zelf kunnen bijdragen aan ons geluk. We moeten een vast fundament voor ons leven zoeken om het leven zin te geven. – een zin, die we met het woord “geluk” kunnen bestempelen. Zoals reeds gezegd is daarmee niet het gewone gevoel van tevredenheid en ontevredenheid bedoeld. Nee het gaat om het levensgeluk, dat zowel geluk als ook ongeluk omvat en dat alleen tevoorschijn komt als beide toestanden volledig geaccepteerd zijn. Wie aan het eind van zijn zoektocht vervulling voelt in de vaststelling op dit moment die te zijn die hij is en zo te leven als hij leeft, ervaart het grote geluk.

  Om te laten zien hoe zich tevredenheid en ontevredenheid, geluk en ongeluk tot elkaar verhouden en waarom het ene niet zonder het andere te hebben is, wil ik gebruik maken van het, ook in het westen bekende model/symbool Yin en Yang. Alhoewel het een nadeel heeft: Als we alleen naar de Yin en Yang aspecten van een situatie kijken, plaatsen we het in een te eng kader. De werkelijkheid is niet eendimensionaal. Desalniettemin zal ons dit symbool hier en op andere plekken helpen in te zien, hoe twee aspecten, die elkaar schijnbaar uitsluiten, alleen gezamenlijk een volledig beeld van de werkelijkheid geven.

 

Het bekende symbool laat zien hoe Yin en Yang elkander aanvullen. Daarbij zijn Yin en Yang steeds in beweging. De kleine, zwarte (Yin) kring binnen het witte (Yang) bereik verduidelijkt net zo de witte kring in het zwarte bereik, dat zowel Yin als ook Yang de kiem van het andere aspect in hun innerlijk dragen.

De beide daarbij behorende schrifttekens worden in het Japans als “Deko-boko” gelezen. Het linkse teken, “deko” staat voor Yang, een naar boven strevende, zich uitbreidende kracht. Het is het zogeheten mannelijke principe, dat natuurlijk ook in vrouwen werkzaam is en is te vinden in de vorm van bijvoorbeeld doorzettingsvermogen. Yang is doelgericht, gespannen en kan tot agressie leiden. “Boko” oftewel Yin stelt zich daarentegen ontvankelijk op, als een schaal. Yin geniet het moment, is losjes en ontspannen. Maar omdat het altijd de weg van de minste weerstand kiest, gaat het bergafwaarts en eindigt in verveling, slaap en afkeer. Hoewel dit het vrouwelijke principe genoemd, is het ook mannen niet vreemd. De schrifttekens “deko-boko” betekenen samen in het Japans “oneven”, omdat Yin en Yang naast elkaar staan als een gat naast een steen op een hobbelige straat. Hoewel Yin en Yang elkaar aanvullen, ervaren wij ze in het dagelijkse leven als een golfbad met hoogtes en dieptepunten.

 

Is geluk eerder Yin of Yang? Mijn antwoord luidt: noch het een, noch het ander. Hoewel Yang, dat ook helder, positief of levendig betekent, in het oosten voor levensvreugde staat, terwijl Yin – donker en negatief – melancholie uitdrukt. Er wordt zelfs gezegd dat Yang geprefereerd wordt boven Yin, waardoor het schriftteken voor Yang een geliefd onderdeel voor jongensnamen is, terwijl Yin doorgaans negatief gekleurd is en ook voor meisjesnamen niet gebruikt wordt. Misschien heeft deze beoordeling in het oosten haar reden dat de mensen daar eerder een hang naar Yin hebben die door een opwaardering van Yang gelijk getrokken wordt. In het westen, een Yang cultuur, kunnen we Yin gelijkgesteld naast Yang zien en moeten we misschien wel voorrang aan Yang geven.

  Maar belangrijk is het volgende, Yin en Yang zijn niet statisch maar in beweging. Yang is niet zozeer een toestand van geluk maar meer een beweging waar het geluk op afstevent, niet zozeer de levensvreugde (die ik zie als Yin) maar meer de drang van het leven “naar boven”. Ter verduidelijking een eenvoudig voorbeeld uit de natuur: De kiemen en zaden van vruchten wachten in de winter onder een ijslaag (eindpunt van Yin, melancholie) totdat de lente ze laat ontkiemen. Het ontkiemen, het groeien van de wortels, ontspruiten van takken en bladeren en het vormen van de vruchten (eindpunt van Yang, geluk) zijn een Yang beweging. De Yin beweging begint bij het rijpen van de nieuwe vrucht: Deze wordt elke dag zwaarder en zoeter en op een gegeven moment valt deze van de boom. De vrucht maakt het niet uit of hij door spelende kinderen opgegeten wordt of aan de kant van de weg verrot. Wat met zijn pitten gebeurd, laat hij aan de natuur over. En enkele pitten zullen aan het begin van de winter het vertrekpunt van de volgende Yang beweging worden.

  Met deze vergelijking hoop ik dat het duidelijk is hoe zinloos het is zich altijd goed te willen voelen. Goede gevoelens ontstaan aan het einde van een doelgerichte inspanning, een Yang beweging en de daarmee beginnende Yin beweging, die weliswaar eerst genot geeft, eindigt in verveling. Op een gegeven moment voelen we ons niet meer goed en moeten opmaken voor de volgende Yang beweging. Echter: Hoe we ons op een bepaald moment in de beweging voelen, is secundair. Het zou beter zijn als we ons leven zowel op de hoogtepunten en op de dieptepunten, zouden oriënteren aan een horizontale lijn – “Ik leef!”. Alleen zo vinden we rust en gelatenheid in zowel het geluk als in het ongeluk. Dat is moeilijker dan het lijkt, want meestal zijn we ons niet bewust van deze lijn en laten ons daarom door de gevoelens van het moment ervan afleiden.

 

Soms gaat het je goed, soms gaat het je slecht – maar wat voor een nut heeft het, je door je stemming van de dag gek te laten maken? Als je helemaal loslaat zul je inzien dat alles eigenlijk gewoon hetzelfde is. Je moet sterven om een gelukkig leven te hebben.

(Sawaki Kodo)

 

Er zijn twee geheel verschillende vormen van geluk: het zich-goed-voelen (geluk A) en het gelukkig-zijn, dat op een innerlijke balans rust (geluk B). Dat ze vaak in een adem genoemd worden, brengt een onnodige verwarring over de aard van geluk naar voren. Voor geluk A geldt inderdaad: zonder inspanning geen beloning. Hier kunnen en moeten we iets doen, onze inzet is noodzakelijk. Deze weg echter leidt niet tot geluk B, daar speelt het loslaten de hoofdrol. Alleen zo komen we in contact met het aspect van de werkelijkheid, dat in het boeddhisme de “vredige stilte van het Nirvana” genoemd wordt. Als in zen gesproken wordt over de bereidheid de “grote dood” te sterven, heeft dat betrekking op het volledig loslaten. Het belangrijkste daarbij is dat je jezelf loslaat. Veel mensen echter denken slechts aan hun eigen, individuele geluk en vergeten de samenhangen waarin ze leven. Dat is wat het zo moeilijk maakt, het geluk te vinden.

  Het gehele, dagelijkse leven in onze moderne wereld loopt meestal niet zo, dat we iets loslaten. Sawaki definieert het als volgt: “Een sleehond rent en rent in de poging de klomp vlees - die de bestuurder voor zijn neus laat bengelen, te bemachtigen. Echter pas als de slee op het eindpunt is aangekomen, krijgt de hond het vlees voorgeworpen en vreet het in een keer op. Zo vergaat het ook ons met ons loonstrookje. Tot aan de betaaldag rent eenieder het loonzakje na, dat ons voor de neus gehouden wordt. Wordt ons het loon uitbetaald, dan verorberen we het in een beet. En rennen alweer de volgende betaaldag achterna…” Zelfs een loonsverhoging zal ons niet lang gelukkig stemmen want we willen altijd meer en meer. En dat geldt niet alleen voor het geld, maar ook voor bijvoorbeeld een liefdesrelatie. Als een liefde ons niet het geluk brengt dat we ervan hoopten, dan wisselen we gewoon naar de volgende – en op het eind gebruiken we onze partners alsof het consumptiegoederen zijn. Maar niet alleen geld, roem, macht en seks houden ons bezig: Het geluk zelf kan als een wortel zijn, die we onszelf voor onze neus laten bengelen om maar door te kunnen gaan.

  Maar wie echt gelukkig wil zijn, moet ophouden zichzelf voor de gek te houden en z’n ogen voor de realiteit van het leven openen. Daarbij kunnen we beter niet onze blik op de voorstellingen in de media richten, want het lijkt erop alsof ze ons willen wijsmaken dat we steeds gelukkig moeten zijn. De covers van bladen laten ons altijd jonge, altijd gelukkige gezichten zien, de radio speelt vrolijke tonen en iedere film in de bioscoop eindigt met een happy end. Laten we ons hier niet iets wijsmaken als we dit met de realiteit verwisselen? Is geluk dan soms een must?

 

Geluk een leven lang! Niemand zou het kunnen verdragen. Het zou de hel op aarde zijn!

(George Bernard Shaw)

 

Wat gebeurt eigenlijk met de mens die probeert tegen elke prijs gelukkig te zijn? Onderzoekers hebben geconstateerd dat in zo een geval de middellijn van de gelukscurve niet meer horizontaal verloopt, echter langzaam maar zeker neerwaarts daalt. De toppen van de golven liggen altijd iets lager dan de voorafgaande, de lijn van de innerlijke balans loopt af. Dat heeft als reden dat de desbetreffende de toestand van zich-goed-voelen als normaal gaat zien. Terwijl het juist het gevoel “ik-leef” de innerlijke balans is die de gemoedscurven beweegt. Dus is het niet verwonderlijk dat deze persoon zich slecht voelt zodra hij in zijn natuurlijke toestand terugkomt. Hij vraagt namelijk steeds opnieuw aan zijn lichaam om meer dopamine te produceren en begint in een roes te leven. Onder deze omstandigheden ziet hij zijn oorspronkelijke normale toestand als ontoereikend en zal het als een constante kwelling ervaren. Hij is volledig uit balans.

 

Zazen is voor de zenmeester Nishijima een manier om de balans tussen het sympathische en parasympathische zenuwstelsel te herstellen. Gezamenlijk zijn ze het autonome zenuwstelsel, dat de werking van de onbewuste lichaamsfuncties regelt en daarmee direct invloed heeft op onze gemoedstoestand. Tevens stuurt deze de frequentie van de hartslag en de bloeddruk.

Als het sympathisch zenuwstelsel (Yang) het parasympathische domineert, spannen wij ons in. Dat helpt bij het concentreren tijdens mentale taken. Wordt deze inspanning ziekelijk, dan leidt dit tot slapeloosheid en eetluststoornissen. Als zich daarentegen het parasympathisch zenuwstelsel inspant, ontspannen we ons – we komen in de Yin modus. Onze fysieke waarneming wordt intensiever en we krijgen weer honger. Maar we worden tevens slaperig en kunnen ons moeilijk concentreren. Voor het evenwicht tussen beide aspecten zorgen enerzijds de diepe ademhaling en anderzijds de rechte houding in zazen, zoals Nishijima beschrijft.

 

Hoe het met onze innerlijke balans gesteld is, hangt niet alleen af van hoe we geluk en ongeluk zien, maar ook hoe we naar winnen en verliezen kijken.

 

Knijp jezelf eens in het oor en onderzoek: Is het werkelijk waard je te laten leiden door vreugde en lijden, opgewonden door persoonlijk gewin of verlies?

(Sawaki Kodo)

 

Japanse sumoworstelaars hebben de volgende instelling: “Of ik zal winnen of verliezen, dat weet ik niet. Belangrijk is slechts dat ik in iedere ontmoeting het allerbeste van mezelf geef – het resultaat is daarbij verder niet van belang.” Op deze manier leven ze de weg van sumo. En een Japanse kunstschaatster zei in een interview, nadat ze verrassend de gouden medaille in de figurendans gewonnen had: “Aan de medaille heb ik geen moment gedacht. Ik wilde slechts dat de toeschouwers plezier beleefden aan mijn dans. Dat ik gewonnen heb, kan ik helemaal niet geloven!” 

  Deze instelling verschilt volledig van de theorie van het positief denken die de psychologische adviseurs graag geven. Natuurlijk is het waar dat wanneer ons een moeilijke taak te wachten staat, we deze gemakkelijker kunnen volbrengen als we tegen onszelf zeggen: “Ik red dat wel” in plaats van “Dat gaat me nooit lukken”. Maar hoe is dat met de twee boksers die al voor de wedstrijd uit de hoek te horen zijn: “Ik heb nu al gewonnen, dat is absoluut zeker. Ik maak gehakt van jou!” Ieder kind weet dat een van de twee gaat verliezen, het enige zekere in het leven is de dood. Tot het positief denken hoort vaak de bereidheid de ogen te sluiten voor de werkelijkheid van het leven.

  Hoe gedroeg Gelukkige Hans zich toen hij op weg naar huis ging met een zware goudklomp en na enkele, schijnbaar slechte ruilen terugbleef met een wetsteen en een stoeptegel? Toen Hans op het einde de stenen in de bron zag zinken, sprong hij bevrijd omhoog: “Zo gelukkig als ik is er geen mens onder de zon!” Hans hoeft zich niets wijs te maken, voor hem ligt het geluk niet in winnen, maar in het verliezen van een last.

  Hier zijn opgaan in het moment en het kunnen loslaten, wezenlijke factoren. Maar vaak zijn we zo gefixeerd op het winnen zelf, dat we onze oriëntatie verliezen. Daarom zegt Sawaki Roshi ook: “Winnen wil zeggen, verdwalen. Verlichting ligt in het verliezen.” Hier wordt opnieuw duidelijk dat datgene wat wij ons gewoonlijk wensen, niet per se geluk moet zijn. De grondslag voor echt geluk is altijd de eigen weg – een duidelijke oriëntering in leven en dood -, wat ook uit het volgende citaat blijkt.

 

Belangrijk is het niet te verliezen en niet te winnen. In het winnen de weg niet verliezen, in de nederlaag de weg niet verliezen. Echter je vergeet al het andere zodra je wint en zo verlies je de weg. En als je een nederlaag ondergaat, verlies je de weg sowieso.

(Sawaki Kodo)

 

Ik heb al verteld dat het boeddhisme eerst de negatieve aspecten van het leven uitlicht: Niet alleen worden ouderdom, ziekte en dood als lijden gezien, maar ook het leven zelf. Tegelijkertijd leert het ons het nirvana, waarvan Dogen Zenji in “Shoji” – de reeds eerder vermelde tekst over leven en dood – schrijft: “Als je gelukkig bent in het hier en nu, dan wordt het hier en nu nirvana. Als je hier en nu het geluk vergeet, dan vergeet je ook al je ontevredenheid.” Belangrijk: In zen heeft men het over vergeten als de toestand van het één-zijn bereikt is. Dat heeft niets te maken met bewusteloosheid. Vooral in het westen gaat het ons veel te vaak om het begrijpen. Maar als we iets willen begrijpen, dan ontglipt het ons en kunnen we er niet één mee zijn . Ook het geluk willen we begrijpen, daarom glipt het tussen onze vingers. Maar in het één-zijn is er geen afstand tussen mezelf, het waarnemende bewustzijn en mijn handelingen. Daarom spreken we van het één-zijn met het zitten, het eten of het werk. Op het moment dat we één zijn met het leven, gaan we het niet langer analyseren en beoordelen het niet meer als “goed” of “slecht”. Want het gaat er niet om het leven te begrijpen, het gaat erom ermee te versmelten.

  In „Shoji“ vat Dogen samen wat het zen-boeddhisme over het leven voorbij tevredenheid en ontevredenheid zegt: “De gelatenheid binnen het geluk en het ongeluk is het echte geluk. Als je probeert je te onttrekken aan jouw ongeluk, zul je de gelatenheid verliezen en maak je jezelf alleen nog maar meer ongelukkig. Hecht je je daarentegen aan het geluk, dan verlies je eveneens de gelatenheid en daarmee ook het geluk. Alleen als je het leven zo accepteert als het is, zul je gelukkig en gelaten zijn. Maar denk niet dat geluk en gelatenheid elkaar begrijpen en het in woorden uitgedrukt kan worden. Vergeet gewoon het willen-begrijpen en hou op met proberen gelukkig te zijn. Laat jouw lichaam en geest los en geef je over aan het geluk om zo te zijn wie je bent. Wie wil je zijn, als niet jezelf? Waar wil je zijn, als niet hier? Wanneer wil je leven, als niet nu? En precies daar ben jij, nu in dit ogenblik – welk een geluk!”

 

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

7. Terug naar Antaiji

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Zodra je inziet dat jouw leven naadloos verbonden is met het universum en er geen haarbreed tussen jou en Boeddha past, dan maakt het jou niet uit of je op toneel de voor- of de achterbenen van een kameel speelt: Je zult in elke afzonderlijke handeling je gehele levenskracht ontvouwen.

(Sawaki Kodo)

 

Toen ik na een jaar Saifukuji verliet en met spullen de straat van het klooster naar het station afliep, voelde ik me herboren. De nazomerse zonnestralen op mijn huid, het zingen van de vogels, spelende kinderen, de geur van bloemen – het was alsof ik alles voor het eerst beleefde. Zelfs het lawaai van het verkeer was als muziek in mijn oren. Ik was vrij te gaan, waar ik maar wilde.

  Na een kort bezoek aan Antaiji, trok ik me vijf weken terug in de bergen om alleen te mediteren en een weinig te acclimatiseren. Ik moest bijvoorbeeld leren om mezelf weer onder controle te houden. Van nature ben ik erg rustig en nuchter en ik kan me niet herinneren, voor mijn oponthoud in Saifukuji ooit een woede aanval gehad te hebben. Maar aldaar was mijn buitenste schulp plots geheel afgevallen, zodat elke indruk van buitenaf nu net zo op me indrong, als mijn innerlijke impulsen naar buiten stroomden. Na een jaar lang voortdurend onder hoogspanning gestaan te hebben, moest ik eerst weer eens aan het “normale” leven met zijn regels wennen. Deze vijf weken waren een eerste stap in deze richting.

  Gedurende deze tijd die ik in een tent in de buurt van de berg Hyo-no-sen op 1.000 meter hoogte doorbracht, regende het zo goed als elke dag. Maar niet alleen de vochtigheid en de kou van de vroege herfst braken me op. Tijdens een van de eerste nachten werd ik wakker omdat ik een geritsel naast mijn hoofd hoorde. Toen ik me oprichtte was het weer stil, maar na een tijdje begon in het donker weer iets zacht te bewegen. Hoewel noch beren of wilde zwijnen mij kwamen inspecteren, maar slechts veldmuizen die gaten in het tentzeil beten en aan mijn sowieso al krappe proviand knabbelden, ik was hoe dan ook uit mijn slaap gebracht. De resterende vijf weken waren geen gevecht met de eenzaamheid of met mezelf – zoals ik het me eigenlijk had voorgesteld - echter een gevecht met hongerige metgezellen die verder weinig respect voor mij toonden.

  Na dit korte voorval besloot ik om nog een keer voor een jaar in een van de officiële boeddhistische priesterseminaries te treden. Ik besloot naar Busshinji te gaan, een zenklooster dat ongeveer 200 kilometer ten oosten van Antaiji lag aan de kust van de Japanse zee. Het maakt deel uit van de Soto-school, dus was het voor mij mogelijk om hier mijn priesterlicentie te behalen.

  In Saifukuji ging het erom de onzichtbare muur, die ik zelf had opgebouwd te doorbreken, maar hier in Busshinji was het veel relaxter. De monniken aldaar genoten alle vrijheid die men zich in een zenklooster maar kan wensen, dus bracht ik de eerste vier maanden door met alleen maar slapen. Natuurlijk kon ik ook in Busshinji niet de hele dag in bed blijven liggen, maar het grootste deel van de dag hadden de monniken tot hun eigen beschikking. De een oefende de kunst van de kalligrafie, terwijl de ander de thee voorbereidde. Weer anderen lazen stripboeken of dronken een of meerdere saki’s. Natturlijk waren er ook die serieus de soetra’s bestudeerden of alleen zazen beoefenden. Maar mij ging het niet om de concurrentie. Ik gaf me over aan mijn Yin-impulsen en voordat ik het in de gaten had, was de winter voorbij.

  Toen begon ik als een gek boeken te lezen. In Saifukuji hadden we slechts de verzameling koans tot onze beschikking en ook de twee jaren in Antaiji had ik weinig tijd gehad om te lezen. Toen ik voor vier maanden bij de keukendienst ingedeeld werd, bracht ik, onder het motto bieslook te gaan inkopen veel middagen door in de stadsbibliotheek. Andere dagen bezocht ik de rijschool om mijn motorrijbewijs te halen. S nachts ging ik dan met gelijkgezinden biljart spelen. Want toen het slaaptekort eenmaal aangevuld was, ging ik op zoek naar andere bezigheden die ik binnen de kloostermuren niet kon vinden. Weliswaar maande de abt van Busshinji zijn leerlingen in zijn toespraken steeds, niet na te laten in de zoektocht naar verlichting, zelf was hij een theoreticus waardoor zijn oefening met leugens gepaard ging. Na een jaar was ik klaar om terug te gaan naar Antaiji, klaar voor een tweede poging me aan de leer van mijn meester over te geven: “jij belichaamt Antaiji” en “jij doet helemaal niet terzake”.

 

Leuker dan naar de apen in de dierentuin te kijken, is de vrij lopende mens te observeren.

(Sawaki Kodo)

 

Na mijn afscheid in Busshinji ging ik drie weken pelgrimeren waarin ik veel meesters in hun tempels bezocht. Daaronder was ook Oyaba Koho, de meester van mijn meester die van 1975 tot 1987 abt van Antaiji geweest was. Nadat hij zich daarvan teruggetrokken had, ging hij met zijn vrouw en zoon naar Italië om aldaar de Dharma te leren. Toen ik nog in Berlijn studeerde, heb ik hem een keer aan de Egeïsche zee bezocht, daarna echter was er verder geen contact meer omdat mijn meester Miyaura en Oyabu elkaar weinig zagen.

  Oyabu was sinds zeven jaar in Italië toen hem een arts – dat was tegen die tijd dat ik in Antaiji tot monnik ordineerde – na een onderzoek vertelde: “U heeft kanker en slechts nog een half jaar te leven.” Oyabu wilde in zijn vaderland sterven, het noordelijke punt van het hoofdeiland. Hij zag ervan af, zich te laten opereren en begon op advies van een vriend alleen nog ongepolijste bruime rijst en groente te eten. De meeste Japanse boeddhisten eten voornamelijk vis en vlees – Oyabu, die ook graag Sake dronk, was daarin geen uitzondering. Een hele winter lang ging hij van ’s morgens tot ’s avonds alleen nog maar skiën.

  En toen hij na drie jaar nog steeds zeer levendig was, besloot hij om opnieuw als priester in een tempel te trekken en wel in Wakayama, helemaal in het zuiden van het hoofdeiland. Toen ik hem daar bezocht, vertelde Oyabu me met bier en sake dat hij het kanker gezwel in zich nog niet bedwongen had: “Tijdens een recentelijk onderzoek was het gezwel nog steeds te zien. Ik wil het niet overwinnen en het breidt zich ook niet verder uit. De kanker en ik leven nu gewoon samen.” Zijn woorden maakten indruk op me want wat hij zei had ook betrekking op mijn existentiële twijfel. Ik had noch in Saifukuji, noch in Busdshinji mijn ontevredenheid overwonnen en mijn geluk in het leven niet gevonden. Nee, het was eerder zo alsof ik vriendschap gesloten had met het leven en al zijn moeilijkheden. De ontevredenheid had geen plaats gemaakt voor tevredenheid, veelmeer had ik geleerd beide te omarmen. En als er zoiets als geluk bestaat, dan ligt het naar mijn mening in deze omarming van het leven.

 

Als je jouw ontevredenheid als ontevredenheid accepteert, heb je vrede. Zo als iemand die om zijn leven smeekt en plots inziet dat hij allang dood is. De bedelaar die jou zojuist aan je arm trok, is er ineens niet meer.

(Sawaki Kodo)

 

Ook wat Oyabu te vertellen had over zijn relatie met zijn meester Uchiyama Kosho Roshi was interessant. Uchiyama zelf was in Kyoto leerling geweest van de wellicht meest bekende zenmeester van de 20ste eeuw – Sawaki Kodo Roshi, wiens woorden je in dit boek altijd weer tegen komt. Sawaki was een charismatische persoonlijkheid, die met zijn belichaming van het zen-ideaal velen aantrok. Hij stond bekend als pelgrimmonnik, zonder familie en zonder een thuis. En hoewel hij lezingen hield aan de universiteit van de Soto-school, had hij zelf nooit een hogere opleiding afgesloten. Zo leefde hij als een blad in de wind en zei over zichzelf: “Ik heb nog niet eens verlichting – en ik heb het ook niet nodig!” Uchiyama was totaal anders. Hij had een dokterstitel, was voor de derde keer getrouwd en leefde in Antaiji, de tempel die hij van Sawaki geërfd had. Maar als het om verlichting ging, was hij net zo radicaal in zijn houding met betrekking tot het loslaten als Sawaki voor hem: “Zazen? Nergens goed voor!” Het was deze leer waar zowel Sawaki als ook Uchiyama en ook alle navolgende abten van Antaiji hun zenoefening gronden.

  Uchiyama zei eens: „Sawaki was als een roos, ik ben als een madeliefje.” Een roos en een madeliefje laten zich niet vergelijken. Iedere bloem kan zich slechts ontluiken tot wat ze zelf is. En hoewel Sawaki een enorme fascinatie op zijn omgeving uitoefende, was hij toch gewoon een mens. In de woorden van Uchiyama: “Geen meester is volmaakt. Dat geldt ook voor mijn meester. Maar daar moet het een leerling niet om gaan. Het moet hem erom gaan, hoe hij zijn onvolkomen meester op een zo volkomen manier kan volgen.” Tegelijkertijd echter, bezat Uchiyama voldoende zelfvertrouwen om op de begrafenis van Sawaki te zeggen: “Er wordt gezegd dat Sawaki de laatste ware zenmonnik in de historie van zen was. Vandaag maak ik me op om de eerste ware zenmonnik in de historie van zen te worden.”

 

Traditie wil zeggen, het vuur beschermen en niet de as bewaren.

(Paus Johannes XXIII, 1881-1963)

 

Ik leerde nog meer toen Oyabu mij later vertelde: “Als ik het charisma van Uchiyama als zenmonnik op een schaal van 1 tot 100 zou moeten beoordelen, zou ik hem waarschijnlijk min 50 punten geven. Maar waar het werkelijk op aan komt is, dat het niet alleen de meester is die de leerling maakt, maar dat het ook de leerling moet zijn die de meester maakt. Uchiyama Roshi is mijn eigen produkt!” Daarmee verwees hij naar een citaat van Dogen Zenji dat de verhouding tussen meester en leerling vergelijkt met een timmerman en een stuk hout. Wat de meester uit het hout snijdt hangt van zijn vakmanschap af, niet zozeer van de kwaliteit van het hout. Dat houdt in dat de volle verantwoording voor de progressie van de zenleerling bij de meester ligt. Deze zeer belangrijke leer mag een meester nooit vergeten. Voor de leerling echter, ligt hier een valkuil op de loer. Gaat hij ervan uit dat de meester hem alles op tijd bijbrengt, dan vergeet hij dat het uiteindelijk aan hem zelf is, de leer van zijn meester te erkennen en in het eigen leven te belichamen. In de Japanse zenkloosters wordt deze waarheid vaak nogal vulgair uitgedrukt: “Iedereen moet zijn eigen kont afvegen.”

  Oyabu ging nog een stap verder. “Is de leerling een idioot, dan wordt ook de meester een idioot”, zei hij. En naar mij persoonlijk: “Ik weet dat het niet eenvoudig is om een leerling van Miyaura te zijn. Het verwondert me zelfs dat je überhaupt terug wilt naar Antaiji. Maar als je teruggaat, dan is het aan jou wat je van hem kunt leren. Jij maakt de meester en je moet hem absoluut volgen.” Voor mij opende zich daarmee een nieuwe dimensie. De leerling moet niet alleen verantwoording nemen voor zijn eigen leven en Antaiji zelf vorm geven, maar hij is er ook voor verantwoordelijk zijn meester actief te “vormen”. Er wachtte op mij in Antaiji een taak van onschatbare grootte. Wat ik toen echter nog niet wist, was dat de relatie tussen Oyabu en Miyaura sinds jaren slecht was en dat er van een elkaar-vormen geen enkele sprake was. Ook wist ik nog niet welke zwaarwegende gevolgen het contact met Oyabu voor mijn eigen leven zou hebben, toen hij enige jaren later zijn andere gezicht liet zien.

  Eenmaal terug in Antaiji ging het aanvankelijk makkelijker dan verwacht. Ik had gedacht dat ik het nog steeds niet zou redden met al het werk omdat zowel in Saifukuji als in Busshinji weinig zware lichamelijke arbeid was. Maar er waren enkele nieuwkomers en daarmee de komende twee jaar tien bewoners in het klooster. Daardoor kon het werk beter gedeeld worden en had ieder persoon zelf minder verantwoordelijkheid. Alleen was met Eshin – die op een Amerikaanse verliefd was geworden en naar de USA geëmigreerd was – de laatste van de monniken weggegaan, die ik van mijn eerste oponthoud kende. Vandaag leeft hij getrouwd in Indiana, zonder ook maar een woord Engels te spreken. Natuurlijk was Miyaura mijn meester, maar ook Eshin had bij mijn beslissing monnik in Antaiji te worden een grote rol gespeeld. Hij is tot op vandaag een voorbeeld voor mij. Pijnlijk was ook dat hij – zoals ook Taijun, Jiun en Tannen – met Miyaura ruzie kreeg, voordat hij ging. De meeste monniken die Antaiji verlieten, verbranden daarmee alle schepen achter zich. Pas na de dood van Miyaura bezochten velen Antaiji opnieuw – waaronder ook Eshin.

  Vriendelijk begroet werd ik door August, Robby en Mike, een Duitser en twee Amerikanen, die in mij eindelijk een tolk vonden. Voortdurend moest ik de klachten over de ontbrekende efficiëntie van het werk, de hiërarchie in het klooster of het eten aanhoren. De twijfel die ik maar al te goed herkende uit mijn eerste twee jaren, die echter nu voor mij geen beduiding meer had. Als mij gevraagd werd wat ik in Saifukuji geleerd had, zei ik: “Ik ben gestopt met klagen.” De rest van ons moest lachen toen die drie in de schuur zich afbeulden en tijdens het werk zeiden: „Als we zoveel moeten zwoegen, hebben we straks geen energie meer over voor onze oefeningen!”

  Er woonden toen nog meer nieuwkomers in het klooster. Bijvoorbeeld Kanda, die van school gevlogen was en geen werk kon vinden. Zijn ouders hadden hem naar Antaiji gestuurd. Hij leefde met mij in een kamer en wij waren een goed team, totdat Miyaura hem na een jaar naar buiten gooide. Als iemand ons twee de vraag gesteld zou hebben waarom we in Antaiji waren, dan was het antwoord geweest “Omdat we geen andere keus hebben!” Dan was er Oshu, de zoon van een Anglicaanse pastoor in Japan. Ook hij had zijn eigen grond hier te zijn, dat hij als “de zoektocht naar het eeuwige geluk” omschreef. Ik had het gevoel hem te begrijpen, maar probeerde tevergeefs hem duidelijk te maken dat dit geluk niet “ergens anders” lag. En Ryoko was een kok die in Osaka de keuken afgebrand was. Nu stond hij in Antaiji voor het fornuis. Shingo was samen met mij in Busshinji geweest. Miyaura had grote verwachtingen van hem, maar hij had een vriendin op het eiland Shikoku waar hij twee jaar later naar toe ging om met haar te trouwen. Miyaura zei toen tegen hem: “In de komende twintig jaar wil ik je niet meer zien!”

  Het was niet altijd eenvoudig om met Miyaura overweg te kunnen. Dat gold ook voor Sofu, een bijna veertig jaar oude alcoholist uit Osaka die naar Antaiji gekomen was omdat hier onder andere rijkelijk de sake vloeide. Op een avond richtte Miyaura voor de verzamelde leerlingen zich tot hem: “Je bent als een kauwgum die onder mijn schoen plakt – ik kan gewoon niet van je afkomen!” Enkele dagen daarna was Sofu verdwenen en pas enkele weken daarna vernamen we dat hij terug in Kamagasaki was, een wijk in Osaka waar de dagloners wonen. Hij was niet de eerste die zich voor dag en dauw uit de voeten maakte: Ook Kaido, die samen met mij enkele jaren ervoor was geordineerd, was op een ochtend spoorloos verdwenen. De dag ervoor was hem de koe uitgebroken en had de velden verwoest. Hoewel er in Antaiji geen slaag was, was de verantwoording voor het zelfvoorzienend leven voor ieder van ons vaak ondraaglijk.

  Deze druk werd nog groter toen Miyaura op een dag zei: “Antaiji heeft geen geld. Ik weet niet hoe we de uitgaven voor reparaties, elektriciteit en energie moeten dekken. Maar draait het hier niet om jullie leven? Waarom denken jullie er niet over na hoe we Antaiji financieel boven water kunnen houden?” In tegenstelling tot andere boeddhistische tempels die door hun gemeenschap en regelmatige begrafenisceremoniën vaak financieel sterk zijn, heeft Antaiji verder geen inkomsten. Ook de abt zelf verdient geen geld. Dus geen wonder dat Miyaura zich zorgen maakte want toen al waren er gaten in het dak en brokkelde de pleister van de muren. Altijd als een van de machines – tractor, de machine om de rijst te oogsten, dorsmachine, bulldozer of schuifel – uitviel, moest het werk met de hand gedaan worden omdat er geen geld was voor reparatie.

  Het leven in Antaiji was zwaar voor ons allemaal. Het werk in de velden was zwaar, maar nog zwaarder was het om aan de innerlijke weerstand te werken. “Wat doe ik hier eigenlijk?” Deze zinderende twijfel begeleidde de dag. Toen daarop ook nog eens de verantwoording kwam de kloosterkas te vullen, was voor de meesten de grens van het draaglijke bereikt. Enkele weken daarna waren van de tien bewoners er nog maar vier over, waaronder de abt Miyaura die zich echter teruggetrokken had van het leven in het klooster. Hij gaf geen voordrachten meer en nam ook niet deel aan het werk. Soms zagen wij hem even in de ochtend als hij een lijst van de te verrichten werkzaamheden voor die dag op de schoenenplank neer legde. Hij reageerde nog niet eens meer op mijn ochtendgroet. Ik verklaarde destijds zijn gedrag als een bevestiging van de woorden die hij altijd aan ons monnikbroeders opdroeg: “Ieder van jullie moet Antaiji zelf vorm geven!” Tenslotte is Antaiji geen kleuterschool. Iedereen die hier leeft, is zelf verantwoordelijk voor zijn oefening in het leven. De monniken mogen zich niet verlaten op de abt, zoals een kind op zijn ouders vertrouwd. Maar vandaag, vier jaar nadat ik zelf de verantwoording van de abt heb, weet ik dat datgene slechts de halve waarheid was. De rol was Miyaura allemaal teveel geworden, maar hij kon niet zoals de monniken gewoon zijn koffers pakken en ervan door gaan.

  Buiten mezelf - ik was inmiddels de oudste onder de monniken – en die, zoals Taijun, Tannen en Shingo voor mij de Dharma (de officiële leerbevoegdheid als zenmeester) overgedragen hadden gekregen, was er ook nog Kengo in het klooster. Hij had in het Japanse leger gediend maar het idee tijdens een militair conflict in de vuurlinie te moeten liggen, had hem op het monnikpad gebracht. Zijn wens was het ooit in een kleine tempel voor de gemeenschap daar te zijn en een gesetteld leven te hebben. Mike de Amerikaan, was na enkele amoureuze avonturen in andere landen ook weer in Antaiji, maar nog altijd kon hij niet kiezen tussen het zenleven, zijn minnaressen en de theeceremonie, een van zijn andere hobby’s.

  Alhoewel ik het gevoel had dat het langzaam tijd werd op eigen voeten te gaan staan, kreeg ik het niet over mijn hart om Antaiji te verlaten. Op dat moment zou dat zo zijn alsof ik het zinkende schip zou verlaten, want het leek alsof het klooster aan zijn einde was. Daarnaast was ik ervan overtuigd dat het niet de leerling is, maar de meester die besluit wanneer een leerling weg mag gaan. Tot dan was het aan mij om Antaiji vorm te geven en mijn meester in de oefening van elk moment te vinden. Miyaura echter sprak niet met me en ik wilde ook dit gevoelige onderwerp niet aansnijden – tot ineens deze ontwikkeling op een onverwachte manier door Oyabu in gang gezet werd. Op een winteravond riep Miyaura mij tot zich. We hadden allang niet meer met elkaar gepraat en ik wist, dat het om iets belangrijks zou gaan.

  Hij vroeg: „Wat zijn jouw plannen voor de toekomst?”

  „Plannen?“, zei ik, „ik heb geen plannen, ik sta open voor alles wat zich aandient.”

  “Goed, maar wat wil je gaan doen als je Antaiji verlaat? Of denk je eraan Antaiji over te nemen?”

  „Eens de verantwoording een eigen zencentrum te hebben is een mooie gedachte, maar ik denk niet dat mijn kracht de eisen die Antaiji stelt, tegemoet kan komen”, antwoordde ik, zonder enige verdere illusies over mijn eigen kunnen te maken.

  „Ja, ook ik denk dat deze opgave te zwaar weegt. Ik vraag het alleen omdat Oyabu me verzocht heeft als abt terug te treden.”

  Wat Miyaura op dat moment voor mij verzweeg was dat Oyabu hem ook geschreven had hij mij binnen de komende drie jaar als abt van Antaiji moest aanstellen. Echter het was overduidelijk dat Miyaura niet wilde terugtreden. Ik voelde aan de atmosfeer in de ruimte wat ik ook al in de maanden daarvoor had moeten voelen: Mijn aanwezigheid in het klooster maakte voor Miyaura het leven als abt niet eenvoudiger, maar eerder zwaarder. Omdat hij me om mijn toekomstplannen gevraagd had, benutte ik de gelegenheid om hem te vragen: “Ik weet dat een leerling niet zonder toestemming van de meester weg mag gaan uit Antaiji. Als ik ga wil ik niet alle schepen achter me verbranden. Desalniettemin heb ik het gevoel dat het beter voor mezelf en ook voor Antaiji is, als ik mijn monnikhoed opzet en me op weg begeef.”

  „Daarvoor heb je toch geen toestemming van mij nodig. Als je wilt gaan, dan ga gewoon!”, luidde het antwoord overduidelijk.

  Omdat buiten mezelf alleen nog Kengo en Mike daar waren en Miyaura in de zomer voor drie weken naar Duitsland wilde gaan om een sesshin te geven, kwamen we overeen dat ik eind augustus – dus al binnen zes maanden – Antaiji zou verlaten.

  Ik wist niet voor een spanning er was tussen Miyaura en Oyabu en tot op vandaag weet ik niet waarom ze elkaar niet verdroegen. Met Oyabu had ik sinds mijn bezoek ik Wakayama regelmatig schriftelijk contact. Hij bleef tegen me zeggen dat ik in Miyaura de meester moest vinden, zoals hij indertijd in Uchiyama zijn meester had gevonden. Echter hierdoor had Miyaura de indruk gekregen dat ik samen met Oyabu tegen hem spande. En zijn vermoeden werd versterkt toen Oyabu in het voorjaar van datzelfde jaar plotseling opdook in Antaiji en Miyaura beval: “Met jou als abt wordt Antaiji nooit iets. Bij deze ben je afgezet. Ik ben jouw meester en als je me niet volgt, zal ik je excommuniceren!” Miyaura zei slechts daarop: “U heeft me zelf als meester aangesteld. Nu is het te laat om me af te zetten.” Toen Oyabu merkte dat Miyaura Antaiji niet wilde opgeven, wees hij op mij en riep: “En jij, jij gaat hier niet vandaan!” En weg was hij.

  Nu pas kreeg ik te horen van Miyaura dat Oyabu mij wilde aanstellen als abt in plaats van hem. Het deed me pijn dat mijn meester me niet meer vertrouwde. Wil je soms de speelbal van Oyabu zijn?”, vroeg hij me. Natuurlijk wilde ik dat niet. Alleen als mijn eigen meester mij zou vragen Antaiji over te nemen, zou ik erop ingegaan zijn. Dat vertelde ik hem ook, maar hij had er moeite mee dat te geloven. De tijd tot augustus trok zich lang en toen ik eindelijk uit Antaiji weg ging voelde ik me net zo bevrijd als vijf jaar eerder toen ik Saifukuji verliet. De laatste woorden die Miyaura tot me richtte, waren: “Ga vanaf nu je eigen weg. Ik hoop dat je veel leerlingen zult krijgen. Maak je om Antaiji geen zorgen meer. Alleen als ik sterf moet je terugkomen.” Het afscheid was ditmaal zeer pijnlijk want er bleef zoveel onuitgesproken tussen mijn meester en mij. Waarom keerde hij me zo vaak de rug toe, zonder op mijn vragen in te gaan? Waarom wilde hij me geen vertrouwen schenken? Pas aan zijn graf kwam alle onverwerkte emoties weer naar boven – en het duurde jaren om alles te kunnen verwerken.

 

There's no time to cry, happy happy, put it in your heart where tomorrow shines.

(R.E.M., Amerikaanse popband)

 

Ik verliet Antaiji zonder een doel voor ogen. Als eerste bezocht ik Oyabu in zijn tempel om hem persoonlijk te vragen of hij echt voorhad mij als abt aan te stellen. “Ja”, zei hij, “en dat heb ik nog steeds voor. Waarom ik je niet gevraagd heb? Hoezo, heb je dan daar iets tegen?” Ik verklaarde hem dat ik niet tegen de wil van mijn meester abt van Antaiji wilde worden en dat deze opgave sowieso voor mij te hoog gegrepen was. “Maak je geen zorgen, vroeg of laat zal het er toch van komen. Tot dan kun je in mijn tempel wonen.” Ik sloeg het genereuze aanbod af want nu werd het me inderdaad slecht bij de gedachte slechts een speelbal in de handen van Oyabu te zijn. Desalniettemin zou hij bij de vraag van de abtopvolging gelijk krijgen.

  Vanuit het huidige perspectief, zie ik het conflict tussen Miyaura en Oyabu als volgt: In het jaar 1977 werd Miyaura leerling van Oyabu, precies op dat moment dat hij het klooster in Kyoto afbrak en in het noordelijke Hyogo opnieuw opbouwde. Onder de monniken was Miyaura diegene met de meeste praktijkervaring. Hij wist veel van landbouw en kon goed met machines omgaan. Hoewel hem de theorie van zazen en de studie van boeddhistsche geschriften minder lagen, werd hij tot de rechterhand van Oyabu. Zijn uitstraling werd vaak vergeleken met een Yakuza-boss. Hij bezat de kunst om mensen die naar leiding zochten in zijn banen te leiden. Miyaura zelf bezat dit charisma niet. Hij was een eerlijk, eenvoudige persoon die tevreden was met een beker sake na gedane arbeid. Oyabu daarentegen had visies: Hij zag Antaiji als een centrum in de zen-revolutie, dat niet alleen Japan, maar de hele wereld moest bereiken.

  De werkelijkheid was ontnuchterend: Tien jaren na de verhuizing in de bergen kon het klooster nog steeds niet leven van de verkoop van de groente. Het zelfverzorgend ideaal was tot een theorie verbleekt en toen al het geld dat opgestreken was uit de verkoop van het kloostergrondstuk in Kyoto uit de kas verdwenen was, verliet de ene na de andere monnik het klooster om een eigen tempel te stichten. Oyabu ging met de rest van het geld naar Italië en liet het klooster over aan Miyaura zonder enige oplossing hoe Antaiji in de toekomst moest overleven. In de ogen van Miyaura was dit een extreem onverantwoord optreden. Toen Oyabu’s plan niet opging, moest Miyaura ervoor opdraaien. Daar kwam nog eens bij dat Oyabu tijdens zijn aanstelling klaarblijkelijk deels zijn eigen zakken gevuld had. Het kloostergrondstuk in Kyoto had hij niet op de vrije onroerend goedmarkt verkocht, maar aan zijn schoonvader, die hem wederom financieel ondersteunde. Ook van de vele, oude pijen en kalligrafiën die Sawaki Kodo Roshi verzameld en Antaiji nagelaten had, waren er enkele, onder Oyabu verdwenen.

  Dat alles verklaart waarom Miyaura Antaiji niet wilde loslaten. Hij moet weliswaar geweten hebben dat zijn tijd als abt ten einde liep, maar hij wilde de tempel beschermen voor – zo dacht hij althans – een tweede greep van Oyabu. Oyabu had het aan Miyaura overgelaten om het beste uit Antaiji te maken, zoals hij voordien geprobeerd had zijn eigen visie te verwerkelijken. Maar ook daarom kon hij niet zwijgen toen hij zag hoe verloren Miyaura was. Toen Miyaura na bijna 15 jaar als abt van Antaiji nog altijd geen opvolger gevonden had, nam Oyabu de beslissing voor hem. En daarmee was ik tussen de beide kemphanen gekomen. Om me hiervan volledig los te maken, besloot ik in het stadspark van Osaka mijn tent op te slaan. Ik had genoeg van de politieke strijd achter de kloostermuren en wilde weg aan de frisse lucht. Mij ging het zoals zo velen: In de geschiedenis van zen komt men altijd weer monniken tegen die het leven op straat of onder een brug prefereren.

 

Het „achtvoudig ontwaken grootse mensen“ werd al in het tweede hoofdstuk aangehaald. Het derde aspect is het “genieten van de stilte”. Daarover wordt in de “Hachidaininkaku”, een hoofdstuk uit de “Shobogenzo” waarin Dogen de laatste toespraak van Boeddha beschrijft, gezegd: “Hou je verre van lawaaierig tumult en zoek naar geluk en vrede in de rust van de eenzaamheid. Een mens die in de stilte huist, wordt zelfs door de hemelse machten geëerd. Mijdt de aanwezigheid van verwanten en ook van andere mensen. Wie de massa liefheeft, zal een massa aan zorgen hebben. Het is als een oude boom – als zich een grote schare vogels op hem neerlaten, zullen zijn takken breken.”

  Hier gaat het niet erom, je terug te trekken van de wereld. Bedoeld wordt zich temidden van deze wereld niet zelf gek te maken, door bijvoorbeeld zich af te vragen: “Waarom heeft de ander meer succes dan ik?” of “Waarom ben ik zo alleen in mijn ongeluk?”. De stilte genieten wil zeggen, vast verankerd in zichzelf het eigen leven te leven. Weet je het nog? Een roos en een madeliefje laten zich niet vergelijken. Stilte komt nooit van buitenaf. Stilte komt van binnen als je je voor de wereld opent en de dingen neemt zoals als ze komen. Stilte kun je zelfs midden in de stad vinden als je bereid bent gewoon naar de klanken van de wereld te luisteren.

 

Bij mij was het minder een romantisch verlangen, maar meer een economische noodzaak die me richting stadspark dreef. Ik had gewoonweg niet het geld om een appartement te huren. Maar ik wilde mijn zazen-oefening met de mensen in de stad delen. In Japan wordt slechts in enkele boeddhistische tempels zazen aangeboden. Wat ik voor ogen had was een plek waar men dagelijks, voor of na het werk kon samenkomen om te zitten. Ik wilde een zen-dojo oprichten – wat in elke grotere, Duitse stad inmiddels een vanzelfsprekendheid is.

  Dus koos ik voor het leven onder de daklozen. Bijna 1.000 leefden indertijd in tenten uit blauwe plasticzeilen in het centraal gelegen kasteelpark. Wat mij fascineerde was de eenvoud van het leven met een minimum aan bezit. Mij beviel de gedachte om in een openbare ruimte in het park altijd beschikbaar te zijn. Geen muur die me van de rest van de wereld afsneed, zelfs de grens tussen “mijn tijd” en de rest van de dag viel weg. Er was geen enkel moment dat niet aan mezelf toebehoorde en ook alle anderen toebehoorde. Op 13 september, twee dagen na de aanslag op het World Trade Center, installeerde ik me in de buurt van de kasteelmuur. Met een fles sake in de hand vroeg ik aan mijn buurman, die zich als Hiroshi voorstelde, of het in orde was als ik hier voor onbegrensde tijd mijn tent zou opslaan. “Natuurlijk”, zei hij met een vriendelijke blik die echter niet op mij maar op de fles gericht was, “geen probleem. Maar hier in het park zoet iedereen voor zichzelf zorgen.” Dat was een filosofie die me inmiddels bekend in de oren klonk.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

8. Hoe leven?

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

In zen wordt gezegd: „Iedere dag is een goede dag!”De vraag is alleen: Wat moet je doen  zodat iedere dag echt een goede dag wordt? Wat moet je bezitten om iedere, afzonderlijke dag echt te kunnen genieten?En het antwoord luidt: helemaal niets! Je hoeft helemaal niets te doen of te bezitten om gelukkig te zijn. Je wordt alleen maar door het idee om de tuin geleid dat je dit moet doen of dat moet hebben. Zodra je inziet dat dit idee slechts een hersenspinsel is, zal iedere dag werkelijk een goede dag zijn.

(Sawaki Kodo)

 

„Zijn of niet zijn?“ Zo luidde de vraag van Hamlet. Als 13-jarigen schreven we spreuken als deze op de schoolbanken: “Het leven is als een kinderhemd: kort en ellendig!” In werkelijkheid besefte niemand van ons toen dat het leven kort was – het kwam ons eerder eindeloos lang voor. Alleen dat het ellendig was, daarover hadden enkele onder ons, waaronder ikzelf geen twijfel. Het was de tijd waarin grufti-bands als Joy Division in waren. De zanger Ian Curtis had een doodskist tot zijn bed omgebouwd waarin hij ook daadwerkelijk sliep. Toen hij op het hoogtepunt van zijn carrière zelfmoord pleegde werd hij voor ons een held. En Morrissey, de zanger van de band Smiths, zong: “When I’m lying in my bed, I think about life and I think about death, and neither one particularly appeals to me.“ Ook hij sprak tot mijn hart. Inmiddels weet ik dat ik indertijd het leven zo zag als iemand die klaagt dat een theaterstuk doodsaai is – zonder in te zien dat hijzelf de hoofdrolspeler op het toneel en tegelijkertijd de regisseur achter de coulissen moet zijn. Het leven heeft slechts zoveel zin als dat ik eraan geef want het kan alleen zo goed of slecht zijn als dat ik het leef. De vraag is dus niet, of, maar hoe ik het leven moet.

  Een van de boeken die ik op een vrije namiddag in Busshinji las, was van Victor Frankl. Deze bevatte de Japanse vertaling van drie voordrachten die de Joodse neuroloog in Wenen hield na zijn bevrijding uit het concentratiekamp in 1945. Bij Frankl, die ook om zijn logotherapie bekend stond, ging het zowel in zijn eigen leven als ook bij de behandeling van zijn patiënten erom de zin van het leven te vinden. Al met 16 jaar hield hij een voordracht: „Over de zin van het leven“. In de drie voordrachten die in 1946 verschenen onder de titel „....ondanks alles ja tegen het leven zeggen“ (Wenen), beschreef hij een Copernicaanse wending, die ook ik ondergaan had. Normaal genomen vragen we naar de zin van het leven en als we geen zin ontdekken kunnen, constateren we teleurgesteld dat het leven niet waard is te leven. In werkelijkheid echter is het, volgens Frankl, het leven zelf die deze vraag stelt. Het leven stelt ons de vraag en wij zijn degenen die een antwoord moeten geven.

  Met de logotherapie biedt Frankl drie verschillende manieren aan, om de zin van het leven te vinden: creatief zijn, ervaringen verzamelen en - lijden. Een kunstenaar bijvoorbeeld vindt door zijn creëren de zin van het leven, maar niet voor ieder van ons staat deze weg open. Zelfs het genieten van kunst is ook een weg, net zoals we de zin tijdens een reis of in een liefdesrelatie kunnen vinden. Maar ook dat kunnen niet allen. Als een mens op een ziektebed niets anders te doen heeft dan op zijn dood te wachten, dan mag hij zich terecht afvragen of zijn leven nog zin heeft. Het antwoord luidt: Ja, als hij zijn lijden onder ogen ziet.

 

Het leven stelt ons de vraag niet in woorden maar in confronterende feiten en wij beantwoorden het ook niet in woorden, maar in de daden die we stellen.

(Viktor Frankl, 1905-1997)

 

Merkwaardig genoeg zijn de drie voordrachten van Frankl wel in elke grotere Japanse boekhandel, maar niet meer in Duitsland te verkrijgen, want onder de titel „... ondanks alles ja tegen het leven zeggen. Een psycholoog in een concentratiekamp" zijn in 1977 niet deze voordrachten maar Frankls misschien wel bekendste werk opnieuw verschenen. Het werd zowel in Japan als in de USA een bestseller, echter in Duitsland kreeg het een tweederangs behandeling. In dit boek, dat Frankl naar zeggen in slechts negen dagen gedicteerd heeft, beschrijft hij zijn ervaringen in de concentratiekampen van Theresienstadt, Auschwitz en Türkheim. Wat tijdens het lezen irriteert: Hij ziet er volkomen van af om de holocaust te beoordelen. Vergeefs zoeken we naar een aanklacht. Frankl vindt zelfs in het concentratiekamp nog een zin in het leven. Waarschijnlijk was het juist deze ervaring die hem ertoe bracht het lijden als een weg naar de levenszin te begrijpen.

  Ik herkende mezelf in de boeken van Frankl, hoewel mijn eigen ervaringen niets tegenover de zijne waren. Zo onmenselijk de behandeling in menig zenklooster dan ook zijn mag, alle monniken zijn in het klooster omdat ze voor deze weg gekozen hebben en kunnen altijd weggaan. Frankl heeft het lijden gekozen en geaccepteerd hoewel er voor hem geen alternatief was. Hij zei ondanks alles ja tegen het leven en alleen daardoor kreeg het zin. Het lijden zelf is het antwoord: “Ik leef!”

 

I give what I’ve got to give
it’s important if I wanna live.

(Ramones, Amerikaanse punkband)

 

In het voorlaatste hoofdstuk heb ik me sterk gemaakt voor het geluk, dat verder gaat dan het gewoon zich-goed voelen en het wezenlijk loslaten betekent. Maar dat is slechts de helft van het verhaal. Het komt er ook op aan dat we ons leven zelf in de hand nemen. “Een ieder hier in het park moet zichzelf helpen” – daarmee wilde Hiroshi niet zeggen dat het niet om de andere mensen gaat. Hij bedoelde eerder dat iedereen zelf de verantwoording draagt voor zijn eigen leven en dat wij het zelf zijn die ons leven vorm moeten geven.

  Ook het „geluk B“ heeft dus een Yin- en een Yang-aspect. Op de Yang zijde geldt: Dit is jouw leven, niemand kan het leven buiten jezelf. Het is aan jou het vraagstuk van het leven op te lossen. Leef je leven niet als een marionet, maar als hoofdrolspeler! Yin daarentegen zegt: Is het niet een fantasie te denken dat men zelf “de regie” heeft over zijn leven? Laat je liever aan de hand nemen door het leven, laat je leiden. Laat het vraagstuk los en je zult zien dat je al in de oplossing leeft. Je hoeft alleen maar de grip iets losser te laten en zie: Het leven komt naar jou toe.

 

Geluk is de stoel die ineens daar staat, toen je tussen de twee andere wilde gaan zitten.

(George Bernard Shaw)

 

Is er een punt waar de Yin- en Yang elkaar overlappen? Ik denk het wel. Enkele jaren geleden zat ik in de trein tegenover een jonge Japanner, die een T-shirt droeg met de spreuk in het Duits: “Erken jezelf! Wat wil dat zeggen? Dat wil zeggen, gewoon zijn – en ook niet zijn.” Shirts met Latijnse opschriften, die de drager zelf niet begrijpt, zijn in Japan geen zeldzaamheid. Ook ik zou het opschrift geen verdere aandacht geschonken hebben, ware het niet dat het me herinnerde aan een citaat van Dogen, aan het begin van het eerste hoofdstuk: “Jezelf volgen is jezelf vergeten.” Later zag in op internet dat de spreuk op het T-shirt deel uitmaakte van een gedicht van Johann Wolfgang von Goethe. Hier harmoniseren op een wonderbaarlijke manier de zelferkenning van Yang en de zelfvergetelheid van Yin. Ze raken elkaar in het alleen-zijn dat tegelijkertijd niet-zijn is.

  Ik denk dat deze samenhang niet zo raadselachtig is, als dat het klinkt: Boeddha verging het net zo als de antieke filosofen bij zelferkenning. Echter hij ontdekte ook dat er helemaal geen zelf is dat men kan erkennen. Want zou er een zelf zijn dat erkent kan worden, dan zou er een afstand moeten zijn tussen het zelf dat erkent en het zelf dat erkent moet worden – wat absurd is want dan gaat het niet meer om zelferkenning. Het zelf bestaat niet los van het leven en om de afstand tussen zich zelf te overbruggen, moet het zelf geheel in het leven opgaan. Wat wil zeggen: alleen zijn. Dan is er ook niets meer buiten het zijn, zelfs geen zelf meer. Het zelf is gewoon – en is ook niet. Of, in Dogens woorden, om geheel één met jezelf te zijn, moet je je eerst eens zelf vergeten.

  Precies in dit één-zijn treffen zich het Yin- en Yang aspect van het leven: Loslaten en verantwoorden. En als het woord geluk überhaupt een betekenis heeft, dan kan het slechts dit één-zijn zijn. Maar – en dat is belangrijk – daar er geen afstand bestaat in het één-zijn, beoordeelt diegene die in zijn leven opgaat, het niet als gelukkig of ongelukkig. Want zodra hij zich afvraagt of hij nu gelukkig is, valt hij uit het één-zijn – en daarmee uit het geluk.

 

Wie echt gelukkig is, is zich er niet van bewust gelukkig te zijn. Desalniettemin is hij gelukkig en maakt ook de anderen om hem heen gelukkig.

(Dogen Zenji)

 

Vandaag zie ik het leven niet meer als kort en ellendig. In tegendeel: Het leven is als jouw adem, zonder begin, zonder einde, ongrijpbaar maar wonderbaarlijk. Ons probleem is niet het leven zelf, want het leven “op zich” existeert sowieso alleen in ons brein. Het gaat om onze instelling tot het leven. Als we op dit ogenblik niet aanwezig zijn, dus noch deze ademteug speuren die we nu maken, noch het lied van de vogel horen die voor onze vensters zingt, dan is het geen wonder dat het leven ons als een eindeloze reeks trieste, regenachtige dagen overkomt. “Waarom eigenlijk leven?”, vroeg ik me als kind af want mijn dagen waren doodsaai zodat de gedachte alleen al te moeten leven tot op hoge leeftijd me als een horrorscenario voorkwam.

  Sawaki Roshi zegt daarentegen: „Je wilt 80 worden? Leef liever het eeuwige leven!” Vandaag lijkt ons 80 jaar aanzienlijk korter. Wie nu lang wil leven, moet waarschijnlijk minstens 100 worden. Maar zelfs het leven van een 120-jarige is niet langer dan het leven dat jij op dit moment leeft, want leven kun je alleen maar nu, in dit ene ogenblik. Het “eeuwige leven” waar Sawaki het over heeft, heeft geen betrekking op het leven na de dood. We leven het nu al met iedere, afzonderlijke ademteug, want een ogenblik heeft geen begin en geen einde. Of zou je het kunnen meten? Hoe lang is “nu”? Een minuut, vijf minuten? Of slechts een duizendste van een seconde?

  In werkelijkheid is het altijd „nu” en als je nu leeft, leef je het eeuwige leven. Het leven zal je niet meer als een kwelling voorkomen zodra je jouw opmerkzaamheid op het huidige moment richt en alle gedachten over het verleden loslaat - want dat kun je toch niet meer veranderen en over de toekomst – die nog in de sterren geschreven staat. Jij zelf maakt het leven tot dat hoe het jou zelf voorkomt. De een ervaart het als oneindig lang en bedrukkend, de ander als te kort om er echt van te kunnen genieten. Maar kan een ademteug ooit te lang of te kort zijn? Nee, maar het gebeurt ons altijd weer dat we dit eeuwige moment uit het oog verliezen. En dat betekent het leven verliezen. Hoe kunnen we dat verhinderen?

 

Alleen wie niet in de tijd maar in het huidige moment leeft, is gelukkig.

(Ludwig Wittgenstein)

 

Het paradoxale antwoord luidt: We moeten zo leven alsof we allang dood zijn. Sawaki Roshi zegt: “Denk eens over de dingen na vanuit het standpunt van een dode. Een dode maakt zich niet druk. Al jouw problemen lossen op zodra je ophoudt je hoofd erover te breken.” Dat wil tegelijkertijd zeggen de huidige dag zo aan te gaan alsof het de laatste dag van je leven zou zijn.

  Deze waarschuwing die een uitnodiging tot leven is, brengt je terug naar het huidige moment. Wat zou je doen als deze dag de laatste dag van je leven zou zijn? Voor de tv hangen? Urenlang op internet surfen? Naar het geluk van het leven zoeken in boeken als deze? Of je bezatten totdat je bewusteloos omvalt? Ik denk dat ik nog een wandeling met mijn vrouw en kinderen ging maken. Misschien zou ik ook mijn bureau opruimen, de kraan die al zo lang druppelt eindelijk eens repareren, de goot die de storm van het dak geveegd heeft, weer vastspijkeren. Ik zou voor alles gaan zorgen waar ik me alleen op dit moment zorgen over zou kunnen maken.

  Ik denk niet dat ik de muziekinstallatie vol zou opendraaien en naakt op het balkon zou dansen, zelfs al zou de mening van mijn buren me niet meer interesseren. Omdat ik mijn leven niet voor de ander geleefd heb, is er ook geen reden om op mijn laatste dag eindelijk door het lint te gaan.

  Daarmee wil ik natuurlijk niet zeggen dat we niet aan onze medemens moeten denken. In tegendeel: Een ieder moet zijn leven zelf leven – maar op een manier die alle andere wezens erbij betrekt, want het is niet te scheiden van het leven van de ander. Als een dode leven betekent dus, jezelf vergeten en mededogen voor de medemens ontwikkelen. Fijngevoeligheid, kent men eigenlijk dit woord nog in Duitsland? Deze geest drukt zich ook uit in het antwoord van Sawaki Kodo op de vraag ‘Hoe leven?’: “Pas je aan je omgeving aan, doe de anderen een klein plezier. Leef je leven op een manier zodat ook je buren tevreden kunnen zijn. Oefen je daarin met je huwelijk. Oefen je daarin als je met je ouders of kinderen bent. Leef je leven als een dode – zo werk je niemand op de zenuwen.”

 

Er is een eenvoudige manier om gelukkig te zijn: Doe niets waarvan je weet dat je het niet zou moeten doen. Identificeer jezelf met het lijden van alle levende wezens. Luister naar wat de anderen jou te zeggen hebben. Geef jezelf volledig aan diegenen die jouw hulp nodig hebben. Loop niet weg voor moeite en laat jouw duizend wensen, zorgen en gedachten los. Dat wil zeggen, gelukkig zijn. Zoek nergens anders naar.

(Dogen Zenji)

 

In dit citaat vinden we het ideaal dat in het boeddhisme “bodhisattva” genoemd wordt. In de 2.500 jaar van zijn geschiedenis ontwikkelde het boeddhisme zich van een heilsleer, waarin het oorspronkelijk ging om de bevrijding van het persoonlijke lijden van het individu tot een volkomen nieuwe religie die men vandaag vooral in China, Korea en Japan tegenkomt: het Mahayana – dat betekent het grote Voertuig. In het oude boeddhisme was Boeddha het doel, terwijl iemand, die zich op de weg begaf een boeddha te worden, een bodhisattva genoemd werd.

  Het Mahayana boeddhisme waartoe ook zen behoort, draait deze verhouding om: Het gaat ervan uit dat iedereen onder ons al lang boeddha is. Zoals op het einde van het vierde hoofdstuk te lezen is, maakt ons in zen niet de bevrijding van het lijden in het leven zelf tot boeddha. Eerder wordt omgedraaid dat dit lijdzame leven zelf als het leven van boeddha gezien wordt. Dit inzicht echter heeft geen enkele betekenis als het louter theorie blijft. We moeten ons boeddhaschap ook belichamen. In de praktijk is Boeddha niet meer dan een startpunt van waaruit we ons leven als bodhisattva leven.

  Een bodhisattva wordt doorgaans gedefinieerd als iemand die weliswaar het nirvana nastreeft, maar zelf niet het nirvana wilt ingaan voordat hij alle andere levende wezens daarheen gered heeft. Met andere woorden: Een bodhisattva neemt zich voor niet gelukkig te zijn voordat alle anderen gelukkig zijn. Deze definitie echter werpt enkele vragen op. Waarom stelt een bodhisattva zichzelf op de laatste plaats als er volgens Boeddha helemaal geen zelf is, dus er geen reden is zichzelf te ontkennen? Ervan uitgaande dat alle mensen bodhisattva’s waren: Dan zou toch iedereen de ander voorlaten en op het eind durft niemand over de grens van nirvana te gaan. Maar dat is allemaal puur theoretisch want in werkelijkheid wil natuurlijk iedereen de eerste zijn. Een bodhisattva ziet er gewoon van af zichzelf met ellebogen naar voren te werken en ontfermt zich liever over diegenen die onderweg achterop geraakt zijn.

 

Verdoe je tijd niet met het zoeken naar geluk en vrede buiten jezelf. Geluk kun je hebben, noch krijgen, je kunt het alleen maar geven. Open jezelf. Deel. Lach. Omarm. Geluk is als een parfum waarvan de geur je benevelt als je het over anderen giet.

(Og Mandino, Amerikaanse schrijver van populair wetenschappelijke boeken, 1923-1996)

 

En dan komt nog een vraag naar voren: Hoe kan een bodhisattva de anderen de weg naar nirvana wijzen, als hij er niet zelf allang is? Kan men een ander mens gelukkig maken als men het zelf niet is? Vaak wordt een bodhisattva gezien als een veerman die de ander over de rivier brengt, zonder zelf aan de andere oever te gaan. Maar dit voorbeeld is niet overtuigend want in de praktijk is er iets heel anders voor nodig om een mens van het lijden te bevrijden. Het antwoord is dat de instelling van een bodhisattva om een ander eerst te verlossen niets anders betekent dan het nirvana binnen dit leven. Het gaat er een bodhisattva niet om het nirvana pas na de ander te bereiken, maar het hij heeft het daadwerkelijk bereikt op het moment dat hij het volledig vergeet en zich identificeert met het lijden van alle wezens. Daarom is het de eerste stap richting geluk zichzelf te vergeten en aan de anderen te denken – ik ben er zelfs van overtuigd dat er geen andere weg is. Zodra je besluit als een bodhisattva te leven zul je paradoxaal genoeg veel gelukkiger zijn dan op het moment toen je probeerde gelukkiger dan de ander te zijn.

 

Men wil niet alleen maar gelukkig zijn, maar ook gelukkiger dan de rest. En dat is daarom zo moeilijk omdat we denken dat de anderen gelukkiger zijn dan ze zijn.

(Charles-Louis de Secondat Montesquieu, Franse schrijver en filosoof, 1689-1755)

 

In de „Shobogenzo“ wijdt Dogen een hoofdstuk aan de levensinstelling van een bodhisattva, getiteld “Bodaisatta-shishoho”. Daarin beschrijft hij de vier manieren van een bodhisattva om de lijdende wezens tegemoet te treden: het geven, woorden van liefde, onbaatzuchtige hulp en het éénzijn.

1. Het geven. Geven wil zeggen niets begeren. Het is als de schat die je loslaat door hem aan een onbekende te geven. Op het moment dat je de Weg aan de Weg overlaat, zal de Weg je eigen worden. Als je je de Weg eigen gemaakt hebt, blijft de Weg volmaakt zichzelf. Als je de schat aan de schat overlaat, dan wordt de schat tot volmaakt geven. Geef jezelf aan jezelf en de anderen aan de anderen. Zelfs een enkele cent of een grashalm zijn schatten die we moeten geven. Verwacht daarvoor geen beloning, maar geef gewoon wat in je krachten ligt. Een veerboot uitzetten of een brug bouwen zijn eveneens een geven.

  In het dagelijkse leven, tijdens het werk en de zaak is er niets wat niet een akte van geven is. De bloesem de wind overlaten, de vogel de zang overlaten, zijn eveneens een deugd van geven. Moeilijk is echter, het hartsbewustzijn van de lijdende wezens om te wentelen. Het begin moet altijd het geven zijn. Er zijn tijden waarin het hart de dingen omwentelt, en er zijn akten van geven waarin de dingen het hart omwentelen.

2. Woorden van liefde: Als we de woorden spreken die de lijdende wezens met een goed hart bedelen als waren ze onze pasgeboren kinderen, dan zijn dat woorden van liefde. Waar we deugd ontmoeten, moeten we loven. Waar we geen deugd vinden, dan moeten we ons erover erbarmen. De haat van de vijand bedwingen en de ministers verzoenen kan alleen op grond van de woorden van liefde.

  Als we de woorden van liefde van een ander horen, fleurt ons gezicht op en verheugen we ons van harte. Als we onderweg woorden van liefde horen, bewaren we ze zorgvuldig in ons hart en ziel. Weet dat woorden van liefde uit een liefdevol hart komen en dat de kiem van een liefdevol hart een hart uit goedheid is. Leer dat de woorden van liefde de kracht bezitten de hemel open te breken.

3. Onbaatzuchtige hulp: Mensen mens die zich om een gevangen schildpad bekommerden of een gewonde vogel verpleegden, deden dit niet uit eigen belang, maar ze werden gewoon bij het zien van de schildpad of de vogel gegrepen door het onbaatzuchtige geven.

  We moeten zowel vriend als vijand eenzelfde hulp aanbieden, anderen zo helpen als zouden we onszelf helpen. Als we ons deze geest eigen maken, dan wordt het beginsel van de ononderbroken, zelfstandig werken van de onbaatzuchtige hulp zelfs onder bomen en gras, wind en water door deze onbaatzuchtige hulp in beweging gebracht. Het is een onvoorwaardelijke overgave de onwetenden te helpen.

4. Het éénzijn: Eénzijn wil zeggen je niet van jezelf onderscheiden en je ook niet van anderen onderscheiden. Zoals een boeddha die één is met ons mensen. Weet dat één-zijn wil zeggen dat de oceaan geen water afwijst. Weet ook dat het water de deugd bezit de oceaan niet af te wijzen. Zo verzamelt zich het water en wordt tot een weidse oceaan, en zo hoopt zich de aarde en wordt tot een hoge berg. Mensen verzamelen zich en vormen een groot rijk. Ze zoeken naar een wijze heerser, maar zelden begrijpen ze het beginsel wat een wijze heerser tot een wijze heerser maakt en zijn ze weliswaar blij dat de wijze heerser hen aanneemt, echter ze begrijpen niet dat ook zij de wijze heerser aannemen. Op deze manier geldt het beginsel van het één-worden voor zowel de wijze heerser als voor de dwaze mensen en derhalve is het één-worden de praktiserende gelofte van de boddhisattva’s. We moeten gewoon alle dingen met een zachte uitdrukking in onze ogen welkom heten.

 

Hoe onderscheiden zich hemel en hel? In Japan wordt dat vaak zo weergegeven: Stel je een groep mensen voor die om een tafel zitten voor een rijkelijke maaltijd. Alles is klaar om te gaan eten, er is slechts een probleem. Het bestek – in Japan dus stokjes, maar het kan net zo goed mes en vork zijn – is langer dan een meter. Zelfs met uitgestrekte armen is het niet mogelijk de delicatessen te verorberen. Vertwijfeld proberen de mensen, die zich natuurlijk te goed voelen om met de handen gaan eten, om op een of andere manier een hap in de mond te krijgen. En als het ze uiteindelijk niet lukt dan willen ze op z’n minst verhinderen dat het de anderen aan tafel wel lukt. Bijna zoals in onze ellebogenmaatschappij eindigt het hele gebeuren met dat de mensen met het bestek op elkaar afgaan, terwijl het eten – waar het toch om gaat – onaangetast blijft. Dat is de hel op aarde.

  En hoe ziet het in de hemel eruit? Stokjes of vorken die een meter lang zijn, zijn niet geschikt om het eten in de eigen mond te stoppen. Maar ze zijn wel erg handig om de mensen tegenover je eten te geven. Bodhisattva’s die niet eerst aan zichzelf denken maar de situatie in het geheel betrachten, hebben met het bestek geen probleem. Niemand hoeft zich druk te maken dat hij te kort komt want er is genoeg voor allen en ook de gespreksstof aan tafel reikt vloeiend.

 

Geluk is een wonderding: Hoe meer men geeft, hoe meer men heeft.

(Germaine de Staël-Holstein, Franse schrijfster, 1766-1817)

 

Belangrijk is hier dat een bodhisattva zich nooit op een neerbuigende manier gedraagt. Hij dringt de anderen zijn barmhartigheid niet op maar hij deelt gewoon zijn eigen leven met dat van alle andere wezens. Dat wil niet zeggen dat hij in het echt belegde broodjes uitdeelt, maar iets van zichzelf geeft. Wat heeft een bodhisattva nodig om dit te kunnen doen? Ik denk dat het de overtuiging is die niemand hem kan afnemen: “Ik leef!” Zonder dit oervertrouwen is naar mijn mening ware liefde onmogelijk want het zal in afhankelijkheid omslaan. Alleen een bodhisattva kan zich opofferen en tegelijkertijd onafhankelijk blijven. Natuurlijk kan dit in een uitzonderlijke situatie ook resulteren in dat een bodhisattva zijn leven riskeert. Maar hij weet, wat ieder van ons zou moeten weten: Links of rechtsom, sterven zullen we toch. “Ik leef” impliceert tevens “Als ik sterf, dan sterf ik gewoon”.

  Vraag je je af wat dit ideaalbeeld met de realiteit van Antaiji en de andere zenkloosters die ik beschreven heb, te maken heeft? Ik zelf wist het nog niet eens toen ik besloot om te gaan leven in het park. Natuurlijk besefte ik inmiddels dat de werkelijkheid altijd anders zou zijn dan mijn ideaalbeeld. Maar zijn er ook daar niet grenzen? Mag men niet tenminste van zenmeesters verwachten dat ze iets beters te doen hebben dan om een klooster te vechten? Toen ik daarover nadacht, schoot me een spreuk van Sawaki Roshi te binnen: “Boeddha wil zeggen jij zelf. Als jij niet als Boeddha leeft, wie dan wel?” Miyaura was ook maar een mens. Oyabu was eveneens maar een mens. Veranderen kon ik dat niet want ook ik was maar een mens. Maar als mens kon ik op z’n minst proberen, mezelf te veranderen. De tijd was rijp om op eigen benen te gaan staan – zelfs al was en en ik ver verwijderd van het ideaal van een bodhisattva: Indertijd was het aan mij, de eerste tred op de weg te maken. En dat geldt iedere dag weer opnieuw.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

9. Leven in het park

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Freedom is just another word for nothing left to lose.

(Janis Joplin, Amerikaanse zangeres, 1943–1970)

 

Gedurende de eerste drie dagen in mijn tent op de kasteelmuur in Osaka had ik er weinig fiducie in dat mijn leven als dakloze lang zou duren. Altijd als ik iemand of iets hoorde lopen ging ik ervan uit dat het de politie was. En wie zou een buitenlander in het park dulden? Maar in het begin gebeurde er niets en pas na twee weken trof ik een papier aan op mijn tent: “Gelieve dit object per omgaande te verwijderen uit het park. Zo niet dan zal het in de naam van de stad Osaka geconfisqueerd worden. De parkwacht”. Echter ik was inmiddels al zo aan de nieuw verworven vrijheid gewend, dat deze waarschuwing me voorkwam als een verbanning uit de tuin van Eden. Zou mijn nieuwe leven al zo snel ten einde gaan? Toen ik mijn buurman Hiroshi die een gelijknamige boodschap aan zijn tent had hangen om advies vroeg, zei hij gewoon: “Maak je niet druk. De mensen van de wacht worden betaald om deze bonnen uit te delen. Haal het gewoon eraf en dan heb je de komende weken rust.”

  En zo was het dan ook. Buiten deze bonnen waarmee de parkwacht ons regelmatig attendeerde dat onze aanwezigheid eigenlijk niet gewenst was, maakte niemand verder problemen. Anderzijds deden ook de daklozen er alles aan om geen ophef te veroorzaken. Geen deel van het park was zo schoon als daar waar wij onze tenten hadden opgeslagen, want elke morgen veegden de parkbewoners de paar kwadraat meter rondom hun tent zelf. Velen hadden bloempotten voor de ingang gezet, voor sommige tenten sliepen zelfs honden vredig aan de lijn. Ook de openbare toiletten in het park hielden de daklozen schoon. De daklozengemeenschap herinnerde me soms een beetje aan de actie “Unser-Dorf-soll-schöner-werden” in de Duitse provincie.

  De meeste parkbewoners waren zo rond de vijftig. Ze hadden hun banen tijdens de lang aanhoudende economische recessie in de negentiger jaren verloren en leefde nu door blik in te zamelen en te verkopen. Voor een kilo aluminiumblik betaalden de ijzerhandelaren 100 Yen, in een nacht haalde een doorsnee blikverzamelaar ongeveer acht kilo binnen. Dat waren bijna 500 blikken waarvoor hij omgerekend zes Euro kreeg. Daar kon je in het park van leven. Bij de “Super Tamade”, de Japanse equivalent van de Aldi, kreeg je een portie pasta voor 29 Yen, een stuk tofu voor 19 Yen, de gekookte rijst kostte 78 Yen, daarbij kroketten voor 35 Yen – en als je er vroeg bij was, dan waren ze nog warm.

  Ook wat de veiligheid betrof was er geen enkel probleem. Gedurende de zes maanden die ik in het park doorbracht hoefde ik me geen zorgen om mijn spullen te maken en nog minder om mezelf. Als ik overdag onderweg was, liet ik mijn paspoort en het beetje geld dat ik had gewoon in de tent. Toen ik terug geroepen werd naar Antaiji bleef de behuizing, die inmiddels een kleine hut geworden was, nog drie maanden onbeheerd staan, totdat ik het afbrak en weghaalde. Gedurende deze tijd was niemand de hut binnengegaan. Interessant was het toen een reporter een televisiedocumentaire draaide over de daklozen in het park. Hij vroeg een van de bewoners die zich op een ochtend in de winter waste met het ijskoude water van de openbare toilet, hoe vaak hij dit deed en het antwoord was “dagelijks”. Op de daaropvolgende vraag of hij geen angst had een kou op te lopen, zei de dakloze: “Ten eerste was ik me uit respect voor mijn omgeving om mijn medemensen niet met mijn lichaamsgeur lastig te vallen. En ten tweede bevordert het koude water mijn gezondheid.”

  Maar dit principe gold vooral onder de daklozen in het park. Als er onder hen een geweest zou zijn die het eigendom van een ander genomen had om zelf daaruit voordeel te halen, dan was hij gedurende de recessie zeker niet op straat beland maar zou nu waarschijnlijk op de chef-etage van zijn bedrijf zitten. De daklozen die ik gezien had waren niet meedogenloos: Neen, het waren alleen de beste mensen die in het park beland waren. Er ging zo goed als niemand in op de pogingen van diverse politieke en religieuze groeperingen, die de daklozen voor hun doelen wilden strikken. De meeste van deze propaganda bijeenkomsten waren goed bedoeld, er moest hulp geboden worden en soms werd er ook rijst en soep uitgedeeld. Het enige was stoorde was slechts de opdringerige manier van de wereldverbeteraars die weggelopen waren voor hun persoonlijke conflicten thuis om voor de parkbewoners te gaan preken hoe zijn hun leven vorm moesten geven.

  Ik echter wilde van de daklozen leren en mijn leven met ze delen. Daar had ik niet een programma voor bedacht, alleen zazen wilde ik dagelijks van 6.00 tot 8.00 uur en ’s zaterdags van 19.00 tot 21.00 uur beoefenen. Alle 24 uur van de dag kwamen aan mezelf toe, de twee uur zazen waren als een rode leidraad die mijn leven richting gaf. De zin van het leven in het park bestond er tenslotte uit een naar alle richtingen open zen-dojo in de stad aan te bieden. Hier in het park kon ik eindelijk mijn naam eer aan doen. “Muho”: Geen richting, elke richting, dat is waar de weg onder mijn voeten me brengt.

 

We denken dat we geheel op eigen kracht leven, maar in werkelijkheid is het de grote natuur die ons in leven houdt. Jouw leven behoort niet alleen jou toe – het is universeel. Dit universele leven is jouw zelf, het is het ware mensenlichaam die de gehele kosmos vult. Als ik alleen zazen beoefen, dan oefent het hele universum met mij – ingesloten in zazen.

(Sawaki Kodo)

 

Het ontbreken van muren heeft natuurlijk ook zijn prijs. In Japan zijn er voor te zeggen geen oefenruimtes voor amateur muziekanten, daarom treffen velen elkaar na het werk in het park. Vooral tijdens de warme nachten dreunde het uit alle hoeken. In de buurt van mijn tent hadden zich de koperblazers verzameld en onder de muur bespeelde een drummer op zijn instrument. Niemand liet zich door een ander storen en dit gigantische jazz orkest leerde mij weer enkele lessen inzake acceptatie en openheid.

  In de ochtend, als de muziekanten eindelijk naar huis waren, zat ik in het begin vaak alleen op de muur. Vooral tijdens regenachtige dagen verging me vaak de zin. “Zit ik niet hier om de stedelingen de mogelijkheid tot zazen aan de bieden? Waarom komt er dan niemand? Zien jullie niet, wat je daar misloopt? Nee, ik moest me soms zelf eraan herinneren, ik zat daar voor niets en niemand. Ik zat gewoon op de plek die mij hemel en aarde toegewezen had. Dat was alles en dat was genoeg.

  In de late herfst werd het rustiger maar ook kouder in het park. Maar het was vooral de vochtigheid waar ik steeds meer last van kreeg. Hoewel de tent me tegen de regen beschutte was mijn futon altijd vochtig en klam. Het lukte me niet om het droog te krijgen omdat de zon bijna niet door de bomen kwam. Ik had last van rugklachten en door een blaasontsteking moest ik elk half uur naar de wc. Het probleem loste pas op toen ik oude spoorbalken vond. Ik nam ze mee, legde er planken op en zette zo de tent op een verhoogd platform. Hiermee wilde ik het beschutten tegen regen en toen ik toch al daarmee bezig was, bouwde ik gelijkertijd een buitenwand uit planken. Voor het dak gebruikte ik doorzichtige plastic platen die ik in de bouwmarkt kocht. Daardoor was het licht in de nieuwe hut en als de zon scheen, ook snel warm. Van een tatami handelaar kreeg ik achttien gebruikte rijststromatten en na het nieuw jaar was mijn nieuwe thuis compleet. Nu had ik het niet alleen warm en droog, het was zelfs gemoedelijk.

 

Geluk is als de maan die zich in het water weerspiegeld. Hij licht zelfs in een kleine plas met onverstoorde helderheid. De hele maan en de hele hemel bevinden zich in een dauwdruppel op een grashalm. De druppel biedt geen weerstand aan de maan en zo moet ook jij je niet weren tegen het geluk. Denk niet, dat het geluk je buiten zinnen zal brengen. Neen, het geluk vindt zelfs in de armste hut plaats, waar het verbreidt zich niet in de breedte, maar in de diepte. Zoek niet naar het geluk van gisteren of van morgen. Wanneer wil je gelukkig zijn, als niet hier op deze plek?

(vrij naar Dogen Zenji)

 

Beetje bij beetje leerde ik meer mensen kennen die mijn zen-dojo bezochten. In het begin had ik folders uitgedeeld tijdens het bedelen, maar dat had weinig respons. De meeste mensen hadden vernomen van de zengroep door gratis advertenties in evenementenkalenders en door het internet. Sommigen, onder wie Kihara, Oshu of Yamanaka kende ik al van Antaiji. ’s Zondags kwam Kihara een jonge Japanse die gedurende de zomervakantie in Antaiji geweest was. Overdag werkte ze in een supermarkt om zo haar jurastudie aan de avonduniversiteit te kunnen bekostigen. Yamanaka was een Japanner van mijn leeftijd die ik eveneens van Antaiji kende. Hij leefde nog bij zijn ouders in Osaka en droomde er al jaren van, eens zenmonnik te worden. Maar hij kon niet besluiten zich tot een meester te verplichten. Hij bezocht me als hij er zin in had en hij was het ook die me hielp tijdens de bouw van mijn hut op het eind van dat jaar. Kihara bracht meestal iets warms om te eten en te drinken mee. Na een tijdje kreeg ik van haar het gasstel, zo kon ik mijn gasten na de zazen thee en iets te eten aanbieden. Vaak zaten we tot in de middag samen voordat iedereen zijn eigen weg ging.

  Met Oshu, de gelukszoeker had ik twee jaar in Antaiji doorgebracht. Op een dag zagen we elkaar terug op een hoek van de straat. We waren allebei aan het bedelen en tegelijkertijd verrast door elkanders weerzien. Oshu leefde net zoals ik in een tent echter niet in het park, maar in het Ikoma gebergte ten oosten van de stad. Ik nodigde hem uit voor de zazen en altijd als hij voor het bedelen naar Osaka kwam, was hij s’s ochtends in het park erbij. In december zaten we zelfs gezamenlijk tijdens een een-wekelijkse sesshin op de kasteelmuur.

  Marika gaf Duits op een taalschool. Ze kwam uit Düsseldorf en had eerder bij een Tibetaanse Lama’s gestudeerd. Pas nadat ze terugkeerde naar Duitsland merkte ik dat ze niet zo zeer geïnteresseerd was in haar Japanse leerlingschap, maar meer in mij, een Duitse nietsdoener in het park.

Jerry was een Amerikaan en had zijn eigen zengroep, die een keer per maand samenkwam. Hij hield ervan om samen met ons in het park te zitten, zo hoefde hij voor een keer niet zelf de verantwoording te dragen. Hij kwam gedurende de hele winter, zelfs wanneer alle anderen het vanwege de ijzige wind die om de kasteelmuur blies lieten afweten.

  Bandi was een Japanse musicus en was eigenlijk lid van de Sokagakkai, een missionaire sekte, die niet bepaald uitblinkt in tolerantie tegenover andere geloofsrichtingen. Ook hij scheen te genieten van de vrije en open atmosfeer, maar had de neiging meer te genieten van het gesprek dan het zitten in de kilte. In de winter nam ik een enige keren deel aan zijn radio uitzending die hij elke donderdagavond vanuit Kobe uitzond.

  Als tegen tien uur ’s ochtends alle deelnemers verdwenen waren ging ik mijn eigen weg. Twee of driemaal per week ging ik bedelen. De meeste Japnners zijn zeer toegeeflijk met gaven voor monniken en zo had ik meestal genoeg geld voor de volgende dag. Op de andere dagen ging ik naar het internetcafé om te werken aan mijn homepage. In de buurt van het kasteel ligt het Osaka-Business-park en in de parterre van het Panasonic gebouw was indertijd een internetcafé waar men gratis gebruik kon maken van de nog nieuwe broadband verbinding. Toen ik veertien was, was er in onze school een computer groep waar we onze programma’s met basic zelf schreven. Als er toen al internet en computerspelen geweest zouden zijn dan was ik waarschijnlijk in de Cyberspace verdronken. Ik hield van de algoritmen en de virtuele wereld die zich daardoor liet creëren. Met zestien wisselde ik van school waar geen computers waren. Eerst was ik teleurgesteld, maar achteraf gezien ben ik er erg blij om.

  Toen ik bijna twintig jaar later voor het eerst weer achter een computer kroop was het moeizame spel van het programmeren een kinderspel geworden. Nu kan inmiddels iedereen met de eenvoudigste software een homepage maken en al snel was er de website van mijn zengroep “Rutenkai”, wat vrij vertaald “de gemeenschap van drijvende wolken” betekent. Het woord “ruten” betekent de aanhoudende verandering waarin alles in de wereld onderhevig is. Vaak zat ik tijdens de eerste weken urenlang achter de computer om aan de website te werken, vertalingen te maken of op internet, deze grenzeloze nieuwe wereld te surfen en mijn gratis advertenties op te geven. Om direct bereikbaar te zijn had ik zelfs een handy gekocht. Met een prepaid kaart die ongeveer zeven Euro kostte was dit apparaat een maand lang bereikbaar, ik als eigenaar echter kon er slechts tien minuten mee bellen.

 

Niets in de wereld is echt van belang: Geld doet er niet toe, jouw carrière doet er niet toe, wat je smaakt of niet is onbelangrijk. Niets is zo oninteressant als datgene wat de mensen interesseert.

(Sawaki Kodo)

 

In het park van Osaka begon ik ook de spreuken van Sawaki Kodo Roshi – waarvan vele citaten in dit boek te vinden zijn – te vertalen. Sawaki is de bekendste onder de abten van Antaiji en is derhalve een groot voorbeeld voor iedere monnik hier. De vertaling van deze spreuken die de essentie van zijn leer weergeven was in het begin bedoeld als oefening voor mezelf maar naarmate het werk vorderde, wilde ik ze voor iedereen openstellen. Ik herinner me nog goed de zonnige herfstmiddagen die ik doorbracht op de kasteelmuur met de vertaling van het boek dat in 2005 verschenen is onder de titel “An dich”(Frankfurt). Na het aanbreken van de duisternis ging ik dan naar de lobby van een hotel waar ik mijn notities in het net schreef. En de dag erop typte ik alles op de computer. Mijn notities wierp ik weg zodra de tekst online te lezen was – mijn vertrouwen in het voor mij geheel nieuwe medium waren nog onbegrensd.

  Rond deze tijd toonde Guido Keller van het Angkor-Verlag interesse om mijn boek uit te geven. Echter hoe groot was mijn verbazing toen op een ochtend na nieuwjaar mijn homepage niet meer bestond! Tenslotte had ik alles direct op de computer in het internetcafé geschreven en geen backup van mijn data gemaakt. Zo was de juist afgekregen vertaling samen met de homepage “Rutenkai” uit onbegrijpelijke redenen in de cyberspace verdwenen – zoals de drijvende wolken, die ik als motto had voor mijn leven in het park. Hoewel ik wist dat het in dit leven om het loslaten gaat, was het toch een shock te ervaren dat het werk van meerdere maanden verloren scheen te zijn gegaan. En waarschijnlijk had ik de energie niet meer gevonden alles nog eens te vertalen, ware het niet dat de data enige weken later als cache-data opdoken bij Google. Deze bijzondere functie om oude data op te slaan, dus voor te zeggen bewaren, zou me veel tijd en energie besparen. Maar inmiddels leefde ik allang niet meer in het park, mijn leven had al weer een nieuwe wending genomen.

  Tomomi kende ik pas tien weken toen plots het lot in februari me uit het park weghaalde. Zoals de meeste deelnemers van de groep had ik ook haar via internet leren kennen. Zij zocht iemand om over filosofie te praten. Ik bood haar aan zazen in het park te beoefenen. Ze werkte tot in de vroege ochtenduren in een bar in Minami, een uitgaansgedeelte in het zuiden van de stad. Het park lag precies op haar weg naar huis en op een morgen kwam ze na het werk langs. Na de zazen hadden we een gesprek op de muur met thee, totdat ze tegen de avond weer naar het werk moest. En na haar tweede bezoek, trok ze mijn de tent in. Het feit dat het park dichterbij haar werk lag, was niet de enige reden. De wilde vastberadenheid waarmee ze haar weg in het leven zocht en mijn eigen levensstijl hadden een grote, wederzijdse aantrekkingskracht. Hoewel ze afgestudeerd was aan de universiteit, zag Tomomi er liever vanaf de zekerheid van een vaste baan in een groot bedrijf de voorkeur te geven. Zij wilde niet in het hamsterrad opgesloten worden, waarin zoveel anderen hun dagen doorbrengen.

  Halverwege februari stonden de pruimenbomen in het kasteelpark van Osaka in volle bloei, de milde wind blies hun geur in mijn richting. Het was Valentijnsdag en ’s avonds had ik afgesproken met Tomomi. Ik wilde nog snel even naar het internetcafé gaan om te zien of er e-mails waren binnengekomen. Ik had net plaats achter de computer genomen toen mijn handy afging. Het was Taijun van wie ik al lang niets meer gehoord had: “Hallo, Taijun? Hoe gaat het? Wat een verrassing!“

Taijun antwoordde niet direct, maar zei vervolgens: „Ik heb zojuist een telefoontje gekregen dat Miyaura een ongeluk had. Zijn hart staat stil.” 

„Zijn hart staat stil? Wat bedoel je ... leeft hij nog?

“Dat weet ik niet”, zei Taijun en hij legde neer.

Mij werd het slecht. Twee minuten later kreeg ik het tweede telefoontje. Nu was het Oyabu: “Miyaura is dood.”

Ik haastte richting mijn hut, pakte mijn rugzak – en zat al snel in de volgende trein richting Antaiji. Pas kort voor mijn aankomst laat in de avond aan de noordwestkust van Japan bereikte ik Tomomi per telefoon: “Vanavond kunnen we ons helaas niet meer zien.”

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

10. Is liefde echt alles wat je nodig hebt?

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

All you need is love, all you need is love, all you need is love, love, love is all you need

(The Beatles, Britse popband)

 

Dat beweerden tenminste de Beatles in de zestiger jaren – ongeveer tegelijkertijd dat Mick Jagger de ontevredenheid bezong. Maar kan werkelijk alleen liefde de leegte in ons leven vullen? Weten we zelf wat liefde omhelst en hoe het te verkrijgen is, of zien we liefde zoals de media ons die voorspiegelt? Wat bedoelen we met het woord “liefde”? Is het met liefde niet net zo als met het geluk? Niet alleen weten we niet goed hoe we er grip op kunnen krijgen, nee we begrijpen zelfs nog niet eens goed waarnaar we zoeken. “I’m lovin’ it” is de reclameslogan van een internationale fastfood-keten in Japan. In het Japans kan dat niet vertaald worden. Er bestaat weliswaar een woord voor liefde maar iedere Japanner zou het lachwekkend vinden om het met hamburgers en cola te associëren. Verwondert dat dan niemand in Duitsland als er reclame gemaakt wordt met: “Ich liebe es”? Of is dat de liefde die we bedoelen?

 We kennen de romantische en platonische liefde, we spreken over god- en naastenliefde, van mens- en dierliefde, maar ook van geslachtsliefde. Houden kinderen van hun ouders op dezelfde manier als ouders van hun kinderen? Is er enkel een onderscheid in intensiteit of ook in de kwaliteit van liefde? Hoe is het mogelijk dat we zelfloosheid over dezelfde kam scheren als het kloppen van een hart van een teenager? Kan een one-night-stand over eenzelfde kam geschoren worden als het leven van een bodhisattva? Het zou eigenlijk helemaal niet uitgelegd hoeven dat we hier over geheel verschillende fenomenen spreken. We moeten ons eerder de vraag stellen wat al deze vormen van liefde gemeenschappelijk hebben. Zo kunnen we misschien ook het geluk beter begrijpen.

 

I was made for loving you, baby, you were made for loving me.

(Kiss, Amerikaanse rockband)

 

Mijn eerste, grote liefde had ik toen ik zestien was, ongeveer tegelijkertijd dat ik met zazen in aanraking kwam. Ik had Katja leren kennen tijdens een “contactweek” met Pinksteren in Braunschweig, waar twaalf leerlingen uit geheel Duitsland getest werden of ze voor een bepaald internaat geschikt waren. Toen leefde ik nog in Tübingen, zij kwam uit Garbsen bij Hannover. Uiteindelijk kwam alleen ik in het internaat terwijl zij tot aan het eindexamen bij haar ouders bleef. Maar in de daaropvolgende acht jaren troffen we elkaar altijd weer, eerst elke twee weken, daarna met langere tussenpozen. Afgezien van mijn aanraking met zazen was het contact met Katja wellicht de belangrijkste gebeurtenis tijdens mijn tijd op het Gymnasium.

  Hoewel het vier jaren duurde voordat we voor het eerst met elkaar sliepen, was onze relatie van begin af aan niet streng platonisch. Net zoals bij zazen ontdekte ik door mijn liefde voor Katja mijn – en haar – lichaam. Op een namiddag toen we nog in Braunschweig waren vroeg ik aan Katja hoe het haar daar beviel toen plots haar hand op mijn schouder rustte. Ze zei niets, slechts haar warme hand streek over mijn rug. Ik had een hele tijd nodig om de situatie in me op te nemen en mijn handen haar liefkozingen beantwoorden. Het was alsof de harde schaal van mijn hart eindelijk openbrak als een rijpe kastanje. Mijn gehele jeugd had ik doorgebracht de ene steen na de andere op de muur te leggen die ik om me heen gebouwd had. Katja was de eerste die het durfde over deze horde heen te springen.

  Op het eind van de „contactweek”gaf ik Katja mijn adres en ze beloofde me te schrijven. Ik was te verlegen om haar adres te vragen. In de daaropvolgende weken wachtte ik vol verlangen op een brief van Katja – tevergeefs. En toen de zomervakantie naderde had ik nog steeds niets van haar gehoord.       

  Dus besloot ik op de fiets te stappen en van Tübingen naar Hannover te gaan om haar te zien. Na tien dagen was ik aangekomen en vond haar ook in het telefoonboek. Alleen was ze niet thuis. Pas na het schoolbegin in Braunschweig bereikte ik haar. Nee, ze had me niet vergeten. Ja, ze wilde mij ook zien. En dus zagen we elkaar het halve jaar daarop elk tweede weekend. Afgezien van deze veel te korte bezoeken gaven de brieven die we elkaar schreven de inhoud van mijn leven als zestienjarige weer. Dat deze liefde niet de zin van het leven zou zijn, daarvan had niemand me kunnen afbrengen. Geen ogenblik zou ik getwijfeld hebben mijn leven voor Katja te geven. Want was zij niet diegene waaraan ik mijn leven te danken had?

  Toen Katja aan het eind van de winter steeds minder vaak schreef en we ons een tijd niet meer gezien hadden, belde ik haar op. Ze zei dat ze nu een ander kapsel had en naar Depeche Mode luisterde. Mijn haren reikten tot aan mijn heupen, ik hield toen van de Rolling Stones en de Doors. Maar ik begreep niet wat dat nou uitmaakte. Liefde was toch meer dan een gemeenschappelijke muziekstijl? We zwegen lang aan de telefoon, echter dit zwijgen ging niet meer gepaard met de wens samen te kunnen zijn. Ze wachtte erop de hoorn neer te leggen en toen ze het deed, stortte een kleine wereld voor me in elkaar. Zoals zovele teenager geloofde ook ik dat sprookjes waar konden zijn en ik was uit mijn droom ontwaakt. Mijn brieven bleven onbeantwoord en de dagen waren grijzer dan ooit tevoor.

  Na een paar maanden belde ze dan toch weer op. Ja, teleurgesteld had ze me zeker. Nee, boos was ik niet. Ja, natuurlijk wilde ik haar weer zien. We kwamen weer bijeen en we gingen meerdere keren weer uit elkaar en in de jaren erop vergingen meestal slechts enige weken of maanden waarbij niet de een, dan wel de ander zich meldde. We zagen elkaar telkens weer maar het was nooit meer zo als in het begin. We verschilden teveel om het lang met elkaar uit te zingen, maar juist dit verschil zorgde er telkens opnieuw voor dat we ons tot elkaar aangetrokken voelden.

 

Why is it something so good just can’t function no more. Love, love will tear us apart again.

(Joy Divison, Engelse Gruftie-band)

 

Er zijn de meest uiteenlopende theorieën waarom Ian Curtis, de zanger van Joy Division, zelfmoord pleegde. Weliswaar liet hij zich op dat moment van zijn vrouw Deborah scheiden, maar zijn eigen carrière was net pas begonnen. De band stond net op het punt om een tournee door Amerika te maken. Vandaag siert de titel van zijn meest succesvolle song de grafsteen in zijn woonplaats Macclesfield: “Love will tear us apart.“ Ik denk dat Ian Curtis niet de enige was die zich afvroeg waarom iets zo goeds als de liefde op een gegeven moment plots niet meer wil functioneren.

  Hoe is het mogelijk dat het gevoel, waar we gisteren alles voor gegeven zouden hebben ons vandaag weer scheidt? Niet alleen de Beatles en de vele bioscoopfilms beweren dat de liefde het antwoord op alle vragen en problemen is. Zelfs de sprookjes die ons als kinderen voorgelezen zijn eindigen als de prins en de prinses elkaar gelukkig in de armen sluiten: “En als ze niet gestorven zijn, dan leven ze heden nog.” In werkelijkheid echter moeten we helaas al te vaak constateren: “En als ze nog in leven zijn, dan hebben ze allang de scheiding aangevraagd en strijden nu om het zorgrecht van hun kinderen.” Zowel de kindersprookjes als de sprookjes voor volwassenen uit Hollywood vertellen het verhaal meestal tot het moment waarop de geliefden elkaar vinden. Alles wat daarna komt, wordt verzwegen: Als een liefde op de lange duur wilt standhouden moeten er vele crisissen doorstaan worden. Dat vraagt offers, compromissen en veel meer zenuwen en energie dan een jeugdige lezer van William Shakespeare’s Romeo en Julia zich kan voorstellen.

 

Het gelukkigste huwelijk dat ik me persoonlijk kan voorstellen, zou de verbintenis zijn tussen een dove man en een blinde vrouw.

(Samuel Taylor Coleridge, Engelse dichter, 1772-1834)

 

In het gewone leven ziet vandaag de dag iedereen zichzelf het liefst, zelfs de relatie tussen ouders en kinderen is vaak gespannen. Dus is het niet verwonderlijk dat ineens de hele wereld in een geheel ander daglicht schijnt, alleen maar omdat we tot over de oren verliefd zijn. De stap tot bodhisattva in het klein gebeurt als vanzelf. We kunnen gewoon niet anders als alleen maar aan hem of haar denken, ons eigen leven doet niet meer terzake. Om ons voor onze geliefde voor de trein te gooien is een kleinigheid – verwonderlijk als men bedenkt hoe moeilijk het gisteren nog was om een wildvreemde in de wachtrij voor te laten. Onze hormonen draaien ineens door. Het ik dat in het centrum van het leven stond, doet een pas opzij en zijn of haar geliefde neemt de plaats in. Ik denk dat de essentie van liefde in het afzien van zichzelf bestaat. Of deze liefde dan echt is, wordt meestal zichtbaar als de vloed van hormonen afneemt en het gewone leven weer begint.

  Het geheel wordt nog moeilijker doordat we van de liefde gewoonweg veel te veel verwachten. Als we fris verliefd zijn kunnen we bijvoorbeeld denken dat alle affectie die we als kind tekort kwamen, ons nu eindelijk toekomt. Maar daarmee overbelasten we de geliefde, die geen vervanging voor een vader of moeder kan zijn. Dat vandaag de dag zo vaak de liefde tussen ouders en kinderen ontbreekt maakt dat de liefde tussen een jongen en een meisje zo betekenisvol wordt.

  Veel mensen zien het als gezond mensenverstand te beweren dat god dood is. Maar de behoefte een afgod te creëren is de mens bij gebleven en velen verafgoden daarom het object van hun onbezonnen liefde. Zodra ze inzien dat de aanbedene ook maar een mens is, luidt het teleurgesteld: “Nu heb ik alweer het verkeerde lot getrokken!” Blijkbaar komt het bij weinigen op dat het ook aan henzelf kan liggen of het met de liefde lukt of niet. En als we na zovele teleurstellingen de prins of prinses nog altijd niet gevonden hebben, dan stellen we ons op een gegeven moment misschien tevreden met het geluk voor een nacht. Want zelfs een one-night-stand laat het toe voor het moment het eigen ik te vergeten, de schaal open te breken en geheel in het orgasme op te gaan. De volgende dag echter is het dan vaak zo: “Drink je nog een kop koffie met me?” “Nee dank je, ik ga nu liever.” De geliefden worden dan na een tijdje weer vreemden.

  Wat doen we verkeerd? De Duitse schrijver Wolfdietrich Schnurre vertelt het verhaal van een jongen die een kikker zo lief heeft, dat hij hem ’s nachts in zijn glas mee naar bed neemt waar het arme beest het natuurlijk veel te warm heeft. De volgende ochtend is de kikker gestikt. Schnurre’s moraal: houden van betekent loslaten kunnen. Voor de liefde geldt hetzelfde als voor het geluk. Als je het vasthoudt zul je het vernietigen. Liefde vraagt niet, dringt zich ook niet op. Ook in de omgang met liefde is het belangrijk de grip losser te laten in plaats van deze altijd richting zichzelf te trekken. Maar is dat niet nou juist wat we altijd doen? Als we zeggen dat we van iemand houden bedoelen we dan niet vaak dat we het fijn vinden dat iemand van ons houdt? Of dat we ervan houden te bezitten? Een song van de Amerikaanse band Cheap Trick beschrijft dit als volgt: “I want you to want me, I need you to need me, I’d love you to love me!” Zelfs in de liefde gaat het ons toch vaak alleen maar om onszelf en is de ander voor ons niet meer dan een zelfbevestiging. 

 

De liefde is lankmoedig, is goedmoedig, de liefde ijvert niet, liefde praalt niet, doet zich niet groots voor, […] zoekt niet zijn gelijke, […] wijst niet naar het boze, verheugt zich niet over ongerechtigheid maar verheugd zich over de waarheid, verdraagt alles, gelooft alles, hoopt alles en aanvaardt alles. Liefde vergaat nooit.

(Zürcher bijbel,l, 18de druk 1982, 1ste Korintiërs brief 13/4–8)

 

De liefde die deze naam daadwerkelijk verdient, moet zelfloos zijn. Het is de liefde van een bodhisattva die niet vraagt welke verdienste hij ontvangt voor zijn handelen. Deze houding van de geest mag echter geen subjectief gevoel zijn maar moet zichtbaar worden in het dagelijkse leven. De filosoof Ernst Tugendhat zei eens in een van zijn lezingen in Berlijn iets over liefde, dat me inhoudelijk zo is bijgebleven: “Alleen jij weet of je verliefd bent. Alleen de ander weet, of je liefhebt.” Dat wil zeggen dat liefde – anders dan verliefd zijn – geen gevoel maar een beoefening is. Onze liefde moet zich in ons handelen manifesteren. En net zo als het geluk wacht de liefde niet op ons, is geen geschenk uit de hemel, maar wordt pas door ons zelf in het dagelijkse leven geschapen.

  Het begrip „levenspraktijk“ heeft in zen een centrale betekenis en wordt als de sleutel tot geluk gezien. Vaak wordt dit woord als “oefening” vertaald, maar dan denkt men eerder aan de oefening van de brandweer voor een noodtoestand of aan de oefening van een toneelstuk als voorbereiding voor het optreden. Onze praktijk echter is de noodtoestand, is het optreden zelf. Daarbij gaat het erom onze innerlijke instelling tegenover het leven in praktijk te brengen. Sommigen gaan prat op hun levensvisie maar het leven is meer dan alleen een “visie”. De beste levensvisie is nergens goed voor zolang deze niet in praktijk gebracht wordt. Jouw liefde is niet echt als je het alleen maar in je hart voelt en het niet bij de ander overkomt.

  Wie als een bodhisattva leeft zal niet proberen indruk te maken met de grootsheid van zijn liefde. “Mededogen”, “goedheid”, “zelfloosheid” … niets is een bodhisattva vreemder dan de praktijk in zulke mooie woorden te omschrijven. In zen geldt dat ook voor satori, de zogeheten verlichting. Dit mag eveneens niet gezien worden als een subjectieve ervaring maar moet in de praktijk tot uitdrukking komen. Wie echt verlicht is heeft het niet nodig erover te praten. Hij heeft de verlichting zelf allang vergeten en gaat op in de levensoefening. Daarom is het een misverstand te denken dat het doel van zen is, satori te verkrijgen. De parallel met geluk is duidelijk. Het gaat er niet om het te verkrijgen, maar om het te vergeten en los te laten. Pas dan manifesteert het zich in het leven.

 

Gelukkig is  alleen de ziel, die liefheeft.

(Johann Wolfgang von Goethe, Duitse dichter, 1749-1832)

 

Toen mijn meester verongelukte, kende ik Tomomi nog geen drie maanden. Natuurlijk was het belangrijker voor me om zo snel mogelijk in het ziekenhuis van Hamasaka te komen dan onze afspraak op Valentijnsavond. Hoewel Osaka bijna een dag reizen verwijderd is van Hamasaka, kwam ik als eerste van Miyaura Roshi’s leerlingen aan. Op het station zaten Mike, die nog in het klooster leefde en Shinryu, een monnikbroeder van Miyaura die in de buurt van het klooster woonde, te wachtten op Miyaura’s vrouw die met de volgende trein kwam. Gezamenlijk gingen we naar het ziekenhuis waar Miyaura opgebaard lag. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een lijk zag.

  De ochtend dat Miyaura verongelukte zat hij op een tractor op weg naar het het dorp dat vier kilometer verderop lag om een vastgelopen auto van een bezoeker tot aan de vrije straat te slepen. Mike had hem gevolgd om de post af te halen. Tegen twaalf uur kwamen ze onderaan de straat aan. Omdat het tijd was voor de lunch, ging Mike als eerste terug. Toen Miyaura tegen drie uur nog steeds niet teruggekomen was in het klooster, maakte Mike zich zorgen. Samen met Ashiya, een Japanse student die de vakantiedagen in Antaiji doorbracht, gingen ze opnieuw op weg door de sneeuw – te laat om Miyaura nog te redden, die achter het stuur van de bulldozer van vermoeidheid was ingeslapen en in het dal neer stortte. Hij had zich nog 50 meter door de rivier bergafwaarts gevochten, maar was toen gevallen en verdronken. Zijn lichaam was ijskoud toen ik hem uren later aanraakte.

  Een paar dagen later was ik weer in Osaka om de zazengroep op te heffen. Tomomi brak in tranen uit toen ik haar alles vertelde. Onze relatie was nog veel te jong om daadwerkelijk van liefde te spreken. Desalniettemin vroeg ik haar om met me de bergen in te trekken toen me duidelijk werd dat mijn tijd in het park voorbij was en ik de volgende abt van Antaiji ging worden. Deze beslissing was ook voor haar niet eenvoudig. Zij wist niet wat voor een leven haar te wachten stond in de bergen en al haar vrienden leefden in Osaka. Landbouw interesseerde haar net zo min als de strengheid van het kloosterleven en ook de kou trok haar niet. Ze twijfelde lange tijd en zei dat ik iemand beter moest zoeken dan zij. Toch gaf ze me uiteindelijk haar ja-woord toen ik om haar hand vroeg. Intussen zijn we vijf jaar samen en hebben twee kinderen. Eenvoudig is ons leven ook vandaag niet, dagelijks ontdekken we iets nieuws aan onszelf en aan de ander. Maar ook dat is een waardevolle oefening in mijn leven.

  Er wordt me weleens gevraagd wat de doorslag gaf dat ik met Tomomi wilde trouwen. Zo precies kan ik dat niet zeggen maar ik denk dat het haar aanpassingsvermogen was en de bereidheid zich voor al wat nieuw is te openen. Ze had zich niet op een bepaalde levensvisie vastgepind. In haar zag ik de mogelijkheid voor ons beiden om van elkaar te leren en een echte liefdesrelatie op te bouwen. Toen ik ongeveer 14 was vertelde een leraar op school dat de Indiërs een totaal andere instelling tot liefde hadden dan wij mensen in het westen. De liefde in het westen is als een ketel met kokend water die op een koud fornuis staat. Vroeger of later raakt de passie verloren en dan luidt het “Ik heb toch niet de juiste gevonden”. In India daarentegen zet men een ketel met koud water op een warme haard. Zo wordt het water langzaam warm en gaat uiteindelijk koken.

 

Je weet niet aan welk toeval je jouw geboorte te danken hebt en je weet ook niet waarom je ademt. Voordat je het weet, ben je verliefd  op een meisje verliefd en ineens, sta je daar met vrouw en kind – en je weet nog altijd niets.

(Sawaki Kodo)

 

Niet alleen in India maar ook in de meeste andere delen van Azië werden en worden nog altijd veel huwelijken door familieleden bemiddeld. Liefde op het eerste gezicht is niet mogelijk, bruid en bruidegom kennen elkaar nauwelijks als ze trouwen. Omgedraaid echter is het iedereen van begin af aan duidelijk dat liefde niet uit de hemel komt vallen. Het is aan het echtpaar om vanaf de dag van hun huwelijk hun relatie vorm te geven. Of het dan uiteindelijk kookt of niet ligt aan hen zelf en niet aan het lot of aan Amor’s pijlen. Dat is inderdaad het tegenovergestelde van hoe het vandaag in het westen loopt, waar het huwelijk helaas veel te vaak het einde en niet het begin van een liefde is. Sommigen willen daarom de wederzijdse aantrekkingskracht en door voorlopig niet te trouwen. Zo willen ze het gevoel vermijden in een val gelopen te zijn. Ik zelf heb altijd een gezin willen hebben en hoewel ik al menige strijd met Tomomi doorstaan heb, heeft – dat hoop ik althans – geen van ons beiden ooit het huwelijk betreurd.

 

Het vierde van de acht aspecten van het ontwaken van een groots mens is “zich met lichaam en ziel aan de oefening wijden”. Dogen Zenji zegt daarover: “Dat wil zeggen zich voortdurend alle goede dingen te wijden, helder en niet verward voortschrijden zonder een stap terug te doen.” Het punt waar het hier om gaat is ook wezenlijk voor de liefde. Daarover een citaat uit de “Shobogenzo Hachidaininkaku”.

Als jullie je met lichaam en ziel aan de oefening wijden, zullen jullie nergens moeilijkheden ondervinden. Het is als de druppels water, die een steen uithollen. Stel je voor je probeert met een roterend houtje op een plank vuur te maken. Als je de plek telkens veranderd en telkens ophoudt het houtje te draaien terwijl de plank nog niet eens warm is, zul je nooit een vonk krijgen om een blijvend vuur te krijgen hoe zeer je je het ook wenst. Wijdt je daarom met lichaam en ziel aan de oefening.”

 

Hoewel ik niet van mening ben dat de liefde een eenvoudige weg tot geluk is, staan beiden toch nauw met elkaar in verbinding. Want voor beide geldt: geven is beter dan nemen. Je zult gelukkiger zijn als het jou erom gaat wat jij voor het geluk van een ander kunt doen in plaats van je af te vragen wat de anderen kunnen doen om jou gelukkiger te maken. Liefde en geluk kan men niet afdwingen. Bovendien kan men niet ervan uitgaan dat alle problemen zullen verdwijnen zodra iemand eindelijk liefde en geluk in de schoot geworpen worden. Voor beide geldt dat ze niet tot louter een gevoel moeten verpauperen maar in de praktijk zichtbaar moeten worden. Om te beginnen komt het op de beoefening van de liefde in het dagelijkse leven aan, gevoelens ontstaan daarna – ze ontspringen in de dagelijkse praktijk. Liefde en geluk vragen om dagelijkse overgave en laten zich niet “produceren”. De kunst van liefde en geluk bestaat uit het loslaten.

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

11. Mijn kinderjaren

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Ik ben als weeskind opgegroeid, zonder geld en met weinig intellectueel verstand – alle voorwaarden tot ongelukkig zijn in deze wereld op een rij. Geen mens zou ongelukkiger moeten zijn dan ik maar ik heb het gevoel dat ik de gelukkigste ben van iedereen. Ik kan niet dankbaarder zijn voor dit leven.

(Sawaki Kodo)

 

De psycholoog Sigmund Freud heeft geconstateerd hoe zeer we tijdens onze kinderjaren gevormd worden. De ervaringen van de eerste levensjaren waaraan we ons nauwelijks of vaak helemaal niet herinneren, beïnvloeden het hele leven. Daarom zoekt de psychoanalyse de sleutel tot onze problemen in de jeugdherinneringen. Deze methode heeft echter een grote zwakte: We kunnen ons weliswaar bewust worden dat onze kindertijd veel invloed heeft op wat we nu zijn, maar veranderen laat dat zich niet. Het is absurd aan de eigen kinderjaren te willen “werken”. Leven kun je alleen in dit ogenblik en jouw blik moet daarbij naar voren gericht zijn.

  Daarom zien we ons ook graag in de rol van het slachtoffer. Onze kinderjaren zijn een mengelmoes van herinneringen waarin we ons niet als dader maar als een machteloos wezen zien. De verleiding om zich door deze beelden als een slachtoffer van de ouders, van het lot en überhaupt van het vijandelijke leven te zien, is groot. Ik ben daarin geen uitzondering. Dat ik mijn vroege jeugd als introverte twijfelaar met steeds terugkerende zelfmoordgedachtes doorbracht lag natuurlijk ook aan het feit dat mijn moeder zo vroeg stierf. Maar toch zou ik nooit op de gedachte komen om haar de schuld te geven van mijn leven zoals het nu is. In tegendeel, dat ik vandaag een leven leef waar ik zelf niet aan bijgedragen heb heb, dank ik tenslotte aan mijn ouders. En zou mijn moeder niet zo vroeg gestorven zijn had mijn leven wellicht een andere, maar niet per se een betere weg genomen.

 

Een gelukkige moeder is leerrijker voor de kinderen als honderd boeken over opvoeding.

(Spreekwoord)

 

In Japan vraagt men vaak naar de gezondheid van de ouders. Toen ik eens een zenmeester vertelde dat mijn moeder al 30 jaar geleden gestorven was, zei hij iets wat maar weinigen gezegd zouden hebben: “Gefeliciteerd! Je moet haar dankbaar zijn, dat ze jou al zo vroeg de ogen heeft geopend voor de vergankelijkheid.” Maar veel van mijn herinneringen aan haar zijn negatief. Als ze vermoeid van haar werk thuiskwam had ze meestal geen tijd en geen zin meer zich met mij te bemoeien. Lukte het me dan toch eens om haar aandacht te krijgen, dan veranderde ze zich wel eens – in mijn ogen – in een boze heks.

  Ik herinner me een dag dat ik misschien vier of vijf jaar oud was: Mijn moeder gaf me geld en vroeg om in een winkel om de hoek een gebraden haan te gaan kopen. De weg was niet ver maar onderweg kwam ik enkele gasten tegen die bier dronken uit de fles. Een van hen vroeg me:

„Hey kleintje, waar ga je naar toe?”

„Ik ga inkopen voor mijn mama!”

„Wat ga je kopen?“

„Kip. Daarachter op de hoek.”

„Kip?  Zou je niet liever een kauwgombal uit de automaat hier willen hebben?

  En inderdaad was de kauwgomautomaat zeer verlokkend, alleen daarvoor had je muntgeld nodig om het eruit te kunnen trekken.

„Met dat tientje in je hand zal je dat niet lukken. Hier, ik wissel het voor je om voor drie dubbeltjes!”

  Tevreden liep ik terug naar huis, de kauwgomballen trots in mijn hand. Logisch dat ik thuis geen lof maar kwade woorden over me heen kreeg – en opnieuw viel een klein stukje hoop in me in duigen. Een soortgelijke ervaring had ik later toen mijn moeder eens vergat om me na de tekenles op school op te halen. Wij woonden toen al in Tübingen maar ik kende nog niet zo goed de weg in de nieuwe stad. Nadat ik een uur tevergeefs had gewacht ging ik huilend op de stoeprand zitten. Een oudere dame kwam langs en vroeg me wat er aan de hand was en waar ik woonde. Nadat we tien minuten gezamenlijk wandelden zag ik ons huizenblok op de top van een heuvel.

  „Nu weet ik het verder alleen!” riep ik enthousiast. Mijn hart bonkte van vreugde en ik haastte me richting thuis. Maar intussen herinnerde mijn moeder zich ook aan de tekenles en dus liepen we elkaar mis. Thuis was niemand en toen ze na enige tijd terugkwam, riep ze woedend: “Ik heb je overal gezocht, waarom kun je niet gewoon blijven wachten? Wat denk je, dat ik me voor zorgen gemaakt heb!”

  Uiteraard heb ik ook aangename herinneringen aan mijn jeugd, bijvoorbeeld dat mijn vader me eindelijk ophaalde na lang wachten voor de deur van mijn school omdat hij vroeger thuis gekomen was van zijn werk dan mijn moeder. Of op die dag in de winter toen ik met mijn moeder op de fiets over de spiegelgladde keien reed en uitgleed en we uiteindelijk beiden vielen: “Heb je je pijn gedaan?” Zelden had ik zoveel zorgen gehoord in de stem van mijn moeder. Ze liet zich gewoonlijk meer door haar verstand dan door haar emoties leiden en waarschijnlijk is dit inderdaad de enige herinnering waarin ik me geheel geborgen voelde in haar liefde. Als ik met een pleister terugkwam uit de kleuterschool haalde ze het weg, want “aan de frisse lucht geneest het sneller”. Maar ik was er trots op dat mijn moeder arts was en kennis van zaken had.

  Toen bij wegwerkzaamheden achter de kerk een lang vergeten kerkhof gevonden werd, riep mijn moeder me toen ze terugkwam van het werk: “Kijk eens, buiten voor het huis ligt een grote stapel beenderen!” Gezamenlijk gingen we op zoek naar de schedel die ze gezien had. Helaas waren we te laat, iemand anders was ons voor geweest. Lange tijd heb ik haar verweten dat ze de schedel niet direct mee naar huis genomen had, maar waarschijnlijk wilde ze dat ik hem zou vinden. Maar ze vertelde me precies welk bot uit welk deel van het lichaam stamde.

  De liefde van mijn moeder uitte zich niet in warmte. Ik kan me niet herinneren dat ze me ooit eens diep geknuffeld heeft. Maar daarvoor was ze tegenover mij en mijn twee zussen, die drie en vier jaar jonger zijn dan ik altijd honderd procent eerlijk. Kort voor haar dood, bij het waarschijnlijk laatste bezoek aan haar ziektebed, trok ze haar nachtjapon omhoog en liet ons de wonden zien die van haar borstamputatie waren overgebleven. De borstkanker was echter al uitgezaaid naar andere delen van het lichaam, de operatie was te laat geweest.

 

Kinderen zijn als natte beton: Iedere aanraking laat in hen een blijvende indruk achter.

(Haim Ginott, Amerikaanse psycholoog, 1922-1973)

 

Toen mijn moeder haar werk als arts moest opgeven, trok de familie naar Tübingen waar mijn vader nieuw werk gevonden had. Kort daarna zou ik naar school gaan. Mijn eerste zomervakantie bracht ik door in het vakantiehuis van mijn grootouders in Harz, samen met mijn tante. Ik was op de wei met een bal aan het spelen toen ze me riep en zei: “Vandaag is je moeder gestorven.” Misschien lag het eraan dat mijn moeder ons kinderen al zo lang niet meer bij zich liet komen en ook voor haar ziekte veel op haar werk was in het ziekenhuis, dat ik dit bericht volledig gelaten over me liet komen. Mijn verzoek of ik bij de begrafenis erbij mocht zijn, werd weer beantwoord met: “Daarvoor ben je nog veel te klein!” Als ik dat nu in Japan vertel, gelooft me geen mens. Hier is het ondenkbaar dat een gestorvene niet omgeven is door de zijnen of dat een kind bij de begrafenis van zijn moeder wordt geweigerd. Bij elke religieuze ceremonie zal men altijd kinderen aantreffen.

  In Japan gaat men sowieso geheel anders om met de dood: Zodra de dood bij een mens geconstateerd is, wordt de overledene nog een keer uit het ziekenhuis naar huis gehaald. Dan brengt de hele familie de nacht door met de overledene. De dag erop wordt de overledene voor zijn laatste reis aangekleed, door de familie in de doodskist gelegd en deze wordt dan door de meest naaste familieleden gesloten. Vervolgens wordt het lichaam samen met de kist in het crematorium verbrand waarbij er nauwlettend op wordt toegezien dat de temperatuur zo laag is dat de botten niet tot as vergaan. En uit wat dan van de vlammen is overgebleven, halen de verwanten met stokjes, die op de eetstokjes lijken, de botten eruit en leggen deze in een urn. Aan deze ceremonie nemen ook de kleine kinderen deel en er is geen volwassene die op het idee zou komen op ze te schelden of ze tot stilte te manen als ze aan het lachen zijn. In tegendeel, zelfs de volwassenen benutten de gelegenheid om s ‘avonds het glas te heffen, te lachen, te zingen en om gezamenlijk in de herinneringen te verzwelgen.

  Toen mijn meester stierf duurde het iets langer voordat al zijn leerlingen en metgezellen uit geheel Japan bijeen waren. Daarom brachten we zelfs twee dagen en nachten door in de kamer bij het lichaam, waarnaast we sliepen, aten en dronken. Ik herinner me Rika nog goed, een vijfjarige jongen die enthousiast meehielp de spijkers in de deksel te slaan. Voor hem was dat een bijzondere ervaring en niemand van de “grote mensen” pretendeerde de betekenis van de dood beter te weten dan deze kleine jongen, die ook de vrije hand kreeg van de boeddhistische priesters.

  En ook hier valt me een herinnering uit mijn kinderjaren in: Mijn opa was een pastoor en tot mijn zesde leefden wij in de pastoorswoning achter de Magnikerk in de binnenstad van Braunschweig. Toch voelde ik me als kind nooit welkom in de kerk. Mijn twee zussen en ik hadden daar “niets te zoeken”. En als ik vroeg waar god was, kreeg ik als antwoord: “Dat begrijp je pas als je groot bent.” Niets kan tegenstrijdiger zijn dan de waardevolle stilte in de christelijke kerk en het bonte theater in een boeddhistische tempel in Azië. Hetzelfde geldt voor het familieleven: Als kinderen brachten we tijdens de jaarlijkse familiedag eindeloze langdradige middagen door aan de kindertafel in het trappenhuis terwijl de volwassenen in de woonkamer met elkaar in gesprek waren. Tot op vandaag is me niet duidelijk welke diepzinnige gesprekken de “grote mensen” daar met koffie en vlaai hielden, waar wij “kleintjes” niet bij mochten zijn. Tussen de wereld van volwassenen en kinderen is een schijnbare onoverwinbare muur opgetrokken, een grens die in het Japanse familieleven ondenkbaar is. Ik denk dat wij niet de enige Duitse kinderen waren waarvoor gold: “Helaas moeten we buiten blijven.”

  In veel culturen van de wereld zijn de kinderen de levensinvulling van de ouders. De vraag of het geluk van de kinderen belangrijker is dan dat van de volwassenen, wordt daar niet gesteld: Voor de meesten is het geluk van de kinderen tevens hun eigen geluk. In het westen daarentegen schijnt het zo te zijn dat we onze kop erover breken hoeveel tijd en energie we aan onze kinderen willen besteden en hoeveel voor onszelf. We trekken een grens tussen ons leven en het leven van onze kinderen en dan luidt het: “Waarom kun je niet alleen spelen?” “Waarom kun je niet een keer al slapen voordat het acht uur journaal begint?” “Nee, nu heb ik geen tijd, zie je dan niet dat ik teevee aan het kijken ben?”

  Terugblikkend komt het bij me over dat de constante afwijzing – “daarvoor ben je veel te klein”- me meer pijn deed dan de dood van mijn moeder. Toen ik besefte dat ik in de wereld van de volwassen niet welkom was, brak ik eveneens van mijn kant uit de brug af. Ik wilde niets meer met de volwassenen te maken hebben en trok me terug in mijn eigen wereld, die ik omgaf met een torenhoge muur. Meer nog dan de dood gaf me het leven angst en slechts een ding wist ik zeker: Nooit wilde ik zo worden als de, zoals ze zichzelf noemden, “grote mensen” die beweerden iets beters te doen hebben dan mijn vragen naar de zin van het leven te beantwoorden.

  Vandaag heb ik zelf twee kleine kinderen. Hoe zou ik me voelen als een dokter me zou zeggen dat ik niet meer lang te leven had? Wat zou ik voelen als een ongeluk me mijn vrouw zou ontnemen en ik beide kinderen alleen moest opvoeden? Vandaag met de vele jaren afstand en mijn eigen ervaring kan ik ook de andere kant zien – niet alleen het lijden van de kinderen, maar ook dat van de ouders. Ik denk dat ik inmiddels de eenzaamheid van mijn moeder en mijn vader kan begrijpen – en de liefde die niet tot me doordrong.

 

Ik verliet vader en moeder, vrouw en kind. Ik liet mijn vrienden en volgelingen achter om in de thuisloosheid te verwijlen. Dat wil zeggen dat voortaan alle lijdende wezens mijn familie zijn, ik neem ze tot me als ware het mijn eigen kinderen.

(Woorden van Shakyamuni Boeddha uit de “Grote Nirvanasoetra”)

 

In alle Aziatische landen staat de liefde tussen ouders en kinderen ver boven de liefde tussen man en vrouw. Daarom is het ook voor veel Aziatische monniken een grote stap zich bij de ordinatie formeel van de familie te scheiden en zich uitsluitend de Boeddhaweg te verplichten. In sommige delen van Azië is het nog altijd zo dat een monnik zich niet alleen tot het celibaat verplicht maar dat hij er ook van moet afzien om voor zijn ouders te zorgen, zelfs als de ouders op latere leeftijd verpleging nodig hebben. Dat heeft zich in Japan inmiddels veranderd: Hier is meestal de meester van de monnik tevens de vader omdat de priesters mogen trouwen.

  Een soetra die vermoedelijk in het vrome China ontstond wijdt zich aan deze problematiek. Deze heet “Bumo-onjukyo” wat zoveel betekent als de “soetra van de grote ouderliefde”. 

  De „Bumo-onjukyo“, die zoals alle boeddhistische soetra’s aan Boeddha Shakyamuni zelf wordt toegeschreven, begint als volgt: De waarschijnlijkheid als mens in deze wereld geboren te worden, zo wordt beweerd, is net zo gering als de hoeveelheid modder onder jouw nagels in vergelijking met de gehele aarde van deze planeet. Dat we dan toch als mens – en niet als een worm, vlieg of kikker – in deze wereld geboren worden, danken we aan onze ouders. Daarom is de verplichting naar de ouders toe groter dan elke andere, wereldse verplichting.

  Wat daarna volgt in de soetra mag misschien in de ogen van een westerse lezer zwaar overdreven lijken, maar een Aziatische lezer zal het niet koud laten: “De zwangere moeder deelt haar vlees en bloed negen maanden lang met het kind, dat in haar groeit. Ook als het haar zo slecht gaat als tijdens een zware ziekte, zal ze geen andere gedachte koesteren dan een gezond kind ter wereld te brengen. De verlangens naar goed eten en drinken en schone kledij heeft ze geheel vergeten. Als het uur van de geboorte nadert, komen de weeën en dan is er geen bot in haar lichaam dat niet de pijn zal voelen. Zweet, bloed en tranen moet ze vergieten en menig moeder laat tijdens de geboorte zelfs haar leven. De vader beeft van zorgen en angst om het leven van moeder en kind. Des te groter is de gemeenschappelijke vreugde van de ouders na een gelukkige geboorte. Zo als de hemel kent ook hun vreugde geen grenzen. Het vergaat hen als een paar in de armoede die een onmetelijk grote schat in handen valt. Zodra het kind zijn eerste schreeuw uitstoot, voelt de moeder zich alsof ze net zelf het leven geschonken heeft gekregen. Vanaf deze dag voedt het kind zich met de liefde van de moeder, voor wie het het leven betekent. De borst van de moeder is zijn slaapplek, de knie zijn speelplek. Dik drinkt hij zich aan de volle melk van de moeder. Want wie zou het onvervangbare kind drinken geven, als niet de moeder? Wie zou het kind warmen, als niet de moeder? Wie zou hem in de hitte schaduw geven, als niet de moeder?

  Ook als de moeder zelf niets te eten heeft, zal ze zich nog om de voeding van haar kind zorgen. Ze zal de bittere vruchten verorberen en de zoete vruchten voor haar kind bewaren. In de winter zal ze haar eigen kleding uittrekken om het kind te warmen en de slaapplek van het kind droog houden ook als ze zelf daardoor in de vochtigheid slapen moet. De moeder wisselt de luiers van het kind en klaagt niet over de offers die ze moet brengen.

  Het kind zou niet kunnen leven zonder de moeder. Zelfs als de moeder het huis verlaat om water te halen of een vuur te maken, de velden te bewerken of naar de markt te gaan – wat voor een werk ze ook te verrichten heeft, haar hart zal altijd bij haar kind thuis zijn. Als ze denkt hoe haar kind nu thuis schreeuwt en huilt en naar haar verlangt dan doet haar ziel pijn. Maar zelfs als de pijn haar zal verscheuren zal ze haar hartskwellingen dulden en haar hoofd bij haar werk moeten houden totdat ze eindelijk weer thuis komt. Het kind, dat de moeder ziet aankomen zal zijn speelgoed laten vallen en haar met hoofd en zwaaiende handen tegemoet kruipen. Met de tranen in de ogen haast hij zich naar zijn moeder die haar tred versnelt en zich buigt over het kind en in haar armen neemt. De moeder zal het kind kussen en aan haar borst te drinken geven. De moeder kent geen groter geluk dan bij haar kind te zijn en het kind kent geen groter geluk dan bij zijn moeder te zijn. Op deze wijze versmelt het hart van de moeder met het hart van het kind en geen liefde kan groter zijn dan deze.

  Zodra het kind vaste voeding tot zich neemt, zal de vader het kind hoeden voor giftige spijzen en de moeder de juiste medicijn bij ziekte verklaren. Als het kind begint te lopen, zal de vader het kind leren zich te hoeden voor vuur en zal de moeder hem leren zich niet aan de messen te snijden. Als moeder en vader op het werk zijn om het kind te kunnen voeden, zullen ze eraan denken om hem iets mee te nemen als ze thuis komen. In negen van tien gevallen zullen ze iets zoets meenemen waarover het kind zich verheugt, lacht en het opeet. Als ze echter een keer met lege handen thuiskomen zal het kind teleurgesteld zijn en zijn ouders het verwijten.

  Als vader en moeder hun kind naar school sturen, zullen ze het kind de beste kleding laten dragen, ook als ze daardoor zelf in lompen moeten lopen, alleen maar zodat hun kind in de maatschappij gezien kan worden. Ook nadat het kind het huis verlaten heeft zijn de gedachten van de ouders steeds bij hem, of dat ze nu slapen of wakker zijn. Vernemen ze, dat hun kind ziek is dan zullen ze wensen zelf in zijn plaats de ziekte te mogen dragen. Zelfs als de ouders de eigen dood onder ogen zien zullen ze geen andere wens koesteren dan het kind ook na hun dood nog te kunnen beschermen. De unieke schoonheid van de moeder zal verwelken als een bloem en het licht in de ogen van de vader zal op een dag verdwenen zijn. De hoofden van de ouders worden kaal, hun ruggen krommen zich… Als de vader voor de moeder sterft of de moeder voor de vader, zal een deel alleen in de kilte achterblijven. Geen vriendelijk woord verkort hem nu de dag en als hij s’ nachts in het donker zijn ogen opent is het bed naast hem koud en leeg… Ach, hoe diep is toch de liefde in het hart van de ouders, hoe groot is toch de geest waarmee ze zich over ons erbarmt heeft!”

 

Alleen een moeder weet wat liefde is en gelukkig zijn.

(Adalbert von Chamisso, wereldreiziger, Duitse natuurwetenschapper en schrijver, 1781-1838)

 

Een vorm van contemplatie uit de Japanse Jodo-shin-school, die “Naikan” (letterlijk: blik naar binnen) heet wordt ook in de westerse psychotherapie gebruikt – vrijelijk zonder de boeddhistische context. Daarbij zitten de mediterenden een week lang achter een wandscherm, onderbroken wordt de contemplatie slechts door drie maaltijden en als men naar de wc moet. Dat lijkt op de zensesshins. Een groot onderscheid echter is dat een boeddhistische priester elk van de mediterende dagelijks een opdracht geeft. Voor een bepaalde periode van de kinderjaren wil hij weten:

“Wat heeft jouw moeder toen voor jou gedaan?”

„Wat heb jij toen voor jouw moeder gedaan?”

„Hoeveel moeilijkheden heb jij toen jouw moeder bereid?”

  Zelf heb ik nooit aan zo een contemplatieweek deelgenomen maar bij vele bewerkstelligt dit niet alleen een radicale wending in hoe men zijn ouders ziet, maar het geeft ook vaak een geheel nieuwe kijk op de wereld: Ons gehele leven danken we aan de hulp van anderen en in plaats van meer te vragen is het aan ons dankbaar te zijn en terug te geven. Normaal genomen wensen we ons meer liefde van onze ouders en klagen als het ons niet gegeven wordt. Maar zelden vragen wij ons af wat wij voor onze ouders kunnen doen en of we ze net zo liefhebben zoals we graag door hen geliefd worden. Helaas laten deze mensen het zelf later veel te vaak na hun eigen kinderen de liefde te schenken die ze bij hun eigen ouders ontbeert hebben. In plaats daarvan beklagen ze zich: “Mijn kinderen vragen zo veel van me, ik heb helemaal geen tijd meer voor mezelf!”

  Sawaki Roshi beschrijft de geesteshouding die ons ontbreekt, als volgt: “Alles wat we doen, moet voor niks zijn. Want alles wat we krijgen is voor niks. De regen valt voor niks, de zon schijnt voor niks. De zon stuurt ons geen rekening voor haar zonne-energie. Wat maakt dat nou uit dat je niets mee kunt nemen in de dood? De rekening is vereffend, klaar, uit!... Maar toch probeer je constant gewin te halen. Je hebt niet voor je geboorte betaald – en nu wil je zelfs nog geld terug krijgen?

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

12. Geluk in het gezin?

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

 

De ouders schelden op hun kinderen: “Jullie begrijpen echt helemaal niets!”Maar war begrijpen eigenlijk de ouders?

Net zo weinig!

(Sawaki Kodo)

 

Het mag ouderwets klinken om over het geluk van een gezin te praten: Misschien zullen velen denken dat deze levensvorm allang achterhaald is en dat het leven als single veel aangenamer is. En dat is nog niet eens zo verkeerd gezien: Singles hebben meer tijd en geld voor zichzelf, ze kunnen al hun kracht en energie in het “werk, sport en spel” investeren. En ze hoeven ook niet eenzaam te zijn, ze treffen zich met vrienden, hebben geliefden en genieten van het leven zonder de besognes die een gezin met zich mee brengt. Het beeld in de kop van velen ziet als volgt uit: Singles zijn eeuwig jong, rijden in snelle auto’s en maken carrière in hun beroep. En doen daarnaast ook nog iets voor onze planeet als je erover nadenkt hoe overbevolkt deze is. Dus waarom überhaupt trouwen en een gezin gronden?

  Iedereen die zich vrij van dwang en verplichting zelf wil verwerkelijken kan ik slechts waarschuwen: Een gezin vordert 24 uur van jouw dag, jouw gehele energie het hele jaar door en ook meer geld dat je je kunt indenken. Zelf heb ik altijd de wens gekoesterd een gezin te stichten, Misschien ligt dat daaraan dat ik zelf nooit het gevoel heb gehad in een echt gezin te leven. Na de vroege dood van mijn moeder is mijn vader nooit hertrouwd. Hij had weliswaar soms een vriendin maar hij deed zijn uiterste best het gezin en zijn relaties onder een hoed te brengen – met afwisselend succes.

  Ik kan me herinneren hoe hij eens tegen een van zijn vriendinnen zei dat hij eigenlijk helemaal niet wist wat het woord “gezin” inhield. Mijn opa was in 1910 in Tokyo geboren waar mijn overgrootvader als ingenieur voor het Japanse bedrijf Mitsui werkte. Kort voor de Eerste Wereldoorlog ging de familie, inclusief het Japanse kindermeisje dat Asa heette terug naar Duitsland. Nadat de oorlog was uitgebroken keerde niemand van hen nog terug naar Japan. Mijn overgrootvader stierf tijdens de oorlog aan tuberculose, mijn grootvader groeide met zijn broer en zus op in de zuid-Tirolse bergen. De opvoeding van de kinderen lag geheel in handen van Asa. Bijna 60 jaar lang – tot aan haar dood – leefde ze, man en kind achtergelaten in Japan, met het gezin in de Alpen.

  Later ging mijn grootvader naar Berlijn waar hij trouwde en een gezin stichtte. Zijn broer bleef in Italië, zijn zus emigreerde naar Engeland. Mijn vader werd in Berlijn geboren, groeide echter net zoals mijn grootvader op in de Seiser bergen. Daar was mijn oma met haar vier kinderen naar toe getrokken nadat mijn opa aan het eind van de oorlog in Portugal een studie medicijnen begonnen was. Ook na de oorlog kwam hij niet terug naar Duitsland en toen hij in de jaren vijftig zijn vrouw naar Portugal haalde, bleven de kinderen op een Zuidtirools internaat. Asa echter stierf eenzaam begin jaren zeventig, ze werd in de Alpen begraven.

 

Gelukkige kinderjaren is zeker het mooiste geschenk dat een vader te geven heeft.

(Peter Schumacher, Duitse publicist, geboren 1941)

 

Sinds generaties ontbrak het de familie aan een innige samenhang, het begrip “thuis” moet mijn vader vreemd zijn geweest toen hij tijdens zijn studie in Berlijn mijn moeder leerde kennen. Zij was met vijf broers en zussen in een pastoorsfamilie in Braunschweig opgegroeid. Zowel haar moeder als haar vader hadden theologie gestudeerd en de meesten van haar familie waren geestelijken uit Nedersaksen. Misschien was het de enge samenhang in dit gezin wat mijn vader zo trok maar misschien ook de karaktersterkte van mijn moeder want in de relatie van hen beide, was het altijd mijn moeder die de boventoon voerde. Geen wonder dus dat mijn vader oriëntatieloos was toen hij met 37 jaar alleen overbleef met drie kinderen, die hij niet alleen moest voeden, maar ook nog eens moest opvoeden – zonder eigenlijk te weten wat eigenlijk een gezin omhelst.

  Ik denk dat hij zijn best gedaan heeft. Mijn vader liet ons kinderen altijd geheel vrij. Ik kan me niet herinneren dat hij me ooit uitgescholden heeft en ook een draai om de oren was er slechts incidenteel. Zelfs toen hij me betrapte bij het jatten van het huishoudgeld, zei hij geen woord. Net zoals toen ik op een namiddag mijn twee beste vrienden met een jachtmes bedreigde – het moet de sadistische vreugde zijn geweest aan de schrik op hun gezichten, die me ertoe gedreven had. Toen hun ouders mijn verraste vader s ‘avonds tot rede stelde, moet ik hem zeker teleurgesteld hebben. Maar mij confronteerde hij er niet mee, alleen het geweer en het jachtmes verdwenen daarna van de muur in de woonkamer. Toen ik dertien was ontdekte ik vervolgens zijn verzameling pornografische tijdschriften, ik raakte er bijna aan verslaafd. Ook dat moet hem opgevallen zijn want de verstopplekken wisselden. Maar mij werd het nooit teveel ze altijd weer opnieuw op te sporen.

 

Een gezin is een vereniging van mensen, die slechts zelden bij elkaar passen.

(Elizabeth Taylor, Amerikaanse filmster, geboren 1932)

 

Mijn vader en ik hadden nooit ruzie, ook toen ik naar Japan ging had hij geen bezwaar. Ieder van zijn kinderen liet hij zijn of haar eigen leven. De relatie was dus eigenlijk niet slecht. Maar soms kwam het bij mij over alsof we in werkelijkheid helemaal geen relatie hadden. Ons gezinsleven leek meer op dat van een woongemeenschap waarin vader en kinderen hun eigen interesses volgden en zich slechts zo nu en dan in de keuken tegenkwamen.

  Ook in Japan zijn er nu veel van zulke families. Sommige kinderen leiden zelfs een leven dat “Hikikomon” genoemd wordt. Ze trekken zich de gehele dag terug op hun kamer en plakken zelfs soms de ramen met krantenpapier af om maar helemaal alleen te kunnen zijn. Dit heeft meestal alleen betrekking op jonge mannen. Of de moeder brengt hen het eten aan de kamerdeur of ze gaan zelf ‘s nachts nog snel even naar de supermarkt op de hoek (Japan kent geen winkelsluitingstijden) om iets in te kopen. De oorzaak van dit probleem ligt niet in de afwezigheid van de moeder, maar vermoedelijk dat de vaders van het gezin nauwelijks aanwezig zijn. Traditioneel gezien is de vader het hoofd van de familie, de sterke pilaar waar alles op rust. Echter wegens verplichtingen op het werk, die vaak tot in de avonduren duren en ook deels door de dominantie van Japanse huisvrouwen, komen de mannen vaak pas laat naar huis. En de zondagen worden meestal luierend voor de teevee doorgebracht. Dus de Japanse jongens in het bijzonder ontbreekt het vaak aan een rolmodel. Ze zullen zich afvragen wat voor een leven hen te wachten staat en hun frustratie richt zich vooral tegen de vader, die zijn vaderrol niet waar maakt.

  Bij de moeders daarentegen is het een probleem dat – waarschijnlijk nog veel sterker – zich ook in Duitsland voordoet. De moderne Japanse vrouwen willen zich niet beperken tot de rol als moeder en huisvrouw, maar willen ook de andere kansen die ze voorheen niet hadden, benutten. Zo ontstaat een zware druk enerzijds dat het de kinderen aan niets mag ontberen en anderzijds willen de vrouwen ook zakelijk succesvol zijn. Na het werk wordt dan vaak nog een taalcursus gevolgd en s’ nachts zijn er scholingen via het internet. Velen hebben kort- of langdurige affaires zodra de aantrekkingskracht naar de man vervangen is door welbehagen. Deze vrouwen voelen zich dan volledig overbelast als alles niet zo perfect loopt als dat ze dat wensen. Niet alleen de vrouwen maar ook hun gezinnen lijden onder de hoge verwachtingen aan zichzelf.

  En dat terwijl de vrouwen in Japan zeer veel sterker zijn dan de mannen. Een feit dat in het westen misschien niet zo bekend is, want naar buiten toe presenteert zich Japan als een ouderwetse, gehoorzaam eisende gemeenschap. Ook al is hij slechts een pantoffelheld, spreekt de Japanse echtgenote over haar man als haar “heer” en volgt hem schijnbaar zonder weerstand. Tientallen jaren geleden nog liepen de Japanse vrouwen twee of drie meter achter hun mannen op de stoep. De machtsverhouding is echter in werkelijkheid omgedraaid. Zo als een vrouw haar hond vast aan de lijn houdt, bepaalt de Japanse vrouw ook het grootste deel van het leven van haar man. De financiën bijvoorbeeld heeft in Japan altijd de vrouw in handen, haar man moet haar in het weekend om zakgeld vragen. Misschien ligt het daaraan dat Japan in werkelijkheid een Yin-cultuur is, dat de mannen het hier nauwelijks voor het zeggen hebben.

 

Mannen huilen stiekem, mannen hebben veel behoefte aan genegenheid en mannen zijn zo kwetsbaar, mannen op deze wereld zijn gewoonweg onvervangbaar... Mannen hebben het moeilijk, nooit gemakkelijk, van buiten hard, van binnen zacht …

(Herbert Grönemeyer, Duitse popmuzikant, geb. 1956)

 

Over Japan kan inderdaad gezegd worden wat de Ina Deter Band in de jaren tachtig voor Duitsland eiste: “Nieuwe kerels heeft het land nodig!” Echter geen zwakke mannen maar meer mannen met leiderschap en een duidelijke Yang-impuls. Herberts song zou misschien  nog meelijwekkender uitgevallen zijn als hij als Japanner ter wereld was gekomen. En hoe is het echt in Duitsland? Heeft ons land “onmannelijke mannen” nodig die Svende Merian aan het begin van haar autobiografische roman “Der Tod des Märchenprinzen ( De dood van de sprookjesprins)” (Reinbek 1980) zocht? “Linkse vrouw, 24, wil graag onmannelijke mannen, bij voorkeur jonger ontmoeten.” Toen ik met 16 mijn eerste relatie met Katja begon, zei ze me dat ik eerst eens dit boek moest gaan lezen. Braaf als ik was, ging ik in de stromende regen op de fiets naar de eerste beste feministische boekhandel om het te kopen. Toen voelde ik me haast schuldig als man ter wereld gekomen te zijn. En Arne Piewitz’s antwoord op het boek “Ik was de sprookjesprins” (Hamburg 1983) deed me pijn. De ontbrekende serieusheid en de onnozele cartoons waren typisch mannelijk.

  Vandaag echter lijkt het Piewitz te zijn die aan het eind van zijn boek een belangrijke aanwijzing geeft, die helemaal niet opgevallen is. Zijn verhaal eindigt met een nieuwe contactadvertentie waarin hij naar een “vrouwelijke vrouw” zoekt. Zou het kunnen zijn dat veel relatieproblemen tussen mannen en vrouwen niet tot stand komen omdat niet de mannen te mannelijk zijn maar omgedraaid, omdat de vrouwen niet vrouwelijk genoeg zijn? Ik denk dat het daadwerkelijk een reden is, wat ook daaraan ligt dat vrouwelijkheid meestal bij ons verkeerd begrepen wordt.

 

Alleen de vrouw kan een gezin voortbrengen. Maar een gezin kan ook door haar breken.

(Moeder Teresa, Albanese non en missionaris, 1910-1997)

 

Veel westelijke mannen voelen zich aangetrokken tot Aziatische vrouwen door hun vrouwelijkheid, dat vaak verkeerd gezien wordt als zwakte en volgzaamheid. Inderdaad uiten zich de oostelijke vrouwen naar buiten toe als volgzaam maar de schijn bedriegt. Daarachter schuilt een sterkte waar de mannen vaak niet tegenop kunnen. Deze vrouwen komen uiterlijk heel teer over, maar innerlijk dragen ze een diepe, onbuigzame kern. Alleen zo kunnen ze hun rol vervullen, die hen ook in de “Burno-onjukyo” toebedeeld wordt: namelijk die van de liefhebbende moeder, die gelijktijdig het huishouden draait en daarnaast ook nog in het levensonderhoud voorziet. De vader duikt pas na de geboorte op en later aan de eettafel, hij speelt slechts een nevenrol.

  In het westen daarentegen wordt gezegd: “Ladies first!” Vroeger leek het zo alsof daarmee de dames voorrang gegeven werd. De man houdt de deur open voor de vrouw, hij knielt om haar hand te kussen. Maar deze cavaliers sterven in het westen uit en in het oosten is zoiets altijd al ondenkbaar geweest. Maat wat steekt er werkelijk achter? Bij mij komt het over alsof de vrouwen zich door deze vorm van hulpeloosheid verzekeren van de opmerkzaamheid van mannen. Vrouwelijkheid wordt daardoor in het westen niet als sterkte maar als zwakte gezien. Het vrouwelijke ideaal in het westen was niet de moeder, maar een breekbare fee. Geen wonder dus, dat de westelijke vrouwen zich ervan losmaakten. Maar in plaats van dat ze hun werkelijke vrouwelijkheid ontdekten, lijkt het mij alsof hun feminisme alleen maar de mannenwereld na-aapte: Nu willen de vrouwen het tegen de mannen opnemen en ook hier geldt “oog om oog, tand om tand”.

 

De gelijke behandeling is alleen dan een thema zodra man en vrouw ruzie maken.

(Sawaki Kodo)

 

Als ik in Kyoto ga bedelen, sta ik soms voor een grote toeristentempel. Ook veel vrouwelijke bezoekers uit het westen lopen dan langs me. Soms gis ik waar ze vandaan komen en vaak heb ik gelijk zodra ik ze met elkaar hoor praten. Zo hebben bijvoorbeeld de vrouwen uit de Mediterrane landen veel zachtere gelaatsuitdrukkingen als de Noord Europese. De gezichten van de Duitse vrouwen zijn bijzonder verbeten, nog agressiever als die van de Amerikaanse. Niet alleen op de werkvloer maar ook in het bijzonder in de Duitse relaties is een hardnekkig doorzettingsvermogen meer gevraagd dan ooit. Daartoe komen deze vrouwen bij me over als noten, die van buiten hard en van binnen niet geheel zacht, maar geheel leeg zijn.

  Is in dit opzicht het geluk in de familie niet slechts een wensdroom? Is het huwelijk een val, waarin we hoogstens eenmaal, maar op z’n best helemaal niet uit tappen? Ik denk: Nee. Tegelijkertijd is het ook zo dat het leven in een huwelijk en familie meer offers van alle deelnemers vergen dan dat we ons kunnen voorstellen. We moeten erop voorbereid zijn wat op ons afkomt en hoe ons leven gaat veranderen zodra we gaan trouwen en kinderen krijgen. Een familie is geen hobby. Zowel de rol van de vader als van de moeder vragen de bereidheid als een bodhisattva te leven. We moeten bereid zijn te geven, zonder telkens te vragen wat we ervoor terug krijgen. Want wat krijgen we uiteindelijk voor alle tijd en moeite en liefde die we erin investeren?

  In het begin misschien het gevoel dat men ons nodig heeft. En dit gevoel alleen kan ons leven een zin geven en ons gelukkig maken. Maar het duurt niet eeuwig. Zelfs als geen scheiding de familie separeert, zal het ons toch op een dag zo vergaan als de vader en de moeder uit “Bumo-onjukyo”: De kinderen verlaten het huis, de partner sterft en “als je ‘s nachts in het donker je ogen opendoet, is het bed naast je koud en leeg”.

 

Jullie kinderen zijn niet jullie kinderen. Ze komen door jullie maar niet van jullie. En hoewel ze met jullie zijn, behoren ze jullie niet toe. Jullie mogen hen je liefde geven, maar niet je gedachten. Want ze hebben hun eigen gedachten [...] Jullie zijn de bogen waarvan de kinderen als levende pijlen worden afgeschoten.

(KHalil Gibran, Libanese schilder, dichter en filosoof, 1883-1931)

 

Daarom moet het onze wens zijn om ons onvoorwaardelijk op te offeren. Vaak hoor ik ouders klagen dat hun kinderen zoveel tijd vragen. “Waar blijft mijn eigen leven?”, vragen ze. Maar wat bedoelen we eigenlijk als we zeggen dat we geen tijd hebben? Is de tijd die je met je kinderen doorbrengt dan niet jouw tijd? Hoeveel tijd en plaats wil je jouw kinderen in het leven geven? “Jouw leven” laat zich niet scheiden van het leven van anderen en al helemaal niet van jouw kinderen. Daarom denk ik dat kinderen niet in een kinderkamer of aan de kindertafel horen. Laat ze bij jou zijn, zelfs als je moe en uitgeblust bent van het werk. Want de kinderen verbinden zich met de krachten van de kosmos als je de tijd met hen als jouw tijd en als jouw leven accepteert.

  Anderen daarentegen beklagen zich na de scheiding: “Mijn vrouw wil niet dat ik de kinderen nog zie!” Vaak gebruiken de volwassenen het kind als speelbal als ze het niet met elkaar eens zijn. In plaats van zichzelf weg te cijferen, denken ze aan niets anders dan hun eigen standpunt. Maar toch heeft Herbert Grönemeyer weer ongelijk als hij in de song “Kinderen aan de macht” eist: “Geef de kinderen de leiding, ze berekenen niet wat ze doen. De wereld hoort in de handen van kinderen te zijn, de somberheid zal haar einde vinden. Er verschijnt in hart en ziel een lach, kinderen aan de macht.” Want dan zouden we nog meer oorlog op onze planeet hebben dan tot nu toe al die kinderkoppen aan de schakelaar van de macht teweegbrengen. Wat wij nodig hebben zijn geen onmannelijke mannen en ook geen kinderlijke volwassenen, maar rijpe mensen die in staat zijn over hun eigen gedrag na te denken en bereid zijn zich aan anderen te wijden.

 

Ouders zijn ook mensen en ze zijn wat de productie en opvoeding van hun kinderen betreft zoals ongeschoolde arbeiders.

(Vicco von Bülow, Duitse komiek, geb. 1923)

 

Wat me altijd weer opvalt: Oostaziaten brengen hun kinderen meer emotionele genegenheid bij als wij onze kinderen in het westen. Opvoeding is voor hen belangijker dan een seksueel avontuur, de relatie tussen ouder en kind komt voor de relatie tussen man en vrouw. Interessant in dit opzicht is dat men in Japan pas met twintig als volwassen gezien wordt. Teenagers mogen geen bier drinken, noch sigaretten roken. Er is zo goed als geen criminaliteit, vechtpartijen op straat zijn er niet. En inderdaad komen de Japanners met twintig vaak kinderlijker over als de Duitsers met veertien of vijftien jaar. De fase van socialisatie duurt in Japan ( en waarschijnlijk ook in Korea en China) schijnbaar langer dan bij ons in het westen. Dit zou daaraan kunnen liggen dat de manier hoe mensen samen leven ingewikkelder is en serieuzer genomen wordt dan bij ons.

 

Zelfs in de taal kan men het zien: In het Japans zijn er veel persoonlijke voornaamwoorden waarmee de Japanner op zichzelf, hetgeen tegenover hem of zijn medemensen kan wijzen. Er zijn minstens een dozijn verschillende woorden om “ik” te zeggen en elk woord op zich heeft een andere betekenis. Ook “vader” en “moeder” kan een Japanner op de meest uiteenlopende manieren zeggen. En de werkwoordsvormen in het Japans buigen zich afhankelijk van of de spreker een respectvolle-afstandelijke of een vertrouwelijke relatie met de ander heeft. Zijn instelling tegenover de ander waarover hij spreekt wordt duidelijk in de woorden waarmee hij zich uitdrukt. Een Japanner spreekt een volkomen andere taal als hij thuis is, dan op straat of op de werkplek. De nuances hierin zijn niet te tellen en zelfs de Japanners zijn niet altijd zeker welk woord ze in een bepaalde situatie moeten gebruiken.

Nogal grappig klinkt het wanneer de Japanse echtgenoten hun mannen op de knieën dwingen tijdens een echtelijke ruzie, waarin ze niet de doorgaans gebruikelijke uitingen spuien maar meer omgekeerd zo beleefd tegen hem spreken alsof ze een vreemde op de straat tegenkomen. Deze afstand die de man in de woorden van zijn vrouw speurt doet hem meer pijn dan welke belediging dan ook.

 

Oostaziaten zijn sterker Ying georiënteerd – zelfs de mimiek van mannen toont vrouwelijke trekken – en in de maatschappij worden vrouwelijke eigenschappen bevoorrecht. Wij mensen uit het westen kunnen misschien van hen leren iets van onze Yang agressie opgeven. En vooral geldt dat de westerse vrouwen niets van ons westelijke mannen kunnen leren, maar zich eerder op hun Ying kwaliteiten zouden moeten bezinnen. Zonder dit is het geluk in een gezin daadwerkelijk niet denkbaar want anders wordt het huishouden tot een slachtveld, waarin Yang op Yang stoot.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

13. Mijn huidige leven als abt en vader

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Ik ben gelukkig met mijn leven en niet zo zeer met mezelf.

(Michel Foucault, Franse filisoof, 1926-1984)

 

De weken na het dodelijk ongeluk van mijn meester behoren tot de moeilijkste in mijn leven. Ik had in het park van Osaka een nieuw leven gevonden en tussen Tomomi en mij was net een ontluikende liefde ontsproten. Anderzijds moest er nu ook iemand de verantwoordelijkheid voor Antaiji overnemen. Kengo, de laatste Japanse monnik verliet het klooster een week na het ongeluk. Daarom werd ik gevraagd het klooster te leiden totdat iemand voor de opvolging gevonden was. Mijn meester had geen testament nagelaten en de vier leerlingen die hij, buiten mezelf, de Dharma had overgedragen werkten allang in hun eigen tempels of hadden andere verplichtingen. Enkelen waren ook al getrouwd en hun vrouwen wilden niet naar de eenzame, afgelegen streek vertrekken. Daarom werd er gezegd: “Jij bent de enige die verder niets te doen heeft. Let gewoon de komende weken even op Antaiji!”

  Dus liet ik mijn hut in het park achter en ging weer terug de bergen in, wel in de hoop weer snel terug te kunnen zijn bij mijn groep in het park. Als het om de ambtsopvolging ging woog het woord van Oyabu, de meester van mijn meester het zwaarst. Toen Miyaura nog leefde stond hij er al op dat ik de volgende abt zou worden. Maar ik wilde deze opgave alleen tot me nemen als niemand van mijn broederleerlingen erin geïnteresseerd was en ik in Antaiji de vrije hand zou hebben. Oyabu zei me dat weliswaar toe maar toen hem duidelijk werd dat hij dan niets meer te zeggen had, kandideerde hij eerst zelf voor het ambt. Maar al na enkele dagen zag hij in dat zijn leeftijd hem niet meer de kracht gaf een leven in de bergen door te brengen.

  De enige onder mijn broederleerlingen die niet geheel ongeïnteresseerd leek om Antaiji te leiden was Taijun die zich al als monnik vaker als de abt van het klooster gedroeg. Hoewel hij zei dat de baan hem niet interesseerde verscheen hij tijdens deze tijd vaak of zelf in Antaiji of hij riep de leerlingen van Miyaura tot zich om de stemming rondom het klooster te peilen en zo van buitenaf alles te controleren. Waarschijnlijk was het zijn vrouw die verhinderde dat hij zichzelf kandideerde. Dus deed hij niets anders meer dan andere kandidaten in diskrediet te brengen. 

  De vrouwen in Japan hadden zoals altijd achter de coulissen meer te zeggen dan hun mannen wilden toegeven. De vrouw van Oyabu zag Antaiji als haar eigendom omdat haar vader degene geweest was die 30 jaar geleden het kloostergrondstuk gekocht had van Oyabu en het gebouw op zijn huidige plek in de bergen opnieuw had laten opbouwen. Miyaura’s weduwe daarentegen, een vroegere schoolgenote van mevrouw Oyabu, wilde zich niet door haar rivale laten wegjagen. Hoewel ze het klooster zes maanden voor het ongeluk verlaten had om voor haar oude ouders te zorgen, kwam ze nu ineens plots terug en probeerde Miyaura als abt te vervangen. Ze vestigde haar hoop op Mike, de Amerikaan die er als enige recht voor uitkwam graag de volgende abt te willen zijn en ervan overtuigd was dat Miyaura hem als de volgende abt gekozen zou hebben. Helaas had hij er niet de kwalificatie voor want Miyaura had hem niet de Dharma overgedragen.

 

Paus kan iedereen worden. Het beste bewijs  ben ikzelf.

(Paus Johannes XXIII.)

 

Terwijl de vrouwen ijverig hun intriges sponnen en alle anderen hun meningen spuiden moest ik ervoor zorgen dat het zenklooster weer enigszins als een zenklooster functioneerde. Zazen en sesshins moesten doorgaan en de velden moesten bewerkt worden. Daarbij was het dak al enige tijd lek en de muren moesten geverfd worden. Niet alleen van buiten was het klooster een ruïne. De grootste opgave die vervuld moest worden waren de voorbereidingen voor de grote ceremonie van de honderdste sterftedag van Miyaura, eind mei, waarbij zijn beenderen in het graf bijgezet werden. We verwachtten zeventig gasten, vooral priesters die jaren of tientallen jaren geleden eens in Antaiji geleefd hadden en ieder hun eigen voorstelling hadden hoe Antaiji geleid moest worden.

  Tijdens de ceremonie voor Miyaura kwam ik in conflict met Oyabu, die een klein schrift met herinneringen aan zijn leerlingen bijhield waarin hij met beledigingen jegens mijn meester niet karig omging. Zo weet hij het ongeluk – niet geheel ten onrechte – aan het overmatig alcoholgebruik van Miyaura en zijn eigenschap, plotseling in slaap te vallen en zei daarmee dat Miyaura deze dood verdiend had. Oyabu had meerdere schriften enige dagen vooruit per post verstuurd en mij verzocht deze aan alle gasten te verdelen. Ik deed dat echter niet omdat de inhoud niet bij een gedenkceremonie hoorde daar er ook enige persoonlijke relaties van Miyaura aanwezig zouden zijn. En deze schriften zouden al helemaal niet door de hand van een leerling van Miyaura verdeeld worden. Ik zei tegen Oyabu, dat hij het maar zelf moest doen. Dus deden het twee van zijn scholiervoor hem en verdeelden en de schriften enkel aan enige broederleerlingen waarvan ze zeker waren dat ze verder geen ophef zouden veroorzaken. Toen Oyabu dat te weten kwam werd hij woedend op mij: “Je hebt mij verraden!” Eerst wist ik niet wat hij daarmee bedoelde, tenslotte had ik zijn schriften aan zijn leerlingen gegeven. Pas later vernam ik dat men hem gezegd had dat ik de overige schriften verstopt zou hebben. Dat was het einde van mijn relatie met hem.

  Na de ceremonie werd alles eenvoudiger. Oyabu brak het contact met het klooster af net zoals Taijun en Miyaura’s weduwe ging terug naar haar ouders en ineens waren alleen nog Tomomi en ik in Antaiji. En er was ook nog Kumachan, een jonge Japanner die op een reis door India van Antaiji vernomen had en ons in het eerste jaar hielp bij het werk op het land. Toen Tomomi in de herfst zwanger werd besloot ze de winter door te brengen in Osaka zodat ze in de buurt was van een ziekenhuis en ook Kumachan ging voor enige tijd naar een tempel in het warme zuiden. Toen Enshin mijn oude monnikkoempel die inmiddels in de USA leefde, hoorde dat ik alleen de winter in Antaiji zou doorbrengen, sprong hij op het eerste vliegtuig. Tomomi kwam pas weer in het voorjaar terug en mijn dochter Megumi werd begin juni geboren. Tegen die tijd hadden we weer enkele bezoekers waarvan de meesten slechts enkele weken en sommige slechts enkele dagen bleven. Dat hield in dat Kumachan die eind mei terug gekomen was naar Antaiji en ik meer werk eraan hadden de nieuwkomers alles bij te brengen dan dat we aan hulp van hen konden verwachten. In de herfst ging Kumachan definitief weg, nadat ik “per ongeluk” zijn kleine cannabis plantage had platgewalst.

  Voor hem in de plaats kwam in het begin van de winter Funami, een jonge Japanner die in verschillende jobs telkens weer strandde, totdat zijn vader hem het huis uitzette en tegen hem zei dat hij maar zenmonnik moest worden. Met hem bracht ik mijn tweede winter in Antaiji door want ook nu weer bracht Tomomi de winter door in Osaka met onze pasgeboren baby – waar ze ook alle andere winters zou gaan doorbrengen. Funami moest al snel leren dat het leven in een zenklooster niet zo eenvoudig was als dat hij het zich had voorgesteld en de zomer erop wilde hij het toch weer opnieuw met een job in Tokyo proberen.

  Ondertussen leefde ook Daido uit Polen in Antaiji, hij had een jaar lang in een ander klooster geleefd maar daar waren geen sesshins, noch enig werk met eigen verantwoordelijkheid. Als daar iets te repareren viel dan huurde men gewoon iemand daarvoor in. In Antaiji vond hij eindelijk wat hij zocht: een plek waar de bewoners zelf op het dak moesten klimmen om bijvoorbeeld een lek te traceren en te repareren. Anderzijds ben je er zelf voor verantwoordelijk als je van het dak afvalt en ongelukken gebeuren helaas ook in Antaiji. Vandaag organiseert Daido als de oudste onder de monniken menig wat in het klooster.

 

Geluk is geen doel. Geluk is een nevenproduct van werk, spel, liefde en leven.

(Haim Ginott)

 

In december werd mijn zoon Hikaru geboren en het voorjaar daarop had ik mijn handen meer dan vol: niet alleen moest ik voor de bezoekers zorg dragen maar ook Tomomi helpen met de verzorging van de kids, zo goed als mogelijk. Na de derde winter alleen met Daido bleven enkele kloosterbewoners toch langer en enige onder hen besloten zelfs in Antaiji te ordineren. Tassho, een emeritus hoogleraar voor germanistiek in Japan beoefende al sinds 40 jaar zazen. Hij wilde monnik worden om in de toekomst in Duitsland zen te onderrichten. Seikan was in Australië in contact gekomen met zen en wilde als zenmonnik buiten het klooster leven, door zijn familie en zijn beroep als psycholoog kon hij niet jarenlang in Antaiji blijven. Sinds zijn ordinatie bezoekt hij Antaiji jaarlijks en zet zijn oefening thuis in Australië voort. Jikai komt oorspronkelijk uit dezelfde Australische groep en is sinds haar ordinatie tot non verantwoordelijk voor de zazenhal in Antaiji. Dat monniken en nonnen gezamenlijk in een klooster leven, is eerder uitzondering dan regel.

  Shinryu, net zoals Seikan een psycholoog met familie, kwam uit het Roergebied naar ons toe. Hij leidde al enkele jaren zijn eigen zengroep en zocht naar een plek waar hij ook monnik kon worden. Zuigetsu uit Nürnberg kwam naar Antaiji door een Zweeds boek. Het gemeenschappelijke leven in een klooster was wat hem aantrok te ordineren en nu is hij verantwoordelijk voor de rijstvelden. Daishin was kok in Berlijn voordat hij voor vernieuwingen in de keuken van Antaiji zorgde. En Doko, een reiki therapeut uit Polen, beoefende al twintig jaar zazen voordat hij in Antaiji de monniksgewaden en –schalen ontving. Jilishin, een 26 jarige Japanner is nu de eerste die voor “eerst eens” tien jaar in Antaiji wil blijven. Het is Uchiyama Roshi geweest die ooit iedere leerling aanraadde, eerst eens tien jaar te blijven dan nog eens tien jaar en uiteindelijk nog eens tien jaar.

  Zo werd de vierde winter van mijn ambstperiode de eerste waarin we met meer dan twee personen in Antaiji leefden, we waren toen met z’n achten. En dat tot ons geluk, want dat jaar was er aan de noordwestkust van Japan een record aan sneeuw gevallen. Vier maanden lang waren we van de buitenwereld afgesloten en we konden slechts met sneeuwschoenen het dorp bereiken om onze post af te halen. Tijdens het sneeuwruimen wisselden we ons af want ook het werk in de keuken en het verwarmen van het bad moest gedaan worden.

  In Antaiji is het regelmatig een komen en gaan en inmiddels leven hier meestal meer dan 20 personen. Ongeveer twee derde daarvan komt uit het westen. Daardoor is Engels langzaam de hoofdtaal geworden in het klooster wat nogal eens voor moeilijkheden zorgt want niet alle Japanners beheersen deze taal. En dan wordt er gezegd: “Waarom spreken jullie geen Engels? Dat is toch een wereldtaal!” Terwijl de Japanners zich natuurlijk afvragen waarom de Europeanen en Amerikanen weigeren de taal te leren als ze naar hun land komen. Maar niet alleen de talen verschillen ook de vorm van communicatie zijn in het oosten en westen geheel verschillend. In het westen zijn we gewend onze mening te zeggen, geen blad voor de mond te nemen. Japanners daarentegen proberen zich aan te passen aan de atmosfeer in de groep zonder iets uit te praten. Als ze dan toch een keer hun mening zeggen, dan doen ze het in verdekte termen. Als abt is het niet altijd eenvoudig hiertussen een brug te slaan.

  Ook wat betreft de regels hoe het klooster geleid moet worden, sta ik voor een dilemma. Een herder die zijn kudde bij elkaar houdt zodat geen schaap verdwaalt, moet tevens erop toezien dat ieder schaap genoeg ruimte heeft om te kunnen lopen en te eten. En net zo probeer ik iedereen zo veel mogelijk ruimte te geven als maar kan, zodat hij zelf de verantwoording voor zijn eigen oefening kan nemen. Tegelijkertijd echter moet ik een duidelijk schema aanbieden waaraan de gemeenschap zich kan oriënteren zodat niet alles uit de hand loopt. De een vindt dit schema te strak, terwijl anderen graag wat meer leiding zagen. In ieder geval wil ik Antaiji niet leiden zoals in Saifukuji want hoewel ik een en ander daar geleerd heb, denk ik niet dat velen bereid zouden zijn zo een brutale behandeling te ondergaan. En dat is ook helemaal niet nodig want doorgaans komen volwassen mensen naar Antaiji uit geheel eigen wil – ze hoeven niet gedwongen worden tot de zenoefening.

  Eenieder die hierheen kwam en komt moet inzien dat het klooster geen voorspoedige gemeenschap is. Antaiji is geen spiritueel Disneyland. Dat merkte ook Seikan toen hij op een ochtend wakker werd: De 16-jarige knul die door zijn ouders naar het klooster gestuurd was en met wie hij samen woonde, was verdwenen – en met hem het geld uit Seikans portemonnee. Een jaar later stuurde deze knul het geld, dat hij benut had om een treinkaartje naar Osaka te kopen, terug in termijnen.

  Ook toont de politie telkens weer interesse in ons want hier in de ontoegankelijke bergen leven veel buitenlanders waarvan niemand eigenlijk echt weet wat ze de hele dag doen. Ook het half autarkische leven op 50 hectare land met tractoren, bulldozers en graafmachines wekt klaarblijkelijk de verdenking dat we ons klaar stomen voor een aanslag op de maatschappij, zoals meer dan tien jaar geleden was gebeurd. Toen had de pseudo-boeddhistische sekte Aum in de ondergrondse van Tokyo een zenuwgas verspreid waardoor twaalf mensen stierven en 5.000 gewond werden. Dus word ik regelmatig gebeld door de terrorafdeling van de politie:

„Zijn er Arabieren daarboven in Antaiji?”

„Nee, het spijt me op dit monent zijn er geen Arabieren.”

„Verder nog enige Aziaten?“

„Alleen twee Japanners. Wilt u hun gegevens?”

„Nee dank u wel, is goed zo. Informeert u ons a.u.b. direct als Arabieren komen!”

 

Waar is geluk goed voor? Je kunt er geen geld voor kopen!

(Henny Youngman, Amerkiaanse komiek en violist, 1906-1998)

 

Het verschil tussen mijn leven als abt in Antaiji en het leven als dakloze in het park van Osaka kon niet groter zijn. Indertijd had ik geen verplichtingen, geen bergen werk op de velden en achter de computer die op me wachtten, geen financiële zorgen, om nog maar te zwijgen van de verantwoordelijkheid als familievader. Maar toch ben ik deze weg ingeslagen en heb het tot op heden nooit betreurd. Zou ik in het park de jaren door uitgestrekt in de zon gelegen hebben zoals Diogenes indertijd voor zijn regenton, dan zou de leer van de Bodhisattva in mijn hoofd tot een theorie vervallen zijn. Toen keek ik vanaf de kasteelmuur naar de mensen die ’s ochtends gehaast naar hun kantoren in de toren van het Osaka Business Park ijlden. Ook zonder werk was het niet moeilijk om rond te komen van de aalmoezen die ik overdag bij elkaar bedelde.

  Vandaag voorzie ik in mijn eigen levensonderhoud zoals zovele Aziaten: Ik ploeter in de modderige rijstvelden om onkruid te wieden, graaf naar aardappels en vel bomen om het fornuis in de keuken en de boiler voor het bad te verwarmen. Maar dat wil niet zeggen dat ik en het klooster niet zonder aalmoezen kunnen. Antaiji heeft jaarlijks uitgaven in de grootte van ongeveer 10.000 Euro, die als volgt uitzien: Zeventig procent gaat op aan stroom, telefoon, brandstof, motorrijtuigenbelasting en APK-keuringen, kleinere reparaties, levensmiddelen en de bijdrage aan de overkoepelende organisatie van de Soto-zen school. Anders dan bij de kerken in Duitsland krijgen de afzonderlijke kloosters en tempels namelijk geen ondersteuning van de overkoepelende organisatie maar moeten omgedraaid hoge lidmaatschapsgelden betalen, waar de landelijke organisatie van leeft. De overige dertig procent geven we aan alles andere uit. Daar komt nog eens het geld bij dat ik zelf nodig heb om mezelf en mijn familie te onderhouden. Dat zijn nog eens enige duizend Euro per jaar. De kinderen hebben kleding en luiers nodig en de wilde kruiden zijn natuurlijk ook niet toereikend als eten voor een heel jaar.

  Tienduizend Euro per jaar mag dan menigeen niet veel lijken, echter anders dan in de stad heb ik nu slechts zelden de gelegenheid om te gaan bedelen. En als ergens in of aan het klooster reparaties verricht moeten worden dan is er altijd opnieuw een tekort in kas. De leer van het loslaten die zo belangrijk is voor onze oefening moet in eenheid gebracht worden met de zorg voor het noodzakelijke. Echter de wet van de entropie valt niet om te draaien en ook Antaiji zal niet verschoond blijven van haar verval. Daarom kan en wil ik niet de tempel aan zijn lot overlaten en zal m’n best doen om de onvermijdelijke neergang van het klooster te vermijden en zonodig nieuwe verbouwingen tot stand te brengen. Om dit te bekostigen gaan we een keer per jaar een week lang naar Osaka om te bedelen. En ‘s zomers helpen we andere, meer bedeelde tempels bij de ceremoniën. Daarbij laten ook veel bezoekers wat geld achter zodra ze Antaiji verlaten. Als abt echter krijg ik geen loon uitbetaald en ook de andere monniken moeten hun zakgeld verdienen door zelf te gaan bedelen. Zelfs als mijn eigen rubberen laarzen gaten hebben zal ik er in ieder geval voor zorgen dat de voeten van mijn kinderen warm en droog zijn. En dat moet ook voor de toekomstige generatie van monniken in Antaiji gelden. Geld is een van de dingen waarvan ik als zenmonnik geleerd heb er niet over na te denken. Maar nu dat ik abt ben is het ineens een thema voor me geworden.

 

No matter how I struggle and strive,
I’ll never get out of this world alive.

(Hank Williams, Amerikaanse Countryzanger, 1923–1953)

 

De zekerheid en garanties die we ons zozeer wensen, zijn er in het leven nooit. Wat uit mij, mijn familie en Antaiji in tien of twintig jaar geworden zal zijn dat kan ik nu niet weten. Ik kan slechts alles geven – iedere, afzonderlijke dag. Ik dacht dat middels mijn beslissing als abt met familie het leven te slijten mijn instelling tegenover zowel mijn eigen ouders als mijn overleden meester zou veranderen. Tenslotte ziet men als kind en leerling de dingen geheel anders dan wanneer met zelf de rol speelt als vader of meester. Zo heeft bijvoorbeeld de “Bumo-onjukyo” me geraakt toen ik deze voor het eerst las. En toen ik tijdens mijn verblijf in Saifukuji voor het eerst begreep van wat mijn meester me verteld had, voelde ik zowel de dankbaarheid als ook de schaamte, niet beter naar hem geluisterd te hebben. Daarom hoopte ik dat deze nieuwe uitdagingen opnieuw mijn ogen zouden openen. Deze hoop echter werd teniet gedaan. Als ik mijn kinderen zie opgroeien, wekt dat de lang, vergeten herinneringen op aan de eenzame, huilende nachten en ontbeerde liefde. Gelukkig is Tomomi een moeder zoals ik me die zelf gewenst zou hebben en ook ik wil proberen om mijn kinderen een gelukkige jeugd te bezorgen.

  Daarbij zal het voor mij hopelijk gemakkelijker zijn dan in Japan de omgang met kinderen geheel anders is dan in het westen. Zo zijn bijvoorbeeld de kinderwagens in Japan pas een recent verschijnsel. Japanse moeders en oma’s prefereren het kind de eigen lichaamswarmte te laten voelen, zo blijft het gevoel van eenheid langer bestaan. We moesten dit in Antaiji wel zo doen omdat de wegen vol stenen en modder zijn. Totdat de kinderen konden lopen, waren ze of in Tomomi’s of in mijn armen of - tijdens het werk – in een doek op de rug. Soms liet dat me denken aan een voorval wat mezelf overkomen was. Mijn opa vertelde me dat ik als baby tijdens een familietreffen in Harz achtergelaten werd in de kinderwagen aan de rand van de weg: “Jouw moeder maakte zich in het begin weliswaar zorgen dat je door iemand meegenomen zou worden, maar toen zei ik tegen haar: ‘Wie zal hem nou stelen, hier in de bergen!?’ En toen we terugkwamen was je gestopt met schreeuwen en had je je allang in slaap gehuild.”

  Een andere uitvinding die in Japan nauwelijks aandacht oogst is de box. Ze zijn eerder verbaasd als ze zien hoe geciviliseerde mensen hun nakomelingen in kooien opsluiten. Of ligt dat aan het feit dat de Japanse woningen veel kindervriendelijker zijn dan in Duitsland? In de kamers zijn er haast geen meubels – geen tafels of stoelen waar je op kunt klauteren om er slechts vanaf te vallen en ook geen dure, waardevolle accessoires die er alleen maar om vragen door kinderhanden omver gegooid te worden. Er zijn geen onzichtbare muren tussen de wereld van volwassen en kinderen.

  Mijn vrouw en ik bijvoorbeeld leven met de twee kinderen in twee kamers. De grootste kamer heeft 13 kwadraatmeter. Het doet dienst als eet- en woonkamer en voor mij als werkkamer. De kleinste kamer is net geen tien kwadraatmeter en is de slaapkamer. De kinderen spelen dan hier, dan weer eens daar. Dus hebben we als ouders geen andere keus dan ons leven met hen te delen. Er is geen kinderkamer waar we ze naar verbannen kunnen, als ze eens lastig zijn. Ook ’s nachts blijven de kinderen vaak nog lang bij de ouders, terwijl een Duits kind alleen moet zien klaar te komen met zijn dromen. In het Japans wordt gezegd zo te slapen als het schriftteken voor de “rivier”, waarbij een korte penseelstreek tussen twee langere staat. Stijgt het aantal kinderen, dan ziet de familie ’s nachts eerder uit als het schriftteken voor “landstreek“.

  Natuurlijk is het samenleven niet altijd zonder stress. Terwijl ik dit nu schrijf probeert Megumi links van me aan het toetsenbord te komen. Ik zet haar op mijn knie maar in plaats van rustig toe te kijken terwijl ik schrijf, leunt ze met beide ellebogen naar voren en ontdekt daarbij ook nog eens functies op de computer die ik zelf nog niet eens ken. Vaak veroorzaakt dat ook moeilijkheden als ik documenten waaraan ik gewerkt heb, probeer terug te vinden. Dat is echter alleen mogelijk als Hikaru rechts van me niet toevallig de stekker uit het stopcontact heeft getrokken…

  De Japanse opvoeding die geen duidelijke scheidingslijn tussen de wereld van kinderen en van volwassenen kent, heeft natuurlijk ook nadelen. Japanners hebben doorgaans langer nodig om als individu zelfstandig te worden. Bij sommigen, zoals bij de voorheen beschreven “Hikikomoris” lukt het helemaal niet. Wat hier ook geheel anders is dan in het westen: Een Japanse moeder die zichzelf doodt, zal doorgaans haar kinderen in de dood meenemen. Om ze alleen in de wereld terug te laten, is in haar ogen meedogenloos. Misschien dat daarom deze vorm van zelfmoord in het Japans “Shinchu” heet, wat letterlijk betekent “in het binnenste van het hart”. In het westen zal het eerder een uitzondering zijn dat ouders hun kinderen mee de dood innemen. Ze zullen eerder hun kinderen achterlaten in de hoop dat het lot hen gunstiger gestemd zal zijn. Anders dan in Japan zien we in het westen ons leven gescheiden van de kinderen, dan met positieve, dan met negatieve aspecten.

  Natuurlijk willen alle ouders dat hun kinderen het eens beter zullen hebben dan zij zelf en niet altijd zullen de kinderen later tevreden zijn met de bemoeinissen van hun ouders. Ook zullen mijn kinderen op een dag oordelen over mij en over mijn rol als vader waarvan ik nu niet weet hoe dat zal luiden. Ik wens slechts dat mijn kinderen zich altijd welkom zullen voelen in deze wereld – een gevoel dat ik zelf pas op latere leeftijd heb leren kennen.

Dogen Zenji drukt het in de “Genjokoan” uit met de metafoor van de vis en de vogel: “Een vis die in het water zwemt; hoe ver hij ook zwemt er komt geen eind aan het water. Een vogel die in de lucht vliegt; hoe ver hij ook vliegt, er komt geen eind aan de lucht. Zowel vis als vogel zijn nooit van water en lucht gescheiden geweest.  Zo zullen ze nooit hun behoeften ten boven gaan en is er geen plek waar ze hun activiteit niet volledig ontplooien. Zo is het ook als jij een gelukkig leven leidt: In welke situatie je je ook bevindt, je leeft je leven in harmonie met deze situatie. Wat je ook doet, je gaat op in hetgeen je doet. Hier rust de plek van grote tevredenheid. In dit moment ben je de belichaming van geluk. Dit geluk kent geen grenzen: Op het moment dat je één met jezelf en je leven bent, ben je gelukkig. Maar denk niet dat je dit geluk kunt grijpen zoals een steen aan de rand van de weg. Je bent gelukkig maar omdat dit geluk bestaat uit het één-zijn met jezelf, ben je het volledig vergeten. Alleen de ongelukkige zoekt naar geluk.”

  Soms wordt me gevraagd hoe het loslaten en de instelling van een bodhisattva met het leven in een familie zich kan verenigen. Hecht een vader niet aan zijn kinderen en hindert het hem niet om zich volledig aan de anderen te geven? Jezus geeft een antwoord als hij ons tot naastenliefde aanspoort: Loslaten wil niet zeggen geen verantwoording te nemen, maar iets van jezelf aan de ander te geven, Ook een bodhisattva begint bij de ander, bij zijn familie. Van daaruit probeert hij de ring van liefde steeds verder uit te breiden tot zijn overgave de gehele wereld bereikt, zoals de vis en de vogel met hun leven de zee en de hemel geheel vullen.

 

Vissen zwemmen, vogels vliegen en mensen voelen.

(Haim Ginott)

 

Hetgeen ik over de zienswijze van mijn ouders en mijn eigen rol als vader ervaar, geldt eveneens voor mij als zenmeester. Vandaag bekijk in mijn meester kritischer dan toen hij nog in leven was. Met zijn kille, afwijzende manier wilde hij ons erop wijzen onze eigen weg te gaan – zo dacht ik althans. Vandaag denk ik dat hij eenvoudigweg de energie niet bezat om met zeer eigengereide en problematische leerlingen om te gaan. Het was niet uitsluitend de reden om de leerlingen hun eigen verantwoordelijkheid tot eigen oefening te geven, dat hij zich terugtrok uit zijn rol als abt. Er was tevens de angst speurbaar zich te blameren waardoor hij uiteindelijk alcoholist werd.

  En ook hier is het zo dat op een dag mijn eigen leerlingen een oordeel over mij zullen vellen, dat nu nog in de sterren geschreven staat. Ik kan alleen maar proberen het beter te doen. Daarbij denk ik dat Miyaura op zijn manier een goede meester was. Want alles wat een meester zegt en doet is als een vinger die naar de maan wijst, zoals in zen gezegd wordt. Het gaat niet om de vinger maar om de maan. Dat wil zeggen: Niet de meester staat in het gezichtsveld, maar datgene wat hij op meer of minder onvolkomen manier aan zijn leerlingen zegt. Als dan de leerling zich drukt maakt over de persoonlijke besognes van de meester dan is het alsof hij zich bezwaard over de zwarte nagel aan de vinger, zonder naar de maan te kijken waar de vinger naar gericht is: “Jij belichaamt Antaiji!” “Jij doet helemaal niet ter zake!” Ook al zou Miyaura niet meer te zeggen gehad hebben dan dit, dan nog was het voor mij voldoende om me de richting te wijzen.

 

Ik verlies alleen maar, verlies en verlies...

(Miyaura Shinyu, Japanse zenmeester, 1948-2002)

 

Het vijfde aspect van het achtvoudig ontwaken van een groots mens is de opmerkzaamheid. Dat wil hier zeggen je bewust te zijn van de richting in je eigen leven. Waar gaat het jou om? Wat is het belangrijkst en wat zijn nevenzaken? Deze vragen moeten centraal staan in ons leven. In de “Shobogenzo Hachidaininkaku” wordt daarover gezegd: “Als je naar advies en ondersteuning op de Weg zoekt, bestaat er niet beters dan aandachtig te zijn. Als je je aandacht niet verliest, dan zullen de gevaren van de illusies je niet bereiken daar ze het vermogen niet bezitten om vat op je te krijgen. Het is als iemand die in harnas de vijandelijke linies doorbreekt. Hij heeft niets te vrezen. Dat wil zeggen nooit onaandachtig zijn.”

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

14. Hoe te werken?

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Wat houdt de zen-oefening in? Het betekent Boeddha spelen. Dat is geen werk. We spelen Boeddha.

(Sawaki Kodo)

 

Nog nooit was mijn leven zo aangenaam geweest als in het park van Osaka. Iedere, afzonderlijke dag behoorde mezelf toe, iedere minuut was mijn eigen tijd. Het leven was vrijheid. De beslissing terug te keren naar Antaiji was tevens een beslissing voor veel werk. Waarom, zou je je kunnen afvragen, zou een bewonderaar van Diogenes überhaupt werken? Uchiyama Roshi, de opvolger van Sawaki in Antaiji, schrijft in een van zijn boeken dat hij onder de indruk was van een zin die hij ooit in zijn jeugd las: “I don’t live to work, I work to live!” Dat het werk het leven dient en niet omgekeerd was blijkbaar een openbaring voor hem. En inderdaad wordt vaak van de Japanners gezegd dat ze niet werken om te leven, maar eerder leven om te werken. Zelfs de als gedisciplineerd bekend staande Duitsers vallen daar in het niet.

  Ook ik was verbaasd toen ik tijdens mijn eerste bezoek aan Japan op elke straathoek de zogeheten Convenience-store aantrof. Dat zijn winkels die 24 uur per dag en het hele jaar door geopend zijn en die worst en kaas, kranten, bier en sigaretten, maar ook tandenborstels en ondergoed verkopen. Van sluitingstijden heeft hier nog nooit iemand gehoord en ’s zondags is er dezelfde tumult in de straten dan doordeweeks, want met uitzondering van de banken en rijksinstellingen zijn de meeste winkels alle dagen van de week open. Japanse werknemers staan erom bekend dat ze zelfs hun vakantie opofferen en onbetaald overuren draaien. Geen wonder dus, dat er gezegd wordt dat de Japanners werken als mieren.

  Er wordt gezegd dat de Japanners daarom zo succesvol zijn omdat ze tijdens werktijd werken. Dat zou betekenen dat ze rondom het uur zwoegen. Maar van wat ik gezien heb is dat helemaal niet zo. Japanners brengen weliswaar veel tijd door op de werkplek, maar dat wil niet zeggen dat ze ook veel werken. Eens nam een leraar me op een zondag mee naar zijn school. Omdat er geen les was waren de gangen leeg. Alleen in de lerarenkamer was volop leven. De leraren kwamen ’s zondags naar school om de proefwerken te corrigeren en de lessen voor te bereiden voor de komende week of gewoon om wat te kletsen. De ruimte was gevuld met levendige gesprekken en lachen en het was niet echt duidelijk of de leraren dit zondagswerk als onbezoldigde overuren zagen of meer als een ontspannen samenzijn onder collega’s. De indruk dat Japanners niet duidelijk onderscheid maken tussen werk en vrije tijd, ontstaat ook doordeweeks, want in Japan gaat het werk vaak hand in hand met een gelaten houding. Dat het werk daardoor ook langer duurt, daar schijnt niemand zich aan te storen want werk wordt niet gezien als een noodzakelijk kwaad maar meer als een manier van leven.

 

Men moet het werk niet zo indelen zodat het zoveel mogelijk winst oplevert. Men moet het werk zo indelen  dat het de mensen gelukkig maakt.

(Paul Ernst, Duitse schrijver, 1866-1933)

 

Anders is het in Duitsland: Daar worden weliswaar prestige en succes hoog gewaardeerd, maar het werk zelf wordt vaak niet gezien als een volwaardig onderdeel van het leven. Geven we niet Bertolt Brecht gelijk, die zei: ”Werk is alles wat niet plezierig is!”? Op deze manier is werk slechts een middel tot doel en de stress die we dagelijks ondervinden komt alleen maar doordat we niet in ons werk opgaan.

  Een andere oorzaak is dat de gevolgen van het werk vaak niet op ons leven uitwerken. Als men Japanners vraagt wat het leven omhelst, dan zou een vrouw misschien antwoorden: “De kinderen!” En haar man: “Het werk!” In Duitsland echter hebben we de indruk dat het leven pas dan begint als het werk gedaan is en de kinderen op bed liggen. Dan is het vanzelfsprekend dat we ontevreden met het werk en gezin zijn. Hebben wij het dan vergeten dat onze verplichtingen op de werkplek en thuis ook deel uitmaken van ons leven? Begrijpen we dan niet dat het opgaan in het werk en in het gezin wegen zijn om een vervuld leven te leiden? 

  In een gelukszoeker wordt de vraag gesteld of we tijdens het uur van onze dood geen spijt krijgen meer tijd op het werk doorgebracht te moeten hebben. Het antwoord dat dan gegeven wordt luidt natuurlijk: “In godsnaam, nee!” En het is nou juist deze instelling die de tijd dat we op de werkvloer doorbrengen, verziekt. We zijn niet ongelukkig omdat we teveel werken, maar omdat we verkeerd werken. De vraag of we leven om te werken of werken om te leven is niet relevant. Want zodra we een scheidingslijn trekken tussen werk en leven, lopen we in onze eigen val waar we niet meer uitkomen: We werken om te leven en tegelijkertijd denken we dat we minder leven als we meer werken.

  In de vorige eeuw heeft het de arbeidersbeweging veel slachtoffers gekost om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Een doel was ook altijd om de wekelijkse werktijden te verkleinen: van 60 naar 50 uur, van 50 naar 40, van 40 naar 37 en tenslotte naar 35 uur. En zo verlengde de vrije tijd evenredig. Vandaag werken de Duitsers doorgaans minder dan de meeste werknemers op de hele wereld. Wil dat dan zeggen dat we meer en gelukkiger leven? Ik denk het niet want zolang we ons leven geheel scheiden van het werk, zullen we ons altijd gevangen voelen.

 

Men scheldt alleen maar op het werk zolang totdat men geen werk meer heeft.

(Sinclair Lewis, Amerikaanse schrijver, 1885-1951)

 

De gelukswetenschappers hebben geconcludeerd dat veel mensen, wanneer men hen naar hun tevredenheid over het werk vraagt, antwoorden dat ze minder werken willen en meer vrije tijd. Wordt daarentegen rechtstreeks onderzocht hoe de mensen zich voelen tijdens het werk, dan komt daar verrassend genoeg naar voren dat men het ziet als een uitdaging en zich daardoor gelukkig, sterk, creatief en tevreden voelt. Men voelt zich eerder tijdens de vrije tijd droevig, zwak, verveeld en ontevreden. Dit laat zien dat het niet het werk zelf is wat ons ontevreden stemt maar onze instelling dat we het werk als een “verloren bezigheid” zien. Het meest ongelukkig zijn naar de onderzoeken van de gelukswetenschappers niet de mensen die het meest werken, maar de werkelozen. 

  De enige weg uit de impasse „werk of leven?“ ligt in het besef, dat de werktijd net zozeer onze tijd is als de zogeheten vrije tijd. Ons leven begint niet pas als we ’s avonds vrij hebben. Werk is levensoefening en mag niet gewoon de prijs zijn die we voor een zomervakantie op het strand betalen. Maar hoe komt het dat we ons uitgeblust voelen? Waarom wensen we het liefst helemaal niet te hoeven werken? Waarom klagen we dat het werk op kantoor en thuis de kinderen ons de tijd wegnemen? Ik denk dat de wortels van deze levensinstelling in onze cultuur- en denkwijze ligt. De bijbel bijvoorbeeld verklaart het begin van het werk:

  „[...] Dan plantte God de Heer een tuin in Eden tegen het oosten en zette daar de mensen in, die hij geschapen had. En God de Heer liet allemaal bomen uit de aarde groeien, mooi eruit zien en goed te eten en de Boom van het Leven midden in de tuin en de Boom van Erkenning van het goede en het boze […] En God de Heer gebood de mensen en sprak: Val alle bomen in de tuin mag je eten, alleen van de Boom van Erkenning van goed en kwaad, daar mag je niet van eten, want zodra je daarvan eet, moet je sterven.

  [...] [De mens en zijn vrouw] waren naakt en ze schaamden zich niet. De slang echter was sluwer dan alle dieren van het veld [...] Hij sprak: Geenzins zullen jullie sterven, maar God weet dat zodra jullie ervan eten jullie ogen zullen opengaan en dat jullie zoals God zullen zijn en zullen weten wat goed en verkeerd is. En de vrouw zag dat er goed te eten viel van de boom en dat deze er goed uit zag en verleidelijk omdat hij wijsheid zou brengen en ze nam van zijn vrucht en at en gaf ook haar man die naast haar zat en hij at.

  Vervolgens gingen hun ogen open en ze werden zich ervan bewust dat ze naakt waren en ze namen vijgenbladeren en maakten een schort daaruit. […] [God] sprak: Wie heeft jou gezegd dat je naakt bent? Heb je misschien van de boom gegeten, waarvan ik je verboden heb te eten? De mens sprak: De vrouw die je me gegeven hebt die heeft me van de boom gegeven, toen heb ik gegeten. […] De vrouw antwoordde: De slang heeft me verleid, toen heb ik gegeten. […] [Toen sprak God de Heer tegen de vrouw:] Ik zal je veel problemen bezorgen tijdens de zwangerschap, met pijnen zul je jouw kind baren! Naar jouw man zul je verlangen, maar hij zal jouw heer zijn! En tegen de mens sprak hij: Omdat je naar de stem van jouw vrouw geluisterd hebt en van de boom gegeten hebt waarvan ik je gebood: je mag er niet van eten, nu is door jouw schuld de bodem van de aarde vervloekt. Met moeite zul je nu ervan je moeten voeden jouw leven lang. Dorens en distels zal de bodem je bezorgen en de kruiden van de velden zul je moeten eten. In het zweet des aanschijns zul je jouw brood eten, totdat je weer tot de aarde terugkeert, waar je van genomen hebt” (Zürcher Bibel, 18e druk 1982, 1. Mose 2/8-3/19).

  Dat betekent dat er voor de zondvloed er voor de mensen noch werk, noch pijn bestond. Ook de duidelijke rolverdeling die de man het zware werk toebedeeld terwijl de vrouw de plek naast de kribbe toegewezen krijgt wordt niet uit de natuur van de mensen begrepen, maar verschijnt als een disciplinaire maatregel van god. Ligt het misschien daaraan dat in onze hoofden vandaag nog de instelling leeft dat werk een straf is en ons eigenlijk het paradijs op de aarde toekomt?

  Maar waaruit bestaat eigenlijk de zondvloed waarmee we ons leven in de tuin van Eden verspeelt hebben? Hier zijn de meest uiteenlopende interpretaties mogelijk, maar persoonlijk denk ik dat het centrale punt niet het verzet tegen het gebod van god is noch de ontdekking van seksualiteit. Het gaat meer om - zoals de bijbel ook verduidelijkt – het inzicht. Maar kan dat alleen zonde zijn? Zeker geen zonde in de strenge zin, tenslotte is daarvan in de korte tekst geen sprake. Daarom zie ik de pijn en het werk ook niet als een straf die door God is opgelegd, maar meer als het gevolg van dat de mens geleerd heeft onderscheid te maken: niet alleen tussen goed en kwaad in morele zin, maar tussen al het aangename en het onaangename, dat wat tevreden stelt en wat niet. Uiteindelijk maken we een onderscheid tussen dat wat we willen en dat wat we moeten: het werk en het spel. Volgens mij heeft God de mensen niet uit de Tuin van Eden verdreven. Hij leeft nog steeds in deze tuin die eens het paradijs voor hem was, maar waarin hij echter na het inzicht alleen nog dorens en distels ziet.

  Het enige wat de mens is gebleven na het scheppingsverhaal is de sabbat. Op de zevende dag van de week mag hij, zoals eens God bij de schepping van de wereld, uitrusten. Maar ook dit is een strop. Het recht te mogen rusten wordt een plicht om maar niets te doen wat onder de rubriek werken valt. Zelfs tijdens de sabbat is het ons niet gegund de grens tussen werk en spel op te heffen. Altijd is het óf, óf – nooit zowel, als. Hoewel Jezus er al op wees dat niet de mens er voor de sabbat is, maar omgekeerd de sabbat er voor de mens is. Maar helaas vergeten we het altijd weer dat dit niet alleen voor de sabbat geldt, maar ook voor het werk zou moeten gelden.

  De Japanners echter, zien het werk niet als een straf. Tegelijkertijd kennen ze geen juridische, noch religieus-morele wetten die hen op bepaalde tijden van de dag of dagen in de week het werk verbieden. In de Joods-Christelijke traditie schijnt het werk verbonden te zijn met de zonde. Omgedraaid is de vrije dag, in het Engels “holiday”(holy day), die voor ons heilig is. En “Wie slaapt, zondigt niet”, luidt een spreekwoord. Maar wat het werk aangaat, zijn we ons daar niet zo zeker van. Daarom is het ook erger om iemand uit de slaap te wekken dan iemand bij het werk te storen. In Japan echter wordt het werk als heilig gezien, maar wat – wel te verstaan – niet wordt gezien als ‘zich uit de naad werken’. “Waarom werkt de mens? Wat voor een zin heeft dit leven dat uit werken bestaat? Ik denk dat het werk, de tijd en de plaats zijn die we geschonken krijgen als mens om zo het licht van het leven tevoorschijn te laten komen. Bestaat de zin van het leven niet juist daaruit om door het werk en door het leven zelf te schijnen en zo tevens ook alle mensen erom heen te belichten?” Het onderscheid tussen deze woorden van Tassho, een japanse monnik die in Antaiji leeft en de zienswijze die we in de Genesis tegenkomen, kan bijna niet groter zijn.

 

Het gelukkigst zul je zijn als zelfs het werk een spel voor je wordt. Mij wordt gezegd: “Als we jouw dagelijks leven zien, is het moeilijk  te zeggen of dat nu werk of tijdverdrijf is. Men zou kunnen zeggen dat het plezier zelf jouw zaak is. Zoals jij, kan dat niemand in deze wereld – je bent echt te benijden!”

(Sawaki Kodo)

 

Hier weerspiegelt het oosterse Yin-perspectief, dat geen onderscheid maakt tussen datgene wat we moeten en dat wat we willen: Werk en spel. Yang-mensen kunnen dit onderscheid niet overbruggen daarom slaan ze zich met op elkaar gebeten tanden zo snel als mogelijk door het door hun zo gehate werk, om vervolgens lijdzaam te genieten van de “welverdiende” vrije avond met een biertje op de bank voor de teevee. Weliswaar werken Yang-mensen harder en geconcentreerder maar het genot van het leven gaat aan ze voorbij. Maar ook het Yin-perspectief heeft een keerzijde: De eenheid tussen werk en spel vervalt snel tot een theorie en dan komt er in plaats van de lichtpunten van het leven in de praktijk slechts ledigheid. Rust en gelatenheid moeten gepaard gaan met concentratie en efficiëntie. Zowel de Japanners als de Duitsers hebben het er vaak moeilijk mee hierin een harmonisch evenwicht te vinden.

  Ter verduidelijking: het contrast tussen Yin en Yang is ook op televisie zichtbaar. De discussieprogramma’s die in Duitsland op elk tijdstip, zowel overdag als s’nachts te zien zijn, kennen ze in Japan niet. En wel daarom dat het hierbij niet om de discussie in de ware zin gaat – een met elkaar bespreken en elkander toehoren -, maar meer om het eenzijdige Yang dispuut. Het gaat erom de „tegenstander“ onderuit te halen en daarbij speelt het thema slechts een bijrol. De Japanners daarentegen zijn wereldkampioen in het luisteren, hun eigen mening houden ze daarbij vaak verborgen. Op teevee kijken ze naar hoe andere Japanners in hete thermale baden stappen en vervolgens gemoedelijk een maaltijd met vis verorberen: „O dat smaakt lekker!“ Menig Duitser zou daar direct wegzappen terwijl de Japanner zich ontspant als hij de ander ziet relaxen. Anderzijds kunnen ze niet begrijpen hoe een Duitser het aangenaam kan vinden om naar een heftige discussie te kijken.

  Dit onderscheid wordt ook zichtbaar als men het Christendom en het Boeddhisme naast elkaar legt. Jezus leert ons de vijand lief te hebben, want het grootste probleem van ons Yang dominerend zenuwsysteem is haat en nijd. In Japan is het bijvoorbeeld ondenkbaarr dat er vechtpartijen ontstaan tijdens een voetbalwedstrijd, macho’s zijn een curiositeit die men alleen tegenkomt in Yakuza- of Samuraifilms en zelfs in Hiroshima zul je bijna niemand vinden die de Amerikanen haat voor het gooien van de atoombom. Niet uit liefde voor de vijand, maar omdat het begrip „vijand“ niet bekend is bij de Japanners. In plaats daarvan spreekt het boeddhisme over bescheidenheid want zelfdiscipline is geen Yinsterkte. Yin mensen zijn net zo min streng voor zichzelf als voor andere mensen. Ze hebben de neiging om zich te laten gaan.

  Dat wederom heeft niet altijd een positieve uitwerking op de kwaliteit en efficiency van het werk. De in Duitsland zo spreekwoordelijke luiheid bij de ambtenaren is in Japan net zo goed te vinden. Koffiepauzes maken deel uit van het werk en vaak is dit het deel waar de meeste aandacht naar toe gaat. En ook wie eens een Japanse bouwplaats gezien heeft, zal zich afvragen of de arbeiders echt werken of de helmen alleen maar voor de sier dragen. Daarbij dient men te weten dat het merendeel van de bouwplaatsen geen praktisch doel hebben maar slechts de gevolgen zijn van obscure, politische beslissingen waarbij corruptie de boventoon voert. In de bergen rondom Antaiji zijn in de afgelopen decennia 100 miljoen Euro uitgegeven voor de bouw van dammen, terwijl de straten nog altijd niet geasfalteerd zijn en scholen in de dorpen gesloten worden.

  Maar men spreekt nog altijd over de economiegigant Japan met zijn vlijtige werkbijen. Daarbij is het bijna twintig jaat geleden dat de zeepbel van de Japanse hoogconjunctuur uit elkaar geklapt is. Ook was het land in werkelijkheid nooit zo rijk als dat de fonkelende gevels in de grote steden deden geloven. Weliswaar loopt Japan nog altijd een neusbreedte voor op het continentale Azië, toch schijnt het slechts een vraag van tijd te zijn dat het land door het yangpulserende China ingehaald wordt. Zelfs in de steden worden de electrische leidingen bovengronds aangelegd en op het land leven vandaag de dag nog veel Japanners zonder riolering – vaak onder daken van golfplaten. Het gezicht van het arme Japan is zelfs bij vele Japanners onbekend, slechts enkelen kennen de immens grote achterbuurt in het zuidoosten van Kyoto waar sinds generaties families aan de afgrond van het bestaan leven. Meer opzien baren dan de – omdat het meer opvalt – dorpen van de daklozen die in de parken van de stad huizen.

  Terug naar onze beginvraag: Hoe moet men werken?  Hoe ziet gedane arbeid en een goed leven eruit? Om dit doel te kunnen bereiken hebben we een evenwicht nodig tussen de Yang-voorstelling van het plichtsbesef en de Ying-idee van het levensgenot. Werk en leven mogen geen of-of zijn, maar we moeten inzien dat de tijd van het werk onze tijd is en dat we in het werk het leven leven. Als we geen vervulling vinden in het werk zullen we ook tijdens onze vrije tijd niets met onszelf kunnen aanvangen.

 

Alleen in de drift zijn we sterk zonder te vragen naar het hoe en waarom – tijdens het werk.

(Friedrich Sieburg, Duitse journalist en schrijver, 1893–1964)

 

De kunst is het dus niet om zo min mogelijk te werken om daarna tijd te hebben voor zichzelf en dat te doen waar men zin in heeft. De kunst is het zelf zin in het werken te krijgen. De Russische schrijver Leo Tolstoi omschrijft dit als volgt: „Het geluk bestaat niet daarin dat je doen kunt wat je wilt, maar dat je altijd wilt wat je doet.“ De vraag is natuurlijk: Hoe doe je zoiets? Hoe laat zich de kloof tussen onze wil en ons handelen, die zich als een diepe afgrond voor onze voeten schijnt te hebben geopend, weer sluiten om vervolgens met alle aspecten in het leven in harmonie te zijn? Als ons dat niet lukt is alles wat ik ovet werk gezegd heb, slechts grijze theorie. Daarom gaat het volgend hoofdstuk erover welke betekenis het werk voor ons leven in Antaiji concreet te bieden heeft.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

15. Het leven in Antaiji

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Don’t think about it: do it! Don’t talk about it: do it! Just do it, do it!

(Henry Rollins Band, Amerikaanse rockband)

 

Nadat ik als student zes maanden in Antaiji was geweest, verzocht mijn latere meester mij om een kort handboek over het leven in Antaiji te schrijven waarin de basisinstelling van het zen-leven, de dagindeling en de verschillende details van de oefening uitgelegd worden. Dit handboek wat ik toen schreef wordt ook vandaag nog gebruikt. Het begint met de woorden: „Wat heb je hier te zoeken?“

  Deze vraag richt zich aan iedereen van ons. Waarom ben ik hier in Antaiji? Niemand zal daar een antwoord op kunnen geven – behalve diegene die het betreft. Zijn antwoord mag niet slechts een theoretische verklaring zijn, maar moet zich in de dagelijkse oefening uiten. „Hoe te leven?“ Het antwoord op deze vraag die het leven ons zelf stelt uit zich in de manier waarop we de 24 uur per dag vorm geven. Voor het handboek van het klooster Antaiji heb ik het als volgt geformuleerd:

  "Antaiji wijdt zich aan de zazen oefening als een natuurlijke uitdrukking van het dagelijkse leven. Zazen en werk maken niet gewoon deel uit van het leven in Antaiji: Het zijn eerder de 24 uur per dag die je hier doorbrengt, die een belichaming van zen moeten zijn. Verder worden in Antaiji geen andere oefening, leer, meditatietechniek, inzicht of spirituele leiding aangeboden. Het gaat er ook niet om occulte ervaringen te hebben of een vleug van de Japanse cultuur op te snuiven. Het gaat er meer om jouw leven als een bodhisattva-oefening vorm te geven.

  Iedereen is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen oefening. Er is niemand die je kont voor je afveegt. Het moet jezelf duidelijk zijn wat de drijfveer voor jouw oefening is en wat de reden is waarom je hier naar toe gekomen bent. Als je meer verwacht van jouw verblijf in Antaiji dan datgene wat het leven jou precies in dit ogenblik aanbiedt, zul je teleurgesteld zijn. Dus denk goed na wat je hier te zoeken hebt – hou jezelf niet voor de gek en en ook niet de anderen.“

  Dit omvat de eerste leer van Miyaura: „Jij belichaamt Antaiji.“ Tot wie heb ik mijn woorden gericht?  Als eerste denk ik aan mezelf. Veel te veel jaren was mijn zoektocht naar buiten gericht. Ik dacht echt dat de verlichting in de Japanse bergen op me wachtte. Niemand kon mij ervan overtuigen dat het antwoord op de belangrijkste vraag in mijn leven ook in Duitsland te vinden was. En ook had ik nooit gedacht dat ik het zelf moest zijn die deze vraag moest beantwoorden. Geen nog zo verlichte meester kon mij deze opgave afnemen. Ik was naar het andere eind van de wereld gereisd zonder in de gaten te hebben dat ik, datgene waarom het werkelijk draaide, allang bij me had: mezelf. En dat had ik in Antaiji eindelijk begrepen. Als novice kwam ik er dan achter dat dit niet betekent dat iedereen maar kan doen en laten waar ie zin in heeft. Ik had nog iets te leren: „Jij doet helemaal niet ter zake!“ In het handboek wordt daarom gezegd:  

  „Gedurende de dag leven en werken allen gezamenlijk, op dezelfde wijze en manier. Het dagelijkse programma bestaat uit zazen, poetsen, werken in de bossen en op de velden net zoals de maaltijden, het bad en de w.c.. Kijk om je heen en probeer je aan te passen. Afgedwongen individualteit kan de harmonie in de groep verstoren. Dat we besloten hebben om in een gemeenschap te oefenen, ligt daaraan dat deze ons eerst eens de kracht geeft, zonder welke wij dit leven helemaal niet kunnen leven. Daarom moeten we ook ons best doen om het leven in de gemeenschap zo vloeiend en harmonisch te laten verlopen. Wie denkt dat hij beter kan oefenen zonder de groep, hoeft niet extra naar Antaiji te komen. Ga hier niet je eigen gang.“

  De dag begint in Antiji om 3.45 uur in de ochtend. Gedurende de sesshins, die elke maand van de eerste tot de vijfde en van de 15e tot de 17e gehouden worden, wordt dan tot 21.00 uur op het meditatiekussen gezeten. Onderbrekingen zijn er slechts voor de twee maaltijden. Gedurende de andere dagen eindigt de ochtend-zazen om 6.00 uur waarop het ontbijt volgt en poetsen. Om 8.00 uur begint dan het werk buiten en ‚s avonds wordt er nog een keer twee uur lang gezeten.

  Ons leven is eenvoudig. Antaiji heeft geen parochie en er zijn slechts minimale boeddhistische ceremoniën. Maar ons zelfvoorzienend leven vordert noeste arbeid op het land en in de bossen rondom ons. Tot het klooster horen 50 hectare land, waar de groenten en de rijst groeien – onze dagelijkse maaltijd – en waar ook het hout vandaan komt waarmee de oven in de keuken gestookt wordt en de boiler voor het bad. Al met al houdt dit in ploegen en zaaien in het voorjaar, zwetend werken in de zinderende zomer, oogst in regen en modder in de herfst en veel sneeuw in de winter die de tempel genadeloos van de buitenwereld afsnijdt.

  Maar het merendeel van het harde dagelijkse leven ligt niet in de lange uren van zazen of het werk, maar wordt veroorzaakt door onze geest die weigert het leven zo te acceteren als het is. We vechten meer met innerlijke weerstanden dan met welk andere factoren ook. En alleen maar omdat we steeds naar meer geluk en bevrediging zoeken zijn we zo ontevreden met onszelf. Het leven in Antaiji kent geen ascese, we beoefenen gewoon het oorspronkelijke en onopgesmukte zen-leven. Daarom is het zelfvoorzienend leven als doel niet te begrijpen: Het dient er slechts toe onze beoefening van zazen mogelijk te maken.

  En dan nog brengen we veel tijd door op de velden of in het bos met houthakken, waardoor we maar zelden of zelfs helemaal geen tijd hebben om boeken te lezen, brieven te schrijven, wandelen of ontspannen. Iedereen hier moet bereid zijn als een bodhisattva te leven en het werk in het klooster te verrichten zonder uitzicht op enige beloning. Wie denkt ook zonder de anderen uit te komen, heeft in Antaiji niets te zoeken. Maar wat in het samenleven altijd weer moeilijk is: Iedereen projeceert de problemen die hij met zichzelf heeft op de anderen, zonder zich daarvan bewust te zijn. We winden ons op over de medemensen en zien niet in dat zij ons slechts een spiegel voorhouden. Daarom moet het er niet om gaan eerst de wereld om ons heen te veranderen, de revolutie moet bij onszelf beginnen.

 

You got a problem? The problem is you!

(Sex Pistols, Britse punkband)

 

Dit wordt ook op een mooie mnier verwoord door prins Shôtoku - die het boedhdhisme in het jaar 600 in Japan invoerde - in het tiende artikel van de 17 Artikelen, geïnspireerd door de geest van Shakyamuni:

  „Laten we stoppen met zeuren en boze blikken. Waarom stoort het ons dat anderen anders denken dan wij? Hebben we niet allen onz eigen mening en denkt niet iedere geest op zijn eigen manier?  Wat zij denken dat goed is, vinden wij niet goed. Wat wij denkn dat goed is, vinden zij niet goed. Maar hebben wij dan de wijsheid in pacht? Kunnen wij er zeker van zijn dat zij zich vergissen? Zijn we niet allemaal maar heel gewone mensen? Wie kan daar zeggen wat goed en verkeerd is?  Want de wijzen en de dwazen onder ons zijn met elkaar verbnden als een kring zonder einde. Zelfs als de anderen in woede uitbarsten, moeten we over onze eigen fouten reflecteren en ons – zelfs als we denken in het recht te staan – in ons handelen aan alle anderen oriënteren.“

  Daarnaast heeft zen als motto: „Een dag zonder werken is een dag zonder eten.“ Werken en eten gaan hand in hand in Antaiji. En het schaarst is het eten in het voorjaar als de voorraden van de winter bijna opgebruikt zijn. Maar zodra einde maart de sneeuw smelt komt het eerste groen tevoorschijn. Veldzuring dat als salade op het bord verschijnt. Al snel worden de velden weer omgeploegd, aardappels gepland en de eerste groente – radijsjes, wortelen, erwten en bonen – uitgezaaid. De zaden voor de zomer – voor komkommers, tomaten, aubergines, paprika en pmpoenen – komen in potten, die tijdens de eerste weken nog in de serre staan. Eind april schieten er wilde varens uit de grond, die – gekookt in een sop met houtas – te eten zijn. En ook shitake paddestoelen en bamboespruiten laten we ons smaken. Midden mei wordt dan de rijst uitgepland, zoete aardappels en sojabonen volgen begin juni. En als dan de moesson met zijn wekenlange regen de Japanse eilandenen bereikt, schiet ook het onkruid uit de grond. Er wordt dan veel tijd doorgebacht met onkruid wieden en maaien.

  ‚s Zomers hebben we groente genoeg. In deze periode zet de kok veel afwisselende en vaak ook nieuwe gerechten op tafel. In september wordt de rijst geoogst en moeten ook de groenten van het veld gehaald worden totdat de eerste sneeuw valt. Daarnaast moeten dan ook de eerste houtvoorraden voor de winter aangelegd worden. Bomen worden geveld, gezaagd en in de houten schuren opgestapeld en tot stookhout verkleind. Gedurende de winter eten we rijst en groente, de oogst van de herfst en in december rijpen ook de kiwi’s die ons de vitamines in de winter geven. Dus zowel het werk als ook het eten richt zich naar het jaargetijde.

  We proberen zoveel mogelijk wat we dagelijks nodig hebben zelf te produceren en zo min mogelijk ernaast in te kopen. Suiker, zout en olie behoren tot die dingen die we niet zelf in Antaiji kunnen produceren, maar de misopasta en tofu maken we zelf. Dat heeft enerzijds een economische reden. Het klooster beschikt slechts over beperkte financiële middelen en is alleen daarom al op zelfvoorziening aangewezen. Maar het gaat er ons ook om, om zo dicht mogelijk bij de natuur te leven. Iedere, afzonderlijke handeling berust slechts op die – en tegelijkertijd op die ene – kracht, die ons in leven houdt. Dit is het waarin de ervaringen als „ik leef!“ zich openbaren. De natuur is wederom de bron van deze kracht.

  Daarom maken we ook geen gebruik van bestrijdingsmiddelen of insektenverdelgers. Het is een illusie te denken dat men andere levensvormen mag vernieigen, zonder zich daarbij in het eigen vlees te snijden. Wat omkruid en insekten doodt, schaadt ook ons. Dus gebruiken we geen kunstmest in de velden van Antaiji. Im plaats daarvan legen we regelmatig de putten onder de toiletten om onze eigen stofwisselingsproducten op de velden te verspreiden. Werk, wat niet iedereen in de gemeenschap leuk vindt, maar wat net zo tot de zen-oefening behoort als andere aspecten van het leven in de natuur.

 

Als ik mijn intellectuele vrienden spreek, raak ik ervan overtuigd, dat het volkomen geluk een onbereikbare wensdroom is. Spreek ik daarentegen mijn tuinman,

ben ik overtuigd van het tegendeel.

(Bertrand Russell, Engelse filosoof, 1872-1970)

 

De verbinding tussen eten en werk geeft ons dagelijkse leven meer zin omdat iedere handeling consequenties heeft die zeer concreet zichtbaar worden. In de tempels waarin niets anders gedaan wordt dan ceremoniën houden en de tuin vegen doet het er niet zo ter zake of de monniken opgaan in het werk of niet. De gemeenschap zal ze ook voor, half uit het hart komende soetra-recitaties guldelijk belonen. En als een monnik tijdens het tuinieren er niet helemaal bij is, hoeft hij zich toch geen zorgen te maken dat er s’avonds minder op tafel komt.

In Antaiji is dat anders: Pas bij de oogst wordt duidelijk, hoe zeer of hoe weinig iedereen bij het zaaien van de groente en het wieden van het onkruid vanuit zijn hart betrokken was. Wie langer in Antaiji geleefd heeft weet heel goed hoe iedere afzonderlijke handeling samen hangt met zijn eigen leven. Alhoewel ook daarbij, net zoals bij zazen geldt dat we er geen verwachtingen van mogen hebben erkent ieder van ons vanzelf waarom het noodzakelijk is zijn best te doen. Ook al verdienen we geen geld met onze inspanning en krijgt de een die twee keer zo hard werkt als de ander net zo veel te eten, zal zich hier toch niemand zich voor het werk drukken. Want men wint er niets door maar verliest het leven dat zich in de belichaming van ieder, afzonderlijk moment uitdrukt.

  Dit wordt vooral duidelijk als het om het werk van de kok gaat. Omdat het koken op een houtoven veel tijd nodig heeft en ook de oogst in de morgen tot de taak behoort duurt het uren voordat er iets klaar is gemaakt voor de gemeenschap. Maar er wordt daarentegen snel gegeten, een maaltijd is na enkele minuten voorbij. Er wordt niet gesproken tijdens de maaltijd en als het voorbij is worden de schalen stilzwijgend afgewassen. Niemand prijst de kok: „Vandaag heeft het uitermate goed gesmaakt!“ Wie in de keuken staat vraag zich dan toch wel eens af: Wat doe ik hier eigenlijk? Loont het zich wel om zoveel tijd en energie in het koken te steken als zich uiteindelijk toch niemand ervoor bedankt?“ Maar zodra de kok deze twijfel vergeet, alles van zich geeft en geheel in het koken opgaat, dan zal iedereen die deelneemt aan tafel deze instelling voelen – ook al weet hij niet hoeveel tijd en moeite de kok erin gestoken heeft. Het is deze onzichtbare arbeid waarvoor niemand zich bedankt die in een zenklooster bijzonder gewaardeerd wordt. Wie daarentegen geraffineerd denkt te kunnen beïndrukken, bedefrt meestal zijn eigen soep.

  Dogen Zenji heeft een klein hoofdstuk gewijd aan de kok van een zenklooster, de „Tenzokyokun“ (letterlijk: „Aanwijzingen voor de kok“). Dogen was een van de meest begaafde mensen van zijn tijd. Al op jonge leeftijd had hij de boeddhistische canon die een halve bibliotheek vult, drie keer gelezen. En zijn hoofdwerk, de „Shobogenzo“ geldt vandaag zonder meer als het standaardwerk van het Japanse denken. Waarom zou hij zich bezig houden met het werk van een kok?  In de „Tenzokyokun“ beschrijft Dogen onder andere zijn omtmoeting met twee, oudere koks in China waar hij als jonge monnik zen gestudeerd had. Het waren ook deze twee mannen die de jonge intellectueel de ogen openden wat de zen-oefening inhield. De eerste ontmoeting vond plaats toen Dogen van wie het schip in China in een haven lag, wachtte op de toestemming om het land binnen te komen. De kok uit een groot zenklooster dat een halve dag lopen verderop lag, was gekomen om Japanse paddestoelen te kopen voor een soep. Dogen nodigde hem uit om op het schip te overnachtten en te praten over de Boeddhaleer. Maar de kok wees dat af:

  „Nee, ik heb nu de paddestoelen gevonden waar ik naar gezocht heb en nu is het tijd om terug te gaan naar het klooster.“

  Ik [Dogen] antwoordde: „Is het niet een bijzondere schikking van het lot dat wij ons hier vandaag op dit schip treffen? Staat u mij alstublief toe om u uit te nodigen voor het eten en u vragen te stellen over zen in China!“

  Maar de kok bleef bij zijn standpunt: „Helaas is dat niet mogelijk. Ik moet nog voorbereidingen treffen voor het eten van morgen.“

  „Maar in een groot klooster als het uwe moeten er toch veel assistenten zijn in de keuken. Kunnen die het dan niet een keer zonder u?“

  „Aan mij werd de taak van de kok toebedeeld alhoewel ik al erg oud ben en weinig kan doen voor de gemeenschap. Hoe zou ik dan ook nog deze, ene taak kunnen verwaarlozen en niet mijn best in de keuken doen? Daarnaast heb ik helemaal geen toestemming een nacht weg te blijven.“

  „Omdat u al zo oud bent, zou het dan niet beter zijn zich bezig te houden met zazen of met de studie van de Boeddhaleer in plaats van in de keuken te staan? Waar is dat goed voor?“

  „Mijn jonge vriend, blijkbaar weet je nog niet waar het om gaat bij de beoefening van zen. Je kent de betekenis van je woorden niet.“

  „Dan zegt u mij alstublief wat oefening en woorden betekenen!“

  „Als je niet wegloopt voor je eigen vraag, zul je je daarin zelf tegenkomen. Maar nu wordt het donker en ik moet echt gaan.“

  Met deze woorden verliet de kok het schip.

  Net zoals ik tijdens de eerste jaren in Antaiji zocht de jonge Dogen elders naar de Boeddhaleer. Hij hoopte dat hem een ontwaakte monnik de richting zou wijzen, echter de woorden van de kok lieten hem radeloos achter. Een tweede ontmoeting later in een zenklooster liet een diepere indruk op hem na. Dit vond plaats op een warme dag na het middageten, waarschijnlijk ging Dogen net na het eten terug naar de studieruimte.

  „Toen ik door de oostgang liep zag ik hoe de kok op de stenen bodem voor de Boeddhahal champignons aan het drogen was. Hij leunde op een bamboestok maar hij had geen hoed op zijn hoofd. De stenen platen gloeiden in de hitte en de zweetdruppels rolden bij de oude man over zijn lichaam toen hij de champignons onder de zinderende zon omdraaide. Ik zag dat hij zijn grenzen overschreed. Zijn rug was krom als een boog, zijn wenkbrauwen wit als een ooievaar. Ik vroeg hem hoe oud hij was. ‚68 jaar’ antwoordde hij.

  ‚Waarom laat u dit werk niet door een assistent doen?’, vroeg ik wederom.

  ‚Een ander ben ik niet zelf.’

  ‚Ik zie hoe verantwoordelijk u zich voelt voor dit werk. Zou het dan toch niet beter zijn om op zn minst even te wachten tot de zon lager staat?’

  ‚Hoelang moet ik wachten als ik het niet nu doe?’

  Zonder verder nog iets te zeggen ging ik ervan door. Terwijl ik weg liep werd me duidelijk wat het werk van de kok inhield. Daarin komt de Boeddhaleer tot uitdrukking.“

  Ik kan me voorstellen hoe Dogen zich op dat moment gevoeld moet hebben. Oefening en woorden moeten vanaf deze dag voor hem een andere diepgang gehad hebben. Aan het eind van de „Tenzokyokun“ vat Dogen samen waar het om gaat in de zenkeuken. Hij spreekt over drie harten: het blijde, het oude en het grote hart. Het blijde hart voelt dankbaarheid in de keuken te mogen staan en voor de gemeenschap te mogen koken. „Zou je in de hemel geboren zijn“, zo schrijft Dogen letterlijk, „dan had je constant je hoofd in de wolken. De gedachte voor de monnikengemeenschap te mogen koken zou nog niet eens in je opgekomen zijn. Zou je daarentegen in de hel geboren zijn dan zou je zelf in de oven smoren. Welk een geluk als mens geboren en de Boeddhaleer tegen gekomen te zijn! Welk een geluk voor Boeddha, zijn Leer en de gemeenschap van de monniken in de keuken te mogen staan!“

  Dat is een instelling die een kok soms vergeet. Dan verwacht hij dat de anderen zich bij hem bedanken. Maar dat dat hij zelf dankbaar moet zijn daaraan denkt hij niet op dit moment.

  Het oude hart wordt door Dogen ook wel het ouderlijk hart genoemd. Daarmee houden de ouders en grootouders van hun kinderen en kleinkinderen. Geen moeder verwacht een dankwoord van haar kind als ze de luiers verwisselt. Als de liefde van de ouders oprecht is dan houden ze van hun kinderen omwille van hun kinderen. Ze verwachten er niets voor terug. Alleen met deze instelling kan een kok in een zenklooster elke dag in zijn werk opgaan zonder in gedachte de vraag te stellen: „En wat doet de rest van de gemeenschap? Ze zitten op het kussen uit te rusten terwijl ik hier aan het zwoegen ben!“

  Het grote hart is als de zee. Het neemt alles in zich op zonder te oordelen of af te wijzen. De zee zegt niet tegen de rivieren en beeken: „Ik heb genoeg van jullie – bekijk maar waar je het water laat!“ Het grote hart kent geen grenzen. Houdt geen rekening met zichzelf. Zoals het alles aanvaardt, geeft het ook aan alles en iedereen. Eigenlijk is het begrijpelijk dat Dogen hier niet over drie verschillende instellingen spreekt maar dat de drie harten in feite één hart en één geest zijn.

 

Hemel en aarde geven zichzelf, de lucht geeft, het water geeft, de planten geven, de dieren geven, de mensen geven.  Allen geven zich uit zichzelf. We kunnen alleen maar in dit wederzijdse geven leven.

(Sawaki Kodo)

 

En met welke geest ontvangt de gemeenschap de gerechten die de kok bereidt? De regels voor het eten zijn te gecompliceerd om ze hier uitgebreid uit te leggen. Daarover alleen dit: Elke monnik heeft zijn eigen zes verniste houtkommen die precies in elkaar passen als babuschka-poppen. Deze eetkommen krijgt hij van zijn meester bij zijn ordinatie als monnik samen met de monnikpij en hij zal er zijn leven lang zuinig op zijn alsof het om de kommen van Boeddha persoonlijk gaat. De grote kom staat inderdaad voor het hoofd van Boeddha en er wordt gezegd dat de monnik die deze kom per ongeluk laat vallen in sommige kloosters zelfs uit de gemeenschap verstoten wordt.

Bij deze kommen hoort een kleine stoffen buidel waarin een lepel zitten, twee stokjes en een schraapmes waarmee aan het eind van de maaltijd de resten uit de kommen gegeten worden. Na het eten worden de kommen nog aan tafel afgewassen met heet water. Dit water drinkt vervolgens de monnik zelf op voor de helft en de andere helft wordt gegeven als donatie voor de hongerigen in de wereld en in een speciale houder gegoten. De kommen worden daarna niet nog een keer afgewassen.

  Gedurende het eten heerst zwijgen want zoals bij elke andere handeling gaat het om het één-zijn. Voor de meesten gaat de maaltijd verrassend snel voorbij. „Zou het niet beter zijn langzaam te kauwen en de smaak van het eten bewuster waar te nemen? De kok heeft zich tenslotte zoveel moeite genomen met de voorbereiding!“, wordt me wel eens gevraagd. Ik denk dat er in de Japanse zenkloosters zo snel gegeten wordt omdat daardoor op een natuurlijke manier de afstand tussen ons als handelend subject en de handeling zelf overwonnen wordt. We hebben geen tijd bewust waar te nemen. Maar dat wil niet zeggen dat we onopmerkzaam zijn. Integendeel: We moeten zo snel en geconcentreert zijn dat ons niets anders rest dan in elke handeling volledig op te gaan. En dat is precies datgene wat er in zen bedoeld wordt met jezelf te vergeten.

  Het eten wordt uitsluitend onderbroken door de recitatie van de soetra’s dat gezien kan worden als een boeddhistisch tafelgebed: „Laat ons de schalen van Boeddha openen zodat we gezamelijk met datgene wat we eten en diegene aan wie we dit eten te danken hebben, de stilte van Nirvana mogen ervaren.“ Met deze woorden zetten de monniken de kommen op tafel. Daarna worden de namen van verschillende boeddha’s en bodhisattva’s gereciteerd en voordat de monniken elkaar de rijst en de soep aangeven wordt gezegd: „Moge deze maaltijd de Boeddha, zijn Leer, de monnikengemeenschap en alle wezens in het universum dienen.“

  Heeft iedere monnik genoeg in zijn kom dan wordt de soetra vervolgd: „Laten we niet vergeten hoeveel werk en moeite in dit gerecht steekt. Hoe is dit tot ons gekomen?“ Zelfs in een klooster als Antaiji zijn we aangewezen op de giften van anderen. En natuurlijk neemt de kok de groente uit de tuin die de tuinier met alle liefde geplant heeft. En ook de tuinier heeft de hulp nodig van de aarde, de regen en de zon, bijgestaand door de regenwormen en andere insekten vaak zonder het in de gaten te hebben. Het eten, de eters en diegenen die het eten voorbereid of hebben laten groeien worden vaak de „drie ringen“ genoemd. Eigenlijk maakt alles in het universum deel uit van deze drie ringen die in elkaar hangen.

  Als we eens stilstaan bij hoeveel we uit eigen kracht gedaan hebben totdat het eten voor onze neus staat zullen we tot de conclusie komen dat dat helemaal niets is. Want zelfs het harde werk wat we gedaan hebben was alleen maar mogelijk omdat we te eten hadden en gezond waren. Daarom wordt er verderop gezegd: „Hebben we deze maaltijd werkelijk verdiend? We moeten onze geest van de hebzucht bevrijden en ons lichaam sterken zodat we alles aan de oefening van de Weg kunnen geven. We eten om het goede te doen wat we moeten doen om alle wezens van het lijden te bevrijden. Laat ons ervoor hoeden het lijden nog te vermeerderen.“

  Als deel van de ring van diegene die eten moeten we onze bijdrage voor het kosmische geheel geven zoals we dat ook in de keuken doen en in de tuim omdat we als deel van de ring diegenen zijn die het eten fabriceren. En we maken zelfs nog deel uit van de ring van het eten als we een mug en na onze dood de wormen een kleine maaltijd geven. Voor een zenmonnik is dat geen macabere voorstelling maar de naakte werkelijkheid. Helemaal aan het eind van de maaltijd wordt dan gezegd: „Laat ons als een lotus groeien uit het moeras van onze verlangens. Met een geest zo helder en grenzeloos als de Leer zelf, buigen we ons hoofd.“ De maaltijd eindigt met een gezamelijke buiging van de monniken.

 

De Boeddhaweg beoefenen wil zeggen opgaan in de momentane handeling. We eten niet om te schijten. We schijten ook niet om mest te produceren.

(Sawaki Kodo)

 

Het koken en het eten zijn twee manieren waardoor we deel uit maken van het wederzijds zich-geven van alle wezens in het universum. Ik weet niet of het overdreven is te zeggen: „Je bent wat je eet.“ Maar wat we tot ons nemen en met welke geesteshouding we eten beïnvloedt zeker ons leven in sterke mate. Uiteindelijk is elk aspect van onze stofwisseling een deel van de kosmische kringloop, daarom wordt zelfs de dagelijkse gang naar het toilet in een klooster als zen-oefening gezien.

  Voor de deur van het toilet staat in ieder zenklooster een altaar waarvoor de monniken buigen voor en nadat ze naar de wc gaan. In het doorgaans filosofisch bestempelde hoofdwerk van Dogen, de „Shobogenzo“ wijdt de meester zelfs een hoofdstuk aan de stoelgang. Daarin maant hij niet alleen de monniken niet op het toilet te zingen en geen spreuken op de muur te schrijven. (Roken op de wc – vandaag een gewoonte in vele Japanse zenkloosters – was blijkbaar toen nog niet gebruikelijk.) Ook verklaart hij heel precies hoe na de verrichte stoelgang het achterste schoon gemaakt moet worden – in de 13e eeuw een kleine kunst omdat er natuurlijk nog geen wcpapier was en Dogen nadrukkelijk het gebruik van oude soetra-boeken, die door andere zenmeesters hiervoor gebruikt werden, verbiedt.

  Over de toegang tot het toilet en het oprollen van het gewaad tot aan het handenwassen na gelukte handeling laat Dogen zich verder niet uit.

Wat heeft dit met ons leven te maken? Meer dan dat je je misschien kunt voorstellen. Enerzijds is een regelmatige stoelgang natuurlijk een gevolg van een goede gezondheid, anderzijds is de verrichting van de stoelgang een goed voorbeeld waar het daadwerkelijk op aankomt bij de levensoefening. We zullen moeten inzien dat we ons leven niet alleen leven maar als deel van een grotere gemeenschap die wederom deel uitmaakt van een grotere. Dat een bodhisattva de wc niet in de toestand achterlaat waarin hij het aangetroffen heeft (ook in zenkloosters gaat wel eens iets ernaast) maar zo hoe hij het zelf had willen aantreffen, spreekt voor zich.

  Wij zijn door ons lichaam en zijn stofwisseling met het leven verbonden. Of – preciezer gezegd – is het niet „ons“ lichaam waardoor we „ons“ leven leven maar het leven leeft in en door ons als dit lichaam. Ik denk dat we vandaag onze lichamelijkheid vaak helemaal niet meer waarnemen. We leven in ons hoofd, in onze virtuele wereld en voor velen is het internet realistischer dan de buur next door. (Wanneer heb je voor het laatst met hem gepraat?) Dus is het niet verwonderlijk dat we geen aandacht schenken aan het eten, zelden met liefde koken en aan de stoelgang als wezenlijk deel van het leven al helemaal niet denken. Maar kunnen we zo makkelijk over de concrete werkelijkheid van de stofwisseling heen kijken? Ligt het daaraan dat ondanks – of juist omdat! – de materiële vooruitgang de lucht slechter wordt, het water uit de leiding niet meer smaakt en op weg naar het werk alleen nog maar tijd is voor een fastfood maaltijd?

 

Bij mij komt het over alsof vandaag velen „vrijheid“ zien als gewoon te kunnen doen waar men zin in heeft. De moderne mens schijnt te lijden aan deze chronische ziekte alleen dat te willen wat hij leuk vindt. Alle aspecten van ons dagelijks leven zouden meer gericht moeten zijn op een duidelijk doel – we moeten net zo richten als een scherpschutter, zowel bij het eten als op de wc.

(Sawaki Kodo)

 

In Antaiji willen we een alternatief aanbieden. Ons leven is net zo hard, misschien nog wel harder dan in de „normale“ wereld. („Is deze dan nog werkelijk normaal, vragen zich velen af als ze naar Antaiji komen.) Zijn we dan in ons klooster allemaal gelukkig en tevreden? Nee, we vechten met innerlijke weerstanden en conflicten in de gemeenschap. Daarom wordt ook op de homepage van Antaiji gezegd: „Zou je ooit hierheen komen dan zul je waarschijnlijk na een tijdje moeten concluderen dat het leven hier niet zo „bevredigend“ is als dat je je had voorgesteld toen je deze homepage bezocht. De werkelijkheid onderscheidt zich altijd van de voorstelling die we ervan hebben en Antaiji is geen voorstelling in onze geest maar een werkelijkheid die vaak teleurstelt in datgene wat we ervan hopen en onze voorstelling ervan met beide voeten op de grond laat staan.

  Het moet ons duidelijk zijn dat niet altijd alles naar onze zin gaat. Het beste voorbeeld is de biologische landbouw: Het gebeurt vaak dat de bieten opgegeten worden door de kevers of de tomaten tijdens de regenperiode bederven. Soms woelen de wilde zwijnen de hele tuin om. Met als gevolg, meer werk en minder te eten, niemand zal daar blij mee zijn. Maar geluk mag niet tot een theorie vervallen. Of wij gelukkig zijn hangt af van onze innerlijke instelling die zich uitdrukt in hoe we met ons lichaam en met anderen omgaan. Geluk ligt dus besloten in jouw huidige handelen. Maar als jij zegt dat elke inspanning sowieso zinloos is omdat wij toch maar zo gelukkig of ongelukkig zijn als dat het lot met ons voor heeft, dan vergeet je dat jij degene bent die het geluk in het leven daadwerkelijk moet verwerkelijken.

 

16. De beoefening van zazen

 

Zazen? Nergens goed voor!

(Sawaki Kodo)

 

Ieder aspect in het dagelijkse leven in Antaiji is oefening. In het centrum van ons leven staat zazen, het onbeweeglijk zitten. Maar dat wil niet zeggen dat werken, eten of vrije tijd minder belangrijk zijn dan zazen. Het is eigenlijk zo als bij een wiel: De as zelf in het midden rust waardoor het rad kan draaien. En zo is het ook bij de beoefening van het zitten waar alle activiteiten in ons leven omheen draaien. Het is ook bij zazen belangrijk niet te vergeten dat we met ons lichaam oefenen. Daarom zegt Sawaki Roshi: „Nadenken heeft niets te maken met zazen. Zazen is geen theorie. Het is lichamelijke oefening. De oefening waardoor jij zelf jezelf tot jezelf maakt. Je doet het met dit lichaam.“ Hoe ziet deze concrete oefening uit?

  In de „Zazengi“, een hoofdstuk uit de „Shobogenzo“ geeft Dogen gedetailleerde aanwijzingen voor zazen:

„Voor zazen is een stille plek nodig. Leg een dikke zitmat neer. De plek moet beschermd zijn tegen weer en wind, dauw en regen mogen niet binnendringen  De plek waar je zit moet licht zijn, niet donker, noch in de nacht, noch tijdens de dag. Hou het schoon en ordenlijk, warm in de winter en koel in de zomer.

  Laat alle verbindingen los, laat de tienduizend aangelegenheden rusten. Denk niet aan goed of kwaad. Het gaat noch om jouw geest, noch om jouw bewustzijn, gedachten of meningen. Probeer niet een boeddha uit je te maken, laat zitten en liggen vallen.

Eet en drink met mate, benut de dag als de nacht. Oefen zazen alsof je een vuur op je hoofd wilt doven.

  Zazen beoefen je op een kussen. Leg het kussen niet onder het hele zitvlak, maar laat het voor de helft naar achteren uitsteken. Op deze manier ligt de mat onder je voeten en het kussen onder je ruggegraat.

  Zit of in de halve of in de hele lotuszit. Bij de hele lotuszit leg de rechtervoet op het linker dijbeen en dan de linkervoet op het rechter dijbeen. Bij de halve Lotuszit leg je de linkervoet op het rechter dijbeen.

  Draag het binnenste en buitenste gewaad losjes en netjes. Leg de rechterhand op de linkervoet en de linker hand op de rechter hand. De topjes van de duimen raken elkaar lichtjes aan en liggen tegenover de navel. Plaats beide handen op deze manier dichtbij het lichaam.

  Zit recht in de juiste houding. Zit niet naar links of rechts gekromd, voorover gebogen of achteruit leunend. Oren en schouders liggen op een lijn, de neus recht boven de navel. De tong rust tegen het gehemelte. Adem door de neus. Hou lippen en tanden gesloten. Hou de ogen open, niet te wijd en niet te smal.

  Als lichaam en geest op deze manier afgestemd zijn dan adem een keer diep uit door de mond. Zit stabiel en geconcentreerd als een machtige berg en denk het niet-denkende. Hoe doe je dat? Laat de gedachte los! Dit is de kunst van zazen.

Oefen jezelf niet in meditatie. Zazen is de poort van de grote vrede en geluk. Het is het onbevlekte oefenen en belichamen.“

 

Wat jij als mens voorstelt hangt van de spanning en indeling van jouw spieren en zenuwen af. Ontwaken wil zeggen het juiste evenwicht krijgen tussen de spanning in de spieren en zenuwen. Waarom moeten spieren en zenuwenin evenwicht gebracht worden? Vraag niet waarom, doe het gewoon! Doe het met dit lichaam. Als het lichaam het juiste evenwicht bereikt dan is dat ontwaken.

(Sawaki Kodo)

 

Vaak wordt gezegd dat het bij zazen belangrijk is eerst te letten op de houding van het lichaam, dan de adem te reguleren om tenslotte de stilte van de geest te vinden. Het zal je opgevallen zijn dat Dogen de houding van het lichaam in de korte tekst vergelijkbaar beschrijft. Hij beschrijft zelfs de positie van de tong. Want het lichaam is niet gescheiden van jou maar jij bent jouw lichaam. Of het lichaam is jij. Denk er ook aan dat het lichaam niet bij de armen of benen ophoudt. Alles eromheen hoort erbij. Daarom zegt Dogen ook dat de plek voor zazen schoon en netjes moet zijn.

  Tevergeefs zoekt men daarbij naar een beschrijving van een speciale ademtechniek. Afgezien van een diepe uitademing door de mond die bij het begin van zazen gedaan moet worden, wordt alleen maar gezegd „Adem door de neus“. Dat is niet veel. En ook over de geest wordt alleen gezegd dat we het niet-denken moeten denken door de gedachte los te laten. Waarom, zul je je afvragen, houdt Dogen zich bezig met de details van de houding tijdens het zitten? Waarom vertelt hij ons niet meer over de adem en de geest tijdens zazen waar het toch uiteindelijk op aankomt? Het antwoord is dat lichaam, adem en geest één zijn. Zodra we het lichaam in de juiste houding brengen, komen ook adem en geest op een natuurlijke manier in hun oorspronkelijke toestand terug. Tijdens zazen kunnen we ervaren dat ons lichaam niet alleen van onze kruin tot aan onze zolen reikt maar zich zowel naar buiten als ook naar binnen grenzeloos uitdeint. Alle indrukken zoals kleuren of geluiden maken deel uit van onszelf, we ervaren ze niet gescheiden van ons zelf.

  In Antaiji duurt een ronde zazen tussen 45 en 60 minuten. Normaal genomen zitten we twee rondes ‚s ochtends en twee ronden nog in de avond maar tijden de twee maandelijkse sesshins zij het 15 rondes dagelijks en dat drie, respectievelijk vijf dagen achter elkaar. 1.800 uur brengen we jaarlijks door in zazen. En hoewel Dogen het als „de poort van grote vrede en geluk“ beschrijft, zul je in het begin eerder pijn, vermoeidheid, wensen, verveling, frustratie, woede, hopeloosheid en alle andere mogelijke gevoelens en gedachten in je op voelen komen.

  Laat alles voorbijgaan. Als je niet zit met de bereidheid te sterven dan zal het niet mogelijk zijn de weg van zazen te vinden. Als je ook maar aan iets vasthoudt – al is het jouw leven – dan verdoe je alleen maar je tijd. Vecht niet, geef je gewoon over aan de houding. En dan nog is het niet eenvoudig een evenwicht te vinden tussen enerzijds de impuls op te staan van het kussen en op te houden met zazen en anderzijds de poging je tandenbijtend en door de pijnen heen te vechten. Loslaten wil zeggen, één-zijn. Als je één bent met de pijn zul je misschien constateren dat niets pijn meer doet omdat er geen afstand meer is.

  Werkelijk levensgeluk speur je bijvoorbeeld als je denkt reeds gestorven te zijn maar tot je eigen verrassing vaststelt dat je toch nog leeft. Wat een wonder! Dat is natuurlijk eerder een zeldzame ervaring. Maar misschien heb je het zelf eens meegemaakt dat je op straat net ontsnapte aan een ongeluk en plots grote dankbaarheid ervoer over het doodgewone feit dat je niets overkomen was. Normaal genomen denken we dat in het normale leven eerst iets moet gebeuren waardoor we gelukkig kunnen zijn maar in dit grensgeval zul je inzien welk een geluk het is dat er niets gebeurd is. Misschien heb je ook eens meegemaakt hoe mooi de wereld kan zijn als je na een lang ziektebed eindelijk weer eens naar buiten komt. Een soortgelijke ervaring kun je ook na een sesshin krijgen als je de ergste pijnen doorstaan hebt.

 

Zazen wil zeggen in je eigen doodskist klimmen. Daar is geen discussie meer. Als je zit stel je dan voor dat je al dood bent.

(Sawaki Kodo)

 

Vecht je daarentegen met op elkaar gebeten tanden en je probeert zazen te „doen“, dan zal het ver van je verwijderd zijn. Alleen als je alles overlaat aan de houding zal zazen zich vanzelf in jou manifesteren. Je moet jezelf opgeven zodat zazen zich vanzelf kan verwerkelijken. „Geef je jezelf zoals de aarde die in de berg opgaat?“,  luidt de vraag uit een Chinese verzameling van kloosterregels met de titel „Zen-en Shingi“. Een berg bestaat uit een grote hoeveelheid aarde maar de aarde probeert geen indruk te maken met zijn massa maar verdwijnt gewoon onder het oppervlakte van de berg alsof het niet bestaat. De berg zelf maakt indruk door zijn pracht, juist omdat de aarde zich erin laat verzwelgen en bomen en struiken een basis biedt. En ook de bomen en struiken treden niet op de voorgrond maar gaan op in het volledige plaatje van de berg en verfraaien deze elk jaargetijde op de meest uiteenlopende manieren. Als Dogen ons maant, zo geconcenteerd te zitten „als een machtige berg“ dan is dat een verzoek ons geheel aan zazen over te geven en het niet te benutten voor onze persoonlijke besognes. En dat geldt natuurlijk niet alleen voor zazen maar voor alle handelingen in ons dagelijks leven.

  „Oefen jezelf niet in meditatie“, zegt Dogen en dat mag je verrassen. Het gaat er niet om iets te bereiken – nog niet eens satori, de verlichting. Want zazen is geen middel tot doel. Het gaat er alleen om los te laten en één te zijn met het huidige moment. Helaas zijn er altijd weer mensen die mediteren en denken: „Ik moet mijn gedachten loslaten om de verlichting te vinden en tot boeddha worden!“ Het spreekt voor zich dat zoiets alsurd is. Daarom zeggen ze op een gegeven moment: „Ik beoefen nu al zazen voor zoveel jaar maar het lukt me nog altijd niet om m’n gedachten los te laten.“ Daarbij gaat het er juist om eerst eens deze gedachte los te laten. Want anders wordt loslaten tot een dwangmatige poging, de eigen gedachte uit te schakelen. Dat verklaren ook de volgende, korte citaten.

 

Jij beoefent zazen? Jij moet door zazen gemaakt worden!

Wij zoeken niet naar de Weg. De Boeddhaweg zoekt naar ons.

We bereiken geen satori door oefening. Ieder, afzonderlijke stap is het doel.

Satori begint daar waar jij ophoudt ernaar te zoeken.

Bij de zen-oefening gaat het er niet om satori te verkrijgen. Het is de satori die onze oefening aantrekt. We oefenen, gemangeld door satori.

(Sawaki Kodo)

 

Jezelf niet in meditatie oefenen wil ook zeggen de poging opgeven constant naar jezelf te kijken en jezelf te controleren en geheel natuurlijk jezelf zijn. Zazen wordt soms verkeerd begrepen als een vorm van oefening in opmerkzaamheid waarbij de persoon die mediteert naar zijn eigen geest kijkt – als een plichtbewuste winkeldetective die zijn ogen star op de bewakingsmonitoren gericht heeft.

  Het probleem daarbij is dat we een afstand scheppen tussen het zelf dat kijkt en het object dat bekeken wordt, wat ons zelf is. In plaats van één te zijn, splijten we onze geest in twee. Dat het eigenlijk erom gaat ons over te geven aan de zithouding van het lichaam hebben we dan allang vergeten. Daarom geef ik soms het advies aan mensen die naar Antaiji komen, te stoppen met attent te zijn. Dat verbaasd velen want het geloof dat de zen-oefening precies daaruit bestaat opmerkzaam te zijn, is wijd verbreidt. Ook ik zou verrast geweest zijn als iemand mij bij het begin van mijn zen-oefening gezegd zou hebben dat ik moest „ophouden met aandacht te schenken.“

  Ik herinner me nog dat in de dojo waar ik als student in Berlijn deel van uit maakte, er regelmatig gezegd werd dat we zazen „onbewust, natuurlijk en automatisch“ moesten beoefenen. Zelf had ik er geen probleem mee dat de oefening „natuurlijk“ moest zijn, maar waarom in godsnaam „onbewust“ en „automatisch“?  Dat leek het tegenovergestelde van natuurlijk-zijn alsof we robotten moesten worden. Ging het in de zen-oefening niet juist erom het eigen leven bewuster te leven? Bewust te zijn van elke, afzonderlijke ademteug, elke afzonderlijke stap? Het antwoord luidt: Ja en nee.

  Ja, we moeten onze oogkleppen afnemen en onze ogen en oren openhouden voor alles wat overal om ons heen gebeurt. We moeten waakzaam zijn als een kat die op de loer ligt. Maar als we niet gelijktijdig ons bewustzijn van onszelf als diegene die observeert verliezen, ontstaat een kloof tussen ons als subject en ons als object. Onbewust oefenen betekent dus één te zijn met alles wat je doet.

  „Natuurlijk“ is in het Japans „shizen“ wat zoveel betekent als „vanzelf zijn“, „door zichzelf zijn“. „Automatisch“ is „jido(teki)“ en staat voor „zich door zichzelf bewegen“. Deze twee begrippen liggen dicht bij elkaar. Als we „onbewust“, „natuurlijk“ en „automatisch“ oefenen zijn we één met alles wat we doen (onbewust, dus zonder scheiding). Dat wil weer zeggen dat de oefening niet als de oefening is (natuurlijk, dus zonder doel) en dat de oefening zelf de oefening oefent, dus zonder het ik als subject.

  Dit is precies datgene wat de historische Boeddha Shakyamuni beoefende 2.500 jaar geleden onder de Bodhi-boom: zazen. Jammer genoeg werd deze oefening niet altijd juist begrepen en correct doorgegeven. Veel mensen denken dat zazen gewoon onbeweeglijk zitten is terwijl het wezenlijke deel van de oefening op een spiritueel vlak verloopt: de geest concentreren, mediteren, bewust en aandachtig zijn, tot verlichting komen. Sommige geleerden gaan zelfs zo ver, za-zen in tweeën te delen en zeggen dat „zen“ („meditatie“) beduidend belangrijker is dan „za“(„zitten“).

 

Als je je laat hangen, hangt ook jouw geest. Neem je een waardige houding aan dan verleen je ook jouw geest waarde. Als het er ons dus om gaat te worden zoals Shakyamuni Boeddha moeten we eerst eens de houding aannemen die zo stabiel is als die van Shakyamuni. Op deze manier zitten we op dezelfde golflengte als Shakyamuni. De vorm bepaalt de inhoud.

(Sawaki Kodo)

 

Zen is een religie – en niet een heilende lichaamstherapie – daarom is het ook niet verkeerd te zeggen dat het in zen om de geest en verlcihting gaat. Maar de mentale houding kan niet gescheiden worden van de oefening van het lichaam. De zithouding zelf is een uitdrukking van de geest – de oefening is een uitdrukking van satori. Dat is het punt waar Dogen Zenji ons altijd weer op wijst en het is deze oefening die Sawaki Roshi in de vorige eeuw opnieuw ontdekt heeft. Maar toch schijnen er nog altijd zen-beoefenaars te zijn die denken dat zen een zaak van de geest is en niet van het lichaam. Ze denken dat het om satori gaat – en niet daarom, gewoon te zitten. In een Chinese zen-koan wordt de moeite die een zen-leerling heeft het bezig-zijn met de geest los te laten, in een dialoog uitgelegd:

„De grote Weg kan niet met de geest begrepen worden, noch in woorden uitgedrukt, toch vraagt een leerling de meester: ‚Wat is de geest? En wat is rust-van-geest?

De meester antwoordt: ‚Hou op met pretenderen een geest te hebben. Hou op met proberen deze tot rust te brengen. Dat betekent rust-van-geest.’

Leerling: ‚hoe kunnen we dan zonder een geest de grote Weg leren?’

Meester: ‚Zelfs al zou je een geest hebben, zou je daarmee toch niet de Weg kunnen begrijpen – de Weg staat geheel los van dingen zoals de geest.’“

  Dat laat me denken aan Bodhidharma, de Indische monnik, die de oefening van India naar China overgebracht heeft en daarom de eerste patriarch van zen genoemd wordt. Toen de Chinese keizer hem vroeg welke verdienste hij kon verwachten van de beoefening van het boeddhisme, luidde zijn antwoord: „Helemaal geen verdienste!“ Toen hem daarna gevraagd werd, wat de diepste waarheid van het boeddhisme was, antwoordde hij: „Slechts lege, open uitgestrektheid – helemaal niets om te vatten.“ En op de vraag van de keizer voor wie hij zich wel hield, antwoordde hij tenslotte: „Geen idee – ik weet het niet.“ Daarna trok hij zich terug in de bergen om negen jaar lang alleen voor een muur te gaan zitten. Uiteindelijk kwam Eka, de tweede patriarch, midden in de winter naar hem toe en verzocht hem zijn leerling te mogen worden. Bodhidharma negeerde hem aanvankelijk. Nadat hij een nacht lang in de sneeuw gestaan had, hakte hij zijn linkerarm af en drong aan: „Mijn geest kan geen rust vinden. Help mij alstublieft de rust-van-geest te krijgen.“

  Is dat nou niet precies wat we allemaal zoeken? Rust van geest?

Bodhidharma antwoordde: „Breng me je geest en ik zal hem rust schenken.“

De tweede patriarch zei daarop: „Ik heb hem al zo lang gezocht maar ik kan hem nog altijd niet bevatten!“

Bodhidharma antwoordde: „ Zie, kent jouw geest niet allang vrede?“

Ook hier krijgen we het te horen. Je zult geen rust van geest vinden zolang je probeert jouw geest te manipuleren, rustig te krijgen of opmerkzaam te zijn.       Maar hoe kan dan de rust van geest verkregen worden? Bodhidharma gaf het antwoord door gewoon voor een muur te gaan zitten.

 

De ogen zijn horizontaal, de neus verticaal, de kruin reikt tot aan de hemel en de oren liggen op een lijn met de schouders. Wat valt er te doen in dit ogenblik? Controleer jouw apengeest en paardenwil. Oefen als een lotus in het vuur.

(Dogen Zenji)

 

De menselijke geest wordt in het boeddhisme sinds oudsher vergeleken met een aap die naar believen van de ene tak op de andere springt of met een wild paard dat zich niet laat temmen door zijn ruiter. In het vroege boeddhisme probeerden de monniken eerst de geest te temmen door zich aan de geboden te houden en te reflecteren over de Leer van Boeddha. Deze oefening leidde echter tot niets omdat de monniken vergeten waren dat de instantie die controleert waarmee ze hun geest in bedwang wilde houden, zelfs slechts een uitvinding van hun apen- en paardengeest was.

  Daarom gaf Sawaki Roshi de mediterenden het adv ies: „Hoe meer je je bezig houdt met jouw apengeest en paardenwil, des te gekker zullen deze aap en dat paard in een kring rondspringen en hun plezier aan jou beleven. Je kunt zazen beoefenen en de geboden van een monnik zo strikt naleven als je dat wilt – en wachten tot je een ons weegt. Toch zul je jouw illusies niet kwijtraken. Hoe vertwijfeld je ook zult proberen los te komen van jouw illusies, je zult niet de toestand van het niet-denken of niet-geest bereiken – je maakt allen maar jezelf gek!“

  Betekent dat dan dat we in zazen gewoon maar zitten en ons op niets concentreren? In geen enkel geval. In de „Zazengi“ zegt Dogen tenslotte nadrukkelijk dat je moet oefenen „alsof je een vuur op je hoofd wilt doven.“

  Als ergens in de stad een huis in brand staat, vragen we ons waarschijnlijk nieuwsgierig af waar dat huis staat en van wie het is. Velen beoefenen zen met deze instelling van een toeschouwer die niet begrijpt dat het om het eigen leven gaat. Ze hopen op een betere gezondheid, meer rust en misschien zelfs verlichting door zazen maar ze zoeken dat allemaal ergens anders en niet direct onder de eigen voeten.

  Zie je echter in dat het jouw eigen huis is wat in brand staat, dan zul je geen zin meer hebben met spirituele begoochelingen bezig te zijn. Wie beseft dat zijn eigen lichaam net zo vergankelijk is als een zandkasteel op het strand zal zich bezig houden met de verlossing in dit leven. Maar vaak blijft toch de illusie overeind van een onvergankelijke instantie in het lichaam, het „ware zelf“ dat het Nirvana moet ingaan. Dat zal niet gebeuren als je denkt dat het niet alleen jouw huis is dat vlam gevat heeft maar het jouw hoofd is – dat wil in dit geval zeggen de kern van jouw zelf – dat in brand staat. Voor een oefening in opmerkzaamheid rest dan geen tijd meer. Het gaat om jouw leven. Dat je derhalve niet afwezig van geest, maar volkomen geconcentreerd in het moment moet zijn, hoeft dan niet nog eens extra gezegd te worden.

 

Je moet je volledig overgeven aan in zazen, de geest brandend in het vuur van de gedachte: „Als ik niet nu in dit leven bevrijding vind, wanneer dan!?“ Als op deze manier jouw lichaam en geest in zazen opgaan zul je geen minuut, ja nog niet eens een seconde van je leven verkwisten.

(Sawaki Kodo)

 

Vragen en antwoorden m.b.t. dit boek, de beoefening van zazen en het leven van de abt kunt u hier lezen.

Copyright Antaiji

 

 

 

De vertaling van het volgend hoofdstuk volgt binnenkort...