HOTSUBODAISHIN

Op naar de weg van het hart

Het woord “geest” [Jap. shin] heeft drie verschillende betekenissen:
Ten eerste staat het voor citta, onze denkende geest.
Ten tweede voor hridaya, het hart of de ziel, die ook in gras en bomen huist.
Ten derde staat het voor vriddha, de kosmische wijsheid of de essentie aller dingen.

Bodhicitta [Jap. bodaishin] wordt gewekt door onze denkende geest. Het woord bodhi stamt uit India. Wij zeggen de “weg” [Jap. ]. Het woord citta stamt eveneens uit India. Wij zeggen “denkende geest”. Alleen deze denkende geest is in staat de geest van de Weg – boddhicitta – te ontwaken. Dat wil niet zeggen dat het denken zelf de geest van de Weg is. Nee, het is de denkende geest waarmee we de geest van de Weg ontvouwen. De geest van de Weg ontvouwen, wil zeggen de wens: “Ik wil alle lijdende wezens bevrijden, voordat ik zelf verlossing vind!” te koesteren en te vervullen.

Jouw verschijning moge dan gering zijn, maar als je alleen deze, ene wens koestert dan word je tot leider van mensen en hemelwezens. De geest van de Weg heb je niet vanaf het begin, noch ontstaat deze plots in dit ogenblik. Hij is niet één, noch menigvuldig. Hij is niet natuurlijk, noch kunstmatig. Deze geest woont niet in jouw lichaam en ook jouw lichaam woont niet in deze geest. Hij breidt zich ook niet uit over het universum; heeft geen vooraf of achteraf. Hij is niet niets. Berust noch op zichzelf, noch op anderen; is niet van vele factoren afhankelijk, noch onafhankelijk van enige interventie.

Desalniettemin wordt de geest van de Weg gewekt waar wegen zich kruisen en harten met elkaar communiceren. Noch is hij een geschenk van boeddha’s en bodhisattva’s, noch is hij uit zichzelf ontsprongen. Daar deze geest ontwaakt, waar wegen zich kruisen en harten communiceren, bestaat deze ook niet van begin af aan.

Meestal zijn het de mensen van het zuidelijke continent Jambudvipa, die de geest van de Weg ontvouwen. Ook komt het voor dat de geest ontwaakt in de acht moeilijke werelden, maar dat is zelden. Als je de geest van de Weg gewekt hebt, oefen je voor drie Asamkhya kalpa’s en honderd grote kalpa’s. Of je oefent voor de eindeloze kalpa’s en wordt zo tot boeddha. Of je oefent voor de eindeloze kalpa’s door eerst de lijdende wezens te verlossen en je wordt zelf nooit tot boeddha. Je verlost louter de lijdende wezens, je wilt ze slechts ten dienste zijn. Zo volg je jouw wens als boddhisattva.

De geest van de Weg gewekt te hebben, wil zeggen met lichaam en geest al het mogelijke doen om de lijdende wezens eveneens tot de geest van de Weg te laten ontwaken en ze zo de boeddhaweg te wijzen. De lijdende wezens ten dienste zijn wil niet zeggen ze te bevredigen met wereldse genoegens. Het ontwaken van deze geest en zijn oefening en belichaming gaan voorbij verwarren en ontwaken. Deze geest transcendeert de drie werelden en stijgt boven alles uit. Luisteraars [shravaka’s] en privaatboeddha’s (1) [ pratyekaboeddha] kunnen deze geest niet begrijpen.

Mahakashapa zong een loflied op Shakyamuni Boeddha:
“Het ontwaken van de geest en de eindtoestand in Nirvana verschillen niet,
doch van beide, is het ontwaken van de geest het moeilijkst.
Hoe groot is mijn respect voor diegene die voor het eerst dit verlangen in zich koesterde:
‘Ik wil de anderen verlossen, alvorens zelf verlost te worden!’
Toen hij deze wens voor het eerst bespeurde, was hij reeds een leider voor mensen en hemelwezens,
ver oversteeg hij luisteraars en privaatboeddha’s.
De ontwaakte geest stijgt boven de drie werelden uit,
daarom wordt deze de overtroffen geest genoemd.”

De ontwaakte geest begint bij de wens anderen te verlossen, alvorens zelf verlost te worden. Dit wordt het eerste ontwaken van de geest genoemd. Na het ontwaken van deze geest, ga je voort op zoek naar ontelbare boeddha’s om hen met giften te bedelen. Je kijkt naar Boeddha en luistert naar de Leer om de geest van de Weg telkens weer opnieuw te wekken, zoals sneeuw die op sneeuw valt.

“Eindtoestand van Nirvana” is de wijsheid die een boeddha op het laatst verwerft. Deze onovertroffen en volmaakte [Sanskr. anuttara-samyak-sambodhi] wijsheid vergelijken met het eerste ontwaken van de geest van de Weg, is alsof men het vuur van het inferno vergelijkt met een gloeiwormpje. En dan nog omvat de wens anderen te bevrijden, alvorens zelf bevrijd te worden, niet anders dan deze onovertroffen wijsheid.
“Ik koester slechts één wens:
Hoe kan ik de lijdende wezens helpen
de Weg tot onovertroffen wijsheid te vinden,
zodat ze weldra Boeddha mogen belichamen?”
Dit is de levensessentie van de tathagatha’s. Het ontwaken van de geest, zijn oefening en het geraken tot wijsheid komen hier tot volle uitdrukking.

De lijdende wezens ten dienste zijn wil zeggen ze eveneens de wens te laten ontplooien om alle lijdende wezens te bevrijden alvorens ze zelf bevrijd worden. Je mag niet denken dat het de kracht van de wens is die je zal helpen om uiteindelijk een boeddha te worden. Zelfs al reikt het karma van je goede daden zo ver dat je zelf tot boeddha kunt worden, dan nog moet je het omdraaien en het ten dienste van de lijdende wezens stellen, zodat dezen kunnen voortschrijden op de Weg van Boeddha.

Deze geest behoort noch jou toe, noch een ander, is niet ontstaan. Eenmaal ontwaakt echter, zul je goud vinden als je de aarde beroert en de oceaan die je omroert zal tot nectar worden. Als je zand, stenen en aarde aanraakt, dan grijp je de geest van de Weg. Als je je verdiept in waterschuim en vuurvonken, dring je de geest van de Weg binnen.

Waar een burcht, een land, moeder en kind, zeven schatten, man en vrouw, hoofd, ogen, merg en brein, lichaam en geest, handen en voeten aangeboden worden, is zonder twijfel de geest van de Weg aan het werk. Deze geest van de Weg manifesteert zich hier zo krachtig als het tumult op een markt of als vissen in het water.

Jouw denkende geest, waar het hier om gaat, is noch dichtbij noch veraf, ontkiemt niet uit zichzelf, is noch door anderen voortgebracht. Het is exact die geest die tot de geest van de Weg ontwaakt, wanneer je zonder een stap terug te doen reflecteert over het beginsel anderen te verlossen, alvorens zelf verlost te worden.
Wat zou het anders kunnen zijn dan het ontwaken van de geest van de Weg, wanneer de lijdende wezens gras en bomen, stenen en keien loslaten, waar ze zo aan hangen als ware het hun eigendom en wanneer ze goud en zilver en wonderbaarlijke schatten geven aan de geest van de Weg? De geest en alle dingen bestaan niet onafhankelijk van elkaar. Daarom zal deze geest positieve uitwerkingen hebben op de tienduizend dingen - ook al wordt deze slechts voor de tijdspanne van een moment tot de Weg gewekt. Het ontwaken van de geest en het bereiken van de Weg worden mogelijk door het ononderbroken ontstaan en vergaan van een, enkel ogenblik. Zou het ontstaan en vergaan van dit, ene ogenblik niet bestaan, dan zou het slechte uit het vorige ogenblik niet kunnen vergaan. Zou het slechte uit het vorige ogenblik niet vergaan, dan zou zich ook het goede uit het volgende ogenblik niet kunnen manifesteren.

Alleen de tathagatha heeft geleerd, hoe lang dit ogenblik [Sanskr. ksana] is: “De geest van dit ogenblik drukt zich in dit woord uit. Het woord van dit ogenblik drukt zich uit in dit teken.” Geen andere heilige kan zo spreken. In de tijdspanne van het knipperen met de vingers, vergaan 65 ogenblikken. In elk, afzonderlijk ogenblik ontstaan en vergaan de vijf zijnsbestanddelen [Sanskr. skandha’s] van zintuiglijkheid, gevoel, waarneming, mentale impulsen en bewustzijn. Maar wij, gewone mensen weten daar niets van, we zijn ons er niet van bewust. Slechts de tijdspanne van een seconde [Sankr. tat-Ksana, 120 ksana’s zijn een tat-ksana, een tijdsruimte die precies 1,6 seconde duurt] zijn we ons bewust. Gedurende de 24 uur van een dag vergaan 6 miljard, 400 miljoen, 99 duizend en 980 ogenblikken en in elk van deze ontstaan en vergaan de vijf zijnsbestanddelen.

[ Note van de vertaler: Dit is een rekenfout van Dogen, die van een boeddhistische bron (Abhidharma-mahavibhasa-sastra) uitgaat waarin gedurende elke dag 30* 30* 60* 120 ksana’s verstrijken. Dat zijn in totaal 6 480 000 ksana’s per dag en de lengte van een ksana bedraagt dan iets meer dan 0,01 seconde. Deze rekenfout berust wellicht op een misverstane passage in de tekst waarin gezegd wordt: “Dit is 20 minder dan 65 honderd (keer) duizend ksana’s”. Hier wordt bedoeld “65 honderd min 20 (dus: 6500-20=6480), vermenigvuldigd met duizend”. Dogen daarentegen interpreteerde dit als “65 honderdduizend min 20 ksana’s”. Dat zouden 6 499 980 ksana’s zijn. Echter hij vermenigvuldigde per abuis wederom de 6,4 miljoen (64 honderduizend) met duizend, zonder de 99 980 ksana’s uit de aftreksom te vermenigvuldigen, wat tot de uitkomst van 6 400 099 980 leidt.]

Gewone mensen zijn zich niet bewust van dit ontstaan en vergaan in de tijdspanne van een ogenblik. Daarom lukt het hen ook niet de geest van de Weg te wekken. Daar ze de Boeddha-dharma niet kennen en er niet in geloven, geloven ze ook niet in het ontstaan en vergaan in een ogenblik. Wie het tathagatha-oog van de ware dharma en zijn wonderbaarlijke geest van nirvana doordrongen heeft, zal ook geloven in het beginsel van het ontstaan en vergaan in de tijdspanne van een ogenblik.

Als we het geluk hebben de leer van de tathagatha tegen te komen, dan mag dat ons voorkomen als het ochtendrood van de geest. Maar zelfs als we het beginsel zien, zijn we ons toch eerst bewust van de tijdsruimte van seconden. Zoals we de lengte van een ogenblik niet begrijpen, begrijpen we ook niet het totaal van de Leer van Boedhha.
Heb daarom geen hoge dunk van je studie! Niet alleen begrijpen we niet in het geringst de wereld, we begrijpen ook de wereld niet in zijn grootsheid. Alleen de kracht van de tathagatha’s maakt het mogelijk de lijdende wezens de 3000 werelden te erkennen.

De overgang van het bestaan in het tussenbestaan en van het tussenbestaan in dit bestaan, gebeurt van ogenblik tot ogenblik. Onafhankelijk van onze wil drijft de maalstroom van karma ons door leven en dood, zonder ook maar een moment pas op de plaats te maken. Op dit ogenblik moeten we met dit lichaam en deze geest - die in de maalstroom van leven en dood wervelen - de geest van de Weg wekken die anderen verlossen wil, alvorens zelf verlost te worden. Als we ons beschermen tegen het ontwaken van de geest van de Weg, daar we aan lichaam en geest hechten, dan zal leven, ouderdom, ziekte en de dood ons alle bezit ontnemen.

Vluchtig is het ontstaan en vergaan van de levensspanne van lijdende wezens.
Toen Boeddha nog leefde, was er een monnik die hem opzocht, voor zijn voeten knielde, weer opstond en hem vroeg:” Hoe vluchtig is het ontstaan en vergaan van de levensspanne van lijdende wezens?”
Boeddha antwoordde: “Zo vluchtig dat je het niet zult begrijpen, ook al leg ik het je uit.”
De monnik volharde: “Bestaat er een metafoor, waarmee het te verklaren valt?”
Boeddha zei: “Goed, ik zal proberen het uit te leggen. Vooropgesteld dat er vier schutters zijn, allen met pijl en boog in de hand. De ruggen tegen elkaar, mikken ze in de vier hemelsrichtingen. Dan komt er een hardloper die zegt: ‘Schiet tegelijkertijd in alle vier de richtingen en ik zal alle pijlen vangen, alvorens ze de grond raken!’ Denk je niet dat zo een hardloper snel moet zijn?”
De monnik antwoordde: “Ja inderdaad, zeer snel!”
Boeddha sprak: “Sneller nog dan deze hardloper zijn de demonen [Sanskr. yaksa’s] die over de aarde scheren. Sneller nog dan de demonen die over de aarde scheren, zijn die, die door de lucht zoeven. Sneller nog dan de demonen die door de lucht zoeven, is de vlucht van de vier hemelgoden. Sneller nog dan de vier hemelgoden zijn de zon en de maan in hun baan. Nog sneller zijn de hemelsjongen, die de kar trekken en leiden, waarvan de twee wielen de zon en de maan zijn. Snel is de omloop van de hemel, nog sneller is het ontstaan en vergaan van de levensspanne van lijdende wezens. Dit ontstaan en vergaan gebeurt in een enkel ogenblik, de maalstroom van leven en dood houdt nooit op.”

Zo snel dus is de maalstroom van leven en dood, zo vluchtig is het ontstaan en vergaan van ons leven in de spanne van een ogenblik.
Jullie beoefenaars, denk ieder moment aan deze waarheid! Als jullie binnen de maalstroom van leven en dood ook maar voor een moment de wens koesteren allen te bevrijden alvorens zelf bevrijd te worden, zo zal zich op hetzelfde moment het eeuwige leven manifesteren. Alle boeddha’s in ruimte en tijd, de zeven boeddha’s tot aan Shakyamuni, de 28 Indische patriarchen, de zes patriarchen van het oosten, inclusief de boeddha’s die het Oog van de ware Dharma en de wonderbaarlijke geest van Nirvana overdroegen: Allen beschikken ze over de geest van de Weg want er is niet een patriarch die niet tot de geest van de Weg ontwaakt is.

Een vraag uit de 120 Vragen van de Zen-en Shingi luidt: “Heb je de geest van de Weg gewekt, of niet?”
Laat het jullie duidelijk zijn dat de weg van boeddha’s en patriarchen begint met het ontwaken van de geest van de Weg. Dit is de huisregel van boeddha’s en patriarchen. Dit ontwaken is het ochtendrood, niet de absolute wijsheid van tathagatha’s. Zelfs al heb je de tien treden van ontwaken beklommen, dan nog ben je een bodhisattva. Alle grote patriarchen, inclusief de 28 Indische en 6 Chinese patriarchen zijn bodhisattva’s. Zij zijn geen boeddha’s, ook geen luisteraars of privaatboeddha’s of hun gelijken. Vandaag de dag is er niet een beoefenaar die echt inziet dat zij bodhisattva’s zijn en niet luisteraars van Boeddha. Ze noemen zich weliswaar fier zenmonniken, maar daar ze de waarheid niet kennen, heeft hun oefening geen richting.
Hoe jammerlijk is het te zien, hoe de weg der patriarchen bergafwaarts gaat!

Doe daarom goed je best, ontvouw de geest die anderen bevrijden wil, alvorens zelf bevrijd te worden. Om het even of je een leek of een monnik bent, of je in de hemel of op aarde verwijlt, of je je nu in lijden of in geluk bevindt, koester deze wens alle lijdende wezens te bevrijden alvorens jezelf, ongeacht of het aantal van deze wezens eindig of oneindig is.
Dat is de geest van de Weg bezitten.

Als een bodhisattva, die op het punt staat zelf een boeddha te worden, voor de laatste keer naar het zuidelijke continent afdaalt, neemt hij afscheid van de goden van de vier [Sanskr. tusita] hemelen met de woorden: “De geest van de Weg is de stralende poort van de Leer, want in hem worden de drie schatten [van Boeddha, Dharma en Sangha] niet ontkend.”
Laat het jullie duidelijk zijn, dat de kracht van deze geest daaruit bestaat de drie schatten niet te ontkennen. Wie eenmaal de geest van de Weg gewekt heeft, moet deze voorzichtig hoeden en opletten niet terug te vallen.

Boeddha sprak: “Wat beschermt een bodhisattva? Het is de geest van de Weg. Een bodhisattva, een ware volwassene, zal deze geest zo behoedzaam beschermen als een moeder haar enig kind. Zoals een eenoog zijn oog beschermt of een verlorene in de wildernis de gids die de weg eruit kent beschermt, zo zal ook een bodhisattva de geest van de Weg bewaren en beschermen. Als hij de geest op deze manier veilig hoedt, zal hij tot de onovertroffen en volmaakte [ Sanskr. anuttara-samyak-sambodhi] wijsheid geraken. Als hij tot deze wijsheid geraakt, zal de wereld – waarin hij slechts vergankelijkheid, lijden, leegte en modder aanschouwd heeft - in een nieuw licht verschijnen: Eeuwig, gelukkig, vervult en rein [Jap. jôrakugajô]. Dit is het grote, onovertroffen Nirvana, en zo zal een bodhisattva deze behoedzaam beschermen.”

Deze woorden van Boeddha laten zien, hoe de geest van de Weg beschermd dient te worden. De reden waarom we ons best doen deze geest te beschermen zonder een stap terug te doen, omvat een wereldse wijsheid: “Drie dingen ontstaan rijkelijk, rijpen echter zelden – viskuit, mangobloesem en het ontwaken van de bodhisattvageest.”
Velen verliezen de grote geest weer en ook wij moeten ons steeds bewust zijn van het gevaar terug te vallen. Daarom is het zo belangrijk, de geest van de Weg te beschermen en te hoeden.

Een bodhisattva die maar net de geest gewekt heeft, verliest deze vaak weer omdat hij geen echte meester ontmoet. Wie geen echte meester ontmoet, zal de ware leer niet vernemen. Wie de ware leer niet verneemt, zal de wet van oorzaak en gevolg ontkennen, zal de verlossing ontkennen, zal de drie schatten ontkennen en zal alle boeddha’s in tijd en ruimte ontkennen. Hij wordt tot slaaf van zijn zintuigen en driften en verliest daarmee iedere, toekomstige wijsheid.

Toch komt het voor dat een duivelsmeester in de vorm van een boeddha, of in de vorm van een vader of moeder of andere vrienden en verwanten, of in de vorm van een leraar, een bodhisattva tegemoet treedt en hem influistert: “Ver is boeddhaweg en groot is jouw lijden. Hoe jammerlijk! Moet je je niet eerst zelf uit leven en dood bevrijden, voordat je andere wezens uit hun lijden bevrijdt?”
Zo wordt een beoefenaar om zijn geest van de Weg misleid en verwaarloost hij zijn bodhisattva-oefening. Daarom moeten jullie weten dat deze woorden, de woorden van een duivel zijn. Een bodhisattva die dit weet, mag dit niet navolgen. Laat jullie niet van de wens afbrengen anderen te bevrijden alvorens zelf bevrijd te worden. Zie in, dat de woorden die deze wens tegenspreken anderen te bevrijden alvorens jezelf, de woorden des duivels zijn, verwerpelijke woorden zijn, woorden van slechte vrienden. Jullie mogen deze niet volgen.

Er zijn vier soorten duivels: duivels van verwarring, duivels van de vijf zijnsbestanddelen [Sanskr. skandha’s], duivels des doods en de hemelduivels.
De duivels van verwarring zijn de 108 illusies, die als 84000 waanvoorstellingen in ons leven verschijnen.
De duivels van de vijf zijnsbestandelen [Sanskr. skandha’s] ontstaan uit de samenwerking van illusies. Het stoffelijke deel bestaat uit de vier elementen en de zes zintuigen. Het zinnelijke deel ontstaat als de 108 illusies door de zintuigen worden waargenomen. Alle mogelijke begrippen en gedachten treffen elkaar om gezamenlijk het waarnemende (denkende) deel te worden. Als gevoelens van voorkeur of afkeer ontstaan, kan dit tot nijd of haat leiden. Dit is het onderscheidmakende deel. De zes zintuigen en hun zes waarnemingen werken samen om de zes bereiken van bewustzijn op te roepen. De zes bereiken van het bewustzijn werken wederom samen en gaan weer uit elkaar en roepen derhalve talloze verschijnselen van het bewustzijnsdeel op.
De duivels des doods elimineren middels vergankelijkheid het zijnsbestandeel. Daardoor vinden bewustzijn, lichaamswarmte en levensenergie hun einde en spreekt men van de duivels des doods.
Hemelduivels beheersen het rijk der zinnen. Ze hebben zich de wereld der genoegens onderworpen. Ze zijn uitsluitend uit op gewin en verafschuwen derhalve de wijzen die de weg van het nirvana bewandelen. Dat zijn de hemelduivels.

In India spreekt men van demonen en duivels, in China worden ze de rovers van het leven genoemd. Niet alleen de duivels des doods beroven velen van hun leven, neen, ook de drie andere duivelsvormen staan ons naar het leven. Zij willen ons het leven van wijsheid stelen, daarom worden ze de rovers van het leven genoemd.

Vraag: “De duivels van de vijf zijnsbestandelen volstaan om ook de overige duivelsvormen te verklaren. Waarom spreekt men dan toch van vier duivelsvormen?
Antwoord: ” Inderdaad is er slechts sprake van een duivelsvorm, die hier voor alle duidelijkheid in vier is opgedeeld.”

De patriarch Nagarjuna maakte listig gebruik van bovenstaande duivelsleer, om zo de beoefenaars aan te sporen tot studie van de Weg. Laat jullie niet door deze duivels vervoeren de geest van de Weg op te geven.
Behoedt de geest van de Weg!

Hotsubodaishin, het vierde hoofdstuk van de Shôbôgenzô.
Dit manuscript werd door Ejô in het net geschreven op de negende dag van de vierde maand van het jaar 1255.

(1) Pratyekaboeddha: letterlijk ‘Boeddha op zichzelf’

Copyright Antaiji

BODAISATTASHISHÔHÔ - Vier bodhisattva manieren om anderen tegemoet te treden