HACHIDAININKAKU

Het achtvoudig ontwaken van een groots mens

Alle boeddha’s zijn grootse mensen. Dat waar grootse mensen toe ontwaken wordt het achtvoudige ontwaken van grootse mensen genoemd. Het ontwaken tot deze leer is de grondsteen van Nirvana.
Het is de laatste leer van onze eerste Meester Shakyumuni Boeddha, die hij gaf in de nacht dat hij het Parinirvana binnentrad.

1. Weinig eisen stellen
(“Weinig eisen stellen” wil zeggen de dingen die we nog niet met onze vijf zintuigen eigen gemaakt hebben niet overal na te streven.)

Boeddha sprak: “Jullie monniken moeten goed begrijpen dat iemand die veel eisen stelt, ook veel moeite en nood deelachtig wordt, want hij probeert veel te bereiken. Een mens met weinig eisen probeert niets te bereiken en omdat hij geen verwachtingen heeft, wordt hij ook niet gekweld. Alleen al daarom moet men met weinig tevreden zijn, om nog maar niet te spreken van de verdiensten die ontstaan als iemand weinig eisen stelt. Wie weinig eisen stelt, hoeft de gunst van een ander niet te winnen, noch wordt hij door verlangens heen en weer getrokken. Wie weinig eisen stelt, is gelaten van geest en kent noch zorgen, noch lijden. Hij heet alles welkom wat op hem afkomt en het ontbreekt hem aan niets. Wie weinig eisen stelt, leeft in Nirvana. Dat wil het zeggen: weinig eisen te stellen.”

2. Weten wanneer het genoeg is
(“Weten wanneer het genoeg is” wil zeggen maat houden met de dingen die we ontvangen.)

Boeddha sprak: “Jullie monniken, als jullie lijden en nood willen vermijden, moeten jullie inzien wanneer het genoeg is. De leer van het besef dat het genoeg is, is als een solide burcht in overvloedig geluk. Een mens die voldaan is met wat hij heeft, is tevreden en gelukkig, zelfs al slaapt hij op de kale bodem. Wie niet tevreden is met wat hij heeft, zal zelfs nog met een hemels paleis wensen over hebben. Wie niet weet wanneer het genoeg is, is arm in zijn rijkdom. Wie weet wanneer genoeg is, is zelfs in zijn armoede rijk. Wie niet weet wanneer genoeg is, wordt voortdurend door zijn vijf zintuigen heen en weer getrokken, meelijwekkend bekeken door diegenen die wel beseffen wanneer het genoeg is. Dat wil het zeggen: weten wanneer het genoeg is”.

3. Genieten van de stilte
(“Genieten van de stilte” wil zeggen, verre blijven van rumoerige tumult en in eenzame rust verwijlen.)

Boeddha sprak: “Jullie monniken, als jullie vrede en geluk in stilte en innerlijke rust zoeken, moeten jullie je verre houden van rumoerig tumult en in rust en eenzaamheid verwijlen. Een mens die in stilte leeft, wordt geëerd door hemelse machten. Daarom moeten jullie het gezelschap van verwanten en andere mensen mijden. Geheel alleen en in alle eenzaamheid, slechts denkend aan de vernietiging van de wortels van het lijden. Wie zich vergenoegt aan de aanwezigheid van anderen, haalt daarmee de aanwezigheid van zorgen en lijden binnen. (Wie de massa lief heeft, zal een massa zorgen hebben.) Het is als een grote boom - als een schare vogels zich verzameld heeft in een boom, moeten wij ons ontfermen over zijn uitgedroogde en gebroken takken. Wereldse begeerten en ketens laten ons verdrinken in het lijden, zoals een oude olifant in de modder zinkt, waar hij alleen niet uit komt. Dat wil het zeggen: je er verre van te houden.

4. Zich met lichaam en ziel aan de oefening wijden.
(“Zich met lichaam en ziel aan de oefening wijden” wil zeggen zich zonder onderbreking aan alle goede dingen wijden, monter en onverstrooid doorgaan, zonder een stap terug te doen.)

Boeddha sprak: “Jullie monniken, als jullie je met lichaam en ziel aan de oefening wijden, zullen jullie nergens moeilijkheden ondervinden. Daarom moeten jullie je met lichaam en ziel aan de oefening wijden. Het is als de druppels water die een steen uithollen. Een beoefenaar die telkens zijn zienswijzen verandert, is als iemand die met een roterend houtje op een plank vuur probeert te maken. Als hij ophoudt het houtje te draaien terwijl de plank nog niet warm is, zal hij het moeilijk krijgen een vuur te maken, hoezeer hij het zich ook wenst. Dat wil het zeggen: zich aan de oefening te wijden.”

5. Nooit onaandachtig zijn
(“Nooit onaandachtig zijn” wordt ook “puur aandacht schenken” genoemd. “Pure aandacht” wil zeggen de dingen bewaren en niet verliezen. Dit wordt ook “nooit onaandachtig zijn” genoemd.)

Boeddha sprak: “Jullie monniken, als jullie naar de raad en daad van goede vrienden op de Weg zoeken, is er niets beters dan nooit onaandachtig te zijn. Wie nooit onaandachtig is, hoeft niet bang te zijn voor illusies, want ze zullen geen vat op je krijgen. Daarom moeten jullie monniken je steeds in aandacht oefenen en deze op de geest richten. Verliezen jullie je aandacht, dan verliezen jullie alle verworven verdiensten. Is de kracht van de aandacht groot, zullen jullie geen schade ondervinden, zelfs al bevinden jullie je temidden van de begeerten van de vijf zintuigen. Het is als iemand die in harnas de vijandelijke linies doorbreekt: Hij heeft niets te vrezen. Dat wil het zeggen: nooit onaandachtig te zijn.”

6. Zich in concentratie verdiepen
(“Zich in concentratie verdiepen” wil zeggen temidden van de dingen gemoedsrust behouden.)

Boeddha sprak: “Jullie monniken, als jullie de geest bedwingen, is de geest in concentratie. Als de geest in concentratie is, herkent deze de structuur van het ontstaan en vergaan van alle dingen dezer wereld. Jullie monniken moeten je daarom steeds vol overgave in concentratie verdiepen. Als jullie de geest concentreren, wordt deze niet vertroebeld. Zoals een gezin dat een dam bouwt om aan water te komen. Wie de Weg beoefent, moet zo het water van de wijsheid verzamelen, door zich in concentratie te verdiepen en niets te laten wegvloeien. Dat wil het zeggen: geconcentreerd te zijn.”

7. Wijsheid beoefenen
(“Wijsheid beoefenen” wil zeggen ernaar luisteren, erover reflecteren en het in praktijk om te zetten en het zo belichamen.)

Boeddha sprak: “Jullie monniken, wie over wijsheid beschikt, koestert geen verlangens, verliest zichzelf niet uit het oog en geraakt derhalve niet in verwarring. Dat heet verlossing vinden in mijn Leer. Wie niet zo is, kan noch een mens op de Weg genoemd worden, noch gezien worden als een leek. Voor zo iemand is er geen enkele benaming. Echte wijsheid is de boot die ons over de oceaan van ouderdom, ziekte en dood brengt; is de grote, heldere lamp temidden in de grenzeloze duisternis. Het is de juiste medicijn die alle ziekten geneest; het is de scherpe bijl die de boom van illusie velt. Daarom moeten jullie monniken meer verdienste verwerven door de wijsheid aan te horen, erover na te denken en te beoefenen. Een mens die over het heldere licht van de wijsheid beschikt is een mens met een helder oog, zelfs al zijn het slechts vleselijke ogen. Dat is wijsheid.”

8. Geen lege theorieën nastreven
(“Geen lege theorieën nastreven” wil zeggen belichamen zonder onderscheid te maken. De werkelijkheid doorgronden is “geen lege theorieën nastreven”.)

Boeddha sprak: “Jullie monniken, weet dat diegene die meerdere lege theorieën aanhangt, diens geest onrustig is. Ook een monnik, die in thuisloosheid verkeert, moet zijn best doen zich te ontdoen van zijn onrustige geest en lege theorieën, zolang hij nog geen verlossing gevonden heeft. Jullie monniken, als jullie het geluk van Nirvana aanschouwen willen, moeten jullie je ontdoen van de last van lege theorieën. Dat wil het zeggen: geen lege theorieën na te streven.”

Dit is het achtvoudige ontwaken van een groots mens. Ieder afzonderlijk aspect omvat de acht anderen, zo zijn het er in totaal 64. Op deze manier kunnen we ze tot in het oneindige door vermenigvuldigen, maar verkort zijn het er 64.
Het is de laatste leer van de grote Meester Shakyamuni, waarmee hij het Grote Voertuig (Mahayana) verkondigde. Na de voltooiing van de Leer in de nacht van de vijftiende dag van de tweede maand sprak hij niet meer en berustte in het binnengaan in het Parinirvana.

Boeddha sprak: “Jullie monniken, doe goed je best met heel je hart de uitweg (uit de wereld van het lijden) te vinden. Alle dingen in deze wereld, beweeglijk of stilstaand, dragen de kenmerken van vernietiging en nederlaag in zich, ze bezitten geen stabiele vorm. Sta hier even bij stil, stel geen verdere vragen. Mijn tijd is voorbij. Ik zal heengaan. Dit is mijn laatste Leer.”

Daarom leren alle volgelingen van Boeddha deze leer respectvol. Wie deze niet leert en aanneemt is geen leerling van Boeddha. Dit is het Oog van de ware Leer van Boeddha, zijn wonderbaarlijke geest van Nirvana. Dat vandaag de dag nog maar weinigen de Leer kennen, ervan gehoord of gezien hebben, is het werk van de duivel. Diegene, die in hun vorige leven weinig goeds gedaan hebben, zullen er niets van horen en zien. In de dagen van de ware Dharma en de afgespiegelde Dharma kenden alle leerlingen van Boeddha deze leer, zij leerden en verdiepten zich erin. Heden zijn er onder de duizenden monniken niet eens een of twee die het achtvoudig ontwaken van een groots mens kennen. Ik vind geen woorden voor de spijt die ik voel als ik het verval en de neergang van deze wereld betracht. We moeten opschieten met leren en ons ervoor hoeden lui en nalatig te zijn zolang de ware Leer van Boeddha nog in het universum circuleert en de reine Dharma nog niet ten onder is gegaan.
Zelfs in eonen is het moeilijk de Boeddhadharma tegen te komen. Als mens in deze wereld geboren worden is ook moeilijk. Als je als mens ter wereld komt, kun je het beste op een van de drie continenten geboren worden. Vooral het mensenleven op het zuidelijk continent is beter dan de andere. En wel daarom omdat het daar mogelijk is Boeddha te zien en zijn Leer te horen, in thuisloosheid op te gaan en de Weg te verwerkelijken. Diegenen, die voor Boeddha’s Parinirvana het Nirvana ingingen en stierven, hebben niets van het achtvoudige ontwaken van een groots mens gehoord, hebben er niets van meegekregen. Dat we vandaag de dag de eer hebben deze te zien, te horen en te mogen leren, ligt aan de kracht van de goede daden in ons vorige leven. Als we het nu leren en van leven tot leven verder ontwikkelen, zullen we volmaakt tot de onovertroffen wijsheid geraken en als we ze de lijdende wezens onderwijzen, moten we zijn als Shakyumuni Boeddha – zonder enig onderscheid.

Hachidaininkaku, het twaalfde hoofdstuk van de Shôbôgenzô
Volgens de geschriften opgesteld op de zesde dag van de eerste maand van het jaar 1253 in het klooster Eihei.

Vandaag, de dag voor het einde van de oefenperiode van het jaar 1255 heb ik dit volledig laten afschrijven door secretaris Gien en gecontroleerd. Bovenstaande tekst is de laatste notitie die mijn inmiddels gestorven meester tijdens zijn ziekte schreef. Ik herinner me nog dat hij het erover had om de hele, reeds opgestelde Kana-Shôbôgenzô nog een keer te herschrijven en samen met nieuwe aantekeningen in totaal honderd hoofdstukken te voltooien. Dit hoofdstuk, wat uit de nieuwe aantekeningen komt, was al het twaalfde. Maar hierna verslechterde de toestand van mijn meester en moest hij de plannen van het herschrijven naast zich neer leggen. Deze aantekening is daarom de laatste leer, die we van onze gestorven meester vernomen hebben. Het is betreurenswaardig dat we de voltooiing van de honderd hoofdstukken nooit hebben mogen aanschouwen. Niets kan ons treuriger stemmen. Een ieder die de gestorven meester in liefde wil navolgen en dienen, moet zich deze twaalf hoofdstukken eigen maken en goed behoeden. Dit is de laatste Leer van de eerwaardige Shakyamuni en tevens de nalatenschap van onze gestorven meester.

Dit werd door Ejô toegevoegd.

Copyright Antaiji

 

Terug naar Shobogenzo