De beoefening van zazen

Zazen? Nergens goed voor!

(Sawaki Kodo)

 

Ieder aspect in het dagelijkse leven in Antaiji is oefening. In het centrum van ons leven staat zazen, het onbeweeglijk zitten. Maar dat wil niet zeggen dat werken, eten of vrije tijd minder belangrijk zijn dan zazen. Het is zoals een wiel draait: De as zelf rust in het midden waardoor het rad kan draaien. En zo is het ook bij de beoefening van het zitten waar alle activiteiten in ons leven omheen draaien. Het is ook bij zazen belangrijk niet te vergeten dat we met ons lichaam oefenen. Daarom zegt Sawaki Roshi: „Nadenken heeft niets te maken met zazen. Zazen is geen theorie. Het is lichamelijke oefening. De oefening waardoor jij zelf jezelf tot jezelf maakt. Je doet het met dit lichaam.“ Hoe ziet deze concrete oefening eruit?

  In de „Zazengi“, een hoofdstuk uit de „Shobogenzo“ geeft Dogen gedetailleerde aanwijzingen voor zazen:

„Voor zazen is een stille plek nodig. Leg een dikke zitmat neer. De plek moet beschermd zijn tegen weer en wind, dauw en regen mogen niet binnendringen  De plek waar je zit moet licht zijn, niet donker in de nacht en ook niet overdag.. Hou het schoon en ordelijk, warm in de winter en koel in de zomer.

  Laat alle verbindingen los, laat de tienduizend aangelegenheden rusten. Denk niet aan goed of kwaad. Het gaat noch om jouw geest, noch om jouw bewustzijn, gedachten of meningen. Probeer niet een boeddha uit je te maken, laat zitten en liggen vallen.

Eet en drink met mate, benut de dag als de nacht. Oefen zazen alsof je een vuur op je hoofd wilt doven.

  Zazen beoefen je op een kussen. Leg het kussen niet onder het hele zitvlak, maar laat het voor de helft naar achteren uitsteken. Op deze manier ligt de mat onder je voeten en het kussen onder je ruggegraat.

  Zit of in de halve of in de hele lotuszit. Bij de hele lotuszit leg de rechtervoet op het linker dijbeen en dan de linkervoet op het rechter dijbeen. Bij de halve lotuszit leg je de linkervoet op het rechter dijbeen.

  Draag het binnenste en buitenste gewaad losjes en netjes. Leg de rechterhand op de linkervoet en de linkerhand op de rechterhand. De topjes van de duimen raken elkaar lichtjes aan en liggen tegenover de navel. Plaats beide handen op deze manier dichtbij het lichaam.

  Zit recht in de juiste houding. Zit niet naar links of rechts gekromd, voorover gebogen of achteruit leunend. Oren en schouders liggen op een lijn, de neus recht boven de navel. De tong rust tegen het gehemelte. Adem door de neus. Hou lippen en tanden gesloten. Hou de ogen open, niet te wijd en niet te smal.

  Als lichaam en geest op deze manier afgestemd zijn dan adem een keer diep uit door de mond. Zit stabiel en geconcentreerd als een machtige berg en denk het niet-denkende. Hoe doe je dat? Laat de gedachte los! Dit is de kunst van zazen.

Oefen jezelf niet in meditatie. Zazen is de poort van grootste vrede en geluk. Het is het onbevlekte oefenen en belichamen.“

 

Wat jij als mens voorstelt hangt af van de spanning en indeling van jouw spieren en zenuwen. Ontwaken wil zeggen het juiste evenwicht te vinden tussen de spanning in spieren en zenuwen. Waarom moeten spieren en zenuwen in evenwicht gebracht worden? Vraag niet waarom, doe het gewoon! Doe het met dit lichaam. Als het lichaam het juiste evenwicht bereikt dan is dat ontwaken.

(Sawaki Kodo)

 

Vaak wordt gezegd dat het bij zazen belangrijk is eerst te letten op de houding van het lichaam, dan de adem te reguleren om tenslotte de stilte van de geest te vinden. Het zal je opgevallen zijn dat Dogen de houding van het lichaam in deze korte tekst vergelijkbaar beschrijft. Hij beschrijft zelfs de positie van de tong. Want het lichaam is niet gescheiden van jou maar jij bent jouw lichaam. Of het lichaam is jij. Denk er ook aan dat het lichaam niet bij de armen of benen ophoudt. Alles eromheen hoort erbij. Daarom zegt Dogen ook dat de plek voor zazen schoon en netjes moet zijn.

  Tevergeefs zoekt men daarbij naar een beschrijving van een speciale ademtechniek. Afgezien van een diepe uitademing door de mond die bij het begin van zazen gedaan moet worden, wordt alleen maar gezegd „Adem door de neus“. Dat is niet veel. En ook over de geest wordt alleen gezegd dat we het niet-denken moeten denken door de gedachte los te laten. Waarom, zul je je afvragen, houdt Dogen zich bezig met de details van de houding tijdens het zitten? Waarom vertelt hij ons niet meer over de adem en de geest tijdens zazen waar het toch uiteindelijk op aankomt? Het antwoord is dat lichaam, adem en geest één zijn. Zodra we het lichaam in de juiste houding brengen, komen ook adem en geest op een natuurlijke manier in hun oorspronkelijke toestand terug. Tijdens zazen kunnen we ervaren dat ons lichaam niet alleen van onze kruin tot aan onze zolen reikt maar zich zowel naar buiten als ook naar binnen grenzeloos uitdeint. Alle indrukken zoals kleuren of geluiden maken deel uit van onszelf, we ervaren ze niet gescheiden van ons zelf.

  In Antaiji duurt een ronde zazen tussen 45 en 60 minuten. Normaliter zitten we twee rondes 's ochtends en nog twee rondes in de avond maar tijdens de twee maandelijkse sesshins zijn het 15 rondes dagelijks en dat drie, respectievelijk vijf dagen achter elkaar. 1.800 uur brengen we jaarlijks door in zazen. En hoewel Dogen het als „de poort van grote vrede en geluk“ beschrijft, zul je in het begin eerder pijn, vermoeidheid, wensen, verveling, frustratie, woede, hopeloosheid en alle andere mogelijke gevoelens en gedachten in je op voelen komen.

  Laat alles voorbijgaan. Als je niet zit met de bereidheid te sterven dan zal het niet mogelijk zijn de weg van zazen te vinden. Als je ook maar aan iets vasthoudt – al is het jouw leven – dan verdoe je alleen maar je tijd. Vecht niet, geef je gewoon over aan de houding. En dan nog is het niet eenvoudig een evenwicht te vinden tussen enerzijds de impuls op te staan van het kussen en op te houden met zazen en anderzijds de poging je bijtend op je tanden en door de pijn heen te vechten. Loslaten wil zeggen, één-zijn. Als je één bent met de pijn zul je misschien constateren dat niets pijn meer doet omdat er geen afstand meer is.

  Werkelijk levensgeluk speur je bijvoorbeeld als je denkt reeds gestorven te zijn maar tot je eigen verrassing vaststelt dat je toch nog leeft. Wat een wonder! Dat is natuurlijk eerder een zeldzame ervaring. Maar misschien heb je het zelf eens meegemaakt dat je op straat net ontsnapte aan een ongeluk en plots grote dankbaarheid ervoer over het doodgewone feit dat je niets overkomen was. Normaal genomen denken we dat in het normale leven eerst iets moet gebeuren waardoor we gelukkig kunnen zijn maar in dit grensgeval zul je inzien wat voor een een geluk het is dat er niets gebeurd is. Misschien heb je ook eens meegemaakt hoe mooi de wereld kan zijn als je na een lang ziekteproces eindelijk weer eens naar buiten komt. Een soortgelijke ervaring kun je ook na een sesshin krijgen als je de ergste pijnen doorstaan hebt.

 

Zazen wil zeggen in je eigen doodskist klimmen. Daar is geen discussie meer. Als je zit stel je dan voor dat je al dood bent.

(Sawaki Kodo)

 

Vecht je daarentegen met op elkaar gebeten tanden en je probeert zazen te „doen“, dan zal het ver van je verwijderd zijn. Alleen als je alles overlaat aan de houding zal zazen zich vanzelf in jou manifesteren. Je moet jezelf opgeven zodat zazen zich vanzelf kan verwerkelijken. „Geef je jezelf zoals de aarde die in de berg opgaat?“,  luidt de vraag uit een Chinese verzameling van kloosterregels met de titel „Zen-en Shingi“. Een berg bestaat uit een grote hoeveelheid aarde maar de aarde probeert geen indruk te maken met zijn massa maar verdwijnt gewoon onder het oppervlak van de berg alsof het niet bestaat. De berg zelf maakt indruk door zijn pracht, juist omdat de aarde zich erin laat verzwelgen en bomen en struiken een basis biedt. En ook de bomen en struiken treden niet op de voorgrond maar gaan op in het volledige plaatje van de berg en verfraaien deze elk jaargetijde op de meest uiteenlopende manieren. Als Dogen ons maant zo geconcentreerd te zitten „als een machtige berg“ dan is dat een verzoek ons geheel aan zazen over te geven en het niet te benutten voor onze persoonlijke besognes. En dat geldt natuurlijk niet alleen voor zazen maar voor alle handelingen in ons dagelijks leven.

  „Oefen jezelf niet in meditatie“, zegt Dogen en dat mag je verrassen. Het gaat er niet om iets te bereiken – nog niet eens satori, de verlichting. Want zazen is geen middel tot doel. Het gaat er alleen om los te laten en één te zijn in het huidige moment. Helaas zijn er altijd weer mensen die mediteren en denken: „Ik moet mijn gedachten loslaten om de verlichting te vinden en tot boeddha worden!“ Het spreekt voor zich dat zoiets absurd is. Daarom zeggen ze op een gegeven moment: „Ik beoefen nu al zazen voor zoveel jaar maar het lukt me nog altijd niet om m’n gedachten los te laten.“ Daarbij gaat het er juist om eerst eens deze gedachte los te laten. Want anders wordt loslaten tot een dwangmatige poging de eigen gedachte uit te schakelen. Dat verklaren ook de volgende, korte citaten.

 

Jij beoefent zazen? Jij moet door zazen gemaakt worden!

Wij zoeken niet naar de Weg. De Boeddhaweg zoekt naar ons.

We bereiken geen satori door oefening. Ieder, afzonderlijke stap is het doel.

Satori begint daar waar jij ophoudt ernaar te zoeken.

Bij de zen-oefening gaat het er niet om satori te verkrijgen. Het is de satori die onze oefening aantrekt. We oefenen, gemangeld door satori.

(Sawaki Kodo)

 

Jezelf niet in meditatie oefenen wil ook zeggen de poging opgeven constant naar jezelf te kijken en jezelf te controleren en geheel natuurlijk jezelf zijn. Zazen wordt soms verkeerd begrepen als een vorm van oefening in opmerkzaamheid waarbij de persoon die mediteert naar zijn eigen geest kijkt – als een plichtbewuste winkeldetective die zijn ogen star op de bewakingsmonitoren gericht heeft.

  Het probleem daarbij is dat we een afstand scheppen tussen het zelf dat kijkt en het object dat bekeken wordt, wat ons zelf is. In plaats van één te zijn, splijten we onze geest in twee. Dat het eigenlijk erom gaat ons over te geven aan de zithouding van het lichaam hebben we dan allang vergeten. Daarom geef ik soms het advies aan mensen die naar Antaiji komen, te stoppen met attent te zijn. Dat verbaasd velen want het geloof dat de zen-oefening precies daaruit bestaat opmerkzaam te zijn, is wijd verbreidt. Ook ik zou verrast geweest zijn als iemand mij bij het begin van mijn zen-oefening gezegd zou hebben dat ik moest „ophouden met aandacht schenken.“

  Ik herinner me nog dat in de dojo waar ik als student in Berlijn deel van uit maakte er regelmatig gezegd werd dat we zazen „onbewust, natuurlijk en automatisch“ moesten beoefenen. Zelf had ik er geen probleem mee dat de oefening „natuurlijk“ moest zijn, maar waarom in godsnaam „onbewust“ en „automatisch“?  Dat leek het tegenovergestelde van natuurlijk-zijn alsof we robotten moesten worden. Ging het in de zen-oefening niet juist erom het eigen leven bewuster te leven? Bewust te zijn van elke, afzonderlijke ademteug, van elke afzonderlijke stap? Het antwoord luidt: Ja en nee.

  Ja, we moeten onze oogkleppen afnemen en onze ogen en oren openhouden voor alles wat overal om ons heen gebeurt. We moeten waakzaam zijn als een kat die op de loer ligt. Maar als we niet gelijktijdig ons bewustzijn van onszelf als diegene die observeert verliezen, ontstaat een kloof tussen ons als subject en ons als object. Onbewust oefenen betekent dus één te zijn met alles wat je doet.

  „Natuurlijk“ is in het Japans „shizen“ wat zoveel betekent als „vanzelf zijn“, „door zichzelf zijn“. „Automatisch“ is „jido(teki)“ en staat voor „zich door zichzelf bewegen“. Deze twee begrippen liggen dicht bij elkaar. Als we „onbewust“, „natuurlijk“ en „automatisch“ oefenen zijn we één met alles wat we doen (onbewust, dus zonder scheiding). Dat wil weer zeggen dat de oefening niet als de oefening is (natuurlijk, dus zonder doel) en dat de oefening zelf de oefening oefent, dus zonder het ik als subject.

  Dit is precies datgene wat de historische Boeddha Shakyamuni beoefende 2.500 jaar geleden onder de Bodhi-boom: zazen. Jammer genoeg werd deze oefening niet altijd juist begrepen en correct doorgegeven. Veel mensen denken dat zazen gewoon onbeweeglijk zitten is terwijl het wezenlijke deel van de oefening op een spiritueel vlak verloopt: de geest concentreren, mediteren, bewust en aandachtig zijn, tot verlichting komen. Sommige geleerden gaan zelfs zo ver, za-zen in tweeën te delen en zeggen dat „zen“ („meditatie“) beduidend belangrijker is dan „za“(„zitten“).

 

Als je je laat hangen, hangt ook jouw geest. Neem je een waardige houding aan dan verleen je ook jouw geest waarde. Als het er ons dus om gaat te worden zoals Shakyamuni Boeddha moeten we eerst eens de houding aannemen die zo stabiel is als die van Shakyamuni. Op deze manier zitten we op dezelfde golflengte als Shakyamuni. De vorm bepaalt de inhoud.

(Sawaki Kodo)

 

Zen is een religie – en niet een heilbrengende lichaamstherapie – daarom is het ook niet verkeerd te zeggen dat het in zen om de geest en verlichting gaat. Maar de mentale houding kan niet gescheiden worden van de oefening van het lichaam. De zithouding zelf is een uitdrukking van de geest – oefening is uitdrukking van satori. Dat is het punt waar Dogen Zenji ons altijd weer op wijst en het is deze oefening die Sawaki Roshi in de vorige eeuw opnieuw ontdekt heeft. Maar toch schijnen er nog altijd zen-beoefenaars te zijn die denken dat zen een zaak van de geest is en niet van het lichaam. Ze denken dat het om satori gaat – en niet daarom gewoon te zitten. In een Chinese zen-koan wordt de moeite die een zen-leerling heeft het bezig-zijn met de geest los te laten, in een dialoog uitgelegd:

„De grote Weg kan niet met de geest begrepen worden, noch in woorden uitgedrukt, toch vraagt een leerling de meester: ‚Wat is de geest? En wat is rust-van-geest?

De meester antwoordt: ‚Hou op met pretenderen een geest te hebben. Hou op met proberen deze tot rust te brengen. Dat betekent rust-van-geest.’

Leerling: ‚hoe kunnen we dan zonder een geest de grote Weg leren?’

Meester: ‚Zelfs al zou je een geest hebben, zou je daarmee toch niet de Weg kunnen begrijpen – de Weg staat geheel los van dingen zoals de geest.’“

  Dat laat me denken aan Bodhidharma, de Indische monnik, die de oefening van India naar China overgebracht heeft en daarom de eerste patriarch van zen genoemd wordt. Toen de Chinese keizer hem vroeg welke verdienste hij kon verwachten van de beoefening van het boeddhisme, luidde zijn antwoord: „Helemaal geen verdienste!“ Toen hem daarna gevraagd werd, wat de diepste waarheid van het boeddhisme was, antwoordde hij: „Slechts lege, open uitgestrektheid – helemaal niets om te vatten.“ En op de vraag van de keizer voor wie hij zich wel hield, antwoordde hij tenslotte: „Geen idee – ik weet het niet.“ Daarna trok hij zich terug in de bergen om negen jaar lang alleen voor een muur te gaan zitten. Uiteindelijk kwam Eka, de tweede patriarch, midden in de winter naar hem toe en verzocht hem zijn leerling te mogen worden. Bodhidharma negeerde hem aanvankelijk. Nadat hij een nacht lang in de sneeuw gestaan had, hakte hij zijn linkerarm af en drong aan: „Mijn geest kan geen rust vinden. Help mij alstublieft de rust-van-geest te krijgen.“

  Is dat nou niet precies wat we allemaal zoeken? Rust van geest?

Bodhidharma antwoordde: „Breng me je geest en ik zal hem rust schenken.“

De tweede patriarch zei daarop: „Ik heb hem al zo lang gezocht maar ik kan hem nog altijd niet bevatten!“

Bodhidharma antwoordde: „ Zie, kent jouw geest niet allang vrede?“

Ook hier krijgen we het te horen. Je zult geen rust van geest vinden zolang je probeert jouw geest te manipuleren, rustig te krijgen of opmerkzaam te zijn. Maar hoe kan dan de rust van geest verkregen worden? Bodhidharma gaf het antwoord door gewoon voor een muur te gaan zitten.

 

De ogen zijn horizontaal, de neus verticaal, de kruin reikt tot aan de hemel en de oren liggen op een lijn met de schouders. Wat valt er te doen in dit ogenblik? Controleer jouw apengeest en paardenwil. Oefen als een lotus in het vuur.

(Dogen Zenji)

 

De menselijke geest wordt in het boeddhisme sinds oudsher vergeleken met een aap die naar believen van de ene tak op de andere springt of met een wild paard dat zich niet laat temmen door zijn ruiter. In het vroege boeddhisme probeerden de monniken eerst de geest te temmen door zich aan de geboden te houden en te reflecteren over de Leer van Boeddha. Deze oefening leidde echter tot niets omdat de monniken vergeten waren dat de instantie die controleert waarmee ze hun geest in bedwang wilde houden, zelfs slechts een uitvinding van hun apen- en paardengeest was.

  Daarom gaf Sawaki Roshi de mediterenden het advies: „Hoe meer je je bezig houdt met jouw apengeest en paardenwil, des te gekker zullen deze aap en dat paard in een kring rondspringen en hun plezier aan jou beleven. Je kunt zazen beoefenen en de geboden van een monnik zo strikt naleven als je dat wilt – en wachten tot je een ons weegt. Toch zul je jouw illusies niet kwijtraken. Hoe vertwijfelt je ook zult proberen los te komen van jouw illusies, je zult niet de toestand van het niet-denken of niet-geest bereiken – je maakt alleen maar jezelf gek!“

  Betekent dat dan dat we in zazen gewoon maar zitten en ons op niets concentreren? In geen enkel geval. In de „Zazengi“ zegt Dogen tenslotte nadrukkelijk dat je moet oefenen „alsof je een vuur op je hoofd wilt doven.“

  Als ergens in de stad een huis in brand staat, vragen we ons waarschijnlijk nieuwsgierig af waar dat huis staat en van wie het is. Velen beoefenen zen met deze instelling van een toeschouwer die niet begrijpt dat het om het eigen leven gaat. Ze hopen op een betere gezondheid, meer rust en misschien zelfs verlichting door zazen maar ze zoeken dat allemaal ergens anders en niet direct onder de eigen voeten.

  Zie je echter in dat het jouw eigen huis is wat in brand staat, dan zul je geen zin meer hebben je met spirituele begoochelingen bezig te houden. Wie beseft dat zijn eigen lichaam net zo vergankelijk is als een zandkasteel op het strand zal zich bezig houden met de verlossing in dit leven. Maar vaak blijft toch de illusie staant van een onvergankelijke instantie in het lichaam, het „ware zelf“ dat het Nirvana moet ingaan. Dat zal niet gebeuren als je denkt dat het niet alleen jouw huis is dat vlam gevat heeft maar dat het jouw hoofd is – dat wil in dit geval zeggen de kern van jouw zelf – wat in brand staat. Voor een oefening in opmerkzaamheid rest dan geen tijd meer. Het gaat om jouw leven. Dat je daardoor niet afwezig van geest maar volkomen geconcentreerd in het moment moet zijn, hoeft dan niet nog eens extra gezegd te worden.

 

Je moet je volledig overgeven aan zazen, de geest brandend in het vuur van de gedachte: „Als ik niet nu in dit leven bevrijding vind, wanneer dan!?“ Als op deze manier jouw lichaam en geest in zazen opgaan zul je geen minuut, ja nog niet eens een seconde van je leven verkwisten.

(Sawaki Kodo)

 

 

Uit het boek "Zazen of de weg naar het geluk" van abt Muho