keizan jokin

Zazen-yôjinki

Zazen-yôjinki: Keizan Jôkin (1268-1325)

Uit het inmiddels niet meer verkrijgbare boek : "Dogen Zen - Kleine Schriften der Soto-Schule" van Heinrich Dumoulin. De oorspronkelijke titel van deze tekst is: "Merkbuch fur die Ubung des Zazen"

 

ZAZEN-YÔJINKI: Waarop te achten tijdens zazen


Zazen ontvouwt de kracht van de geest om de mens in het oorspronkelijke bereik thuis te laten komen. Dit is het openbaren van het oorspronkelijke gelaat of het openbreken van het licht van de oertoestand. Lichaam en geest vallen af, zijn vrij van zowel zitten als liggen. Men denkt goed noch kwaad, transcendeert profaan en heilig, overschrijdt begrippen als verwarring en verlichting en verblijft ver buiten de bereiken van levende wezens en boeddha’s.

Laat daarom alle dingen varen en werp alle last van je af, doe in alles niets en laat de zes zintuigen niet werken. Wie is dit? Sinds oudsher kent men zijn naam niet. Men mag hem niet lichaam noch geest noemen. Wil je hem denken dan snij de gedachtes af, wil je hem uitspreken dan slik de woorden in. Hij is als de onwetende poort, een steile wand, hoog als een berg en diep als de oceaan, je kunt niet naar de top wijzen noch de bodem aanschouwen. Hij belicht zonder tegenstellingen, zijn oog is helder voorbij alle wolken, aldoordringend zonder gedachte, de waarheid is licht gehuld in zwijgen en duiden. In het zitten overstijgt hij het universum, het gehele lichaam openbaart zich in volle eenzaamheid.

De ondoorgrondelijke grote Verlichte is als de grote Dode, geen troebel hindert zijn oog, geen stofkorrel hindert zijn voet. Wat zou hem kunnen bevlekken, wat zou hem kunnen hinderen? Helder water bezit van oorsprong geen voor- of achterzijde, de lege ruimte geen binnen en buiten, doorzichtig kristal straalt uit zichzelf wonderbaarlijk. Als vorm en leegte onafscheidbaar zijn, hoe kunnen dan subject en object ontstaan?

Sinds eonen huist het in ons, sinds onmetelijke tijden is het niet te benoemen. De derde patriarch en grootmeester gaf het eens de naam ‘geest’, de eerwaardige Nagarjuna noemde het vooralsnog ‘lichaam’. De vorm van de boeddha-natuur bezittend en het lichaam aller boeddha’s openbarend; deze volle maan gestalte, waaraan niets ontbreekt en niets teveel is: deze geest is Boeddha. Het licht van het zelf straalt sinds oudsher tot op heden, neemt de gestalte van Nagarjuna aan en belichaamt het samadhi van alle boeddha’s. De geest heeft oorspronkelijk geen twee gestaltes, het lichaam kent vele gestaltes. Alleen-geest en alleen-lichaam kennen geen verschillen, noch overeenkomsten. De geest verandert in het lichaam, het lichaam verschijnt in meerdere gestaltes.
Als een golf langzaam welt volgen alle golven, als een objectsbewustzijn verschijnt wedijveren alle Dharma’s. Als de vier elementen en de vijf skandha’s zich verenigen, verschijnen tegelijkertijd alle vier schakels en de vijf organen. Daarenboven ontstaan de 36 dingen en 12 oorzaken, ze vloeien ineen, veranderen en volgen elkaar op. Alle Dharma verschijningen verbinden zich. Daarom is de geest als het water van de oceaan en het lichaam als de golven. Zo als er geen golven zijn buiten de oceaan, zo is er geen druppel water buiten de golven. Zo als water en golven één zijn, zo zijn ook beweging en rust niet anders. Daarom wordt gezegd: 'Geboorte en dood, verleden en toekomst zijn de ware mens, zijn de vier grote elementen en de vijf skandha’s zijn het onverwoestbare lichaam'.

Zazen is de onderdompeling in het meer van de boeddhanatuur en de belichaming van alle boeddha’s. Plots openbaart zich de oorspronkelijke, wonderbaarlijke, heldere en zuivere geest, alom schijnt het oorspronkelijke, buitengewone licht.
Er is geen toe- of afname van het water in de oceaan, de golven wijzen niets terug. Alle boeddha’s verschijnen in de wereld voor deze ene grote kwestie, openbaren de wijsheid en verlichting voor alle levende wezens. Deze stille, zuivere, wonderbaarlijke kunst is zazen.
Dit is de samadhi van zelfverwerkelijking van alle boeddha’s en wordt ook wel het ‘koninklijke Samadhi’ genoemd. Als iemand ook maar een ogenblik in deze samadhi verwijlt, opent zich tegelijkertijd de geest; in waarheid is het de hoofdpoort tot de Boeddhaweg.

Wie zijn geest wenst te openen en belichten, moet zich ontdoen van alle kennis en begrip; hij moet de Dharma van de wereld en de Dharma van Boeddha opgeven en alle vertroebelingen afsnijden. Waar de ene werkelijke, ware geest verschijnt, zullen de wolken van vertroebeling verdampen en zal de maan van de geest opnieuw helder schijnen.
De Boeddha spreekt: ' Horen en denken verwijlen gezamenlijk in den vreemde, zazen is voorwaar het stilzitten na thuiskomst in het ouderlijk huis'.
Waarlijk bij het horen en denken komen leerinzichten niet tot rust, de geest blijft geremd, daarom heet het ‘verwijlen in den vreemde’. In puur zazen is alles stil en in ruste, niets is ondoordringbaar. Daarom gelijkt het stilzitten de thuiskomst in het ouderlijk huis.

De verlangens van de vijf verduisteringen ontstaan allen uit onwetendheid. Onwetendheid belicht niet het zelf, zazen belicht het zelf. Ook al worden de vijf verduisteringen overstegen, zolang onwetendheid niet wordt overwonnen behoort men niet tot de boeddha’s en patriarchen. Wil men onwetendheid overwinnen, dan ligt de sleutel in de beoefening van zazen.

Een oude meester spreekt: “Waar vertroebeling ophoudt, verschijnt stilte. Waar stilte verschijnt, schittert wijsheid. Waar wijsheid schittert openbaart zich het ware zelf.”
Wil je de vertroebelingen van de geest overwinnen, moet je het denken aan goed en kwaad opgeven. Alle mentale indrukken moet je van je af werpen, jouw geest mag aan niets denken en jouw lichaam mag niets doen. Dat is een eerste vereiste. Als de vertroebelingen door alles heen oplossen, verdwijnen eveneens de vertroebelingen van de geest. Als de vertroebelingen oplossen, verschijnt het onveranderlijke wezen. Als inzicht verschijnt, is het noch doodsstil noch in beweging.

Je moet je verre houden van technieken en kunst, verre van manieren en wegen, verre van medicijn, van wegwijzers en waarzeggerij. Nog minder moet je je ophouden aan zang en dans, prostituees en muziek, woordenwisselingen en leeg dispuut, streven en gewin. Ook al reinigen poëzie en gezang het hart, laat er niet jouw voorkeur naar uit gaan!
Zij die de Weg bewandelden gaven literatuur, penseel en verf op. Dit is zeer belangrijk voor de harmonie van de geest.

Je mag geen schone en geen vuile kleding dragen. Schone kleren wekken jaloezie op. Ook voor dieven dient men zich te hoeden, ze zijn een belemmering voor beoefenaars. Ook als iemand je iets geeft, is het niet aannemen naar het goede voorbeeld van de ouden. Ook al bezat je het al, toch moet je er niet te koop mee lopen. Zelfs als dieven het stelen, moet je er niet achteraan gaan of het betreuren. Vuile en oude kleding moet je wassen en herstellen, het vuil verwijderen en vervolgens schoon aantrekken. Als je het vuil niet verwijderd, zal het lichaam kou vatten en ziek worden. Ook dit is een belemmering in oefening.

Ook al is het fysieke lichaam niet van belang, toch worden het gebrek aan kleding, voedsel en slaap de drie gebreken genoemd: alle drie zijn ze reden tot vertraging (van oefening). Voedsel dat rauw, hard (onverteerbaar), bedorven en ongewassen is moet men niet eten daar het de maag onrustig maakt, in het lichaam koorts en in de geest vertroebeling veroorzaakt en zazen hindert. Men moet ook niet aan welsmakende spijzen hechten. Deze schaden niet alleen lichaam en geest, maar scheppen ook begerige verlangens.
Eten is slechts bedoeld om in leven te blijven, niet om de smaak te bevredigen. Na een overvloedige maaltijd in meditatie gaan zitten veroorzaakt ziekte. Na grote of kleine maaltijden kan men niet direct gaan zitten. Pas na een poosje kan men zazen beoefenen. De monniken moeten tijdens de maaltijd maat houden. Maat houden wil zeggen: van drie delen, twee delen eten en een deel over laten. Alle heilende kruiden, sesam en yamwortel moet men tot zich nemen. Dit is belangrijk voor het lichaam.

Tijdens zazen mag men niet leunen tegen een wand, meditatiebankje of wandscherm. Beoefen zazen ook niet op een plek waar de wind sterk waait, noch op een hooggelegen plek met wijds uitzicht! Dat alles brengt slechts ziektes voort. Als het lichaam tijdens zazen warm of koud is, onbehaaglijk of aangenaam, hard of zacht, zwaar of licht of op een andere manier ongewoon aanvoelt, dan ligt dat aan de adem. Men moet teruggaan naar de adem. Terug naar de adem wil zeggen de mond openen en als de adem lang is, zich aan de lange adem over geven en als de adem kort is, zich aan de korte adem over geven en deze zo geleidelijk aan harmoniseren. Zo verwijlt men een poosje: Als men daarbij de werking van verlichting waarneemt, harmoniseert de adem zich vanzelf. Daarna moet men weer door de neus ademhalen.

Als de geest daalt of stijgt, bot of scherp wordt, men (door muren en gesloten deuren) naar buiten kijkt of het innerlijke aanschouwt, als men de boeddha of een bodhisattva ziet, wijsheid ontwaakt of de soetra’s en de shastra’s herkent, - al deze merkwaardige en ongewoonlijke toestanden zijn slechts verschijnselen van ziekte ontstaan uit de disharmonie in denken en adem. Als dit gebeurt, dan concentreer tijdens het zitten de geest boven de beide voetzolen. Als de geest in het donker zakt, dan concentreer deze op de haargrens of tussen de wenkbrauwen. Bij verstrooiing laat men de geest op het puntje van de neus rusten of onder de navel. Gewoonlijk rust de geest tijdens het zitten in de linkerhand. Bij langer zitten komt de geest zelf tot rust, ook zonder deze (op een bepaalde plek) te concentreren.

Ook al omvat de leer van de ouden de geest van het verhelderende onderricht uit de school, toch moet men deze niet veelvuldig bestuderen, opschrijven of aanhoren. Als men dit veelvuldig doet, schept ook dat een reden tot verwarring van de geest. Alle vermoeidheid van lichaam en geest kan ziekte veroorzaken.
Beoefen zazen niet op plekken waar gevaar dreigt van vuur, water, storm en rovers, ook niet op het strand of in de buurt van een bar, bordeel, bij huizen waar weduwen, jonge meisjes en zangeressen wonen! Woon ook niet in de huizen van koningen, ministers en machthebbers, noch in de buurt van vrekken, van mensen die roem nastreven of graag vechten!

Grootse boeddhistische ceremonies en grote tempels zijn weliswaar goed, maar wie zich aan de oefening wijdt, moet zich daar niet aan ophouden. Ook mag er geen voorkeur zijn voor voordrachten en leerredes, want dit leidt slechts tot verstrooiing van de geest en ongeordende gedachtes. Schenk geen aandacht aan grote bijeenkomsten, noch aan de discipelen. De oefening moet eenvoudig zijn en de studie sereen.

Beoefen zazen niet op een plek die zeer licht of zeer donker is, erg koud of erg warm, noch in de buurt van feestvierders of prostituees! In de zenhal, bij een goede meester, diep in het woud of in een donkere dal kan men gerust verwijlen. Bij helder water en op lichte berghoogte is de plek geschikt voor lopen, in een dal of onder bomen is de plek geschikt voor de verheldering van de geest. Doorgrond vergankelijkheid, daar dit de geest aanspoort tot het vinden van de Weg.

De zitmat moet dik uitgelegd zijn zodat men comfortabel zit. De oefenplek dient schoon te zijn. Als men veel wierook brandt en veel bloemen schenkt, zullen de hoeders van de Dharma, de boeddha’s en bodhisattva’s aanwezig zijn en bescherming bieden. Als men afbeeldingen van boeddha’s, bodhisattva’s en araths vereert, durven duivels en demonen niet nader te treden. Oefen je steeds in groots erbarmen en wijdt de onmetelijke verdiensten van zazen aan alle levende wezens! Laat geen hoogmoed, eigendunk of arrogantie tegenover de Dharma verschijnen! Dat is slechts de manier van ongelovigen en onverlichten. Als men vastbesloten is alle lijden te doorbreken en met alle inzet probeert verlichting te bereiken, moet men uitsluitend zazen beoefenen en in alles niets doen. Dit is een belangrijke richtlijn voor zazen.
Men moet altijd ogen en voeten wassen, lichaam en geest rustig houden en op de juiste lichaamshouding achten. Wereldse genoegens dient men los te laten, ook moet men niet gehecht zijn aan verlichtingsmomenten. Met de leer van de Dharma moet men niet karig zijn, maar men moet er ook niet over spreken zonder erom gevraagd te worden.
Volg de regels van het drievoudig verzoeken en richt je naar de vier zijnsdelen (van de Leer)! Als men tien keer wil spreken, dient men negen keer te zwijgen. Om de mond groeit de schimmel; het is als een waaier in december; als een bel in ijle lucht niet antwoordend op de wind uit de vier hemelsrichtingen, zo zijn de discipelen van de Weg. De Dharma bezittend rest er geen begeerte, de Weg gevonden is er geen reden meer om jezelf verder te bewijzen. Dit is belangrijk.

Zazen behoort niet tot de leer, oefening en verlichting, maar draagt deze drie deugden in zich. Verlichting, dat het wachten op de satori beleving als norm heeft, omvat niet het wezenlijke van zazen. Oefening, die de verwerkelijking van de waarheid oefent, omvat niet het wezenlijke van zazen. De leer, die het overwinnen van het slechte en het oefenen in het goede leert, omvat niet het wezenlijke van zazen.
Ook al bevat zazen een leer, het is niet de gebruikelijke leer. De Weg is een direct wijzen van rechtlijnige overdracht waar het gehele lichaam spreekt, en woorden geen zinnen zijn. Waar inzichten oplossen en denken niets brengt, omvat een woord alles. Waar geen haar tot zijn recht komt, is dat niet de ware leer van boeddha’s en patriarchen?

Waar men van oefening spreekt, is het de oefening van niets doen. Het lichaam beweegt niet, de mond reciteert geen geheime formules, de geest bezit geen enkele gedachte. De zes organen zijn vanzelf helder, alles is onbevlekt. Niet de zestien oefeningen van de Sravaka, niet de twaalf oefeningen van de Pratyeka Boeddha, niet de alle oefeningen omvattende zes paramita’s van de Bodhisattva’s zijn het boeddha-worden, maar het niets doen. Het verwijlen in de samadhi van de zelfverwerkelijking aller boeddha’s, smachtend in de vier verrukte oefeningen van de bodhisattva’s – omhelst dat niet de grootse, wonderbaarlijke oefening van boeddha’s en patriarchen?

Ook al leren we verlichting, zonder verlichtings(oefening) verlicht te zijn, is het koninklijke Samadhi, is het Samadhi van het ongeboren weten, is het Samadhi van het al weten, het Samadhi van het oorspronkelijke weten, het opengaan van de lichtende poort van voltooide wijsheid en de Dharma poort van grootse verrukking. Het onderscheid tussen verlichten en niet-verlichten, tussen verwarring en voorbij-verlichting, is dat niet de beleving van de oorspronkelijke, grootse verlichting?

Zazen behoort ook niet tot discipline, verdieping en wijsheid, maar omvat al deze drie deugden. Discipline wil zeggen onrecht verhinderen en het kwade bestrijden. Zazen is non-dualistisch, verwerpt alle verschijnselen en interventies, bekommert zich niet om de boeddha wet en de wereldse wetten, ziet af van het gevoel van de weg en het gevoel van de wereld, ziet geen correct of verkeerd, noch goed of slecht. Hoe kan hier sprake zijn van een verhinderen of bestrijden? Dit is de discipline van de vormloze geest.

Verdieping is onverdeelde contemplatie. Zazen is het afvallen van lichaam en geest, de scheiding tussen verwarring en verlichting, de toestand zonder verandering en zonder beweging, zonder doen en donker, gelijk buiten zinnen, gelijk een steile wand, een berg, een oceaan. De beide vormen van beweging en rust ontstaan niet. Dit is verdieping zonder de vorm van verdieping. Omdat verdieping geen vorm heeft, wordt het 'grootse verdieping' genoemd.

Wijsheid is bewust kiezen en verwerpen. Bij zazen lost vanzelf het bewustworden (van objecten) op, de bewustzijnsvormen geraken voor altijd in vergetelheid. Het lichaam wordt tot het oog van wijsheid en doorziet de Boeddhanatuur helder, zonder keuzes of waarden. Zonder verwarring in de oorspronkelijke vertroebeling worden de wortels van het bewustzijn (door het wijsheidsoog) afgesneden, alles is helder doordringend. Dit is wijsheid zonder de vorm van wijsheid. Omdat het de wijsheid zonder vorm is, wordt het 'grootse wijsheid' genoemd.

De Leer aller boeddha’s en de verschillende niveaus in de leerredes van de eerwaardigen omvatten allen discipline, verdieping en wijsheid. In zazen worden alle disciplines uitgeoefend, alle verdiepingen beoefenend en alle wijsheden gerealiseerd. De overwinning van het boze (Mara), het verlangen naar verlichting, het in-beweging-zetten van het Dharmawiel en het binnengaan in Nirvana berusten allen op deze, ene kracht. Bovennatuurlijke krachten, buitengewone bezigheden, lichtstralen en de verkondiging van de Dharma berusten allen op zazen. Zazen is de beoefening van zen.

Als je zazen beoefent, zorg dan voor een rustige plek. Leg een dik zitkussen neer. Let op dat er geen wind of rook binnenkomt. Regen en dauw mogen niet hinderen. Zorg dat de knieën genoeg ruimte hebben, en maak de plek schoon! In oude tijden zat men in de diamanthouding en op rotsen, maar nooit zonder zitkussen. De plek waar je zit mag overdag niet te hel zijn en ‘s nachts niet te donker, dient warm in de winter en koel in de zomer te zijn. Zo moet men zitten.

Werp lichaam, wil en bewustzijn af, laat gedachtes, verbeelding en visie rusten, beoog niet eens een Boeddha te worden! Oordeel niet over goed en kwaad. Oefen zowel overdag als s’nachts alsof je een vuur op je hoofd wilt doven! De Volmaakten die tegenover de muur in meditatie zaten in het tempelklooster Shaolin beoefenden uitsluitend zazen in volle concentratie. Shih-shuang vergelijkt het met een dorre stronk, Ju-ching van de berg Ta-po waarschuwt voor het gevaar van de slaap tijdens oefening. Hij zegt: ' Men bereikt verlichting uitsluitend door zazen te beoefenen, zonder wierook te branden, zonder verering, zonder het aanroepen van de naam van Boeddha, zonder schuld te belijden, zonder de recitatie van soetra’s en zonder het verrichten van rituelen'.

Tijdens oefening dient men de monikkenpij (kesa) te dragen (behalve in de vroege ochtend voor het begin van de rituele dagindeling en in de late avond) en deze niet af te doen. Het zitkussen (met een doorsnede van 1 shaku 2 sun en een omvang van 3 shaku 6 sun) mag de zolen niet geheel ondersteunen, het rijkt halverwege de voetzolen naar achteren tot aan het bot van de ruggenwervel. Zo zitten de boeddha’s en patriarchen. Men zit met gekruiste of half gekruiste benen. Bij gekruiste benen legt men eerst de rechtervoet op de linkerdij, dan de linkervoet op de rechter dij. De kleding dient losjes te zitten (het onderkleed is met een riem vastgemaakt), en moet proper zijn. Dan legt men de rechterhand op de linkervoet en de linkerhand in de rechter, de duimen raken elkaar zachtjes en de handen zijn bij het lichaam. De duimen bevinden zich ter hoogte van de navel. Recht je lichaam, hel niet over naar links of rechts, noch naar voren of naar achteren. Oren en schouders, neus en navel liggen in een lijn, de tong raakt lichtjes het gehemelte en de adem vindt plaats door de neus. Lippen en tanden zijn gesloten, de ogen mogen niet te wijd noch te nauw geopend zijn. Als deze positie eenmaal is ingenomen, adem dan diep door en adem een of twee keer krachtig uit door de mond. Vervolgens pendel je het bovenlichaam, stevig zittend, zeven of acht keer heen en weer, eerst krachtig dan steeds lichter, totdat het lichaam in de onbeweeglijke toestand zit. Denk nu het niet-denkende. Hoe denk je in het niet-denken? Voorbij-denken, dat is het allerbelangrijkste bij zazen. Men doorbreekt de verlangens en geraakt tot verlichting.

Als je na het zitten opstaat, leg je eerst beide geopende handen op de knieën en pendel het lichaam zeven tot acht keer langzaam heen en weer, dan steeds krachtiger. Je opent de mond en ademt uit, spreidt de handen op de grond. Voorzichtig sta je op en langzaam ga je rond lopen van links naar rechts en van rechts naar links.

Als je tijdens het zitten door de slaap overmeesterd wordt, dan beweeg je lichaam of doe je ogen open, of je laat de geest rusten op je voorhoofd, aan de haargrens of tussen de wenkbrauwen. Als je dan nog steeds niet wakker kunt blijven, dan wrijf even met je handen door je ogen of over je lichaam. Mocht je desondanks nog slaperig zijn, dan sta op en loop linksom in het rond! Belangrijk is, dat dit in de juiste volgorde geschiedt. Als je honderd stappen gemaakt heb, dan zal de slaap verdwenen zijn. Tijdens het lopen maak je bij iedere in- en uitademing een halve stap. Ben rustig zonder beweging zowel in het gaan als in het niet gaan. Zou je nog steeds slaperig zijn, dan was je ogen, koel je hoofd of reciteer de Brahmajala soetra. Schud aldus de slaap van je af! Denk na over het belang van leven en dood en de vluchtige vergankelijkheid, denk na over wat het inhoudt te slapen zonder het verlichtingsoog doorgrond te hebben! Als de slaap je desondanks blijft plagen, dan spreek biddend: Door het boze karma is de gewoonte volhardend, wanneer zal ik uit het duister van de slaap ontwaken? Moge de boeddha’s en patriarchen mij met groot mededogen uit het lijden van de slaap bevrijden!

Als de geest afdwaalt, dan concentreer deze op het puntje van de neus of onder de navel en tel de in- en uitademing. Is de geest dan nog niet tot rust gekomen, dan verdiep je in een koan en zorg dat je alert blijft! Bijvoorbeeld: Wat is dat, wat daar zo nadert? Of de Boeddhanatuur van de hond – Mu, of de berg Sumeru van Yün-men, of de levensboom van Chao-chou. Zulke ongebruikelijke spreuken zijn daarvoor goed geëigend.

Is de geest nog steeds onrustig, dan concentreer je met je laatste krachten op het moment waar de adem ophoudt en de ogen voor eens en altijd oplossen, of op het moment voor de bevruchting in het moederlichaam en het ontstaan van een gedachte. Als plots de leer (van subject en object) verschijnt, verdwijnt de verwarring van de geest vanzelf.

Als je na het opstaan uit de meditatie zonder na te denken de lichaamshouding inneemt, dan verschijnt de koan. Als je zonder onderscheid oefening en verlichting manifesteert, dan verschijnt de koan. Wat voor een teken komt en voorbij het tijdperk (kalpa) van de leer is – het wezenlijke van de wonderbaarlijke werking van boeddha’s en patriarchen - omvat alleen maar dit ene. Laat daarom de dingen rusten en verdwijnen, wijk uit naar een koud land, in het nu van de tienduizend jaar, in de (levenloosheid) van het koude geld en een dorre stronk, in de geur van wierook van een oud graf, in een draad van zachte zijde!

Dit zij mijn allerhoogste gebed.

(Deze vertaling is uit het inmiddels niet meer verkrijgbare boek: „Dogen Zen – Kleine Schriften der Soto-Schule“ van Heinrich Dumoulin. De oorspronkelijke titel van deze tekst is: “Merkbuch für die Übung des Zazen“ - Notitieboekje over zazen)