Iedere dag een goede dag

Lezing gehouden door Sawaki op 5 mei1963 in de stad Matsuyama

 

De goede en slechte kanten van het leven

   Iedere dag is een goede dag. Ook een duivelse dag, ook een slangendag moet voor jou een goede dag zijn als je als mens in deze wereld leeft. Rolland (1) zei, ieder mens is de smid van zijn eigen geluk. Maar dan nog trek je een lang gezicht en beklaag je je over jouw lot dat het je aan geld en geluk bij de vrouwen ontbreekt. Zo stom! Het is aan jou alleen om als mens je eigen geluk te vinden. Doe je dat niet, beklaag je dan ook niet bij anderen.

   Mensen hebben de gave om te denken. Dat onderscheidt ze van andere, levende wezens. Dat kippen iets te eten krijgen hebben ze alleen te danken aan de mens die ze voert om ze vervolgens zelf te verorberen. Het stemt me treurig te zien hoe de kip geperst in zijn kooi zijn leven doorbrengt. Als de kip ook maar iets minder zou eten dan werd ze ook niet zo snel dik en zou dus langer te leven hebben. Maar dat weet ze niet en eet en eet en wordt alleen maar dikker.  Zo gemeen als de mens is. Hij berekent precies hoeveel eieren de kip zal leggen. Dag en nacht blijft het licht aan zodat de kip zoveel mogelijk eieren produceert. En als ze niet meer legt dan wordt de kip verkocht zolang er nog vlees aan zit. Als het om een leven van een kip gaat, calculeert de mens precies hoeveel eieren en vlees er van te halen valt. Maar hoe staat het met de mens zelf? Waarom leeft hij? Daar zou je je eens druk over moeten maken. De zin van het leven moet je helder voor ogen staan, dat het een voorrecht is om als mens geboren te zijn. Wat wil je met dit leven? Je moet proberen er het beste van te maken.

   Het baseballteam van de Komazawa universiteit (2) schijnt de laatste tijd zeer succesvol te zijn. Ik heb daar helemaal geen verstand van. Wat zegt dat nou dat iemand een bal kan gooien? Dat kan toch niet de zin van het leven zijn. Als mens moet ons doel  zijn dit leven zo goed mogelijk te leven. En wat voor een manier van leven bedoel ik daarmee? Ik bedoel een leven met de instelling “dag na dag een goede dag” en “jaar na jaar een goed jaar”.

   Grootmeester Unmon (3) vroeg tijdens een lezing die hij waarschijnlijk op de vijftiende van een maand hield: “Ik wil niets weten van wat er voor de vijftiende gebeurd is. Vertel me iets over datgene wat na de vijftiende gaat gebeuren.” En toen niemand antwoordde, zei hij zelf: “Dag na dag een goede dag.” Je mag deze “goede dag” niet verliezen.

   Vorig jaar vroeg me iemand in welk Chinees dierenteken mijn geboortejaar valt. Het is het jaar van de draak. Toen zei hij: “Nu begrijp ik waarom je nooit naar iemand luistert. Een draak loopt naar links als je hem de weg naar rechts wijst, hij houdt niet van datgene waar jij van houdt en zegt dat datgene fout is wat jij als goed ziet. Het verwondert me niet te horen dat jij een draak bent.” Dat zette me aan het denken over mijn leven en ik moest concluderen dat het inderdaad klopt. Ik ben een typische draak.

   Ik heb dit al vaker vertelt en intussen zal iedereen het wel weten dat ik niet in de allerbeste omstandigheden geboren ben. Mijn ouders waren eenvoudige, arme mensen. Het zou niet zo erg geweest zijn als ze waren blijven leven, maar toen ik vijf was stierf mijn moeder en met acht mijn vader. Dat is de oude Japanse telling (4), naar de moderne, westerse telling was ik pas zes jaar en een paar maanden oud toen ik wees werd. Mijn oudste zus was zes jaar ouder. De volgende zus was vier jaar ouder dan ik, dan kwam een broer die twee jaar ouder was. Wij waren allemaal nog kinderen. Na de dood van mijn vader werden alle kinderen opgedeeld onder familieleden of als dienstmeisje ingezet. Alleen mij wilde niemand hebben omdat ik zo een brutaal ventje was.

   Bij een familietreffen kwam iemand op het idee om me weg te geven aan een boeddhistische tempel, maar toen zei iemand anders: “Die bengel gaat het nooit lang uithouden in een tempel. Denk je werkelijk dat hij een goede monnik zou zijn? Hij zal nooit leren om zich nuttig te maken. En dat is nog niet eens het ergste: Stel je eens voor, hij komt terug als hij groot en sterk is, overal tatoeages en met een mes in de hand. Dan zal hij wraak op ons nemen dat wij hem in een tempel gestopt hebben!” Daarom besloot de familie uiteindelijk dat ze me maar beter niet aan een tempel konden geven. Na een lange zoektocht kwam men uiteindelijk bij de Sawaki-familie uit, die slechts zes kilometer verderop woonde en bereid waren mij te adopteren.

   Mijn adoptiemoeder was een prostituee en haar oudere zus de bruid van een Yakuzabaas. Mijn eerste taak was het om voor orde te zorgen bij de goktenten. Zelfs een wilde bengel als ik was in het begin bang. Het milieu waar ik ineens in beland was bestond uit louche figuren waar ik niet tegenop durfde. Het hoeft niet verder uitgelegd te worden dat hun levens- en wereldse inzichten geheel haaks stonden op datgene wat ik tot dan toe had meegemaakt. Dat ik in het jaar van de draak geboren ben heeft me overeind gehouden. Ik was weliswaar een brutaal ventje maar ik heb me nooit willen meten aan anderen. Met wie ook? Ons huis lag in een straat achter de bordelenbuurt. Vanuit een pedagogisch oogpunt niet bepaald het beste milieu voor een kind om in op te groeien. Maar mijn draken-aard liet zich niet door zijn omgeving beïnvloeden. Natuurlijk zag ik de jonge nozems als ook de oude kaalkoppen in onze buurt verwijlen om vrouwen te kopen om zich vervolgens ’s ochtends weer vroeg uit de voeten te maken. Maar mijn trotse draken-aard rebelleerde innerlijk. Ik keerde me alsmaar meer tegen m’n omgeving tot ik uiteindelijk de wens koesterde om monnik te worden. In het begin zou ik er nog niet eens in een droom aan gedacht hebben. Het is verwonderlijk dat ik toch deze weg gekozen heb. Ik denk dat ik dat louter aan het dierenteken van mijn geboortejaar te danken heb, de draak.

   Indertijd had ik niet het minste benul wat ik met mijn leven aan moest. Alleen mijn koppige draken-aard zei me dat ik altijd precies het tegenovergestelde moest doen van datgene wat ik in mijn omgeving meemaakte. Om tegen de stroom in te zwemmen is kracht nodig en deze kracht kwam voort uit een wilde, innerlijke twijfel. Met 15 of 16 was de twijfel het grootst. De vraag wat ik met het leven aan moest, liet me niet meer los. Wat moest ik doen? Ik wist niet meer of links of rechts om. Logisch ook want ik was maar vier jaar naar school geweest. Mij restte niets anders dan mijn eigen lijden.

   Ik leed omdat ik niets met mijn leven kon beginnen. Als ik het belangrijk had gevonden een echte Yakuza te worden dan zou ik dat probleemloos geworden zijn. Mijn oom was tenslotte een Yakuza-baas. Maar het enige dat mijn draken-aard me ingaf was dat ik zeker geen Yakuza wilde worden. Ik wilde iets anders worden, dat was mijn probleem. En het nog grotere probleem was, dat ik niet wist wat ik wilde worden.

   Toen ik 13 was, was er een grote strijd gaande tussen de Yakuza bendes in de buurt over de grenzen van hun revieren. Toevallig was ik in het gebied van de vijand om papieren lampions te verkopen toen een bloedige strijd zich voor mijn ogen begon af te spelen. Mijn adoptievader die er ook bij was, was als versteend. Dezelfde man die altijd naar me snauwde en met de vuist sloeg, stond daar verstijfd van de angst! Voor het eerst in mijn leven lachte ik hem uit: “Mijn god, we zijn in levensgevaar!” In die nacht moest mijn adoptievader een boodschap overbrengen naar de vijandelijke Yakuza-bende. Daarvoor moest hij die buurt doorkruisen waar overdag een bloedige slachting had plaatsgevonden tussen de Yakuza en daarna nog een berg verder gaan, het waren in totaal 15 kilometer. Maar die ouwe was niet meer in staat om zich te bewegen. Hij beefde van angst en zei alleen maar : “Wat moet ik nu doen? Dat is me allemaal te veel.”

  Toen zei ik: “Oké, dan doe ik het wel voor je!” En weg was ik, toen pas 13 jaar oud(5). Het regende de hele nacht door. Maar omdat deze opdracht zo snel mogelijk gedaan moest worden rende ik zo snel ik kon, bracht de boodschap en kwam in dezelfde nacht weer terug. Het zou best kunnen dat ik bang geweest was als ik onderweg iemand was tegengekomen. Maar er gebeurde niets en ik kwam veilig thuis. Vanaf die dag sloeg mijn adoptievader me niet meer.

   Van alles wat iemand overkomt kun je zeggen dat het goede en slechte kanten heeft. Daarom kan ook niemand zeggen wat voor een mens een goed of slecht leven betekent. Voor mezelf kan ik op z’n minst zeggen dat ik tot op vandaag het gelukkigste leven op de wereld geleefd heb.

 

  1. Romain Rolland, Franse schrijver (1866-1944). In andere teksten schrijft Sawaki deze wijsheid aan de beeldhouwer Rodin toe, maar oorspronkelijk stamt de zinspreuk “Eenieder is de smid van zijn eigen geluk” van Appius Claudius Caecus, een Romeinse consul in de jaren 307 en 296 v. Chr.
  2. De eigen universiteit van de Sôtô-school. Alhoewel deze pas officieel in 1925 opgericht is, gaat haar geschiedenis tot een priesterseminair in Kichijôji in 1592 terug en kan dus bestempeld worden als een van de oudste leerinstituten van Japan. Vandaag echter staat de universiteit meer bekend om haar baseballteam en de successen van de estafettewedstrijden.
  3. Chin. Yunmen, een zenmeester van wie veel bekende spreuken stammen. Op de vraag van een monnik wat de Boeddhanatuur was, antwoordde hij: “Gedroogde stront aan een stok”.  Hij leefde van 862-949 aan het einde van de Tang-Dynastie.
  4. Bij deze telling is een baby op het moment van zijn geboorte een jaar oud en wordt elk Nieuwjaar een jaar ouder. Sawaki Rôshi werd geboren op 16 juni 1880, in 1887 was hij dus naar de Japanse telling al acht, naar de westerse telling ongeveer zeven.
  5. Naar Japanse telling, naar westerse telling pas twaalf.

 

Geluk is het leven zoals het is

 

   Met 17 jaar naar Japanse telling, dus dat wil zeggen na het voltooide 16e levensjaar, liep ik van huis weg. Ik wilde monnik worden, maar ik wist niet waar. Een priester van de Shin-school (6) gaf me het advies om het in Eiheiji (7) te proberen. Toen wist ik niet wie Eiheiji opgericht had en ook niet tot welke boeddhistische school het behoorde. De priester gaf me bovendien voor onderweg drie kilo rijst mee die ik de daaropvolgende vier dagen en nachten rauw kauwde. Dat was geen gemakkelijke reis. Na precies vier dagen kwam ik ’s nachts in Eiheiji aan. Tegen de monnik die me opendeed, zei ik: “Als jullie me niet als monnik willen hebben, dan laat me hier voor de deur verhongeren.” De monnik antwoordde: “Dat zou helemaal mooi zijn, maak dat je wegkomt!” Maar ik was te uitgeput om me te bewegen: “Ik heb zo een honger, dat ik nog niet eens op mijn eigen benen kan staan.” Zo ging het twee dagen en nachten lang over en weer, totdat ik eindelijk binnen gelaten werd en een beetje rijstsoep te eten kreeg. Toen werd ik eerst als loopjongen in het klooster aangenomen en ergens werd ik zoiets als een monnik. Men kan niet bepaald zeggen dat het lot het tot dusver goed met me voor had. En toch denk ik dat er niemand is die gelukkiger is dan dat ik ben.

   Wat betekent eigenlijk geluk en ongeluk? Wat maakt een ongelukkig mens eigenlijk gelukkig? Een rijk mens is niet persé gelukkig. Wil dat zeggen dat een arme mens gelukkiger is? Natuurlijk niet. Intelligentie maakt niet gelukkig. En domheid net zo min. Ik ben als wees opgegroeid, zonder geld, met weinig verstand – alle voorwaarden om ongelukkig te zijn bij elkaar. Geen mens zou ongelukkiger moeten zijn dan ik, maar ik heb het gevoel alsof ik het gelukkigste leven van de wereld heb. Ik kan niet dankbaarder zijn voor dit leven.

   Daar is er een die begonnen in het zuidwesten van Japan, over Kobe en Osaka tot aan Nagoya op reis gaat om interessante lezingen te houden. Het motto van deze lezingen is: “Alles is goed zoals het is.”

   Alles is goed zoals het is. Niets moet op een bepaalde manier zijn. Maar dat wil ook zeggen dat we tevreden zijn met ons individuele leven, zoals het is. Anders zijn het slechts loze woorden. Belangrijk is het om ons lot te accepteren zoals het is en dit “het is zoals het is” als het grootste en hoogste geluk te ontdekken.

 

(6) In het Shin-boeddhisme staat het geloof in Amitabha Boeddha centraal. Deze boeddha verlost iedereen die zijn naam recht uit het hart aanroept. In tegenstelling tot het zen-boeddhisme wordt de verlossing dus door de andere kant verwerkelijkt en staat de eigen religieuze oefening ( zoals bijv. zazen) niet op de voorgrond.

 

(7) Eiheiji is een van de twee hoofdtempels van de Sôtô-school van het zenboeddhisme in Japan. Deze werd in 1243 door Dôgen Zenji opgericht. Eiheiji ligt in de Fukai-prefectuur, dicht bij de noordwestelijke kust van Japan. Een bergketen die het centrale deel van Japan doorkruist en ongeveer tweehonderd kilometer afstand scheiden Eiheiji van de Mie-prefectuur waar Sawaki Rôshi zijn kindheid en jeugdjaren doorbracht. 

 

De karma-bril

 

   Onlangs kreeg ik een boek toegestuurd waarin geschreven stond dat het universum één is. Ieder van ons is één met het universum. We maken deel uit van het kosmische mechanisme. Voor ons mensen is het belangrijk dat we niet vechten tegen dit kosmische mechanisme, maar deze volgen. We kunnen niet op tegen dat wat noodzakelijk is. Om als deel van het kosmische mechanisme te functioneren, zonder het onmogelijke te proberen wordt ook wel het “denken op grond van niet-denken” of het “loslaten van de gedachte” (8) genoemd. Dat is zazen. De beoefening van het gewone, doelloze zitten. Deze zazen is de verschijning van het kosmische mechanisme. Zazen is geen middel tot doel van verlichting. Zazen is nergens een middel voor. Daarom zeg ik altijd: “Zazen is nergens goed voor!” 

   Zazen is nergens goed voor maar de gedaante van zazen is de meest wonderbaarlijke houding die we met dit lichaam kunnen aannemen. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat de duivel op de vlucht slaat als hij een afbeelding van een houding in zazen ziet. Onder de houdingen die een mens kan aannemen is zazen de meest waardevolle en de meest verhevene. Waarom is deze houding zo verheven? Omdat zich daarin de grootsheid van het universum zelf manifesteert. Het kosmische mechanisme is groots. Als dit lichaam één is met het kosmische mechanisme dan is het niet verwonderlijk dat de verschijning van zazen groots werkt. Wat zou meer waardevol kunnen zijn dan het feit dat wij mensen in staat zijn zazen te beoefenen?

   Dôgen Zenji zegt over goed en slecht: “Goed en slecht zijn tijd maar de tijd is niet goed of slecht.” Tegelijkertijd zegt hij ook: “Als al het slechte niet meer uit zichzelf ontstaat, dan manifesteert zich de kracht van de oefening. Deze oefening meet zich aan de hele aarde, de hele wereld, aan al de tijd en aan de hele Dharma.” Met slechts enkele woorden, drukt Dôgen alles uit. Hoe zorgvuldig is hij met zijn woorden als het daarom gaat wat het hele universum vult. Wat niet het hele universum vult, kan niet als ontwaken bestempeld worden. Het ontwaken moet zo groots zijn dat het de hele aarde, de hele wereld en de hele Dharma omvat. Dit omvat deze beoefening van zazen en daarom wordt het ook als de grootste oefening bestempeld.

   Vier of vijf jaar geleden vernam ik dat een Amerikaans observatorium de Melkwegstelsels geobserveerd had die 25 miljard lichtjaren van ons verwijderd zijn. Zulke astronomische getallen mogen ons onwaarschijnlijk groot voorkomen. Maar hoe groot of klein iets ook mag zijn, groot of klein is het alleen voor de mens die het meet.  Groot is alleen iets naar de maatstaf van de menselijke waarneming. Maar in het boeddhisme wordt gezegd: “Het grootste is één met het kleine want er is geen vergelijk mogelijk. Het kleinste is één met het grote omdat er geen scheidingslijn bestaat.” Dat is niet het resultaat van een meting. Hier is sprake van een grenzeloos, oneindig universum onafhankelijk van wie het gadeslaat. In werkelijkheid is daar geen groot of klein, alleen maar dat ene, allesomvattende kosmische mechanisme. Het is alleen de mens die naar zijn maatstaven groot van klein onderscheidt en die zich met zijn metingen dag na dag zelf zijn eigen ellende creëert. Terwijl wij daarentegen ons beklagen dat de dingen te groot of te klein voor ons zijn, zijn we in werkelijkheid ongescheiden van het kosmische mechanisme waar er geen groot of klein bestaat. Daarom is het belangrijk dat we ons bewust worden van onze eigen aard.  

   We moeten de wijsheid krijgen de dingen te zien zoals ze in werkelijkheid zijn. De werkelijke verschijning van de dingen is het kosmische mechanisme waarin alles in het universum verweven is. Ons probleem is dat we de wereld door een karmische bril zien. Onze waarneming is geconditioneerd door het karma daarom zien we niet de echte verschijning van de dingen. In het boeddhisme wordt dit uitgelegd met het voorbeeld van water dat op vier verschillende manieren bekeken kan worden. Als we alleen maar naar een ding kijken, al is dat een glas water, dan zien we dat door onze karma-bril. Een hongerige geest ziet er etter in waaraan hij zich wil laven. Een hemelwezen ziet een edelsteen uit lapis lazuli. Een mens ziet het als water en voor de vis is het een paleis. Op deze manier zien we alles zoals het ons uitkomt door de bril van onze karmische, geconditioneerde waarneming. Wat we daar zien komt niet overeen met de werkelijke verschijning van de dingen. Voor ons mensen moet het doel zijn de dingen niet door onze mentale karma-bril te zien, maar te zien zoals ze zijn. Zolang we dit gemakkelijke, nuttige ding op onze neus dragen zien we de ware verschijning van de werkelijkheid niet. Daarom zegt Dôgen in de Fukanzazengi (9): “Maak je los van alle bindingen, laat de tienduizend aangelegenheden rusten. Denk niet aan goed of kwaad, oordeel niet over “juist” of “verkeerd”.Jouw geest en bewustzijn draaien in het rond – laat ze tot rust komen. Stop ermee alles met je gedachten en meningen af te wegen. Probeer ook niet een boeddha te worden.” (10). Hij waarschuwt ons om niet onze karmische conditionering te volgen. Vergeet gedachtes als: “ik wil boeddha worden!” Of: “Ik wil dit en dat…” Hou je niet bezig met deze gedachtes en zit gewoon in zazen. Dat is het hele geheim. Dat is de ware verschijning van de werkelijkheid. In de beoefening van zazen manifesteert zich de ware verschijning van de werkelijkheid. De ware verschijning van hemel en aarde: De berg is hoog, de zee is weids, het gras is groen, de bloem bloeit. Alleen wij mensen zijn niet in staat deze verschijning zo te zien, als deze is. We zien alles door de filter van onze karmisch geconditioneerde waarneming.

 

(8) Deze uitdrukkingen worden door Dôgen Zenji (1200-1253, eerste Japanse patriarch van de Sôtô-zen) o.a. in zijn handleiding voor zazen, de Fukanzazengi, gebruikt, waarin hij zegt: “Zit rustig en geconcentreerd als een machtige berg en denk op grond van het niet-denken. Hoe denkt men op grond van niet-denken? Het is het loslaten van de gedachte. Dit is de kunst van zazen.” Als voorbeeld voor de mentale houding wordt vaak de weidse, open hemel gebruikt die zich niet laat meedrijven door de wolken maar de wolken ook geen tegenstand biedt.

 

(9) Dôgens eerste werk uit het jaar 1227 is een uitbreiding van de zazen-handleiding Zenenchingi, een tekst van Chinese kloosterregels, met enkele belangrijke veranderingen van zijn eigen hand. Een vertaling van de Fukanzazengi is hier te vinden.

 

(10) Enkele zinnen voor dit citaat zegt Dôgen Zenji: “Zoek niet naar letters, verstrik jezelf niet in woorden, zie eindelijk eens af van je commentaren. Draai het licht om en belicht jezelf, leer een stap terug te doen … Als je de dingen wilt zien zoals ze zijn, dan moet je – hier en nu – geheel jezelf zijn, zoals je bent.”

 

 

We laten ons door ons ego wurgen

 

   Tijdens de Taishô-tijd (11) was er eens een grote brand in de stad Ôsaka. Een houthandelaar liet zijn eigen huis in vlammen opgaan, graaide al zijn geld bij elkaar dat hij kon vinden en ging naar Wakayama om bossen te kopen. Zo een slimme zakenman! Terwijl de huizen in een kring afbranden, was hij sneller dan de rest om bouwhout te kopen. Want hij wist dat de prijs van hout omhoog zou gaan. Maar hij zag niet de ware verschijning van de dingen. Hij zag de wereld door zijn karma-bril, gekleurd door de sluwheid van een zakenman. Dat geldt niet alleen voor deze houthandelaar. Waar je ook kijkt, alles in de wereld laat zich door zijn karmisch geconditioneerde waarneming bij de neus nemen. Waar komt deze karmische conditionering vandaan?

   Om het even hoe ons ego zich gedraagt, hoezeer hij zich voor de welvaart inzet, hoeveel hij ook geeft aan goede doelen: Er blijft altijd iets van het ego hangen. In het boeddhisme onderscheidt men vier verschillende illusies die allemaal samenhangen met het ego: Gachi, gaken, gaman en gaai.(12)

   Gachi is de onwetendheid. In het boeddhisme wordt dit ook wel de duisternis of de verwarring genoemd. Jouw onwetendheid uit zich daarin dat je altijd als je iets goed doet eraan denkt, hoe goed je toch bent. Daardoor wordt het goede in de handeling verduisterd. 

   Gaken komt overeen met wat men tegenwoordig een “isme” noemt. De lettergreep “ken” heeft enerzijds te maken met jouw persoonlijke verwachtingen: Als ik dit doe krijg ik dat, als ik dat doe krijg ik dit. Anderzijds betekent “ken” ook de persoonlijke, eigenmachtige oordeelsvorming. Wat voor een standpunt we ook innemen er plakt altijd iets van dit eigenmachtige oordeel aan vast. Dat wil zeggen dat een ieder van ons de neiging heeft eigenmachtig daarover te oordelen wat hem een handeling brengt en het dan wel of niet te doen – zonder rekening te houden met alle anderen. Dit komt wederom tevoorschijn in het denken. Ieder heeft zijn eigen manier van denken. De wortel van dit denken is gachi de onwetendheid, daarom is het ook niet verwonderlijk dat dit denken zich tegenspreekt. We denken gewoon zo hoe het ons op dat moment het beste uitkomt. En onze ruzies kennen geen einde omdat niemand van zijn eigen, welgevormde mening af wil zien.

   Dan is er gaman. Het woord “gaman” kan op verschillende manieren uitgelegd worden, maar in principe betekent het dat we ons uitstrekken om te zien wie de grotere is. Alles op de wereld strekt zich op deze manier uit. Datzelfde principe geldt ook voor de atoom- en waterstofbommen of in de ruimtevaart. We willen altijd de eerste zijn.

   Uiteindelijk gaat het ons om gaai, de eigenliefde. Iedereen ziet het liefst zichzelf en iedereen handelt er ook naar. Daarom strekken we ons uit om ons met de anderen te vergelijken en vellen we eigenmachtige oordelen. Zo komt men ver vooruit in de wereld. Dat geldt voor helemaal bovenaan de poltiek als ook voor helemaal onderaan in de fabriek. Slimme mensen trekken slimme gezichten. Hoe worden we zo slim? Gachi, gaken, gaman en gaai. Het is ons nooit teveel om ons te rekken en te strekken alleen maar om te zien wie de slimste van ons allemaal is. Op deze manier maken we ons eigen leven gecompliceerder en knijpen elkaar de lucht af. En we weten nog niet eens waarom we dat doen. Dat geldt niet alleen voor de wereld in z’n geheel, maar ook voor jouw dorp, jouw familie. Als we ook maar een keer zouden inzien hoe idioot het is zich door de vier ego-illusies de nek te laten omdraaien en daarbij ook nog een slim gezicht te trekken, dan zouden we begrijpen wat Shakyamuni bedoelde toen hij zei: “De hele wereld is mijn bestaan en de lijdende wezens erin zijn allemaal mijn kinderen.”

   Sommigen menen dat men eerst boeddhologie gestudeerd moet hebben om dat te begrijpen. Maar boeddhologie heeft daarmee niets te maken. Je kunt studeren zoveel je wilt maar dat draagt niets bij aan de oplossing van jouw probleem. Daarom zijn er ook leerlingen van Boeddha Shakyamuni die nooit een intellectuele studie gedaan hebben. Ze waren niet allemaal van die knappe koppen als Shariputra of Maudgalyayana.(13) De boeddhaweg kent oneindig veel mogelijkheden daarom is er ook geen vaststaand antwoord op de vraag wat nou de boeddhaweg uitmaakt.

 

(11) De tijd tussen 1912 en 1926 tijdens het regentschap van keizer Yoshihito.

 

(12) Gachi betekent zichzelf niet kennen; Gaken de dingen alleen te zien vanuit het eigen, bekrompen perspectief; Gaman zichzelf opblazen in vergelijking met de anderen; Gaai de eigenliefde. De lettergreep “ga” is in elke van de vier begrippen het ego, “chi” de onwetendheid, “ken” de zichtswijze, “man” het zich opblazen en “ai” de liefde.

 

(13) De namen van de twee hoofdleerlingen van Shakyamuni die beiden stierven voor hun leraar. In vele soetra’s preken zij de Dharma in plaats van Boeddha Shakyamuni. Shariputra geldt als de meest wijze van de leerlingen van Boeddha terwijl Maudgalyayama bekend staat om zijn bovennatuurlijke krachten.

 

Hulde aan Daini !

 

   Er wordt gezegd dat we tijdens de tien maanden die we als foetus in het moederlichaam doorbrengen, alle fasen van de mensheidsevolutie vanaf een eencellig organisme doorlopen. Op deze manier groeien we naar onze geboorte als mens toe. Natuurlijk zijn we ons daarvan niet bewust en we hoeven ons ook niet druk te maken hoe we ons daartoe moeten gedragen. Het enige dat zeker is, is dat we op deze wereld gesmeten worden zonder ook maar ergens iets vanaf te weten. Op de wereld gesmeten worden we ineens gedwongen op onze eigen benen te staan.

   Toen Boeddha Shakyamuni twaalf jaar oud was, zat hij eens in de schaduw van een boom. In de buurt was een boer het veld aan het ploegen. Op deze manier kwamen allerlei insecten uit de bodem naar boven. Toen Shakyamuni zag hoe een vogel neerstreek om een insect op te vreten begon hij zich af te vragen waarom het leven zo ingericht is. De vogel die de arme insecten in de omgewoelde aarde vreet wordt door de mens afgeschoten. Op deze manier gaat het altijd door. Een Geisha houdt een man voor de gek. Maar ook de Geisha wordt op haar beurt weer door een man voor de gek gehouden. En zo kent het geen einde. De twaalfjarige Shakyamuni vond dat beklagenswaardig. De boeddhistische legende verhaalt dat hij zich zeer bedrukt voelde toen hij deze manier van de wandel van het leven gadesloeg. Toen ik twaalf of dertien was hield ik me helemaal niet bezig met het probleem van het leven. Maar iemand als Shakyamuni die later een grote godsdienststichter werd, hield zich met twaalf jaar al daarmee bezig: Alles in de wereld draait om vreten of gevreten worden. En alles doet zich moeite om in deze wereld van het vreten en gevreten-worden, zijn eigen huid te redden. Shakyamuni ging het erom de wereld te verlossen. Maar de mensen tot wie hij zich richtte waren niet altijd de slimste. Er waren ook ongeletterde die hun ontbrekende studie niet in de weg stond en die daarom Shakyamuni beter begrepen. Het doet goed, dat te weten. 

   Daini leefde in de tijd van Shakyamuni. Ook vandaag de dag zijn er nog grote verschillen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in Indië. De bovenste kaste zijn de Brahmanen, de stand van de hindoeïstische priesters. Daarna komt de stand van koningen en strijders, de Kshatriya’s. Op de derde plaats komt het gehele volk. En daarna komt de knechtenstand, de Shudra’s. Daini stamde uit de kaste van de knechten, de onderste kaste van allemaal. Hij en zijn broer verdienden hun onderhoud door in de stad de uitwerpselen op te ruimen. Niet alleen mochten ze niet bij de andere kasten gaan zitten. Nee, de leden van de andere kasten wilden nog niet eens aanraken wat de knechten uit de onderste kaste aangeraakt hadden. Ze werden als vuilnis behandeld. Men noemde ze zelfs “de onaanraakbaren”(14). Ze hadden geen plek waar ze naar toe konden gaan omdat niemand ze ooit zou opnemen. Shakyamuni was de enigste die geen onderscheid maakte tussen de leden van de verschillende kasten. Op een dag verscheen Daini voor Shakyamuni. Toen zei Boeddha tegen hem: “Daini, waarom word je niet mijn leerling?”

   Zou Daini tot een van de gewone kasten behoren, dan zou hij zich waarschijnlijk niet zo verheugd hebben over deze uitnodiging. Maar voor hem als onaanraakbare waar niemand ook maar iets mee te maken wilde hebben, was het echt bijzonder dat Shakyamuni niet alleen tegen hem sprak maar hem zelfs inviteerde zijn leerling te worden. Shakyamuni zelf was een Kshatriya, een prins uit de strijdersstand die het wereldse leven opgegeven had en het grote ontwaken ervaren had. Daarom kon Daini helemaal niet geloven dat zo een persoonlijkheid zich direct tot hem richtte. Hem restte niets anders dan zijn hoofd te buigen. Op het moment dat hij respectvol zijn hoofd boog, losten zich alle begeerten en illusies die hij sinds het eindeloze verleden in zich opgestapeld hadden, in het niets op. Er wordt zelfs gezegd dat zijn haar vanzelf uitviel, zijn lichaam ineens in een monnikengewaad gekleed was en dat hij het ontwaken van een grote Heilige ervoer.

   Daini behoorde tot de onderste bevolkingsgroep. Het spreekt voor zich dat hij lezen noch schrijven kon. Hij had zijn hele leven alleen maar uitwerpselen opgeruimd. Er was niets waarop hij zich kon beroepen. Niets waarmee hij zich voor Shakyamuni groots kon voordoen. Maar precies daarom was er voor hem ook niets om los te laten en toen Shakyamuni zich tot hem richtte, bracht zijn plotse, respectvolle buigen van zijn hoofd zijn ontwaken als een groot Heilige teweeg.

   Dat ging natuurlijk als een lopend vuurtje door de stad: Een onaanraakbare was leerling geworden van Shakyamuni! Hoe was dat mogelijk? Het oversteeg het voorstellingsvermogen van de mensen toen. De mensen geloofden hun oren niet. Indertijd dacht man dat een huis zou verrotten als een onaanraakbare er naar binnen zou gaan. Waarom zou een onaanraakbare door zo iemand als Shakyamuni als leerling aangenomen worden? Dus besloten ze om Daini te verstoten uit de gemeenschap van Shayamuni en begonnen te bedenken hoe ze dat konden doen. En in plaats van zich direct aan Shakyamuni te richtten en hem te vragen Daini te verstoten, vroegen ze het aan de koning Prasenajit (15). Toen Prasenajit dit hoorde ging hij ermee akkoord dat er iets ondernomen moest worden. Als Shakyamuni niet snel de onaanraakbare uit de gemeenschap zou uitsluiten dan zou dat niet alleen de andere leden van de orde schaden, maar ook Shakyamuni zelf zou onrein worden door Daini. En wie zou er dan nog komen om naar de leer van Shakyamuni te luisteren? Prasenajit maaket zich zo veel zorgen dat hij besloot Shakyamuni in het Jetavana-park (16) op te zoeken.

   Prasenajit was in paniek. Hij vond dat hij direct moest handelen, sprong op de rug van een olifant en verliet het paleis. Maar toen hij in de buurt van het Jetavana-park kwam zag hij een monnik zittend op een indrukwekkend mooie, met mos begroeide rots. Hij was met bezig zijn gerafelde pij te naaien en had de uitstraling van een echte heilige. Koning Prasenajit steeg van zijn olifant af en vroeg de monnik om hem naar Shakyamuni te leiden. Op een bescheiden maar respectvolle manier antwoordde de monnik: “Wacht even een moment!”.

   Deze monnik kwam niet alleen over als een volkomen ontwaakte, hij scheen ook nog over magische krachten te beschikken. Hij gleed door de aardbodem en stond plots voor Boeddha. Nadat hij hem over deze bezoeker had verteld, verdween hij weer als van de aardbodem verdwenen om daarna weer voor de koning op te duiken om hem vervolgens op dezelfde manier naar Boeddha te leiden. Logisch dus dat Prasenajit onder de indruk was van deze verheven monnik en zijn bijzondere gaven. Daarom vroeg hij Shakyamuni, noch voordat hij het verzoek om Daini te verwijderen ter sprake bracht: “Wie is deze heilige die me zojuist hierheen gebracht heeft en nu weer verdwenen is?”

   Van schrik viel de mond van de koning open. Hij was Boeddha gaan opzoeken om zich voor de initiatieven van de burgers in te zetten, om Daini uit de monnikengemeenschap te verwijderen. Maar nog voordat hij zijn verzoek kon inwilligen was hij al gegrepen door de uitstraling van Daini en had hem zijn respect betoond. Zijn hele voornemen loste zich daarmee in de lucht op.  

Hoe was het mogelijk dat Daini zo snel een volmaakt ontwaakte kon worden? Dat kwam doordat hij van begin af aan niets meer los te laten had. Hij bezat noch een sociale status, noch verworven kennis. Geen studie die hem in de weg stond en geen rijkdom om aan vast te klampen. Er was niets waar de vier zienswijzen van het ego – de onwetendheid (gachi), het eigen inzicht (gaken), de wedijver met anderen (gaman) en de eigenliefde (gaai) – zich aan vast konden klampen. Hij was al naakt en zonder ketens, wat kon hem daar nog gevangen houden? Toen Shakyamuni hem daarop verzocht zijn leerling te worden, was het antwoord voor hem eenvoudig: “Hartelijk dank!”

   Dôgen Zenji zegt ergens: “Wie zich respectvol buigt is een grote ontwaakte”. Dat is precies wat hier gebeurde. Daini bedankte zich gewoon en boog zijn hoofd. En dit was alleen maar mogelijk omdat hij als onaanraakbare niets had waaraan hij zich kon vastklampen. Men kan zeggen dat dat het grootste geluk op de aarde is.

   Ook het volgende gedicht stamt van Dôgen Zenji:

 

Altijd weer het geluk

van de stilte van het leven in de bergen

                                                                                        die de Lotussoetra mij verkondigt.

 

  Als Dôgen Zenji spreekt over het leven in de bergen bedoeld hij niet gewoon het leven in een afgelegen bergklooster. Hij heeft het over het leven in zazen. Zelfs als hier tig mensen gezamenlijk in de stilte zitten, in zazen is een ieder van ons gewoon zichzelf. Deze zazen is onze ware, oorspronkelijke aard, het is de beoefening van een ontwaakte. Dat bedoeld Dôgen Zenji als hij over de Lotussoetra vertelt, want het centrale uitgangspunt van de Lotussoetra is dat alle dingen de verschijning van de werkelijkheid zijn. Zazen is het manisfesteren van de ware aard van de dingen met dit lichaam. Alleen omdat we de wereld door onze karmische bril zien kunnen we de verschijning van de werkelijkheid zoals bedoeld in de Lotussoetra niet herkennen.

 

 

(14) Inderdaad stonden de onaanraakbaren nog onder de vier kasten en onderscheiden zich dus van de Shudra’s die in het kastensysteem ingedeeld waren.

 

(15) De regent van het Kosalarijk in Noord Indië en een beschermheer van de gemeenschap van Shakyamuni. In de soetra’s staat een dialoog beschreven die hij met zijn vrouw had. Toen hij haar vroeg wie ze op de wereld het liefste had, antwoordde ze: “Mezelf”. Op de tegenvraag hoe dat met hem zat moest hij concluderen dat het bij hem net zo was. Hij werd door zijn zoon Vidudabha van de troon verstoten en stierf op weg naar Magadha, het rijk van de Shakya-familie. Vidudabha vernietigde later het Shakyahof tijdens een oorlog tegen Magadha toen hij erachter kwam dat hij, de zoon van Prasenajit met een vrouw uit de Shakya-familie, niet van zuivere adellijke afkomst was omdat zijn moeder het kind was van een Shakya-minister en een dienares.  

 

(16) Het Jetavana-park zou de lievelingsplek van Boeddha geweest zijn waar hij negentien regentijden met zijn monnikengemeenschap doorbracht en meer leerredes gegeven heeft dan welke andere plek dan ook. Het landgoed behoorde oorspronkelijk de prins Jetakumara, een zoon van Prasenajit. Toen de koopman Anathapindika hem verzocht het park te verkopen zodat hij er een klooster voor Shakyamuni kon bouwen, antwoordde de prins met een lach: “Zelfs als zou je de hele grond met goud bedekken, zou ik dit park nog niet verkopen!” Maar toen de koopman daarna met karren vol met goud aankwam en daadwerkelijk begon de bodem met goudmunten te bedekken stond Jetakumara – onder de indruk van zijn wilskracht – hem het park af, hoewel de hoeveelheid goud bij lange na niet reikte om het gehele park te bedekken. Jetakumara hielp later zelf mee bij de oprichting van de kloostergebouwen.

 

 

De rijst van duizend huizen in deze ene schaal

 

   Twee, drie dagen geleden hoorde ik dat in het warenhuis Matsusakaya een keramiek tentoonstelling was, dus besloot ik ernaar toe te gaan. Er stonden de fijnste schalen opgesteld in de prijs van tienduizenden Yen tot aan honderdduizenden Yen. Met een slimme blik in de ogen gaven de mensen commentaar: “Dat is een bijzonder mooie schaal. En deze hier is ook niet verkeerd. Maar die daar achter daar klopt iets niet mee…” Normaal genomen drink ik mijn thee uit een doodgewone kom die je ook aan de kat zou kunnen geven voor het voer in te doen. Voor mij is dat oké. De thee smaakt heus niet beter als je het uit een dure kom drinkt. De mensen kopen zulke kommen alleen maar om te laten zien hoeveel ze er voor uit gegeven hebben: “Je kunt je niet voorstellen hoeveel tienduizend, nee honderdduizend yen mij deze kom gekost heeft!” Zo bevredigen ze zichzelf.

   Eigenlijk is dat heel menselijk. We willen ons constant meten aan de ander om te zien wie de meeste centen op zak heeft of wie de slimste van allemaal is. Dat doen we omdat we allemaal gewone mensen zijn. Een buiging maken wil zeggen ophouden met het zich rekken en strekken van de doorsnee-burger. We studeren vlijtig en jakkeren ons zelf af tijdens het werk omdat we verder willen komen dan de rest. Waarom anders deze inspanning als het ons niet erom ging een paar centimeter hoger te komen dan de ander? Dus gaat het ons erom, om vanaf boven op de anderen neer te kunnen kijken  In het boeddhisme buigen we omgekeerd zelf ons hoofd. Dat is oefening waarvoor we dankbaar mogen zijn.

   “Buiging” (Jap. Raihai) is ook de titel van een gedicht van Dôgen Zenji:

 

Geen wintergras te zien

Op de sneeuwbedekte bodem. Een reiger

verborgen in zijn eigen gedaante.

 

   Als een witte reiger op een sneeuwbedekt veld neerstrijkt kan men inderdaad beweren dat hij zich verbergt achter zijn eigen gedaante omdat wit in wit verdwijnt. Wie op deze manier transparant wordt, ziet af van zijn gewoontes. Ik ben niet meer “ik”. Deze transparantie dient geen doel. Het betekent alleen maar dat ik mezelf helemaal vergeet doordat ik zelf transparant word. En dat is precies waar het om gaat tijdens een buiging. Als je daarmee een doel wilt bereiken is het geen echte buiging meer. Als oudere dames de namen van boeddha’s en bodhisattva’s reciteren in de hoop verlossing te vinden dan zien ze dat als een teken van diepe toewijding. Maar echte toewijding betekent zichzelf te vergeten en gewoon een buiging te maken. Het wil niet zeggen dat je Boeddha smeekt.

   Ôbaku Kiun (17) was een boom van een vent, twee meter lang. Maar op zijn voorhoofd had hij altijd een bult van de vele buigingen die hij deed. Hoe moet hij zich niet op de grond gegooid hebben dat hij er zelfs builen van kreeg!

   Voordat de Chinese keizer Xuanzong (18) de troon besteeg had hij voor een tijdje zijn kop kaalgeschoren en als boeddhistische monnik geleefd. Hij was novice van Enkan Saian, een leerling van Basô Dôitsus (19). In de tijd dat de toekomstige keizer als secretaris voor Enkan werkte, was Ôbaku de eerste onder de monniken. Op een dag zag hij Ôbaku zijn buigingen maken en vroeg hem: „Je doet het niet voor de Boeddha, je doet het niet voor de Dharma, je doet het niet voor de sangha. Voor wie maak je de buigingen?“ Ôbaku antwoordde: „Ik doe het niet voor Boeddha, Dharma of Sangha. Op deze wijze gooi ik me gewoon op de bodem!“ Iets gewoon doen is de zin van de buiging. Als je iets gewoon doet dan bevat dat de onbegrensde weidse van de Boeddhadharma.

   Toen zich Dôgen Zenji zich voor zijn meester Tendô Nyojô (20) neerboog, zei Nyojô Zenji: „Het neerbuigen is naar haar aard leeg en ongrijpbaar. Hier kruisen zich wegen en de harten communiceren voorbij alle gedachten.“ Zowel het maken van een buiging als ook het ontvangen van een buiging zijn naar hun aard leeg en ongrijpbaar. Als twee mensen voor elkaar buigen dan geven ze hun ego een kleine pauze. Want zolang het ego geen pauze neemt kunnen we niet echt buigen. Beide zijden zijn door de buiging naadloos met elkaar verbonden. Daarom moet je je ego loslaten als je een buiging maakt. En net zo laat je je ego los als de ander zich voor je buigt en je beantwoordt gewoon de buiging. Dan bestaat er tussen beiden zijden niet meer de geringste afstand. Dat bedoelde Nyojô Zenji met de woorden: „Hier kruisen zich wegen en de harten communiceren voorbij alle gedachten.“ De leerling die buigt en de meester die de buiging ontvangt worden één. De verdienste van deze buiging gaat voorbij de gedachte. Deze verdienste kan door geen enkele, nog zo toegewijde studie bereikt worden. Alleen het zich-buigen waarin je jouw ego geheel loslaat bezit deze verdienste. Als je buigt of een buiging ontvangt, overstijg je daarmee jouw kader van de doorsneeburger.

   Tegen het einde van de Taishô-periode zei Takayama Chogyû (21): „We moeten verder kijken dan de huidige tijd.“ Vandaag de dag is er bijna niemand meer die het graf bezoekt van Takayama in de Ryûgeji-tempel in Matsubara. De mensen vragen naar het graf van Mori no Ishimatsu of het standbeeld van Shimizu no Jirôchô (22) maar voor Takayama interesseert zich geen mens meer. Daaraan kun je zien hoe het met de mens bergafwaarts gaat. Of ligt het werkelijk daaraan dat de jeugd van tegenwoordig zo dom is? Sommige zeggen ook dat het de invloed is van de radio en hitlijsten.

   Tijdens de Taishô-periode bracht ik eens enkele nachten door bij een doctor in natuurwetenschappen in Sendai. Toen de wetenschapper vroeg in de ochtend het huis uit ging, vroeg ik hem waar hij naar toe ging. Hij zei: „Ik ga naar de pijnboom waaronder Takayama Chogyû altijd mediteerde om zazen te beoefenen.“ Daarop besloot ik met hem mee te gaan.

   We mogen niet blijven steken in de moderne tijd. Met zijn woorden waarschuwt Takayama ons om te blikken voorbij onze afgebakende, huidige grenzen. Dat is wat buigen wil zeggen. Buigen betekent dat te buigen wat voor ons het allerbelangrijkste is: Ons hoofd. Maar wij gewone mensen willen onze kop niet buigen. We studeren liever, lopen het geld achterna en rekken en strekken ons in de hoop rang en stand te verkrijgen. Buigen wil zeggen het hoofd dat wij gewone mensen zo graag in de hoogte strekken, zonder voorbehoud te buigen. Een gewone mens die buigt is ineens geen gewone mens meer. Wie op deze manier zijn doorsneeburgerschap opgeeft, is niet meer geïnteresseerd in rang en stand. Want rang en stand hinderen hem hoogstens daaraan het hoofd te buigen. Wie het hoofd buigt vindt de ware weg. Daar heb je geen geld voor nodig. En je hoeft ook niet arm te zijn. Of je nu geld hebt of niet of je nu jouw naam neergezet hebt of niet, al dat speelt totaal geen rol. Als je werkelijk in staat bent gewoon een buiging te maken dan vind je in deze buiging de ware en hoogste weg en het grootste geluk op deze aarde.

   In een boek las ik ooit van een merkwaardige bedelaar, genaamd „Roku“ (23). Op straat riep iedereen „Roku, Roku“ naar hem. Dat heeft met het volgende verhaal uit de Dhammapada (24) te maken: Op een dag ging een zeeschildpad aan land waar hij verrast werd door een vos. Direct trok hij zijn hoofd in. Toen de vos greep naar zijn armen en benen, trok hij ook zijn armen en benen in. En toen de vos naar zijn staart greep, trok hij ook deze in. Daarom werd deze zeeschildpad „Rokuzô“ genoemd, letterlijk de „zes vertrekken“. En op de rug van Roku, de bedelaar moet inderdaad het schriftteken voor een „schildpad“ gestaan hebben.

   In ons geval staat deze zes vertrekken voor de zes zintuigen; oog, oor, neus, tong, lijf en bewustzijn (25). De zes vertrekken zijn als ramen waardoor we  onze illusies zien. Als we iets met onze ogen zien dan wensen we dat we het konden hebben. Als we een stem horen dan stellen we ons voor hoe mooi de vrouw moet zijn die deze stem heeft. En al helemaal als de geur van haar parfum in onze neus komt! Als een gerecht onze tong streelt dan stellen we ons voor wat voor een culinaire hoogstandje het is. Gebraden aal? We raken iets met de vingers aan en het voelt als de fluwele huid van een jong meisje... Op deze manier kijken we door de zes vensters naar onze illusies. En als we niet oppassen pakt ons de duivel door een van deze zes vensters. Dat wordt in de Dhammapada door middel van de metafoor met de schildpad uitgelegd. Zoals Rokuzô zijn zes ledematen onder controle heeft en ze rap intrekt, moeten ook wij opletten op onze zes zintuigen. Het kan zijn dat dit verhaal slechts een verzinsel is van de Dhammapada maar dat is wel waar het hier om draait.

   Terug naar Roku, de bedelaar. Op het eind van zijn leven zette hij een strohoed op en beoefende zazen. Er wordt gezegd dat hij op deze manier gestorven is. Op de strohoed had hij een gedicht geschreven van zeven regels, dat begint:

 

„Rijst uit duizend huizen in deze ene schaal“

 

   In Roku’s bedelkom verzamelde zich de rijst uit alle mogelijke huizen. Een familie gaf hem hete polentarijst, een andere koude risotto. Deze schaal had plek voor elke vorm van rijst. Daar paste inderdaad de rijst uit duizend huizen in. De zin volgt:

 

                                                                           „Hoeveel herfsten zijn door het land getrokken?“

 

   Ieder mens leeft zijn leven alleen. Zelfs ie getrouwd is, zelfs wie ouders of kinderen of familie heeft, is uiteindelijk alleen. Dat geldt niet alleen voor een vrijgezel als ik. Zelfs al was ik getrouwd dan nog kan mijn vrouw mijn pijnen niet wegnemen en ze zou ook niet deze lezing kunnen geven in plaats van mezelf.  Mijn vrouw zou mij niet kunnen vervangen. Daarom moet iedereen zijn leven zelf in de hand nemen. Dat wil zeggen alleen zijn.

 

„Zonder vreugde en zonder verdriet“

 

Natuurlijk is er ook vreugde in het leven maar zodra we de vreugde zat zijn dan is het op een gegeven moment geen vreugde en verandert deze in verdriet. Maar ook het verdriet is niet eeuwig. Ooit neemt de last af, onze humeur beurt op en ineens zijn we weer blij. Vreugde en verdriet laten zich niet vasthouden, ze veranderen voortdurend. Op deze manier drijven we in de maalstroom van leven en dood: hoewel we de vreugde achterna lopen, slaat deze om in verdriet. En we weten nog niet eens wat werkelijke vreugde en werkelijk verdriet inhouden. Want noch vreugde, noch verdriet hebben werkelijk substantie.

 

„Geen vorm en geen leegte“

 

   In de Hannyashingyô wordt gezegd: „Vorm is leegte, leegte is vorm“ (26). Het begrip vorm heeft hier niets te maken met bonte kleuren. Vorm is dat wat in de Yogacara-filosofie (27) „de fenomenen“ genoemd wordt. Of met andere woorden, de objecten van onze waarneming, de dingen. Belangrijk is dat de dingen geen werkelijke substantie hebben. Alles vergaat. Wil dat dan zeggen dat niets bestaat? Nee. Dat de dingen daadwerkelijk bestaan is reeds zichtbaar als het pijn doet wanneer we ertegen aan rennen. En als je niet oppast kun je daarbij zelfs om het leven komen.  Daarom schrijft Roku hier: „Geen vorm en geen leegte“. Hier aanbelandt wordt hij niet meer door de vreugde en verdriet, door de vorm en de leegte uit zijn evenwicht gebracht. Hij is nergens meer aan gebonden, en ...

 

                                                                         „Als de zon schijnt is het warm in het gras aan de oever“

  

   Als hij zo een dutje deed zal de wind uit de richting van de rivier gekomen zijn:

 

„Onder de brug waait een koele bries“

 

   Hoe gelaten deze Roku zijn leven leefde! Eenvoudig en bescheiden en juist daarom is iedere afzonderlijke dag vervult, het ontbreekt hem aan niets. Toen ik nog in Kumamoto leefde was daar een bedelaar die door iedereen „heer Weer“ genoemd werd omdat hij meesterlijk het weer kon voorspellen. Hij was ook graag in de kroeg te vinden waar hij voor zijn zang en dans sake kreeg. Nadat hij zich had ingedronken ging hij goed gehumeurd naar beneden, naar de rivier waar hij in een ketel die hij altijd bij zich droeg zijn bij elkaar gebedelde eten nog een keer goed doorkookte en het dan opat. Met het koken was hij zeer precies en ik kan me voorstellen dat hij geen gering persoon was geweest voordat hij besloot om als bedelaar te gaan leven. Ook deze heer Weer leefde zijn leven geheel naar het motto: „Als de zon schijnt is het warm in het gras aan de oever“. En ook wij monniken brengen tijdens onze pelgrimjaren de nachten vaak buiten door of zoeken gedurende de dag bescherming in de schaduw onder de brug waar een koele bries waait. 

 

„Zou er iemand vragen naar deze Roku

Dan laat hem de heldere maan zien die in het water drijft.“

 

   Elke dag uit het leven van Roku was zo helder en lichtend als deze maan. Hij was vervult van zo een frisse geest dat hij moeilijk een gewone boef of nietsnut genoemd kon worden. Het moet een groot dichter of monnik geweest zijn. Maar het enige wat van hem is blijven hangen is dit korte verhaal en die paar zinnen die hij op zijn stohoed geschreven had voordat hij tijdens de zazen-oefening stierf. Een verstopte heilige! Als bedelaar leefde hij zijn leven volkomen vrij en onbezorgd, dag na dag een goede dag, jaar na jaar een goed jaar.

 

(17) Chin. Huangbo Xiyun (gest. 850), hij was de leraar van Rinzai Gigen (Chin. Linji Yixuan) en daarmee de wegbereider van de Rinzai-zen; tegelijkertijd is    hij ook de naamdrager van de Japanse Ôbaku-school die in het jaar 1654 door de monnik Ingen (Chin. Yinyuan) in Japan werd ingevoerd.

 

(18) 810-859, een van de laatste keizers van de Tang-dynastie. Zijn regeringstijd leidde tot revolutionaire ontwikkelingen zowel in het culturele alsook het technologische bereik. Hij maakte een eind aan de onderdrukking van het boeddhisme dat onder zijn voorganger de keizer Wuzong geheerst had. Ook op het gebied van de scheikunde was er grote vooruitgang en de Chinese vuurwerkkunst ontwikkelde zich.

 

(19) Chin. Mazu Daoyi, 709-788. Verdere leerlingen van Basô waren Nansen (Chin. Nanquan, 748-835) bekend van de kôan waarin hij een kat dood en Hyakujô (Chin. Baizhang, 720-814) de meester van Ôbaku van wie ook de oudste kloosterregels en de spreuk stammen: „Een dag zonder werken, een dag zonder eten!“ Enkan was dus een broederleerling van de meester van Ôbaku.

 

(20) Chin. Tiandong Rujing, 1163-1228

 

(21) 1871-1902. Door romantische idealen en door Nietzsche beïnvloedde denker en literator die tijdens de ommekeer van de Meiji-tijd werkte. De geciteerde spreuk siert ook het graf van Takayama. De Taishô-periode bestrijkt de tijd tussen 1912 en 1926 gedurende het regentschap van keizer Yoshihito in Japan. Sawaki vergist zich hier dus bij de datering van het citaat want Takayama stierf vroeg aan tubercolose en maakte de Taishô-periode niet meer mee.

 

(22) Jirôchô leefde van 1820 tot 1893. Hij was een outlaw en gokker aan het eind van de Tokugawa-periode (1603-1867), maar nam na het aanbreken van de Meiji-tijd (1868-1912) officiële opdrachten van de nieuwe regering aan en stond op goede voet met de zwaardvechter Yamaoka Tesshû. Ishimatsu stierf in 1860 en was een bekende, beruchte drinker, speler en Yakuza. Er wordt gezegd dat een stuk van zijn grafsteen geluk zou brengen bij het spelen, daarom wordt zijn graf vaak geschonden. De huidige grafsteen voor de Daidônin, een Sôtô-tempel werd uit een zeer harde Afrikaanse steensoort vervaardigd. Zowel Ishimatsu als ook Jirôchô werden in veel legendarische vertellingen en volksliederen vereeuwigd.

 

(23) „Roku“ is Japans voor „zes“ en een afkorting van de naam „Rokuzô“.

 

(24) De Dhammapada, een verzameling korte zinspreuken van Boeddha, is een van de meest bekende en pregnante teksten van het Pali-kanon. De metafoor van de schildpad stamt van een commentaar bij de verzen 40 ff: „De geest bepaald zelf zijn toestand. De geest die slecht denkt creëert zijn eigen ellende. Het is de gedachte die zich verwerkelijkt. Noch vader, noch moeder kunnen ons en onze werkelijkheid belichamen. Als we gewoon onze gedachten in de juiste richting sturen, zullen we het geluk vinden. Als een wijze de honger van de zes zintuigen zo beteugelt als een schildpad die zijn ledematen intrekt en als hij zijn gedachte zo onder controlle heeft als een stad die omringt wordt door een beschermingswal dan zal hij zijn gevecht met Mara, de duivel zeker winnen en zich van toekomstige ellende bevrijden.“

 

(25) Letterlijk: de zes wortels (Jap. Rokkon). In het boeddhisme wordt het denkende bewustzijn tot het zesde zintuig naast de uiterlijke, vijf bronnen van de waarneming gerekend.

 

(26) De Hannyashingyô (Skr. Prajna-paramita-hridaya-sûtra) is wellicht de meest bekende soetra in Oost-Azië. Hierin wordt de essentie van het uit zeshonderd banden bestaande mamoetwerk samengevat, dat afstamt van de Indische filosofen van de zogeheten Wijsheidsschool. De belangrijkste vertegenwoordiger is de boeddhistische logicus Nagarjuna die in de tweede eeuw leefde. Het Sino-Japanse schriftteken dat hier als „vorm“vertaald is, kan ook „kleur“ betekenen.

 

(27) „Een in de 4e eeuw opgerichtte filosofische school van het Mahâyâna-boeddhisme. De centrale leer van deze school zegt dat alle waarneembare fenomenen alleen op grond van de geest ontstaan en dus substantieloos zijn. Daardoor worden alle waarnemingen als mentale projecties ingedeeld.“(Wikipedia)  

 

Onnodige ballast

  

   De soetra van de vertrekken met allerlei schatten vertelt onder andere het verhaal van een ongeschoolde monnik die nog niet eens kon lezen of schrijven. Al op de eerste dag toen hij leerling van Boeddha Shakyamuni werd moest hij met alle anderen gaan bedelen om zijn kost te verdienen. In een van de huizen werd hij uitgenodigd om te eten. Toen hij aan tafel plaatsnam kwamen gerechten op tafel waarvan hij zelfs nog niet eens gedroomd had. Het spreekt voor zich dat hij woorden te kort kwam om zijn dankbaarheid voor deze verfrissing uit te drukken. Nadat de vrouw des huizes de tafel had afgeruimd gebeurde er iets waarmee de monnik niet gerekend had. Ze maakte een diepe buiging voor hem en zei: „Daar ik slechts zelden de mogelijkheid krijg om eten te maken voor een monnik als u, zou ik u willen verzoeken nog even te blijven om me de Leer van Boeddha te predigen.“

   Daar hij net deze dag toegetreden was tot de monnikenorde van Boeddha, wist hij niets te zeggen. Maar hij wilde natuurlijk ook niet de dame teleurstellen. Hij was als versteend, de ogen dichtgeknepen. Zijn gastvrouw die dit niet kon weten dacht dat de monnik zich innerlijk voorbereidde voor de leerrede en wachtte met gebogen hoofd. De monnik wist niet of links of rechtsom en had allang het moment voorbij laten gaan om haar uit te leggen dat hij slechts een novice was en vandaag pas voor het eerst was gaan bedelen. Zo bleef hij stil en met gesloten ogen zitten terwijl de dame haar hoofd gebogen hield en dacht dat hij elk moment met zijn preek zou beginnen. Maar nadat ze voor hem de maaltijd bereid had en geserveerd en daarna de tafel afgeruimd werd ze overmand door de slaap. Toen de monnik zag dat ze in slaap gevallen was besefte hij dat dit zijn kans was: Op zijn tenen sloop hij het huis uit. Toen werd de vrouw wakker en ze vroeg zich af waarom de monnik nog niet was begonnen met prediken. Ze keek even omhoog en moest tot haar verbazing vaststellen dat hij allang vertrokken was.

   „Oh jee ik moet ingeslapen zijn en toen deze goede monnik dat zag heeft hij zich zeker ervandoor gemediteerd!“

   Geheel ontzet rende ze het huis uit om de monnik te gaan zoeken. De monnik had zich inmiddels verstopt tussen de bamboebomen. Het speet hem weliswaar dat hij niet zijn dank had kunnen uitspreken voor de gastvrijheid maar hij was ook blij om er heil vanaf gekomen te zijn. Ineens hoorde hij iemand op hem afkomen. En toen hij tussen de bamboe gluurde keek hij de vrouw direct in de ogen. Op dat moment, zo verhaalt de soetra ontwaakten beiden uit de droom van hun illussies die geen begin kenden. Dat wil zeggen dat ze beiden de vier zichtswijzen van het ego – de onwetendheid, de eigen mening, de vergelijking met anderen en de eigenliefde – loslieten. Daarbij werden ze niet geholpen door studie want de Boeddhaleer laat zich intellectueel niet verklaren. Ontwaken is ook zonder studie, zonder geld, zonder rang en stand mogelijk. De monnik hier gebeurde hetzelfde als Daini: Hij wist niets van de Boeddhaleer, had niets om te vertellen. Hij zou graag iets gezegd hebben maar waarmee moest hij beginnen? Op het laatst nam hij de vlucht maar toen hij dacht in zekerheid te zijn keek de vrouw hem ineens recht in de ogen! Hij stond als aan een afgrond, de weg was verspert in alle richtingen. De vrouw daarentegen dacht de monnik onvergeeflijk beledigd te hebben door in slaap gevallen te zijn. Ook zij wist niet meer of links of rechtsom. Ze hadden hun ego volledig losgelaten en van beide kanten was er alleen maar berouw. Zo werden ze beiden gereinigd.

   Als we daar eens goed over doordenken dan zullen we concluderen dat we van het begin af aan over niets beschikken waaraan we ons kunnen vastklampen. Maar we doen ons hele leven zo alsof we iets te verliezen hebben en deze illusie brengt ons uit evenwicht. Wat dragen we toch een onnodige ballast met ons mee! Als je dat duidelijk inziet en dat loslaat dan zal ook voor jou iedere dag een goede dag zijn en ieder jaar zal een goed jaar worden. Daarvoor hoef je geen bijzondere prestaties te verrichten. Als je gewoon begrijpt dat alles wat jij als onmisbaar gezien hebt in werkelijkheid overbodig is, dan zal elke dag een goede dag zijn.

 

(Lezing gehouden op 5 mei 1968 in de stad Matsuyama)

 

 

Copyright Antaiji