FUKANZAZENGI

Universele aanbeveling voor zazen

Inleiding (door Muhô):

 

Het eerste werk dat Dôgen in 1228 direct na zijn terugkomst uit China schreef, was van praktische aard: Een handleiding voor zazen, de zogeheten zitmeditatie. Zoals Dôgen zelf in de tekst zegt, gaat het daarbij niet om weer een of andere meditatietechniek. “Je moet gewoon”, schrijft Dôgen, “geheel jezelf zijn, zoals je bent.”

Dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan. Niet voor niets waarschuwt Dôgen ons: “Als je ook maar een haarbreed onderscheid maakt, zal een kloof voor je opdoemen, net zo groot als die tussen hemel en aarde”.

 

Betreffende de historische achtergrond: Het boeddhisme was al 600 jaar voor Dôgen in Japan ingevoerd. Dit gebeurde tijdens de regeringsperiode van kroonprins Shôtuku, die in het jaar 604 de Zeventien Artikelen schreef: Hierin staat op de eerste plaats de harmonie centraal. Ten tweede moeten de drie boeddhistische schatten: Boeddha, Dharma (absolute werkelijkheid) en Sangha (de concrete monnikengemeenschap) geëerd worden. Op de derde plaats komt de gehoorzaamheid aan de keizerlijke bevelen. De meeste van de andere punten bestaan uit adviezen voor ministers en beambten, zoals bijvoorbeeld het achtste punt: ‘De ministers en beambten moeten hun dienst vroeg beginnen en laat eindigen.’ De boeren daarentegen ontziet de prins. Zo wordt in punt 16 gezegd: ‘Van het voorjaar tot in de herfst moeten de mensen gevrijwaard worden van de herendienst. Als ze dan niet op het eigen land kunnen werken, wat moeten ze dan eten?’ In punt 17 komt de Japanse mentaliteit naar voren: ‘Belangrijke beslissingen mag men niet alleen nemen. Deze moeten met meerdere personen besproken worden.’ Bijzonder interessant is het tiende punt, dat in een vrije vertaling luidt: ‘Waarom stoort het ons dat anderen anders denken dan wij? Hebben we niet allemaal onze eigen mening en denkt niet iedere geest op zijn eigen manier? Wat jij juist vindt, vind ik niet juist. Wat ik juist vind, vind jij niet juist. Wie heeft hier de wijsheid in pacht? Kun jij er zeker van zijn dat ik me vergis? Kan ik er zeker van zijn, dat jij je vergist? Zijn we niet allemaal slechts gewone mensen?’

 

Het boeddhisme diende tijdens de eerste eeuw na haar invoering, gecombineerd met confucianistische idealen in eerste instantie de staat, enerzijds als grondslag voor de ambtenarenwetgeving en anderzijds in de vorm van boeddhistische gebedsrituelen voor het welzijn van het keizershuis en om rijke oogstopbrengsten te bewerkstelligen. In tweede instantie wijdden de boeddhistische priesters zich aan de academische studie van de boeddhistische filosofie. Pas tegen het begin van de negende eeuw kwamen met de inclusivistische Tendai-school en de esoterische Shingon-school twee boeddhistische stromingen naar Japan die ook elementen van boeddhistische oefening bevatten: met als doel het individu te bevrijden van het lijden. In beide scholen werden naast andere oefening ook vormen van zitmeditatie beoefend.

 

Toch wordt de invoering van zazen in Japan in zijn zuivere vorm toegeschreven aan Dôgen. Bij Dôgen is zazen geen ritueel zoals vele, maar het is de kwintessens van elke religieuze oefening. Zonder de beoefening van zazen bestaat er voor Dôgen geen boeddhisme en daarom denkt Dôgen zelfs dat hij de eerste is die de Leer van Boeddha Shakyamuni niet alleen in woorden maar ook in de concrete manifestatie van de oefening in Japan vertegenwoordigde. Al die boeddhistische wijzen die, gekleed in prachtige gewaden, stichtelijke woorden spreken, zijn in zijn ogen gewoon ijdel en vervuld van hun “grote verlichting, ... terwijl het lichaam de uitweg naar het leven bijna geheel verloren heeft”.

 

Aan hen allen en aan een ieder van ons vandaag richt Dôgen zijn Universele aanbeveling voor zazen:

 

FUKANZAZENGI - Universele aanbeveling voor zazen

De weg is oorspronkelijk volmaakt en alles vervullend, waarom moeten we deze dan nog oefenen en belichamen?
Het voertuig van de Leer beweegt zich vrij en vanzelf, wat is dan de zin van ons ijverig oefenen?
In het gehele universum is geen enkele stofkorrel te bekennen, hoe kunnen we dan ooit proberen onszelf door oefening te reinigen?
De plek waar we ons nu bevinden is onafgescheiden, waarheen moeten we de voeten van onze oefening richten?
Als je ook maar het minste onderscheid maakt zal een kloof voor je opdoemen, net zo groot als die tussen hemel en aarde. Als je het ene volgt en het andere afkeurt zal jouw geest als stof in de wind verwaaien.
Ook als je trots bent op je inzicht en je grote verlichting, ook als je jouw intuïtieve wijsheid van Boeddha aanschouwd hebt en de Weg bereikt en je geest gezuiverd, zelfs als jouw vastbeslotenheid de hemel bestormd heeft, dan nog kronkel je als iemand wiens hoofd in de schulp is blijven steken, terwijl zijn lichaam de uitweg naar het leven bijna volledig vergeten is.

Shakyamuni werd als wijze geboren. Toch zat hij zes jaar lang in het Jetavanapark. (1) Zie je dan zijn sporen niet? Bodhidharma droeg het zegel van de geest uit India over. Hoor je niet de echo van de negen jaren dat hij in de Shaolintempel voor een muur zat (2)?

Als het zelfs de ouden zo verging, hoe kunnen wij, mensen van deze tijd ons dan onttrekken aan oefening? Zoek niet naar letters, verstrikt jezelf niet in woorden, zie eindelijk eens af van je eigen commentaren. Draai het licht om en belicht jezelf, leer een stap terug te doen. Lichaam en geest zullen als vanzelf oplossen, jouw oeraangezicht zal zich openbaren. Als je de dingen wilt zien zoals ze zijn, dan moet je – hier en nu – geheel jezelf zijn, zoals je bent.

Voor de zenoefening is een stille ruimte nodig. Eet en drink matig en schuif alle verwikkelingen terzijde, laat de tienduizend aangelegenheden rusten. Denk niet aan “goed” en “kwaad”, oordeel niet over “juist” of “verkeerd”. Jouw geest en bewustzijn draaien in het rond – laat ze tot rust komen. Stop ermee alles met je gedachten en meningen te beoordelen. Beoog ook niet een boeddha te creëren, wees nog minder gehecht aan “zitten” of “liggen”.
Leg een dikke mat neer en plaats daarop jouw zitkussen. Zit in de halve lotus- of in de hele lotushouding. In de hele lotushouding leg je de rechtervoet op het linkerdijbeen en daarna de linkervoet op het rechterdijbeen. In de halve lotushouding leg je gewoon de linkervoet op het rechterdijbeen.
Draag je gewaad ruim en ordelijk. Leg de rechterhand op de linkervoet en de linkerhand in de rechterhand, terwijl de duimtoppen elkaar lichtjes raken.
Zit recht in de juiste houding, waarbij je noch naar links of rechts helt, noch naar voren buigt of naar achteren. De oren bevinden zich op één lijn met de schouders en de neus ligt in dezelfde lijn als de navel. Plaats de tong tegen de voorkant van het gehemelte, terwijl je de tanden en lippen gesloten houdt. De ogen moeten altijd open blijven en je ademt lichtjes door de neus.
Als je deze houding eenmaal hebt aangenomen, adem je één keer diep uit door de mond. Beweeg het bovenlichaam eerst naar links, dan naar rechts. Zit onbeweeglijk als een machtige berg in concentratie en denk het niet denkende. Hoe denk je het niet-denkende? Het is het losmaken van denken (voorbij-denken). Dat is de essentiële kunst van zazen.

Zazen is geen meditatietechniek - het is de dharmapoort van grootse rust en vrede. Het is de beoefende realisatie van de eindeloze Dharmaweg. Hier verwerkelijkt zich de openbaring van de uiteindelijke werkelijkheid, er is geen net meer om je in te verstrikken.
Eenmaal eigen gemaakt, ben je als de draak die terug het water induikt, als de tijger die door de bergen stroopt. De ware leer manifesteert zich als vanzelf en jouw vermoeidheid en verstrooidheid zullen oplossen.

Als je na zazen opstaat, beweeg je lichaam dan eerst langzaam en kom bedachtzaam omhoog. Doe het niet hals over kop.
Zie dat al diegenen, die het gewone als ook het ongewone overstijgen en die zowel in het zitten als in het staan sterven, zich baseren op deze ene kracht. Dat geldt ook voor de vinger en de mast, de naald en de hamer waarmee het Rad der Leer in beweging is gezet. Verwerkelijking tot stand gekomen door een kwast, een vuistslag, een stok en een schreeuw laat zich niet verklaren door middel van gedachten en oordelen. Hoe zou iemand haar ooit kunnen inzien, die middels de beoefende realisatie probeert te geraken tot bovennatuurlijke krachten? Jouw handelen moet vrij zijn van geluid en gestalte en gebaseerd zijn op de toestand die vooraf gaat aan intellectueel zien en begrijpen.

Maak je niet druk of je meer weet dan de ander of niet. Denk niet dat de slimmerik meer weet dan de domme. Geef je gewoon over aan de oefening: Dat is wat het bewandelen van de Weg genoemd wordt. De beoefende realisatie is van nature onbesmet – je naar de Weg te richten is slechts een kwestie van alledaagsheid. Het zegel van Boeddha wordt overal eender gehandhaafd, zowel in deze als in alle andere werelden, zowel in India als in China, en de wind van de Waarheid waait vrij en onbelemmerd. Geef je gewoon over aan het zitten, ga op in de onbeweeglijke toestand van zazen. Ook al zijn er duizend wegen met tienduizend richtingen, volg slechts deze ene weg door alleen maar zazen te beoefenen. Waarom zou je het zitkussen in je eigen huis verlaten om in den vreemde rond te dolen? Eén misstap en je zult de grond onder je voeten verliezen. Als mens geboren verkeer je in de unieke omstandigheid de Weg te bewandelen – verdoe je tijd niet langer!

Je bent de Weg in jouw leven tegengekomen – waarom zou je deze kans voorbij laten gaan en vliegende vonken nakijken? Jouw leven is als de dauw op het gras, het lot slaat toe als een bliksemschicht. Jouw lichaam bezit geen werkelijkheid, in één tel moet je het opgeven. Ik hoop dat jij - die de Leer net zo geleerd heeft als een blinde die een olifant betast, niet in angst en wanhoop vervalt als je werkelijk oog in oog met de ware draak komt te staan.(3) Oefen de directe Weg van de Waarheid met hart en ziel, respecteer de nietsdoener die voorbij alle onderricht is.(4) Deel de wijsheid met boeddha’s en boeddha’s, erf het samadhi van patriarchen en patriarchen. Aldus beoefend, aldus verwerkelijkt. De schatkamer opent zich als vanzelf – het is aan jou deze ten volle te benutten.

(1) Bedoeld worden de zes jaren die Shakyamuni als zoeker naar de Weg met ascetische oefeningen doorbracht, voordat hij onder de Bodhiboom tot zijn eigen oefening geraakte.

(2) Hier refereert Dôgen Zenji aan de legende van Bodhidharma, de Indische monnik, die het zenboeddhisme van India naar China overbracht. De legende verhaalt dat hij na zijn aankomst in China eerst een audiëntie bij de keizer had. Deze had zich reeds sterk voor het boeddhisme ingezet en wilde van Bodhidharma weten, welke verdiensten hij daarvoor kon verwachten. Bodhidharma antwoordde: “Geen verdienste!” Op de volgende vraag wat de diepste waarheid van het boeddhisme was, antwoordde hij: “Slechts uitgestrekte leegte – geheel niets om te vatten”. En toen de keizer uiteindelijk wilde weten, voor wie hij zich eigenlijk wel hield, zei Bodhidharma: “Geen idee – ik weet het niet”. Daarna trok hij de bergen in om in de Shaolintempel (Jap. Shôrinji) negen jaar lang alleen voor een wand te zitten. Uiteindelijk kwam midden in de winter Dazu Eka (Chin. Huike), de tweede zenpatriarch naar hem toe en verzocht Bodhidharma zijn leerling te mogen worden. Bodhidharma negeerde hem echter. Toen Eka een nacht lang in de sneeuw gestaan had, hakte hij zijn linkerarm af en drong aan: “Mijn geest kan geen rust vinden. Help me alstublieft, deze geest tot bedaren te brengen.” Bodhidharma zei: “Toon me je geest en ik zal hem vrede schenken.” Eka zei: “Ik heb hem al zo lang gezocht, maar ik kan hem nog altijd niet vatten!” Bodhidharma vroeg: “Heeft jouw geest niet al vrede gevonden?”

(3) Dôgen Zenji doelt hier op twee verschillende verhalen. In de ene, die uit India stamt, wordt aan vier blinden gevraagd een olifant te beschrijven. De eerste die de slurf betast, zegt: “Een olifant is als een slang”. De tweede daarentegen beweert dat een olifant als een bananenblad is, want hij heeft het oor van de olifant in zijn handen. De derde blinde die de buik betast vergelijkt de olifant met een ton en die, die de staart aftast, beschrijft de olifant als een kwast. Met dit verhaal moet duidelijk worden, hoe begrenst ons intellectuele begrip van de werkelijkheid is. Het tweede verhaal gaat over een Chinese geleerde wiens passie het schilderen van draken was, terwijl hij zelf nog nooit een echte draak gezien had. Op een dag hoorde een draak hiervan en hij besloot de geleerde een plezier te doen en hem een bezoek te brengen. Toen hij zijn hoofd door diens venster naar binnen stak, schrok deze zich echter dood. Ook dit verhaal illustreert, hoe ver onze ideeën over de werkelijkheid afwijken van de werkelijkheid van de werkelijke werkelijkheid.

(4) Deze uitdrukking stamt uit de Shôdôka, een bekende, in het Chinees opgestelde zentekst. De “nietsdoener” is iemand die al aan het einde van de weg geraakt is en die daarom geen moeite meer heeft met de oefening. Zazen moet een natuurlijke uitdrukking van ons dagelijkse leven zijn.

 

Copyright Antaiji

Next:

Genjôkôan - Verwerkelijking van de openbare diepte